Part 16
Het was een wijle stil toen Sigbert zijn roerend verhaal had gedaan en de stoere Batouwer, denkend aan het kind, dat hem ontvallen was, wreef met den rug van zijn groote knuist, een traan uit de oogen.
De Oudste van den Raad der Ouden stond op en met een beverige stem, dankte hij Sigbert voor zijn beleidvol en opofferend gedrag. Hij stelde voor Reri en Tjeerd beiden te doen benoemen tot saksvoerders en hun recht te geven op een akker en een weiplaats op de meent.
De Batouwers staken allen de saksen op en sloegen die tegen elkaar ten teeken van instemming. Maar Sigbert was treurig teruggetreden en tot Maaike, die terzij bij een vuur wachtte, zei hij:
„Mi was ’t liever geweest, als onze Herebaeld nog leefde.”
„Mi ook Sig!” zei Maaike, zich steunend tegen haar man.
En de Batouwers zagen stil en eerbiedig de twee terugtreden.
Er was besloten tot het voorjaar te wachten om de Dantubaren te gaan tuchtigen. De Raad der ouden had onderzocht hoeveel graan er nog in de Batouw gebleven was. Maar dat viel tegen en ondanks de voorspelling van Harimona, die hoop op de toekomst gaf, waren de Batouwers treurig en ernstig naar hun hutten teruggekeerd.
Het was een gruwelijk strenge winter. Van de koude werd niet veel geleden, want men had genoeg pelzen en hout. Maar de honger kwam nijpen, toen het graan verbruikt was. Het vee en de paarden, waarvoor men geen voeder meer had, moesten geslacht worden. Het vleesch, in de open lucht gelegd, bevroor en bleef lang goed en zuinig werd er van gebruikt. Doch het raakte ook op en elken dag kwamen er bij Sigbert buurlieden en stamverwanten om voedsel vragen. Die van verre kwamen, aan de Dantubaarsche grens woonden, vertelden van de verschrikking van den honger bij de Dantubaren, want het geroofde graan had niet lang gereikt en vee bezaten de arme Dantubaren sinds lange niet meer. Er waren daar mannen, die hun vrouwen en kinderen hadden geslacht en opgegeten. De zwarte ziekte heerschte er en men zag op de wegen de blauwe, bevroren lijken van tot geraamten uitgeteerde menschen liggen, die ziek uit de dorpen waren gedreven en van honger en kou spoedig waren gestorven. Soms kwamen de Dantubaren, in een groote troep ’s nachts naar de woningen van de grens-Batouwers sluipen, loerend op roof. Maar de honden sloegen aan en zoo krachteloos was ’t verhongerde volk geworden, dat twee Batouwers slechts met de knods gewapend, er op één nacht tachtig hadden neergeveld. Zij deden geen moeite om zich te weren, vielen op de knieën en lieten zich neerslaan als aren buigend voor de sikkel.
Sigbert had nog geen gebrek, want Reri, de zeeman, wist een middel om visschen in de rivier te vangen, maar dat gebeurde in ’t geheim, want de visch was schraal en als anderen zijn geheim ontdekten, zouden ze allen naar de rivier gaan en dan bleef er spoedig niets meer te vangen over. ’s Nachts gingen hij en Tjeerd naar den stroom en hakten een bijt. Dan staken zij een bundel stroo in de bijt en daarin dan raakten wat kleine visschen verward, die ze thuis brachten. Doch de rivier vroor steeds dichter toe, zoodat de stroowisch wel tot een manslengte in ’t gat moest gestoken worden. Maar ook was het ééns gebeurd, dat zij een grooten snoek in ’t ijs vonden vastgevroren. Dat was een vangst geweest! Moeder had hem in mooten gesneden, aan spitjes gezoden en daarna in den rook gebruind.
De vier zaten den ganschen dag voor het vuur in de hut. Sigbert en Reri waren beurtelings de bosschen gaan afloopen om naar winterwild te speuren. Maar de holen waren verlaten en de bosschen waren leeg. De dieren, door hun instinct gedreven, hadden andere streken opgezocht of waren bevroren en lagen verborgen onder de ijskorst van het bevroren sneeuwwater. Vèr dorsten zij niet van huis te gaan, want de honger maakte de beste lieden tot vijand en waar die dan voorraad vonden, stalen zij het weg en sloegen de bewoners neer, wanneer die te zwak waren om zich te verdedigen. Daarom bleef altijd een van de mannen bij moeder thuis en verder dan een horenstoot afstands durfden Sigbert en Reri niet te gaan.
De zeeman verhaalde in de eerste tijden van zijn reizen. Hij was vier keer naar ’t Paarden-eiland geweest. Den laatsten keer was de schipper met de zeelieden, dwars over ’t eiland getrokken, het schip medevoerend op vijf stel wielen, die ze hadden medegenomen. En toen, aan de andere zijde, hadden zij ’t schip weder te water gelaten en waren voortgestevend, twintig nachten lang om den weg naar het vreemde land te zoeken, die bekend was ver in ’t noorden, waar de Recken woonden. Maar zij hadden geen land ontdekt, de wereldzee breidde zich steeds verder uit en vreeselijke stormen waren opgestoken. Toen wilden de zeelieden terug, omdat ze vreesden in den baaierd te geraken, en van de aarde af te vallen in den diepen, donkeren zwind, waar de kwade geesten huizen. De schipper had ze schatten beloofd als zij hem trouw bleven en nog drie dagen waren zij blijven stevenen. Maar toen de stormen toenamen en de wacht ’s nachts een groot zeemonster had gezien, dat zware stralen water opspoot en loeide met meer geweld dan een barditus van tien saksen, weigerden de zeelieden verder te gaan. Toen had de schipper een spaak in de hand genomen, gedreigd elkeen neer te slaan, die zich tegen hem verzette, de zeelieden opgeroepen, die mee durfden. Hij, Reri, was als Batouwer, de eenige geweest, hoewel hij ook zeer voor ’t monster en den zwind gevreesd had. Maar hij had zijn woord gegeven voor de afreis.
„Hadden die anderen hun woord niet gegeven?” vroeg Tjeerd.
„Dat zeker....” zei Reri.
„’t Waren zeker Kaninefaten!” zei Sigbert verachtelijk.
„Zooals du zegt vaêr, Kaninefaten en Dantubaren.”
„Dat’s allemaal klootjesvolk! Als ’t nu nog Frisen geweest waren.”
„Neen,” zei Reri, „een Fries staat zijn man als du ’m aanvalt. Dat is bekend. En als een Fries vecht, dan staat-ie of valt-ie. En als ’t is om een skig te bouwen, laat ze dan maar loopen. D’r zijn geen betere bouwers.... onze skig was een Friesche, maar hij liep in den wind gladjes als een steen van den berg. Als wij het zeil ophadden en er kwam een skig van de Eierlanders of de Bellovaken, die mee wilden en ons vooruitloopen, dan wisten wij ’t al en hielden een ham omhoog, dat ze ’m mochten halen.... als ze ’m krijgen konden. Maar krijgen deden ze ’m nooit. Wij waren al uit zicht als ze nog peuterden met riemen om mee te komen!”
„En hoe is het toen gegaan bij den zwind?”
„Ik stond wel mijn man en de schipper ook, maar wat kan di tegen bang volk? En ’t bleef stormen, altijd door uit denzelfden hoek, dat wij niet van de plaats konden komen. Telkens werd di teruggeslagen. Toen kregen wij gebrek aan leeftocht en aan water. Wij vingen veel visch maar âltoos visch, daar kan di niet op leven en wij moesten weer terug.”
„Grendeldebliksem!” riep Sigbert, „wat een jammer!”
„Hè.... als du eens naar ’t vreemde land was gekomen Reri. Hoe ziet het er uit?”
„Gezien heb ik het niet hoor.... Maar de schipper wist er al veel van en als ’t niet geweest was dat vaêr mij hier noodig had, ’k was weer meegegaan.... want hij is weer uitgevaren met de eigenste skig, maar met Noorsch zeevolk er op.... allemaal kerels, waar ik nog een peuter tegen was....”
„En wat zei hij van ’t vreemde land.”
„Nou, daar wonen menschen zoo zwart als ievers. En er zijn boomen zoo hoog als drie beuken op elkaar, maar zoo kaal als een aal. Boven op den top zitten de blaren, die zoo lang zijn elk als een man. En er groeien noten aan zoo dik als een menschenhoofd.”
„Zou ’t waar zijn?” riep Sigbert uit.
„Wáár? De schipper had zelf zoo ’n noot gezien. Ze was te kijk op het groote Ding in Abalsia [10] waar hij geweest was omdat hij er stem had.”
„Hoe is ’t mogelijk! Als menschenhoofden!”
„En ’t zijn echte menschenhoofden geweest. Rondom zit het bruine haar en als dat opgelicht wordt, zijn er twee zwarte oogen en een neus op te zien. Als zoo’n boom oud wordt, groeit aan den kop een romp en aan de romp komen beenen en armen en dan valt er zoo ’n zwarte kerel naar beneden en zóó komen daar de menschen in de wereld!”
„Zijn er dan geen vrouwen?” vroeg Maaike.
„Dat weet ik niet. Dat heb ik den schipper niet gevraagd.”
„Hoe zouden die er zijn?” meende Tjeerd. „Als di toch hoort, dat de menschen van de boomen vallen.”
Als Reri van zijn reizen verteld had, verhaalde de vader van vroegere tijden. Hoe zijn grootvader hem nog verteld had van de lange zwerftochten, die hij in zijn jeugd had gemaakt met den geheelen stam, het vee in groote kudden voor zich uitdrijvend, komend in landen, waar nog geen menschen gewoond hadden en afweidend de grasvelden en de meden en marschen, elken nacht op een andere plaats kampeerend. Maar in de Batouw woonden al menschen in hooge hutten, die boven op palen stonden. Het was een klein slag en zij hadden geen andere wapens dan grove stukken vuursteen. Toen nu de stam van Sigberts grootvader daar aankwam met de groote kudden en de paarden en zij zagen hoe sterk de mannen waren, trokken al die lieden ’s nachts in stilte weg en ’s morgens was er geen enkele meer te vinden. Eerst hadden de mannen van grootvaders stam gedacht, dat het een krijgslist was en zich niet in de woningen gewaagd. Maar na een week was er nog geen weergekeerd en toen waren grootvaders lieden in die hooge woningen gaan wonen. Niemand heeft ooit meer van die menschen gehoord.
„Dan zijn ’t zeker kobolden geweest,” meende Reri.
„Mijn grootvader zei, dat zij naar het Alkmeer [11] zijn getrokken en daar op vlotten de zee in zijn gevaren tot de kust. Op een nacht is daar de kust van ’t land geslagen en ze zijn toen zeker allen verdronken. De Eierlanders moeten nog vuursteenen van ze hebben en van ’t hout van de vlotten hun hutten hebben gebouwd.”
„Waar kwam dijn grootvaêr van daan?” vroeg Reri.
„Nu vraag di mij te veel... dat wist-ie zelf niet meer... Zoolang hij heuchenis had, trokken ze maar rond, overal waar ze meden vonden.”
„Het was een rare, dijn grootvaêr!” zei Maaike tot haar man. „Denk du,” ging ze tot Tjeerd sprekend voort, „dat-ie tot Wotan of tot Thor bad of ze offerde? Zij hadden een grooten steen meegebracht, daar waar ze vandaan kwamen en die was, zei-ie uit den hemel gevallen als een ster en dat was hun geloof. Ze stookten om den steen een vuur en dan gingen ze er naakt omheen dansen, mannen, vrouwen en kinderen, allemaal en als er een zwak kind was, namen ze het en wierpen het op den steen, dat ’t stikte van den rook en verzengde van de vlammen. Als ’t dan geroosterd was, vraten ze ’t op....”
„Zulke beesten!” riep Reri uit. „Daar had ik bij moeten zijn....”
„Geloof is geloof!” zei Sigbert. „En mijn grootvaêr heeft nooit mee gegeten.”
„Dat heeft-ie wel!” riep Maaike geprikkeld. „En ’t was maar nauw, dat ik hier Reri uit zijn knuisten wrong, toen ie geboren was omdat-ie ’m op den steen wou brengen.”
„Ze wisten nog niet beter!” verontschuldigde Sigbert.
„Als du zoo eens denkt, dan leven wij toch in wat betere tijden vaêr. Wij hebben onze meent, en onze vaste hutten en wij kennen de ware goden.”
„Ik weet het niet!” mompelde Sigbert. „Nu hebben wij al drie jaren slechte oogsten en wat hebben wij al niet gedaan om Wotan en Donar en Nerthus en Thius te verzoenen. Wij hebben als Batouwers allemaal bij de eerste ploegvoor brood geofferd voor Nerthus; bij ’t zaaien, zaad voor Thius of zooals jelui tegenwoordig zeggen Wotan; na den zaai hebben wij in de Batouw over de duizend banen geofferd tegen den hagel en ’t onweer. Winkelfried heeft zijn twee mooie vaarzen geofferd voor de Batouw. En wat is ’t geweest?... Hagel, donder, overstrooming, bloedkoren, alles wat di maar voor kwaads hebben kon. Nou zijn we naar Harimona geweest. Goed, we zijn naar Harimona geweest en we zullen zien wat ’t geeft... du mag niet twijfelen, want als du twijfelt beginnen ze di eerst recht te pesten. Maar dat zeg ik di—als wij den winter dóórkomen en wij hebben gezaaid en ’t is weer donderen, dan weet ik allang wat wij doen...”
„Dan trekken wij weg!” riep Tjeerd.
„Wegtrekken? Bij den iever niet... wegtrekken doe ik niet. Beteren grond dan hier vind di nergens... in de heele wereld niet... ’t Is grond waar di niet af mot gaan... Hoe was de oogst Maaike, toen du Herebaeld baarde? Wij hadden zooveel, dat wij toen de winter om was nog méér in de kuilen over hadden dan in andere jaren vóór den winter... En hoe was de oogst, toen Herebaeld gewijd werd? Ze hadden toen bij de Dantubaren een schralen oogst... Maar ze hoefden niet te komen rooven hoor... Wij wezen ze de kuilen en zeiden, neem maar buur, zooveel als di nemen wilt... Wij konden ’t zelf toch niet aan in de Batouw en ’t zou verschimmeld en verrot zijn.”
„Dat was allemaal door Herebaeld. Zoo dikwijls als er met hem wat gebeurde, bij zijn geboorte en bij zijn wijding en toen-ie de runen ging leeren en toen-ie uitgeleerd terugkwam, altoos bracht dat kind geluk... is ’t niet Sig?” vroeg Maaike.
En voor ’t vuur staande, voelde zij de oogen branden door ’t stralen van de vlammen in de opwellende tranen.
„Ik weet wel, wat ik doe!” zei Sigbert zachtjes knikkend met ’t hoofd en daarna star in ’t vuur blikkend.
„En wat zou du dan doen, vaêr?”
„Nou magge jelui lachen om mijn grootvaêr, maar ik weet, dat-ie altijd de grootste kalveren en de kloekste peerden had... dat heb ik voor mijn oogen gezien en wat du ziet, mot du aannemen.”
„Dat zeker,” meende Reri.
„En als ’t weer slechten oogst is, dan kunnen Wotan en Nerthus en Frija en al dijn nieuwerwetsche goden mij dàt doen... en ik ga naar den zwarten steen aan de grens en ik offer er een vaars op...”
En mokkend nadenkend, bleef de oude boer verbitterd op Wotan en Nerthus, in ’t vuur staren.
HOOFDSTUK VI.
Bij de Dantubaren leden zij nu al drie weken honger. Zij hadden de geroofde leeftocht zuinig verbruikt, maar ’t reikte niet lang. Toen waren de sterkste mannen opnieuw op strooptochten uitgegaan en ’t weinige dat nog overbleef, hadden ze als voedsel voor onderweg medegenomen. De vrouwen, de kinderen, de zieke mannen en de grijsaards bleven achter zonder ander voedsel dan het gras, dat ze uit moesten hakken uit den ijsvloer, die de heele Torngou als met een reusachtig bronzen schild bedekte. Omdat ze te zwak waren om hout te kappen, hadden ze de hutten verlaten en woonden in groote diepe holen bij elkaar, die daar nog waren uit den tijd toen de wildemannen, die hier hadden gehuisd, waren verdreven. In die holen lagen ze bijeen, vrouwen, kinderen, grijsaards, zieken, dicht op elkaar gedrongen om warmte te zoeken en met doffe berusting wachtend op de terugkomst van de stroopers.
Maar de vale schemer, die ’s daags door de holgaten kwam en ’s avonds verduisterde keerde weer, telkens weer en de mannen kwamen niet terug. Zij zaten tot hoopen bijeen, met doffe oogen en kleurlooze wangen, allen vermagerd tot op de beenderen zoodat de lichamen der jonge maagden niet waren te onderscheiden van die der grijsaards. Velen waren te zwak om zich op te richten en lieten hun uitwerpselen loopen, zoodat ze ook de anderen bevlekten. Die wat sterker nog waren, sleepten zich naar een hoek om hun gevoeg te doen maar vandaar walmde een zoele, dikke verpestende stank, die zwaar hing in ’t hol. Soms stierf er een tusschen de anderen in, maar de anderen waren te zwak om het lijk weg te dragen en zij bleven dagen achtereen op den verstijfden doode liggen tot anderen, door hun kermen gestoord, ’t lijk wegtrokken en naar den hoek sleurden, waar ’t lag te vergaan.
Ook kregen ze watergebrek. Want de enkelen die zich naar den ingang van ’t hol hadden gesleept om daar buiten klompen sneeuwijs los te bikken, kwamen niet terug en de anderen, die om de kameraden riepen zagen ze liggen, door koude bevangen, zwart bevroren met de klomp ijs, die zij hadden willen brengen nog in de houterige knuisten gekneld.
Er waren moeders die waanzinnig waren geworden, ’t verhongerde kind in de armen nog drukkend als ’t al lang gestorven was. Dan stonden ze in waanzinswoede op en wankelden naar den uitgang en gilden onsamenhangende klanken, die dof in ’t hol echoden. Ook waren er koortsige zieken, die maar steeds ’t zelfde woord, zuchtend en kreunend herhaalden of anderen, die ijlden en spraken van honigkoeken en meê en kaas, zoo met herinneringen de anderen nog tergend. Er waren zoo twintig holen elk met drie tot vierhonderd menschen—tot zoo een klein aantal was de eens zoo groote en fiere stam der Dantubaren samengesmolten, sedert jaren gedecimeerd door honger en klimaatziekten. Want de Dantubaren waren uit ’t Zuiden gekomen, verdreven uit een warm, mild klimaat door aardbevingen, die dáár ’t verblijf langer onmogelijk hadden gemaakt. Steeds noordwaarts trekkend, hadden zij door geheel Gallië zich door de daar wonende stammen moeten doorslaan, omdat overal de streken reeds bewoond waren. Steeds verder noordwaarts opgedreven, verminderend in getal maar door de vele gevechten geoefend en onvervaard geworden, waren zij ten laatste in de vruchtbare Torngou gekomen, waar zij een bevolking van holbewoners aantroffen, die geheel naakt, behaard gelijk dieren, de kinderen tot den jongelingsleeftijd gelijk dieren nog kruipend op handen en voeten, leefden van rauw gras, kruiden en boomvruchten. Want zij verstonden de kunst niet, vuur te maken. Zij hadden geen andere wapens dan hun tanden, steenen en hertengeweien, die zij in de bosschen vonden. Als de Dantubaren verschenen, schoolden de holbewoners bijeen en toen, op hen aanrennend, vielen ze hun aan gelijk honden of wolven, naar voren springend op handen en voeten, de monden grommend open en hun tegenstander den strot trachtend door te bijten.
De Dantubaren met hun Etrurische zwaarden stietten de wildemannen als beesten neer en voor zooverre ze niet vluchtten werden ze uitgeroeid. Levend werden de wilde mannen die krijgsgevangen waren gemaakt begraven, naar de gewoonte der Dantubaren. In de Torngou waren zij blijven wonen en sloten verbonden met de Frisen, de Batouwers, en de andere stammen rondom. Zij waren knappe landbouwers, leerden de andere stammen het zaaien van goudgraan, het weven van driekleurige gewaden en het looien van runderhuiden. Ook namen veel stammen hun goden aan, daar deze grootere macht bezaten dan de zwarte steen en Thius. Zij waren het ook, die Wotan en Donar in de Batouw tot oppergoden deden uitroepen. Doch gewend aan een warm klimaat, verzwakte de stam der Dantubaren. De mannen, bij hun komst reeds kleiner dan de Batouwers en Kaninefaten en Frisen, werden nog kleiner van lichaamsbouw, zoodat zij in den strijd niet tegen hun buren opkonden. Hun zwaarden, van een vreemd metaal, versleten langzamerhand en nieuwen konden zij niet maken, daar zij het metaal niet vonden in deze streken. Toen de oogsten mislukten en zij door den honger gedwongen, eerst hun have moesten ruilen voor leeftocht en toen op rooftocht uitgaan, werden zij door de naburige stammen getuchtigd. Zoo was dan slechts deze kleine stam van de Dantubaren overgebleven, na zes geslachten reeds geheel ontaard en met half-vergeten tradities.
Er was onder de hongerenden in één hol nog een enkele grijsaard, die herinnering had aan de goede tijden van weleer. Hij vloekte op de goden, de ellende wijtend aan de vijandige oude goden, die van den zwarten steen en aan Thius, die door de nieuwe goden verdrongen waren. Hij bezwoer de jongelieden, wanneer ze in leven zouden blijven, Wotan en Donar weder af te zweren en de oude landsgoden te aanbidden, die in deze streken alleen de macht hadden. De holen hadden geen gemeenschap meer met elkaar, want niemand waagde zich naar buiten—vreezend te zullen bevriezen. Maar in één hol, waar veel jonge vrouwen waren opgehoopt, die vreezend voor het geweld van de grijsaards en de zieke mannen, bij elkaar waren gaan schuilen, hadden de hongerenden een gang gegraven onder den grond door, omdat zij zoo eetbare wortels vonden van diepgroeiende planten. En voortgravend waren zij toen aan het hol gekomen, waar de grijsaard lag. De vrouwen hadden de stamgenooten medegedeeld van de wortels en daar zij kleederen hadden, wikkelde eene zich in de gewaden aan veel anderen en zoo, tegen de koude beschut, kan zij naar buiten gaan om ijs te halen.
Dat bracht eenige lafenis en nu wekte de priester de vrouwen op, den zwarten steen te gaan halen van de grens en die naar het hol te brengen. Zoo vurig en overtuigend had hij gesproken, dat ten slotte een twaalftal vrouwen besloten de oude godheid te gaan zoeken. Zij kleedden zich met alle gewaden, die in de holen waren en eens buiten, liepen zij naar de hutten, verzamelden de huiden en zoo, geheel in pelzen gebakend, reden zij met een wagen naar de grens, zich voedend met gras, wortels en moes van dorre bladeren. Maar aan de grens werden zij opgewacht door de gewapende Batouwers, die haar in heur pelzen voor mannen aanziende, te lijf gingen. Doch zij gilden met heur hooge stemmen, rukten zich de pelzen van ’t lichaam, toonden heur borsten en schaamdeelen en smeekten om deernis. De Batouwers, ziende dat zij vrouwen voor zich hadden lieten af en meenend, dat zij om hun mannen kwamen, vertelden zij, dat zij de mannen allen hadden neergehouwen, omdat ze op roof waren uitgegaan.
De vrouwen jammerden en enkele Batouwsche vrouwen brachten haar wat brood en kaas, hoewel ze zelve bijna nood hadden. Daarna hadden zij den zwarten steen op de kar geladen en toen trokken ze weder naar het hol terug. Dien nacht was het nieuwe maan en het weer sloeg om. Het ving aan te dooien en in het woud, waar zij doorheen trokken, begon het al zachtjes van de takken te druppen. De maagden meenden dat dit het begin der wonderkracht van den goddelijken steen was, en dat was haar een troost in haar groote droefenis om den dood van de sterkste mannen van den stam. Tegen den morgen kwamen zij doodelijk vermoeid met den steen voor het hol aan. Zij riepen die in ’t hol waren naar buiten, zeggende dat het dooide. Een zwak gejuich ging op en de menschen kropen naakt uit het hol en buiten gekomen, begonnen zij den vochtigen grond te lekken om hun dorst te stillen. Zij waren vaalbleek in ’t gelaat, het geheele lichaam groezelig besmeurd met aarde en drek en velen hadden ontstoken oogen, etterende wonden. Toen de maagden vertelden, dat de mannen, die op roof waren uitgegaan, door de Batouwers waren doodgeslagen, gromden zij als dieren en daar velen zich uit zwakte niet meer konden oprichten, geleken zij op dit oogenblik op de wildemannen, die hun voorvaderen hadden verjaagd. De grijsaard liet den zwarten steen opstellen op de mede en toen waarschuwden de maagden ook de lieden in de andere holen. Die kwamen nu ook naar buiten kruipen, knipoogend met ontstoken oogen tegen het daglicht. Zij kropen als dieren langs den grond, zoo verzwakt waren zij en velen begrepen niet wat er gebeurde, verwezen geworden in de vele dagen dat zij hongerend in het half duister der muffe, broeierige holen hadden gelegen. Bij twee holen kregen de vrouwen geen antwoord. Een harer wilde binnendringen door de luchtgang, maar zij tradt terug en begon te braken zoo walgelijk was de stank die haar tegensloeg. De maagden riepen nogmaals en nogmaals, dat het dooide, dat de heilige steen was opgesteld, maar zij kregen geen antwoord. Toen keken zij elkaar zwijgend aan en liepen treurig verder. In die holen waren alle menschen van honger en ellende gestorven. Ze lagen er in ’t half duister tegen elkaar, grijsaards, knapen, meisjes, moeders met zuigelingen en maagden, een dichte hoop stinkende lijken in plassen drek en vocht.