Germania

Part 15

Chapter 153,962 wordsPublic domain

„Met kruiden en brouwsels.”

„En de kwade geesten uitdrijven?”

„Er zijn geen kwade geesten,” stoof hij op.

„Maar ik heb er toch velen gezien, die bezeten waren. En ook vaak heb ik ze uitgedreven.”

„Ik heb ze óók uitgedreven.... en ik heb zooals du zieken geheeld door handoplegging en door het toereiken van vlierwater en berkenmelk of hanevoet of rosmarijn.”

„Maar er zijn lammen en kreupelen genezen en diepe wonden.... du zijt toch in de tent der krukken geweest?”

„Er zijn er ook veel niet genezen.... en die genazen waren dikwerf onwaardiger dan die ongeheeld terugkeerden. Hebt di den Frieschen prins kunnen genezen! Neen nietwaar. Hebt di den ouden Myst in ’t leven kunnen terugroepen? Evenmin.”

„Maar hoe verklaart di dan de gelukte genezingen?”

„Ik weet het nog niet.... maar ik zal het eens weten. Men moet alleen maar den moed hebben om door te denken.... niet vreezen voor zijn eigen denkkracht.... de mensch moet niet voor zichzelf bang zijn. Ik weet, hoe ik eerst bang was voor de kleine geesten in den Ravenstroth tot ik mijn vrees overwon en toen vond, dat zij er niet waren. Ik weet, hoe ik toen bang was voor den Nickelman.... tot ik durfde en vond, dat hij er niet was.... Ik weet, hoe ik tot op ’t laatst bevreesd ben geweest, voor den geest der twee boomen.... tot ik moedig de boomen velde en vond, dat het louter schal was.... En nu moet ik voorwaarts.... ik wil ook weten, wat de groote goden zijn.... Thius, Wotan, Donar, Freya.... Zie je kind.... om met het zwaard in de hand, welgeoefend te strijden tegen een evenmensch, met de wetenschap, dat men wanneer men valt, als held zal worden gevierd en ’t eeuwige leven van vreugde in Walhalla zal verwerven.... zie je kind.... dat wat wij nu moed noemen.... dat is geen moed.... dat noem ik geen moed.... Want dat is strijden tegen een bekend gevaar met een bekende zekere belooning in ’t verschiet.... Maar te vechten zooals ik wil, hier met mijn hoofd, hier met mijn gedachte tegen die groote, onbekende macht van het geheimzinnige, alléén op te dringen naar de poorten van ’t Walhalla en daar de goden uit te dagen, ze te tarten zich te vertoonen, te voren wetend, dat wanneer zij zich vertoonen de eeuwige verdoemenis dijn deel zal zijn.... dàt noem ik moed.... dat is strijden tegen een onbekend gevaar met een onbekend einde. En dat wil ik.... Ik wil de menschheid tegen de goden opzetten.... Kom voor den dag uit dijn blauwe hemelen.... Stijg op uit dijn krochten.... Vertoon di.... waar en wie du ook zijt.... dat ik di zie.... du geesten!.... En als zij zullen verrijzen en zij zullen den moed eeren, dan zullen zij mij liever moeten hebben, dan al dat angstig en vreesachtig menschengespuis, dat hun den rug biedt gelijk een hoorige, die zich van kwaad bewust is of gelijk een hond, die een stokslag verwacht....”

Zij voelde haar liefde groeien, begreep zijn woorden en begreep zijn moed. Maar nog altijd twijfelend met ingeboren vrees voor het hoogere, geheimzinnige, antwoordde zij:

„Verklaar mij dan de volgende ingeving der goden. In dit land werden de hutten, die tegen den heuvel staan, dikwerf door den bliksem getroffen. Men smeekte Maresag om goddelijke hulp tegen hemelsperen. Toen brandde Maresag kruiden en ik viel in verrukking. Ik zag een hoogen berg en daartegen veel hutten. Voor elke hut was een lange speer in den grond gesteld, wel driemaal langer dan een gewone en uit den hemel sloegen telkens vurige stralen naar de spitsen van die speren en kronkelden zich er rond, gelijk adders en verdwenen in den grond.... Ontwakend raadde ik het volk het planten van zulke lange speren aan. Men volgde mijn raad en sedert schieten de hemelsperen langs de aardesperen....”

„Altijd?” vroeg Sogol.

„Neen.... altijd niet.... maar vaak.... heel vaak....”

„Dus weder onvolmaakt.... Hoe di aan die ingeving kwaamt, weet ik nog niet. Ik begrijp ook niet, hoe kruiden verrukking kunnen brengen, hoewel ik weet, ook door mijzelf, dat de verrukking zóó komt. De geur van de thym en de lavendel die dijn lieve hand hier strooide, tooverde al in mijn geest heel mijn jeugd aan moeders zij.... Er is een opwekking van den geest.... Ik heb die speren hier voor de hutten ingeplant gezien.... men had mi hun doel en werking verteld.... toen heb ik nagedacht.... Maar ik kon de oorzaak niet vinden, waarom zij het hemelvuur afleidden van de hutten, hoewel ik vast overtuigd was, dat het niet de werking van een god is, want welk een dwaze god moet dat zijn, die eerst hemelsperen zendt om de menschen te straffen en dan weer hun het middel geeft om zijn straf af te leiden.... Dat zou zijn, alsof du een luien dienstknecht tuchtigde, maar te voren hem met een leeren schild bedekte, zoodat hij de slagen niet zou voelen....”

„De bedreiging was wellicht voldoende.... en zoo ook wil de god toonen, dat hij wel altoos de macht maar niet altoos den wil tot straf heeft.... En misschien ook daardoor straft hij vaak ondanks de lange speren....”

„Dat is het onoverwinnelijke bij de geloovigen. Zij beginnen zooals du, met te gelooven en leiden dan alles af en verklaren alles van dat geloof uit.... Zóó zou ik nooit den Nickelman en den tweeboomgeest verdreven hebben.... als ik begonnen was met in ze te gelooven.... Neen.... vrij moet men beginnen.... moedig en vrij, los van gelooven of niet gelooven.... zooals een koning op het Ding, die de twee partijen aanhoort voor hij recht spreekt, zonder zijn hart naar een der partijen te neigen.... Mij valt daar een gedachte in.... In ’t Brukterenland bij ’t Aardenerwoud vallen ook de hemelsperen vaak.... maar daar is één kleine tempel, die nog nooit getroffen is.... de tempel van den heiligen eidebaar.... Dicht daarbij staat een hoog, eenzaam ooievaarsnest.... en het heet, dat de heilige vogels, de hemelsperen op ’t eigen nest trekken om den tempel te beschermen....”

Hij sprong op van het leger, wierp de dekpels ver van zich, stond geheel naakt voor haar. Zijn beide vuisten hield hij gebald voor zich uit, deed ze dreigend beven, alsof hij tegen een voor haar onzichtbaren vijand streed.

„Ik heb het!.... ik heb het!....” riep hij met een heldere stem. „Of gij lange speren in den grond stelt of hooge eidebaarnesten.... het is alles ’t zelfde.... de hemelspeer, komend uit den hoogen, treft ’t allereerst wat het dichtst nabij is... dat is ’t hoogste punt... en dat is ’t geheim van uw lange speren....”

„Zacht, zacht...” zei zij, hem met den vinger beduidend minder luid te spreken. „Als Maresag di hoort, zal hij di doen dooden.... Du moet ook niet zoo luid spreken, want dat geeft dijn woord niet méér overtuigingskracht.... Goed dan, de hemelspeer wordt door ’t hoogste punt ’t eerst aangetrokken.... maar wie zendt de vurige hemelspeer af? Wie geeft haar zijn verzengende kracht? En wie bracht mij in de verrukking de kennis dat de lange speren, de vuursperen zouden aantrekken? Want ik kende den kleinen tempel van den heiligen eidebaar niet.”

„Ik weet het nog niet.... maar ik zal het weten.... als ik maar durf.... als ik maar moedig ben.... het zal altoos zoo gaan.... steekt men moedig den vork in de poel van Nickelman, dan spietst men den aal wel vast.... De geur van thym en lavendel brengt de verrukking van de herinnering uit de jeugd... misschien... misschien...”

Hij zweeg, weifelend om de gedachte, die in hem opkwam te uiten.

„Onthoudt du mi dijn diepe woorden?” vroeg zij, met een zacht verwijt in haar blik....

„Het is nog niet rijp... ik moet nog lang, lang peinzen...”

„Ik wil met di mede peinzen!”.... zei zij, voor hem gaande staan, haar oog frank en moedig in ’t zijne doende stralen.

Zij zag aan zijn donkere blik hoe zijn geest bezig was.

„Zeg mi dijn gedachten....” smeekte zij, bij hem nederknielend en haar hoofd tegen zijn been drukkend, de armen om zijn naakte dijen slaande.

Hij keek op haar neer, ging zacht met de handen langs haar witte haren, streelend de golven van die zilverstroom en haar kaak toen in de kom zijner handen vattend, haar gelaat naar ’t zijne opheffend, zei hij:

„Goed.... goed.... mijn kind.... ik zal di al mijn gedachten zeggen en du moet mi mee helpen denken.... Wotan heeft Frya.... ik zal di hebben in mijn strijd tegen hem.... Wilt du met mi gaan.... naar mijn rijk en daar naast mi zijn.... rein en vrij.... geheel vrij.... strijden tegen de menschen, tegen de goden.... tegen di-zelve.... Wilt di.... wilt di?...”

„Ik wil, ik wil, ik wil!” kreet zij en opstaande, haar omvattende armen in drukking latend glijden langs zijn heupen opwaarts, langs zijn middel, langs zijn zijden, langs zijn schouders, drukte zij zich aan zijn borst.

Hij nu ook sloeg zijn armen vast om haar lichaam en bedekte haar wangen, heur voorhoofd, heur hals, heur lippen met innige kussen.

HOOFDSTUK IV.

Toen Koning Gise zijn eiland weder bereikt had, herkende zijn onderdanen hem niet. Hij was tot op het vel vermagerd en zijn drie koks, die vele dagen vóór de aankomst hun talenten getoond hadden bij de toebereiding van het geslachte ezeltje, geleken op elkaar als drie stafrijmen. Zij hadden het leege karretje voortgetrokken, nadat de ezel opgegeten was en koning Gise liep treurig achteraan, troosteloos omdat hij zonder de hand en zonder de belofte van de groote priesteres, naar zijn eiland moest terugkeeren.

Zijn smart werd nog grooter toen hij eindelijk op ’t eiland teruggekomen was. De fioord was na een storm zoo verzand, dat de schepen, die in de fioord lagen, niet meer konden uitvaren en de schepen, die van de oceaan aanzeilden, niet meer binnen konden vallen.

De Bedekauwers hadden zich hierom weinig bekommerd. Zij vertrouwden op hun koning, die wel de gunst van de machtige priesteres zou weten te verwerven en hadden zoo vroolijk en welvoldaan geleefd als dat gezeten lieden past.

Toen zij nu hoorden, dat de koning niet alleen afgewezen was als bruidegom, maar zelfs smadelijk als roover verdreven, begonnen zij den omvang van de ramp te beseffen en spraken er over, weder naar Nehalennia te gaan en haar door groote geschenken en veel offers te verteederen, zoodat zij den zeegeest zou gelasten, de fioord weder uit te diepen.

Koning Gise was mismoedig en bepaalde er zich voorloopig toe, zich weder op zijn vroeger gewicht te eten, want hij merkte wel, dat zijn mager lichaam alle waardigheid verloren had. Maar hij at nu niet aan vroolijke gelagen en velerlei spijzen uit zilveren en gouden schotels, doch somber liet hij telkens een eenzamen houten nap met vleesch en kool vullen en at die leeg. De drie koks wilden sproken spreken, doch de koning legde hun het zwijgen op, legde geen waarde meer op stafrijmen en zuivere maat, maar verweet zijn drie dichters, dat zij niet in staat waren geweest de groote priesteres te bekoren.

De drie koks werden nu morrig en begonnen in ’t geheim spotdichten te maken op hun eigen koning, die hun verwijten deed, hoewel zij hem trouw gediend hadden.

En hun spotdichten waren zonder stafrijm en zonder de juiste maat, navolgingen van Pill, Pimm en Pinn, doch als alle navolgingen zonder den geest van het oorspronkelijk voorbeeld.

Toen nu, korten tijd daarna koning Mise terugkeerde, werd koning Gise nog neerslachtiger en de Bedekauwers schoolden te samen en begonnen er over te spreken koning Gise af te zetten en koning Mise op den troon te verheffen. Want ziet hoe hij naderde. Dertig groote Rinsche wagens vormden den stoet. Op den voorsten wagen zat koning Mise, weldoorvoed en met een buik zoo mooi rond als een pasgevulden wijnzak. Hij droeg een kroon van echt goud rond zijn rood haar en had drie overkleederen over elkaar aan, een purper, een groen en een wit, welks prachtige kleuren men alle drie kon zien bij de opslagen op de borst.

Achter de bok zaten in den wagen Pill, Pimm en Pinn. Doch zij waren nu geen magere scharminkels meer die grollen spraken. Alle drie waren zoo dik, dat de twee groote paarden, die den wagen van den Koning trokken, moeite hadden om de drie ex-proeleten voort te trekken.... zoo zwaar was de vracht van hun vleesch, hun vet en hun bloed.

Ook zij droegen elk drie gewaden van helle kleuren en op ’t hoofd zilveren palmkronen. Zij maakten nu ook geen grollen meer. Zij vonden de wereld te ernstig om grollen te maken en meenden, dat het beneden de waardigheid was van een zoo voornaam en rijk vorst als koning Mise van Veloog, sproke-dichters aan zijn hoogheerlijk hof te hebben, die niet gepaste verzen spraken in zuiver stafrijm en streng in de maat.

Koning Mise veroorloofde geen grollen meer en hij had gezworen elkeen met den dood te straffen, die de waardigheid van zijn staat schond. Elk der drie dichters kreeg een afzonderlijk sproke-gebied toegezegd en verbanning zou onmiddellijk volgen, wanneer hij zich buiten zijn gebied waagde. Het gebied van Pill was: „de Waardigheid.” Het gebied van Pimm was: „De Eerlijkheid.” Het gebied van Pinn was: „De Heldenmoed.” Gedurende de terugreis had Koning Mise ernstig en streng bepaald, welke eigenschappen tot de drie gebieden hoorden.

Onder „de Waardigheid,” moesten bedicht worden:

Het Koningschap. De Godendienst. Het Staatsgeweld. De Zedelijkheid. De Orde. De Vlijt Het Vertrouwen. De Degelijkheid. De Wijsbegeerte. De Stand. Het Bezit. De Welvoegelijkheid. De Kuischheid. De Eer.

Onder „De Eerlijkheid” moesten bedicht worden:

De Arbeid. De Plichtsvervulling. De Onomkoopbaarheid. De Gunst De Waarheid. De Oprechtheid. Het menschelijk lot. De Wetgeving.

Onder „de Heldenmoed,” moesten bedicht worden:

De strijd tegen de roovers, De tocht naar Renigo, Het schuurbezoek, De terugtocht. De daden van koning Mise.

De laatste taak van Pinn was het zwaarste. Koning Mise had het Pinn op ’t hart gedrukt, dat deze sproke een heldendicht moest worden, ’t welk zijn naam en zijn daden tot in het verste nageslacht moest doen eerbiedigen...ja vergoden.

„Als de haven van Veloog volkomen uitgediept zal zijn en mijn rijkdommen die van Gise en Maresag samen verre zullen overtreffen, wil ik mij tot de half-goden laten verheffen. Wanneer men schatten genoeg daartoe heeft, kan men op deze wereld zijn aanspraken daarop doen gelden.”

Zoo waren de drie dichters zeer ernstig geworden en dachten na over „De Waardigheid”, „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, elk op zijn gebied.

Was koning Gise nauwelijks herkend door zijn burgers, daar hij zoo vermagerd was en waren er zelfs geweest, die hem de toegang tot zijn eilandrijk hadden willen ontzeggen, koning Mise werd, ondanks de toeneming van zijn gewicht en van de waardigheid van zijn voorkomen, dadelijk door alle Velagers als hun koning Mise begroet. De trouwe burgers kwamen hem tegemoet met zang en dans en gejuich en geschenken. Want, de zeegeest, door Harimona daartoe gedwongen had in den zelfden nacht, dat de fioord van Bedekoog was verzand, de haven van Veloog geheel uitgediept, zoodat de schepen, die niet meer naar de fioord konden varen, nu in de haven van Veloog kwamen ankeren. En dadelijk begonnen de rijkdommen toe te stroomen. Nu zij hun koning zoo waardig zagen naderen, met dertig karren hoogbeladen met pakken en kruiken en zakken en balen, gekleed met drie gewaden waren ze dadelijk overtuigd, dat alleen door zijn invloed, Harimona, de haven zoo plotseling dieper had doen worden. Toen zij achter hun prachtig dikken koning de drie dikke dichters, in hun volle waardigheid op den wagen zagen staan en daarna ook de dertig leden van de lijfwacht ontwaarden, die in gele statiegewaden met bronzen kortzwaarden, ernstig en fier naast de karren liepen, kende hun vreugde geen grenzen en een „Leve koning Mise!” weerschalde daverend dat de Bedekauwers het hoorden over de rivier heen.

De achterste twee wagens boden echter de allergrootste verrassing. Daar zaten de twaalf deerntjes, die koning Mise had medegenomen om de lijfwacht van koning Gise te vermaken. Maar het waren niet meer de naakte snolletjes van weleer. Koning Mise had ze allen in witte priesteresse gewaden doen kleeden, die het geheele lichaam, van onder de kin tot de voetzolen stemmig bedekten. In stede dat zij grollen zongen of liederlijke taal uitbraakten, zeiden zij heilige leuzen op en zongen kuische liederen over „De Waardigheid,” „De Eerlijkheid” en „De Heldenmoed”, met lange galmen, statig en stichtelijk, vroom opblikkend naar den hemel. En hare schoone, blanke overkleeden waren om ’t middel door een losse gordel met gouden versieringen omsnoerd en heur lange haren waren verborgen, onder groote, witte huifkappen, zoodat onbescheidenen haar gelaat niet van terzijde konden zien en wanneer zij ’t gelaat neerwaarts hielden, zelfs niet van voren. En zij hielden haar gelaat meestal naar den bodem van den wagen gekeerd, want zij hadden in de handen van den waardigen koning Mise, bijgestaan door Pill, Pimm en Pinn, de gelofte der kuischheid afgelegd.

Koning Mise, van de bok van zijn wagen, wenkte statig zijn juichend volk met zijn schepter toe. „Denk er wel aan!” zeide hij tot Pinn, dat in „De Misère” deze ontvangst niet vergeten wordt. Het moet een heldendicht worden zoo schoon als nog geen heldendicht is gemaakt. Tot aan de verre nageslachten moet dit heldendicht de volkeren verkondigen hoe groot en verheven koning Mise is geweest op zijn koene tocht van Veloog naar de Renigo, alwaar hij in de heilige haag ontvangen werd door den hoogepriester Maresag en de vroede vrouw Harimona.

Koning Mise, weder op Veloog gevestigd, liet een groot huis bouwen met drie afdeelingen. Middenin woonde hij en in de rechtervleugel werd een offerblok geplaatst en de linkervleugel vormde een schatkamer. Hij liet een beeld oprichten aan Harimona gewijd in de rechter vleugel en droeg zijn drie dichters op voor de verbreiding van den heiligen dienst der godin Harimona te zorgen. De twaalf deerntjes, die de gelofte der eeuwige kuischheid hadden afgelegd, stelde hij tot bewaarsters van de schat van Harimona aan. Naar het voorbeeld van Bedekoog deed hij op een hoog staketsel een vuur ontsteken, opdat ’s nachts de zeelieden reeds van ver de haven van Veloog zouden zien.

Hij maakte nu ook een aanvang met de beschaving van zijn burgers. Strenge straffen werden gesteld op diefstal, roof, goddeloosheid, dronkenschap en onzedelijkheid. Daar de grond van Veloog onvruchtbaar was, kocht hij groote stukken land op Bedekoog, waar de verarmde bewoners met eerbied opzagen naar den waardigen koning Mise, die door Harimona’s gunst tot rijkdom en aanzien was gestegen en wiens wensch door de groote priesteres verhoord was. En op die landen liet hij door Bedekoogers graan zaaien en op de grasvelden deed hij zijn vee weiden.

Ook liet hij de mee-hutten aan de verzande haven van Bedekoog afbreken en verbood op straffe van neusafsnijding aan de Veloogsche maagden of vrouwen zich met de matrozen af te geven, daar zij nu tot een rijk en godvruchtig volk behoorden, dat een koning had, die door de vroede vrouw van de haag van Renigo verhoord was.

De ongelukkige koning Gise moest het aanzien dat nu Bedekauwsche deerntjes in de mee-hutten aan de haven van Veloog de vele zeelieden ter wille waren, die van alle landen van overzee naar de veilige haven van Veloog kwamen om ruilhandel te drijven met de volkeren der Bellovaken, Nerviërs, Kaninefaten, Marinen, Bataven en Frisen. Hij werd steeds mistroostiger en door zijn droefenis bleef hij mager en kon, zoomin als zijn drie koks, weder het oude, indrukwekkende voorkomen, herwinnen. Zijn volk, niet gewoon aan arbeid, moest schatten na schatten brengen naar Veloog om in ruil graan en vee te ontvangen, dat op ’t eigen land was geteeld en geweid.

Koning Mise begon feesten te geven aan vreemdelingen en onthaalde ze even gastvrij als Koning Gise vroeger gedaan had. Koning Gise noodigde de vreemdelingen ook uit en trachtte, zooals Mise in zijn slechte tijden, door kortswijl het gemis aan overdaad en fijne spijzen en dranken te doen vergeten. Maar de drie koks, die sterk waren geweest in ’t stafrijm en de maat, bleven stumperds in de grollen, zoodat de gasten zich verveelden en even gedwongen lachten bij de mismoedige woorden van de koks, als dat zij kieskauwend aten van het ongeboterde brood, en de smakelooze meelkoeken zonder honing.

Op een dag, toen een geheele vloot de haven van Veloog binnenstevende moesten de Bedekauwers de laatste schat van hun eiland gaan inruilen tegen graan bij de Velagers. De wonderkoe met de lange hals, die graasde in de boomen, werd op een vlot naar Veloog overgezet.

Koning Gise hoorde het tartend gejuich, waarmede de Velagers het wonderdier ontvingen, dat voor hen de volkomen verarming en onderwerping van Bedekoog beduidde.

Bij dit gejuich brak koning Gise in tranen uit. Daarna sloot hij zich op in een ledige schattenhut, trok zijn zwaard, zette het voor zich met ’t gevest in den grond en de punt naar boven en wierp zich er in.

Hall, Hamm en Haan, de drie gidsen, vonden hun dooden Koning en alle drie weenden. Hall zeide:

Hier ligt de arme koning dood, Hij was als rijke koning groot.

Hamm zeide:

Raak over rijkdoms bergtop heen, Du zijt voor du het weet beneên.

Hann sprak:

De rijke roover leeft en sticht een rijk, Verarmde eerlijkheid, hier ligt uw lijk.

Zij verbrandden hun koning in ’t tempelvuur, dat daardoor uitdoofde en daarmede den laatsten glans van Bedekoog.

Maar op Veloog brandde het havenvuur hoog en de roem van den waardigen koning Mise breidde zich uit met het toenemen van zijn schatten—naar ’s werelds loop.

HOOFDSTUK V.

Het was een droevige winter, die aan was gebroken in de Batouw. Sigbert, zijn vrouw Maaike en zijn twee zonen, Reri en Tjeerd, zaten dagen achtereen in de half duistere hut voor ’t haardvuur. De Dantubaren hadden veel graan gestolen en waren daarmede weder naar hun gouw getrokken. Aan vervolging was voorloopig niet te denken, want op den sneeuwval, die een week lang bijna onafgebroken had geduurd, waren een paar zoele dagen gevolgd. Toen was het gaan vriezen, steeds harder en de geheele Batouw was zelfs tot diep in den grond bevroren. Het sneeuwwater had zich tot een vaste ijskorst gevormd, die met veel moeite opengehakt moest worden, wilde men den bodem bereiken. Toch was een Ding geroepen om over den toestand te spreken. Ze kwamen uit de geheele Batouw de stevige, wat gebukte gestalten der vrije boeren, die leefden zonder koning, gehoorzamend aan den Raad der Ouden, die gevormd was uit de oudste aanvoerders der saksen, dat waren afdeelingen van honderd weerbare lieden die met den saks, een bijl die tevens lans was en als slag-, steek- en werptuig kon dienen, konden omgaan.

Maar hoewel uit de goede tijden van weleer de Batouwers nog dikke, mooie pelzen hadden, geruild tegen veldvruchten met de jagerstammen uit de boschgebieden, toch zag men de naderende armoede aan de magere paarden, de weinige bronzen knoopen en fibels, de afwezigheid van bronzen borstspangen en armringen, die allen al waren ingeruild voor leeftocht bij de Frisen en de Kaninefaten.

En de gelaten der mannen stonden stroef en droef en de vrouwen, die medegekomen waren, droegen gelapte overkleederen en de teenen karbiezen, waarin zij de leeftocht droegen, waren zichtbaar licht.

Zij brandden een kring van groote houtvuren rondom het Dingveld om de koude te verdrijven en dichtopeen stonden ze in dien vurigen kring. Er waren nu geen spelen en geen hardrijderijen en geen mee-tenten om den Dingplaats opgericht, zooals anders wanneer het Ding werd gehouden. Want men was mismoedig en wist dat dezen winter hongersnood te wachten stond.

Sigbert trad voor den raad der ouden, zeven grijsaards, die in berevellen gehuld en toch nog kleumend, gehurkt zaten bij een groot houtvuur. Hij gaf eenvoudig en kort een verhaal van de moeielijke tocht, hoe Reri was uitverkoren als de wachter der schattenschuren en hoe Harimona een goeden oogst voorspeld had. Hoe zij na veel wederwaardigheden huiswaarts waren getogen en hoe toen Herebaeld van uitputting en koude gestorven was.