Part 17
De grijsaard riep allen om den heiligen steen bijeen, doch maar enkelen konden loopen. De meesten, op handen en knieën voortkruipend, sleepten zich naakt door het smeltende, grijze sneeuwwater. Sommigen bevangen door het licht en de buitenlucht vielen terzij en lagen liggend op de smeltende ijskorst, die grijszwart om hen heen dooide. Anderen konden niet voort wegens hun zwakte en wilden weer terugkruipen naar het warme hol. Maar ook daarvoor ontbrak hun de kracht en zoo bleven zij steunend en rillend zitten en keken naar den zwarten steen van den ouden god op de mede, waar de sterkeren nu al een donkeren kring omheen vormden op het vaalwitte vlak van ’t bevroren sneeuwveld-in-dooi.
De grijsaard zeide zich te herinneren, dat rondom den steen een vuur moest worden gemaakt en keek naar de takken van ’t struikgewas alsof hij met zijn oude, slijmige oogen de takken van de struiken kon halen. Maar er was er onder allen geen, die nog genoeg kracht had om naar ’t struikgewas te gaan om hout te sprokkelen.
De anderen keken ook naar ’t struikgewas en de twaalf maagden, hoewel vermoeid van de lange reis en het sleepen van den zwaren steen, den heelen nacht door, zochten over het veld tot den einder of niet ergens nog een houtstapel boven de sneeuw uitstak. En één harer wees den vinger naar een zwartig punt heel ver.... vragend of dat geen houtmijt was? Een der zieke mannen, die vroeger zeeman was geweest maar door een buis de beenen had gebroken en sedert zich op krukken voortrukte, keek nu ook maar hij gaf een gil van schrik.
„Dat zijn de wolven!” riep hij. En meteen, zijn krukken met een ruk neerzettend, begon hij zich daartusschen haastig naar het hol te slingeren. Anderen volgden hem, roepend: „De wolven! De wolven!” en zwakken, die niet tot den heiligen steen hadden kunnen kruipen, nu door den schrik aangevuurd, sleepten zich terug naar het hol. Ook waren er die, geen raad wetend om onder weg te komen, hun naakte lichamen languit op den grond legden en zoo zich om-en-omrollend het naaste hol trachtten te bereiken. Maar zij werden spoedig duizelig en bleven verdoofd liggen op het kleffe, kille sneeuwijs.
„Vuur! Vuur! Wij moeten vuur maken om den god!” riep de grijsaard heesch. „Dan zal hij ons redden!” Daar waren enkele mannen uit een de verste holen, die nu naderden, die sterker waren dan de anderen. Zij hadden in het hol de vrouwen, de kinderen en de zwakken gedood en die rauw opgevreten.... en daarna hadden zij geloot en wie ’t lot trof was met een steen neergeslagen en dan in stukken gerukt en verzwolgen. Zeven mannen waren nog overgebleven, toen de maagden ze hadden geroepen en ze kwamen naar buiten, rechtop en niet vermagerd, maar hun lange haren en hun lange baarden en neerhangende knevels waren wit als die van grijsaards. Toen zij in de verte nu ook de wolven zagen naderen, een vaalroode driehoekige vlek die over ’t blauwgrijze veld scheen toe te komen glijden, deinsden zij niet terug maar gromden diep in de keel en zij staken de koppen vooruit en snoven de frissche lucht op.
De maagden hadden met hun laatste krachten dor hout gezameld van de dichtbijzijnde struiken en de priester deed moeite om vuur te maken, door twee stukken hout tegen elkaar te wrijven. Maar het smeltende sneeuwijs had de takken te vochtig gemaakt en de grijsaard was te uitgeput om het hout droog te wrijven. Hij keek vragend op, naar de zeven dikke mannen maar deze wilden hem niet helpen en hij, wel vermoedend waarmede zij zich gevoed hadden en hun onwil ziende schold:
„Vervloekte lijkenazers!”
Zij lachten en onder hun witte knevels schitterden hun lange tanden.
De maagden, dit hoorende, begonnen van afschuw en ontzetting te gillen en een harer wilde een steen oprapen om dien naar de kerels te gooien, die maar bleven grijnzen. De steen zat nog vastgevroren aan ’t sneeuwijs en met dat zij nog gebukt stond, sprong een der kerels haar achter op den rug. Zij viel neer en hij wentelde haar om en volbracht zijn lust. De zes andere kerels, dat ziende, stortten zich nu ook op de maagden, die zich verweerden en eene haakte haar vinger in ’t oog van een der mannen en haalde het er uit. Hij kreet, gaf haar een trap voor de buik en toen zij kreunend neerviel, stortte hij zich op haar om zijn lust bot te vieren.
De wolven kwamen nader.... en de grijsaard zag al de voorsten goed met de uitgerekte snoeten en de open muilen, waaruit damp stootte. Hij begon opnieuw een hout te draaien in de vork van een tak en nu vatte het hout vuur. Hij liet het even aanbranden en wierp er andere takjes op.... maar toen ’t hout begon te vlammen op den grond, ontdooide het sneeuwijs en zoo werd het weer nat en smeulde met dunne zwartige wolkjes, waarin de einden als vurige oogjes gloeiden. Hij blies met zijn korte, hijgende adem, maar hij kon ’t vuur niet doen oplaaien.
De kerels, na aan hun lust voldaan te hebben, de wolven ziende naderen, vluchtten nu naar het naaste hol en kropen er diep in weg, voor ’t luchtgat de lijken duwend die zij daarbinnen vonden.
De maagden gilden en de wolven ziende naderen vluchtten zij ook naar een ander hol.
De zwakken, die niet meer weg konden schoolden saam, hopend zoo de wolven nog te kunnen weerstaan. Het was een troep van twintig uitgehongerde dieren, die van zeer verre kwamen, aangelokt door den reuk van menschenvleesch. Zoo verhongerd waren ze, dat onder de oogen van de Dantubaren, die ze ongewapend moesten afwachten er telkens achterbleven, op den rug rolden en de pooten in de hoogte stekend, dood bleven liggen van uitputting. De voorste wolf bereikte met een sprong den grijsaard maar deze bukte achter den heiligen steen en de wolf over hem heen springend viel neer en kon zich uit zwakte niet meer oprichten. Twee anderen wolven sprongen den voorsten wolf na. Telkenmale bukte zich de grijsaard en nu wierpen de twee wolven zich op den zieltogenden éérsten wolf en reten diens strot met de muilen open en begonnen aan ’t trekkende vleesch te eten. Het bloed sijpelde helderrood op de blauwgrijze sneeuw. De grijsaard nam een nog smeulenden tak en stak die naar de twee wolven uit, die de bebloede muilen oprichtend met vurige oogen naar den tak zagen maar de dwalmende rook opsnuivend deinsden zij terug en een kleinen jongen ziende, die bevroren voeten had gehad en daardoor zich slechts langzaam op de billen weg kon wippen, sprongen zij op den knaap toe en begonnen hem te verscheuren.
De grijsaard nu zich bukkend, den smeulende tak vooruithoudend, wilde de beide dieren ook daar verjagen maar ziende, dat de knaap al zieltoogde, werd hem de lust te sterk en hij wierp zich op ’t half verscheurde, warme kreng van den eersten wolf en zijn tandelooze mond brengend aan de buikholte, begon hij gierig het warme bloed uit het dampende lichaam op te zuigen.
De andere wolven hadden zich midden in de hoop der menschen geworpen. En nu waren menschen en wolven één dikke, rollende, dampende, worstelende kluwen. Menschen en dieren beten zich aan elkaar vast en zogen het stroomende bloed op en kauwden op ’t krimpende vleesch, zoo uit het levende lichaam gebeten. En tusschen het krijten en gieren van de menschen en het janken van de wolven was geen onderscheid... Eén wolf werd een eind omhoog geworpen en smakte neer met gebroken pooten. Dadelijk vielen vier, vijf menschen op ’t gekneusde dier aan. Een greep den strot en worgde den wolf, terwijl de anderen al de tanden zetten in de pooten en met rukken van den nek, het harige vel afscheurden van ’t nog levende dier. En een man, die zijn tanden had gezet in den achterpoot en ’t bloed opzoog werd door een anderen wolf in ’t eigen been gepakt en nu, zich met een gil krimpend oprichtend en zich achterwaarts buigend, sprong een tweede wolf hem naar de keel en beet hem den strot door en bleef met zijn tanden in zijn keel hangend het bloed opslurpen uit ’t lichaam, terwijl de man zijn vingers, gekromd in doodsangst, haakte in de oogen van ’t dier.
Zoo bleven de wolven en de menschen in een bloederige dichte hoop wentelen en kruipen op de vaalzwarte plek in de smeltende sneeuwkorst, die aan de randen roodaderde van wegstroomend bloed, tot de wolven verzadigd grommend wegslopen en bloederige, kreunende gestalten zich losmaakten uit den hoop, zich wegsleurden, een zwart spoor met roode strepen achter zich latend.
Toen de wolven weg waren zag de grijsaard, gesterkt door ’t opgedronken lauwwarme wolvenbloed, uit het hol de lijken naar buiten duwen en de naakte kerels met de witte knevels en geelwitte baarden en lange witte haren kwamen voorzichtig en gebukt nader.... zij slopen naar de grauwwitte plek waar de krengen der opengescheurde wolven en de bloederige stukken der menschelijken lagen en grenzend met hun lange tanden, hurkten ze neer en begonnen hun maal te doen.... de stukken menschenvleesch verkiezend boven de stukken dierenvleesch.... gulzig de monden wroetend in ’t blauwzwarte dampende vleesch, zoodat langs hun geelwitte baarden rood menschenbloed traag werd ingezogen en in zwarte, stollende droppels neerbiggelde langs hun bloote, behaarde borsten....
Toen richtte de grijsaard zich op en hun met de vuist dreigend, riep hij:
„Vervloekt, vervloekt zullen de lijkenazers zijn, hier en bij Thius.... vervloekt, vervloekt tot in de eeuwigheid!”
Toen liep hij naar de groote hut achter het bosch, terwijl de kerels, met de beide handen de brokken rauw menschenvleesch aan den mond brengend, met glinsteringen van genot elkaar toeknikten, knorrend schrapend met de groote, witte tanden in de rookende, bebloede hompen.
HOOFDSTUK VII.
Zij waren samen ontvlucht, Harimona en Sogol en reden op groote paarden naar het land der Nerviërs en Bellovaken. Sogol wilde zich in zijn land tot koning doen uitroepen. Dan zou hij met Harimona trouwen en een nieuwen godsdienst instellen, die van het nadenken. Hij zou de priesters verdrijven, het geloof in Tiusco, Wotan, Donar, Frya, Grendel en al de andere goden en godinnen en ook in de kleinere geesten, de goeden en de slechten, verbieden in zijn rijk. En van uit zijn rijk zou hij trachten den nieuwen godsdienst te verbreiden naar de Renigo en Maresag te schand stellen, de tempels verbranden, de menschen moed inboezemen en hen er toe trachten te brengen, door nadenken tot de waarheid te komen. Harimona zou hem daarbij steunen. Zij zou openbaar verklaren, dat zij een gewone vrouw was, niet geboren uit den geest maar uit vleeschelijken omgang. De offers zouden afgeschaft worden en het bidden worden verboden. Al wie bad, zou als een lafaard gestraft worden.
Sogol zou skiggen uitrusten, die het geheim van den oceaan hadden te doorgronden en dappere mannen zouden medegezonden worden met de Massiliaansche schippers, die aan de kusten purperlaken en wollen weefsels kwamen ruilen tegen barnsteen en zink.
Zij moesten medevaren tot het land der Massilianen, daar den koning de hulde gaan brengen van Sogol en Harimona en terugkeeren verhalen van ’t geen zij gezien hadden. Maar alle overdrijving, alle leugen zou streng gestraft worden. De waarheid, de nuchtere, eenvoudige waarheid en werkelijkheid wilde Sogol weten.
Zij reden langzaam, omdat het paard van Haun, die op eenigen afstand volgde, kort na de vlucht op de knieën was gevallen en nu gespaard moest worden, want de weg was ver en Sogol wist niet of hij een nieuw paard zou kunnen krijgen.
En terwijl zij samen vooruit reden, met elkaar lange gesprekken voerend over de toekomst en over de goden en het mysterie, blies Haun wijsjes op zijn horen en vergat dan somtijds waar hij was, liet zijn paard met lossen teugel loopen naar de lust van ’t dier, zoodat wel soms Sogol terug moest rijden en den jongeling roepen en bestraffen wegens zijn onachtzaamheid. Dan was Haun bedroefd, beloofde oplettender te zullen zijn en reed wat sneller mede. Maar den volgenden dag als hij weer een nieuwe melodie gevonden had, en zijn horen blazend, zich voorstelde voor een schoone prinses te spelen, die wanneer zij door zijn spel verteederd was, met hem in ’t huwelijk zou treden, dan vergat hij weder dat zijn paard slecht voort kon en zijn heer snel voorwaarts wilde. Toen had Harimona Sogol gezegd, dat het beter was wanneer Haun vooruit reed en niet volgde, hoewel dat tegen den regel was. Zoo moest Haun dan vooraan rijden en als hij weer begon te droomen nam Sogol op zijn beurt zijn horen en blies een paar schrille tonen, zoodat de jonge muzikant opschrikte. Sedert bleef Haun niet meer toeven. De bestraffende woorden van Sogol hadden minder invloed gehad dan de vrees voor de schrille tonen.
Zij reden in een sukkeldrafje en gaven de paarden veel rust omdat het mogelijk kon zijn, dat ze de snelheid en de kracht hunner paarden noodig konden hebben om roovers te ontkomen of vijandige lieden. Want Sogol was bang voor strijd met menschen. Dat had Harimona bevreemd, maar hij had haar gezegd, dat zijn leven hem te veel waard was om het te verliezen in een ongelijken strijd met onbeteekenende roovers. Hij verfoeide het zwaardgevecht om der wille van ’t gevecht alleen. Het zwaard moest hoogere zaken dienen dan zichzelf, meende hij. Maar heur eerbied voor hem nam toe, toen zij zijn geestelijken moed leerde kennen. Zij wist hoe ook de dapperste mannen vreesden, wanneer in de toppen der boomen geheimzinnige geluiden klonken of wanneer eekhoorns dwars over den weg liepen, katuilen schreeuwden, dwaallichten glansten. Maar hij vermaakte zich er mede, de katuilen nà te schreeuwen, joeg eekhoorns opzettelijk op, opdat ze dwars voor Harimonas paard zouden wegsnellen. Wanneer zij ’s avonds de paarden hadden gekluisterd en de pelzen hadden neergespreid, waarin zij sliepen en zij hoorden in de toppen der boomen onbekende geluiden, dan stond Sogol weer op, maakte vuur, stak een dorre tak aan en riep Haun op, om hem te helpen. En hij klom in den boom, tot bovèn in den top en was niet tevreden voor hij Harimona den oorzaak van ’t geluid kon verklaren, beneden komend met een dikke, gebroken tak, die tegen den stam had geklapperd of met een grooten, dooden vogel, die met een poot in ’t loover verward geraakt, in doodsangst met de vleugels had geklepperd. En dan lachte Sogol met een vreemden, schrillen lach en vloekte op de asen en de elfen en de nikkers en de kobolden, ze uitdagend hem hier te komen bestrijden.
„Dat zijn hun goden!” zeide hij dan, den tak of het doode dier trappend met drift onder den voet. „Het zijn allen vruchten van hun lafheid. Laf zijn ze— —alle Germanen bij elkaar— —sterk als stieren en met hun zwaarden elkaar bestokend zooals balgende herten elkaar met de geweien stooten. Maar moed.... echte moed.... moed om tegen de valsche goden op te treden.... die hebben ze niet....”
Hij bleef staan voor haar, breed de borst gezwollen en opziende naar den sterrenhemel, met uitdaging in zijn houding, als in verwachting, dat een der groote goden op hem zou toetreden, Balder of Grendel of zelfs Thor of Wotan.... gereed om met hen den kamp op te nemen.
Zij zelve geloofde niet meer aan het bestaan der kleine geesten. Maar diep in haar hart, geloofde zij wel aan de groote machten.... Wellicht waren Wotan en Donar maar verbeeldingen.... Zoo goed als de Thius der voorvaderen een verbeelding was geweest. Maar waarvan kwamen de sterren? En wie spande de hemel? En wanneer de mensch stierf, waarheen zweefde dan zijn geest?
In den laten avond wierp Sogol dan nog weer dood hout op het smeulende vuur en in de stilte van den winternacht zaten zij voor het vuur, opziende naar het vurige geprikkel der sterren en samen peinzend over de groote geheimen, waarvan zij zich voelden omgeven.
Dan werd Sogol dikwerf bedroefd, want hij kon haar niet op hare vragen antwoorden. Zeker, zij gaf toe, dat de sterren daar aan de lucht geen goden waren en ook geen zielen en die zeven daar, waren niet de naijverige minnaars van Nehalennia, zooals ze zeiden aan de kust. Maar wat waren het dan?
„Zeg mij Sogol, wat zijn ze dan, de sterren?”
Hij bleef zwijgend staren naar den winterhemel en zij zag hoe een traan uit zijn oogen welde en langs zijn wang biggelde.
„Weent di, mijn meester?” vroeg zij zacht.
„Ja, ik ween.... ik ween.... omdat ik weten wil en niet weten kan, geliefde. Lief heb ik di, Harimona, omdat du zooals ik, de waarheid liefhebt en oprecht zijt. Mijn koninkrijk zal ik di gaarne aan de voeten leggen. Maar toch, hoe klein is mijn liefde, dat ik di niet dat simpele antwoord op dijn vraag als bruidsgeschenk kan geven.... Want ik weet het niet, geliefde, ik weet het niet, ik weet het niet.... Ja, vraag het mi.... vraag het mi.... wat zijn de sterren?... Zijn het klompen vuur? Maar hoe komt het dan, dat hun vuur niet dooft.... Wie werpt hout op dat vuur? En wat is achter die sterren?... En hoevelen, hoevelen zijn er niet.... Daar.... die heele breede zoom van einder tot einder.... en daar die met dat scherpe blauwe licht.... en daar die, die flakkert als een toorts... en daar die, in een orde geschaard als een saks?....”
„Als de zon opgaat dooven de sterren en als de zon ondergaat, vlammen ze weer op.... Wie steekt ze aan Sogol?... Moet daar geen groote macht zijn, die ze aansteekt, avond na avond en ze weer dooft, morgen na morgen?”
Sogol peinsde en keek in ’t vuur. Eindelijk antwoordde hij:
„De maan, gaat die ook ’s avonds aan en dooft die ook ’s morgens uit, Harimona?”
„Niet altijd, meester.”
„Neen, niet waar. Er zijn dagen waarop de maan heel vroeg opgaat, als de zon nog schijnt.... Zij is dan heel bleek, zoo wit als zilver en hoe later het wordt, des te rooder wordt zij. Dat is toch zoo, niet waar?”
„Ja, mijn meester.”
Hij sprong op, liep op haar toe, omhelsde haar, kuste haar op ’t witte haar, op de wangen, op de hals, op den mond. En juichend weer sprong hij recht, roepend.... „ik heb het gevonden, ik heb het gevonden.... ik zal alles, alles vinden....”
En zich weer neerzettend bij ’t vuur, wilde hij opnieuw spreken, maar de vreugde overweldigde hem opnieuw.... Hij sprong nogmaals op, hief zijn handen omhoog naar den sterrenhemel, bolde de vuisten en naar boven roepend:
„Ik heb het gevonden.... o zaligheid.... o geluk.... ik heb het gevonden.... ik heb het gevonden....”
Zij keek hem bewonderend maar niet zonder angst aan, gespannen wachtend op zijn verklaring.
„En alles, alles, alles zal ik ontdekken! Wacht du daar, wacht.... ik zal dijn geheim doorvorschen.... Wacht du daar, wacht du!”
En hij balde dreigend de vuist tegen den hemel. Daarna zich weer neerzettend, ging hij voort:
„De sterren zijn niet anders dan de maan. De maan is een groote ster, veel grooter dan de anderen, maar er is geen ander verschil.
„Wat met de maan gebeurt, gebeurt met de sterren. Maar omdat ze zoo klein zijn, kunnen wij het niet zien....”
„Maar wat gebeurt dan met de maan?” vroeg Harimona.
„Zij wordt ’s avonds niet ontstoken en ’s morgens niet gedoofd. Zij brandt altoos.... altoos, altoos.... Zij staat ook aan den hemel als wij haar niet zien.... Geeft een toorts licht op den noen? Neen, niet waar? Maar naarmate het donkerder is, geeft de toorts meer licht. Zoo is het met de maan en zoo is het met de sterren.... zij hebben maar een zwak licht, zooals de toorts, dat men beter zien kan, naarmate het donkerder wordt.... Vandaar dat de maan op sommige avonden eerst bleek is gelijk zilver en hoe donkerder het wordt, des te heller schijnt haar vuur. In den morgen wordt zij weer bleeker.... tot zij onzichtbaar wordt... het licht van de zon maakt haar onzichtbaar...”
„En wie steekt de zon aan?” vroeg Harimona.
„Wat wijf? Ik doe di kond van een groote ontdekking en in stede van mede te juichen blijft du vragen? Is het al niet veel te weten, dat de maan en de sterren daags branden zoogoed als ’s nachts?”
„Het is veel, maar de raadselen blijven raadselen, meester.”
„Neen, ze blijven het niet, vrouw. Raadselen waren de kobolden en de elfen, tot ik ontdekte, wat hun eigenlijk wezen was. Raadsel was het schijnen der sterren en der maan alléén ’s nachts, totdat ik vond, dat zij ook overdag schijnen. Laat mij denken en ik zal ook vinden waar hun oorsprong was en waar de oorsprong dier oorsprong aanving. Maar ik moet tijd hebben om te denken. En du, geliefde, wees niet laf, als al die anderen maar durf óók door te denken, altoos dieper, alsof dijn gedachte een donker woud ingaat. Dring er doorheen en aan de andere zijde vindt du het nieuwe land.”
Eenige dagen later terwijl zij de Bellovaaksche gouwen al naderden, werden zij door een zwaar onweer verrast. Harimona was angstig en wilde onder een boom schuilen. Maar Sogol toornde op haar en ook op Haun, die in ’t bosch wilde blijven tot het onweer was voorbij getrokken. Hij dwong beiden hem te volgen op het groote, vlakke land, dat aan den zoom van ’t woud aanving en zoodra de eerste bliksemstraal knetterde begon Sogol te woeden tegen Donar. Hij daagde hem uit, vloekte hem met de vreeselijkste vloeken, wees hem smadelijk op zijn achterdeel.
„Drekgod, drekgod, drekgod, kom op. Sla mij, drekgod met dijn bliksem, als du daar zijt.... Hier sta ik, een god zooals du, maar machtiger, want ik ben hier werkelijk en du, du, du, zijt niet, du zijt maar een schepping van lafhartigen en angstschijters....”
Harimona en Haun, in den regen staande midden op ’t land, staarden met onzetting naar Sogol, die slechts met een berehuid om zijn naakt lichaam, de machtige armen bloot, met opgeheven vuisten dreigende gebaren maakte tegen het blauwgrijze werk, waarin zij de bliksems zagen bersten en den donder rommelen. En bij elken bliksemstraal, bij elken donderslag vernieuwde Sogol zijn vloeken en bedreigingen. Hij liep soms op een drafje voorwaarts in de richting van den einder vanwaar de bliksem kwam aanlichten.
„Tref mi nu... tref mi nu... speer van den drekgod... Du durft kunt, du kunt niet.... hier sta ik.... bereid om dijn speer op te vangen.... tref mi dan.... tref mi dan!....”
Hij sprong op van den grond, zijn borst naakt, en gezwollen, zijn armen wijd geopend als verwachtte hij den bliksemstraal. Het schuim stond hem op de lippen van woede en Harimona, hem zoo ziende, voelde zich bevreesd terwijl Haun weende.
Het onweer verminderde in kracht en trok weldra voorbij. De blauwgrijze hemel brak in wolkenbrokken en uit het diepblauw daartusschen kwam de zon schijnen.
Sogol werd kalmer en nu omziende voor Harimona zeide hij trotsch:
„Hebt di het nu gezien, dat ook de groote goden niet bestaan? Waar was Donar met zijn gouden speren? Waar was zijn rollenden donderwagen?.... Hebt du geweend knaap?...”
„Ik vreesde zoo, dat de speer di zou treffen,” antwoordde Haun.
„Du zult niet weenen als dijn meester de goden uitdaagt.... maar du zult weenen, als de anderen zich voor de goden verdeemoedigen.... Onthoud dat knaap.... en bindt de kluisters los van de paarden.”
Zij stegen op en reden door de frissche lucht onwaaierd, stapvoets verder.
„Waarom zegt di niets?” vroeg Sogol, bemerkend hoe zijn geliefde zwijgend naast hem reed en geen woord van bewondering had voor zijn moedig bestaan.
Zij keek hem van terzijde aan en hij zag een schroomvollen eerbied in haar vreemde, roode oogen.
„Ik heb een zonderlinge gedachte, Sogol!”
„Gelooft di nog aan Donar?” vroeg hij haast angstig.
„Neen.... maar mi kwam de gedachte in ’t hoofd, dat du wellicht zelf een god zijt....”
„Ik ben een mensch, een gewoon mensch.... zooals du, zooals Haun.... Of meent du nog, dat du ook een godin zijt?”
„Neen... ik ben geen godin... maar du zijt een god... en du weet het zelf niet.... En misschien weten de andere goden evenmin, dat zij goden zijn....”
„Vrouw, du zegt zulke diepe gedachten, dat du zelve ze niet omvat....”
Zij reden langen tijd zwijgend voort, Sogol zijn hoofd neerwaarts gebogen en zijn gefronste oogen naar den bodem gericht. Eindelijk zeide hij:
„Dat kan het zijn, mijn lief. De goden weten zelve niet, dat zij goden zijn.... zooals dit paard onder mij, dat sterk is, daden van kracht doet en toch zijn eigen kracht niet kent... Wat zijn de goden dan?... Redelooze krachten, die hun daden doen zonder de macht over die daden....”