Germania

Part 26

Chapter 264,099 wordsPublic domain

Sogol, hoewel doodmoede en tot slapen geneigd, dwong zichzelf om wakker te blijven, want indien Harimona en Haun pogingen tot zijn redding zouden wagen, was het zeker dat zij van de duisternis gebruik zouden maken en hij moest oplettend luisteren blijven naar elk gerucht, opdat hij, zoo zij hem riepen, dadelijk zou kunnen antwoorden.

Het werd nu koud in de krocht. Zoolang deze geheel gesloten was geweest, had de buitenlucht geen toegang gehad. Maar nu, door het luchtgat dat Hadoe had gegraven, kwam een ijzige tocht binnenwaaien. Sogol rilde, want zijn pels was terzijde gegleden, ’t geheele lichaam was naakt.

Plotseling, in die stilte, begon de Nerigoon te spreken, verwarde woorden zonder zin of samenhang.

Sogol had als knaap te vaak, als hij met Spûr mede ging, gewonden en zieken in koortsen zien liggen, dan dat hij niet dadelijk begreep, dat de man ijlde. Hij luisterde scherp toe, maar nu in zijn ijlkoortsen, sprak de man Nerigoonsch en hoewel die taal wel eenigszins geleek op het Nervisch, toch kon Sogol ze niet verstaan. Zoo lag hij, luisterend naar het gebrabbel van den ongelukkigen schipper. Maar tusschen de Nerigoonsche woorden hoorde hij anderen, van vreemden klank, alsof de schipper nog een andere taal sprak.

Sogol toeluisterend, vergat zijn moeheid. Daar lag, vlak bij hem een man, die den weg naar ’t vreemde land kende, die er van teruggekomen was, zijn schip zwaarbevracht met de wondere schatten van dat land. En die man, in zijn koortswaan, sprak daar nu wellicht van, onthulde het groote geheim van den weg, dat de Nerigonen, zooals alle Scandiërs, zoo zorgvuldig voor andere volkeren verborgen, den menschen afschrikkend met vreesaanjagende verhalen.

Deze hier had nog zooeven van een nix gesproken, die hij in de groote wereldzee met een harpoen had gedood. Nu had de Nerigoner toch geen noodzaak gehad om te liegen.

Dus bestonden er dan toch nixen... waren de verhalen van de monsters en gedrochten niet alle slimbedachte leugens om navolgers af te schrikken? Het groote geheim van den weg werd daar, op eenige passen afstands van hem, geopenbaard en hij kwam er niets van te weten, dan wat vreemdklinkende woorden, voor hem zonder beteekenis.

Indien hij zich maar los kon werken. Hij zou den man te drinken kunnen geven, verplegen, de vrijheid hergeven en dan zeker zou hij hem uit dankbaarheid den weg naar het vreemde land wijzen.

Nogmaals wrong Sogol aan zijn riemen. Maar de kluisters waren te vast aangelegd en sneden hem in ’t vleesch. Maar toch, eenigszins had hij ze verwrongen en de riem, die zijn linkerarm vastknelde, kon hij nu het hoofd zoover mogelijk ter zijde draaiend, met zijn tanden bereiken.

Dat was een aanvang. Dien riem moest hij doorknagen.. dat was het begin der bevrijding. Het ging heel moeilijk. Maar zijn tanden waren jong en sterk en steeds maar doorbijtend zou hij zeker den riem, al ware ze ook driemaal sterker, kunnen vaneenknagen.

Gestadig aan knaagde hij; het taaie leer werd week en glibberig door zijn speeksel. Toch bleef hij vezel na vezel doorbijten. Hij moest een poos rusten, misselijk wordend door den smaak van het leer. De stuurman kreunde nu weer.

„Schipper!” riep Sogol.

„Wat wil di, heer!” kreunde de zeeman.

„Houd di stevig... Ik zal di bevrijden.”

„Het is te laat heer; ik kan niet meer.”

„Ik zal di bevrijden en di redden.. Nog dezen nacht..”

En weer begon Sogol aan den riem te knagen, terwijl de Nerigoon bleef steunen. Telkens moest Sogol wachten, vermoeid rakend en misselijk wordend. Zijn tandvleesch begon te bloeden en het was hem, alsof hij geen tanden meer in den mond had. Maar toch bleef hij doorkauwen en knagen, vezel na vezel uit het leer losrukken. Toen eindelijk, nadat twee derde deel was doorgeknaagd, zette hij de spier van den bovenarm met kracht op. Het leer van den riem gaf krakend iets mee. Sogol wachtte een oogenblik en opnieuw zijn armspier doende zwellen, gaf het murw gebeten leer mede.

Dat was de bovenarm. Hij kon nu den linker elleboog en den linker schouder vrij bewegen en slechts het linker polsgewricht was nog aan een bronzen ring in den rotsigen bodem vastgebonden. Gelukte het hem den pols los te wringen, dan was hij op ééne zijde vrij en de andere zijde zou weldra volgen.

Doch hij kon den mond niet tot aan het polsgewricht brengen, daar zijn rechterschouder, bij den bovenarm vastgebonden, hem aan den grond ketende. Daarom moest hij eerst den bovenarm van den rechterarm losknagen, zooals hij dat bij den linkerarm gedaan had. Gelukkig dat hij nu niet meer gestadig denzelfden kant van den mond behoefde te gebruiken, maar afwisselend met de linker- en met de rechterhelft kon knagen.

Als een dier, geduldig en onverzettelijk, beet en kauwde hij op het leer tot hij ook den rechter bovenarm ontboeid had. Zijn hart klopte heftiger van vreugde nu hij bemerkte, dat hij zich halverwege kon oprichten. Het bovenlichaam was dus bevrijd, nu de polsen en enkels... Maar hij behoefde niet meer te kauwen. Thans, nu hij over zijn geheele lichaamskracht beschikte, begon hij aan de polsriemen te wrikken. Het leer gaf iets mede, maar de polsen zwollen door de krachtsinspanning en daardoor verloor hij de gewonnen verwijding. De polsen moesten glad gemaakt worden, opdat ze door de riemen heen konden glijden. Hij peinsde even. Indien hij maar een paar druppels olie gehad had... Doch een denkbeeld kwam in hem op en een poosje later zich met geweld overwinnend, nam hij de eigen drek in den mond en spuwde ze op zijn rechterpols uit.

En nu weer begon hij te trekken en te wringen... de riemen gaven mee, de nu gladde polsen gleden onder de riemen weg en zijn rechterarm was geheel bevrijd.

Hij zwaaide hem rond om de stijfheid te doen verdwijnen. Toen tastend langs den grond, zocht hij naar een paar ruwe steenen. Hij vond een stuk rotsscherf met een vrij scherpen kant. Dien scherpte hij aan tegen den grond en nu het als mes gebruikend, telkens in een kerf in de riemen insnijdend en dan weder den steen aanzettend op den grond, slaagde hij er in zich geheel te bevrijden.

De moeilijke arbeid had hem zoo beziggehouden, dat hij niet op den schipper meer gelet had. En hij, zweetend van de inspanning, rekte zich uit en liep nu tastend naar den hoek waar de schipper lag.

Deze was weder bewusteloos en Sogol, hem betastend, voelde hoe zijn beenen ijskoud waren. De riemen hadden den bloedsomloop gestremd.

Geduldig en hardnekkig begon Sogol met zijn gescherpten steen de riemen door te snijden van den schipper. Doch de arbeid vorderde langzaam in ’t donker. Daarom kroop Sogol naar het luchtgat en het haastig met de handen uitgravend, stond hij weldra buiten.

„Vrij!” zuchte hij.

Buiten was het doodstil. De hooge avondlucht stond vol sterren en in ’t verschiet doemde vaag de zwarte schaduw van een bosch. Zijn gevangenis was een in rotsen uitgehouwen hol, dat met rulle aarde inderhaast was dichtgegooid.

Hij ademde de nachtlucht met volle halen in en hij voelde zich vervuld van een dankbaarheid, die hem tot weenen bracht. Het leven was dan toch zoet en schoon, ondanks zijn raadsels. Daar, gebonden in ’t donkere krocht, had hij versmachtend den dood gewenscht. Maar nu rilde hij, denkend aan de doorgestane smarten en den dood. Leven wilde hij, het heerlijke, hooge leven bezitten, en zijn armen uitstrekkend, omarmde hij de nachtlucht als een bruid, die hij eindelijk weder omhelzen kon.

Hij keek om zich heen. De streek was hem welbekend. Daar gindsch begon het groote Nervische woud. Links daarvan, aan de tegengestelde zijde van de ster Brendel lag Beldun, de groote havenplaats.

Hij was dorstig en hongerig en voor ’t oogenblik niets anders vindend, trok hij wilde zuringstelen uit den grond en begon er op te kauwen. Eerst nu kwam de gedachte aan den lijdensgenoot in de krocht weer in zijn hoofd, zoo was hij geheel ingenomen geweest door het zalige gevoel der herwonnen vrijheid.

Hij keek rond om te zien of niet ergens een boschje in de nabijheid was, waar bij droog hout kon vinden. Dan had hij vuur en licht kunnen maken en met gloeiende houtspitsen de riemen van den schipper kunnen doorzengen. Maar het bosch in ’t verschiet was te ver. Hij blikte besluiteloos naar de krochtrots. Uit de wijze waarop de glooiing boven de krocht liep, in een langen, golvende lijn met inzinkingen, maakte hij op, dat hun krocht niet de eenige was, maar dat de rotswand over een groote lengte in krochten was afgedeeld. Daarom liep hij nu langs den rotswand en voorbij de eerste inzinking vond hij een tweede krocht, maar geheel open, zoodat hij in ’t vale duister wel iets kon onderscheiden. De krocht was leeg, doch in ’t midden hing een bronzen pot boven een leemen haard. Het vuur in den haard was uit. Sogol nam den pot uit den kettinghaak en hem aan het hengsel zwaaiend, sloeg hij den pot met kracht tegen den rotsigen wand. De pot sloeg met een hollen metaalklank stuk. Sogol zocht twee groote scherven en begon ze haastig tegen den rots te wrijven tot ze scherp genoeg waren. Toen snelde hij terug naar de krocht waar de zeeman lag. Die was nog altijd buiten bewustzijn.

Sogol kerfde nu de riemen van zijn armen en polsen los. Hij bevoelde de riemen waarmede de beenen van den zeeman waren vastgesnoerd aan den grond. Ook hier was een bronzen ring vastgegoten in den rots. Sogol rukte aan den ring, maar deze was te vast in den rotsgrond bevestigd. Hij moest opnieuw de riemen doorkerven en eerst toen lag de man bevrijd.

Sogol beurde hem op en droeg hem naar buiten. De koele nachtlucht hoopte hij, zou den man weder tot bezinning brengen. Hij wreef hem krachtig de beenen en nu in het nachtlicht bemerkte hij, dat de man een verkromden rechter voet had.

Maar terwijl hij den man tot bewustzijn trachtte te brengen, dacht hij aan Harimona. Nu hij vrij was, moest hij aan hare bevrijding denken. Maar waar was zij? Gevlucht? Gedood? Teruggevoerd naar Renigo? Of wellicht in één van de krochten vastgebonden, zooals hij bewegeloos aan den grond gesnoerd was geweest.

Daar de zeeman nog altijd bewusteloos bleef, nam Sogol hem op en liep met hem langs den rotswand, speurend rond met de oogen of hij niet ergens het glanzende vlak van een wel of een kreekje kon ontdekken. Maar het groote grasveld breidde zich tot aan den donkeren horizont uit, daar waar het woud begon zonder kreek of plas. Op de krocht waar de haard was, volgde een tweeden, geheel ledig. Een eind verder was er een derde.

Daarvoor hing een zwaar, dichtgeweven zeil. Sogol legde den zeeman zacht op den grond, tuurde terzijde door een kier in de krocht. Daar zag hij, voor een sintelvuur twee menschen liggen, geheel naakt, een groote man en een vrouw in zijn arm, die het hoofd op zij, sliepen. Sogol sloop geruischloos binnen, nam een gloeienden sintel van het vuur. Met verwondering bemerkte hij, dat de andere mensch ook een vrouw was. Hij rilde nu van afgrijzen. Voorzichtig een aakst nemend, die dicht bij de hand van de grootste der vrouwen lag, hief hij deze reeds op om de twee met twee snelle slagen te dooden. Maar hij bedacht zich. De dooden spreken niet en deze vrouwen moesten spreken, hem zeggen waar Harimona en Haun zich bevonden.

Met de aakst gewapend, sloop hij weder uit het woonhol en liep verder langs den rotswand. Daar was opnieuw een woonhol en ook hier sliepen twee vrouwen, half naakt, op pelzen voor een vuur. Tegen den wand stonden aaksten, een kortzwaard, een langzwaard en kruiken en potten.

Sogol, de aakst in zijn hand, sloop naar de potten. Maar bedenkend, dat een ontwaken hem veel last zou kunnen bezorgen, nam hij het langzwaard en sloeg met krachtigen slag de beide vrouwen in haar slaap tegelijk de hoofden van den romp. Zij uitten zelfs niet een korten gil, waren stom, zonder zucht of klacht van den eenen slaap in den anderen overgegaan.

Nu, rustig, nam hij een stuk hout van ’t vuur en ’t boven de potten houdend, bevond hij dat deze eetwaren en water inhielden.

Hij snelde naar buiten, tilde den schipper op, sleepte hem in de krocht en zonder zelf nog een teug waters genoten te hebben, bevochtigde hij de slapen en de borst van den bewustelooze, goot hem water in den mond, wreef hem krachtig langs de armen en beenen.

Nu sloeg de schipper de oogen op. Sogol hield hem de hand voor den mond.

„Zwijg schipper.... du bent gered. Maar zwijg.”

Hij zette den man overeind, gaf hem te drinken en nu hem weder optillend en naar buiten brengend, zeide hij:

„Stil en kloek, vriend. Ik heb dijn riemen losgesneden en di tot hier voortgeholpen. Wij zullen vluchten. Zeg mi, op welk wapen bent du geoefend?”

„Den harpoen, de knods en het mes.”

„En de aakst? Of het kortzwaard?”

„De aakst!”

Sogol snelde terug in de krocht, nam een aakst en een kortzwaard, liep weder naar buiten. Toen, nadat hij den schipper den aakst in de hand had geduwd, zei hij:

„Wacht mi hier, vriend.”

Hij ging weer terug, haalde een kan drinkwater en een pot met eetwaar. Buiten zette hij de kan aan den mond en dronk, met voorzichtige, langzame teugen, als een man, die gewoon aan honger en dorst, weet dat men na lang versmachten kalm en niet overhaast moet drinken.

Toen gaf hij de kan aan den zeeman, maar fluisterde:

„Drink niet haastig.... met kleine teugen.... als dijn leven di waard is.”

Sogol stopte zijn hand in den anderen pot. Hij voelde het taaie, kleverige van honig in raten. Gulzig bracht hij een stuk raat aan den mond. O, hoe zoet, hoe mild, smaakte ze, de honing, hoe koesterde zij den vlijmenden kramp van zijn hongerige maag. De zeeman tastte ook toe.

Sogol liep een eind zijwaarts, wenkte den zeeman om mede te komen. Maar deze was te zwak nog om te loopen. Daarom sloeg hij hem den arm om den rug en hem zoo broederlijk steunend, liep hij met hem tot wat struikgewas.

„Blijf hier, met den aakst in dijn hand en waak. Zoo du wat hoort, fluit dan. Er zijn nog meer gevangenen en ik heb ze te bevrijden.”

„Vertrouw op mi, heer.”

Nogmaals ging Sogol terug om zijn dorst te lesschen en stak weer een stuk honing in den mond. Toen, eenige zwaaien en houwen in de lucht met het kortzwaard doende, om zich te wennen aan ’t gewicht en om de dracht van den slag te meten, nu met zijn wapen in de hand te midden van wijven, wèl vertrouwend op zijn kracht en behendigheid, sloop hij langs de krochten. Hij telde er twintig. In elke krocht lagen twee vrouwen bij elkaar.

„Ontuig, ontuig! Liederlijk getwaas!” zei hij vol afgrijzen.

Maar waar waren Harimona en Haun?

Opeens herinnerde hij zich, dat hij de vrouwen had zien dansen om iets.... Dat iets.... wat was dat geweest... Wellicht Harimona? Of Haun?

Hij schreed terug tot voor de krocht, waar hij gelegen had. Toen daarvoor staande, zocht hij in den helderen sterrennacht naar een boschje, dat gelijken kon op ’t geen hij omgekeerd in zijn visioen tegen den muur van de krocht had gezien. Recht voor ’t gat zag hij iets, dat er op gelijken kon. Hij snelde er met groote, haastige schreden op af, het kortzwaard gereed.

Een boschje van tien boomen stond daar.... nu zag hij het duidelijk. En in ’t boschje glimde het schijnsel van een vuur....

Ondanks zijn spanning, verminderde Sogol zijn vaart, liep terzijde om tegenwinds het boschje te bereiken, opdat niet zoo de lieden daar waakhonden hadden, zijn nadering verraden zou kunnen worden.

En nu, voorzichtig nader sluipend, zich plat op den grond leggend, kruipend langzaam voorwaarts ontwaarde hij vier mannen, eveneens met roode buizen.

„Norigeensche schippers, de makkers van den manken schipper,” dacht Sogol.

Zij zaten om het vuur en dicht bij hen zat Harimona, met de handen vastgebonden aan een boom, starend in het vuur, maar overigens kalm.

Sogol drong plotseling door tot voor het vuur en zich met het kortzwaard vooruitgestoken voor Harimona stellend, riep hij:

„Dood dengeen, die zich beweegt.”

De vier mannen, opschrikkend uit hun sluimer, sprongen naar achter. Twee namen de vlucht. Een derde zocht bescherming achter een boom, maar de vierde, dapperder dan de anderen, trok een kortmes uit zijn gordel en bleef kloek staan, gereed het tegen Sogol op te nemen.

„Wie bent di, kaerel?” vroeg Sogol.

„Een Nerigoonschen zeeman.... Pas op, voor de kol achter di. Zij heeft onzen makker gedood.”

„Steek op dijn mes,” zeide Sogol tegelijk zijn zwaard met den punt in den grond voor zich stekend. „Wij zijn vrienden. Dijn makker is vrij en leeft.... hij was een manke stuurman niet waar?...”

De drie anderen kwamen nu ook toeloopen.

Nu keerde Sogol zich om en omhelsde Harimona, kuste haar op mond en wangen, drukte haar aan zijn borst, reet met één snede van ’t kortzwaard den riem door, waarmede haar handen geketend waren.

„Waar is Haun?” vroeg Sogol.

„Ik weet het niet... Ik ben ’s nachts in een donker hol als uit een droom ontwaakt. Deze vier lieden, die hun makker zochten, hebben mij gepakt en naar hier gevoerd. Zij ondervroegen mij, hielden mij voor de aanvoerster van de vreeselijke wezens, die hier in ’t bosch schijnen te huizen. Zij bezweren mij, dat hier heksen en nixen in ’t woud wonen, die geheel naakt loopen en zich op reizigers werpen.”

„Zij hebben gelijk...” „Mannen,” ging Sogol voort nu zich tot de vier zeelieden richtend, „ik ben Sogol, prins der Nerviërs en dit is Harimona, de heilige vrouw van Renigo, mijn bruid. Wij zijn, zooals du, door die vervloekte wijven aangevallen. Ik ontwaakte in een donker krocht en daar lag ook dijn makker, geboeid en versmachtend. Ik heb hem bevrijd en hij houdt hier dichtbij de wacht. Indien du moed hebt, zoo volgt mij, dan kunnen wij de bende dier wijven ketenen en opbrengen of dooden.”

De vier mannen keken elkaar aan.

„Heer,” zei een hunner, „tegen mannen willen wij vechten maar tegen nixen en kollen is alle strijd vergeefs.”

„Wat? Bent di Norigener? Mannen, die de groote wereldzee bevaren en in ’t vreemde land tegen de monsters en gedrochten vecht.”

De vier waren niet zoodra met een antwoord gereed en bleven zwijgen.

„Als di niet durft, ga ik alleen. Bewaak hier de heilige vrouw.”

Een der mannen, dezelfde die tegenover Sogol stand had gehouden, een rijzige, breedgeschouderde kaerel, trad naast Sogol.

„Heer, ik ben dijn man....”

En zich tot de drie andere richtend, zeide hij:

„Bewaak de Bruid van den dapperen prins.”

„Waar gaat di heen, liefste?” vroeg Harimona.

„Haun bevrijden. Wacht mi hier, mijn kind.”

Hij kuste haar op ’t voorhoofd en de twee mannen verdwenen in de duisternis.

De manke stuurman lag nog altijd wachtend achter ’t kreupelhout. Toen hij zijn maat zag en nu zich eerst veilig voelde, begon hij te schreien van geluk.

„Ik dacht, dat ik daar levend verhongeren zou, meester,” zei hij, na den anderen zeeman een kort verslag van zijn wedervaren te hebben gedaan.

„Bent di de meester?” vroeg Sogol.

„Ja heer, ik ben skigvoerder.”

„Hoe is dijn naam?”

„Rytzell de Svizjoon. Mijn mannen zijn allen Nerigonen. Tien zijn er op de skig gebleven ter bewaking, twintig hebben over land de reis naar Scandia aangedurfd. Wij wilden in Beldun overwinteren om tegen het voorjaar met een nieuwen skig een nieuwe reis naar ’t vreemde land te beginnen.”

„Zend dijn stuurman weg. Wij samen zullen wel met dat vrouwsvolk ’t alleen klaren, Rytzell.”

De skig-kapitein zond den manken stuurman naar ’t boschje, waar zijn makkers Harimona beschermden. De rust had den manke goed gedaan en hij kon nu weder loopen.

„Rytzell,” zeide nu Sogol, „het hart is mij goed om al die wijven neer te slaan.”

„Heer, ’t is kwaad vechten tegen nixen en kollen.”

Sogol haalde de schouders op.

„Heb di nooit in ’t vreemde land tegen nixen en kollen gevochten?”

„Neen heer... daar leven wel gruwelijke beesten, sterker dan de beer en woester dan de ever. Maar getwaas heb ik er nooit gezien.”

„Heb di dan wel getwaas gezien, ginds in dijn vaderland?”

„Ik zelf niet heer.... maar anderen hebben er velen gezien....”

„Zeg mi eens oprecht opperschipper, heb di ooit in de wereldzee zeewijven gezien met vischlijven?”

„Neen heer... zelf niet. Maar anderen...”

„Ik zal di wat zeggen, opperschipper. Wij zijn mannen, beiden onvervaard en geen kinderen, angstig voor een spook of een droombeeld. Ik ben een man, die lang in de bosschen heb geleefd en veel onderzocht heb. Dit zeg ik di: daar zijn geen andere geheime machten, dan die wij in ons hebben. En nu let op. Du zult zien, dat in de krochten geen nixen of kollen huizen, waarvoor koene manslui bang behoeven te zijn. Maar liederlijke boschwijven, de snee van een eerlijk zwaard schier niet waard. Nu volg mi...”

Zij liepen langs de krochten. Sogol, nu vreezeloos, trok de voorhangen terzij en toonde de slapende wijven paar bij paar. Ook kwam hij weer bij de krocht, waar de twee vrouwen lagen, die hij met één houw de hoofden van de romp had geslagen. In den zwakken rossen schijn van ’t doovende haardvuur lagen daar de ontzielden lichamen in ’t bloed en de beide hoofden star en gelaten van uitdrukking hingen ter zij op de kussen der blonde, losse haren.

„Die sloeg ik in den slaap neer!” zeide Sogol „om mijzelf en dijn maat te kunnen helpen.”

Sogol bemerkte aan ’t zwijgen de ontzetting van Rytzell.

„Zeg mi, opperschipper, hebt di ooit zoo iets schrikkelijks ginds in ’t overzeesche land gezien?”

„Neen heer... wel heb ik er levende vrouwen gezien, die verbrand werden met het lijk van haar man. Maar dat is om der wille van het geloof.”

„Gelooven ze daar ook aan Wotan?”

„Neen heer en niet aan Odin ook.”

„Wat gelooven ze dan?” vroeg Sogol, vergetend de gruwelijke krocht waar de twee onthoofde vrouwen aan hun voeten lagen, voor de oplossing van het groote vraagstuk, dat hem meer belangstelling inboezemde dan de voorvallen van het heden.

„Zouden wij niet eerst den gevangene redden?” vroeg Rytzell, naar de gewoonte der Scandiërs, ontwijkend het antwoord op alle vragen omtrent het vreemde land.

Zij traden uit de krocht naar buiten en liepen langs den steilen rotswand.

„De vrouwen, die ons vervolgden heer, geleken op deze.”

„Dat zijn dijn nixen, schipper. Geloof mi, andere bestaan er niet. Wij zullen er nu twee in haar slaap wegvoeren en dan vragen waar mijn horensteker is.”

Sogol liep een krocht binnen en een prop makend van een stuk lijnwaad en Rytzell beduidend hetzelfde te doen, nam hij een wijf bij ’t gelaat, rukte haar den mond open en voor ze gillen kon, duwde hij haar de prop in den mond. Daarna tilde hij haar op en droeg haar naar buiten. Rytzell, hield zijn hand voor den mond der andere vrouw en sleepte haar met de andere hand Sogol achterna.

Zij liepen nu, elk een vrouw dragend, snel ver uit het bereik der krocht. De vrouwen, plotseling uit haar slaap gewekt, verweerden zich maar de twee mannen, beiden van groote lichaamskracht, sleurden heur voort. Doch de vrouw, die Rytzell droeg, van groote statuur en zwaargespierd, beet hem in den vinger. Even trok de zeeman zijn hand terug en zij, snel zich losrukkend, kreeg vasten voet op den grond en begon met haar ontvoerder te worstelen.

De zeeman, korte metten makend, trok zijn mes en stak haar dit in ’t hart. Als een blok viel ze neer, maar heur gegil tijdens de worstelpartij had de andere vrouwen gewekt en enkele kwamen al, met vlamhouten en met zwaarden gewapend toerennen. Het was echter duister genoeg om de twee mannen, nu geen gillen der vrouwen den weg aanwees waar zij haar aanvallers konden vinden, aan haar oog te onttrekken.

Rytzell, de vrouw die Sogol torschte, bij de beenen vattend, hielp Sogol haar zwaar lichaam dragen en beiden snelden naar het bosch, waar de andere zeelieden waakten.

Toen zij daar kwamen, waren de zeelieden zeer verwonderd de gevange nix te zien. Zij durfden haar nog altoos niet naderen. Rytzell scheurde een deel van het overkleed van Harimona snel in reepen en boeide de vrouw de handen en de voeten, handig de knoopen leggend, zooals zeelieden dat verstaan.

„Luister wel!” zeide nu Sogol tot haar. „Antwoord op mijn vragen naar waarheid en schreeuw niet; zoo du schreeuwt, werp ik di in dit vuur....”

Toen, met het mes van Rytzell voorzichtig de prop uit haar mond nemend, vroeg hij: