Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven
Part 8
„Ja, ja,” ging hij intusschen voort „als de buikjes een armen soldaat wat kunnen aftroggelen, dan doen ze dat met het grootste plezier. De koning betaalt natuurlijk voor den kroonprins uit zijn eigen zak toch onze dubbele menage, den wijn, den oorlam en het kwartje en dat verdeelen de buikjes onder elkaar. Maar laten ze oppassen, dat onze leger-commandant het niet merkt! Dat is een haan, die er van kraaien zou. Ik heb een beetje verstand van politiek, want mijn neef, die ze verleden jaar in Atjeh zijn linkervlerk hebben stukgeschoten, is schrijver op de „weeskamer.” En als de schrijvers bij elkaar komen, jongens, jongens, dan hoor-je mooie geschiedenissen.
„Mond houden!” riep nu de sectie-commandant: „Zie liever, dat je de soepvlekken uit je uniform krijgt en hier—ratsch! vloog er een knoop van de kapotjas—naai je knoopen steviger vast, waarachter je dien dikken buik moet wegbergen. Als je morgenvroeg niet netjes op ’t appèl komt, ben je zoo „zuur als azijn.””
Diepe stilte heerschte er na het scherpe sermoen.
Weer ging de deur open. De korporaal „van de week” verscheen. Hij trad op de groep onderofficieren toe, die levendig gesticuleerend zich in allerlei gissingen omtrent ’s prinsen bestaan verdiepten en zeide op gedempten toon, maar nogtans luid genoeg om verstaan te worden door de ademloos toeluisterende manschappen: „Ik kom van het staf-bureau. De staf-fourier heeft een telegram van zijn collega in Batavia ontvangen: er is geen quaestie van een kroonprins! Een paar vreemde oorlogsschepen zijn gelijktijdig op de reede aangekomen en hebben zoo hard gebombardeerd.” „O....o.o.o.o.o.o.. hoe jammer!” klonk het in het rond. Adjuus, dubbele menage, oorlam, wijn, kwartje twee dagen achtereen.
Nog uren later werd er over den weggebleven kroonprins gemopperd en Jan Kloet, de vader van het gerucht, kreeg mildelijk ribbestooten voor de vervroegde geboorte-aankondiging.
Inmiddels werd gepoetst, dat de zweetdroppels van de voorhoofden rolden, want morgen zouden ontelbare oogen er op uit zijn, mat-blinkende knoopen aan de uniform en roestvlekken aan het geweer te ontdekken. Eerst zou de korporaal, dan de sergeant, daarna de luitenant, vervolgens de kapitein, ten slotte de majoor alles bekijken, en wie weet? misschien zou ook de „toewan besaar” te Buitenzorg zijn militaire been voorzetten en eveneens komen inspecteeren.
Voor het garnizoen van Meester Cornelis, dat eerst een kleine wandeling van anderhalf uur moest maken, om het parade-veld op het Waterlooplein te Batavia te bereiken, was het uitzicht op een parade volstrekt niet aanlokkelijk, doch—zooals gezegd—de hoop op al de heerlijkheden, die keuken en kelder (!) op dezen dag zouden bieden, voorts het bewustzijn, dat duizenden kritische mannelijke en vrouwelijke blikken op hen rusten zouden en dan de liefde voor den ouden koning, die onze Indische generaals Verspijck en Van der Heyden zoo hoog in eere hield, oefende op ieder afzonderlijk een bezielenden invloed uit.
Het donderend: „Er uit! Onder de wol uit!” der korporaals was ditmaal dan ook overtollig. Nauwelijks waren de laatste klanken der reveille weggestorven, of daar vlogen reeds dozijnen witte gestalten in het schemerlicht der petroleum-lampen door de slaapzaal. Alles stormde naar de kali, die weldra op een met zeepschuim gekroonde waschtobbe geleek, waaruit proestende hoofden te voorschijn staken. Daarop ging het naar de keuken, waar de koelie de koffie uit den pruttelenden ketel schepte en de sergeant onder een hoeraatje de op koningsverjaardag’s met ham belegde broodjes verdeelde.
Vijf minuten tijd, om de traktatie naar binnen te werken. Daarna werden weder de knoopvorken gezwaaid, de lemmetten der kapmessen blonken in de lucht, geweerkolven dreunden op den vloer.
Als weer vijf minuten verloopen waren, weerklonk het langgerekte commando: „Aantreden!” en stommelend ging het de trap af. Zien kon men niet veel—het was pikdonker—maar hooren kon men iederen sectie-commandant.
„Eerste sectie hier aantreden!” bulderde een zware stem. „Kerel, steek me je bajonet niet door het lijf!” dreunde de bas van den sergeant aan den linkervleugel.
Nog een poos lang duurde het rumoer; eindelijk riep een heldere stem: „Geeft acht!” terstond gevolgd door een doodelijke stilte, die slechts verbroken werd door het geluid van eenige zware voetstappen en het kletteren van een sabel. De kapitein naderde en ontving het rapport uit de handen van den oudsten luitenant. Daarop trok hij de sabel, enkele commando’s weerklonken en met zwaar-dreunenden stap marcheerde „de Eerste” de poort door aan het hoofd van het bataljon. Daar stonden reeds de élèves der militaire school in het gelid, die hun geleerde gezichten naar een venster gekeerd hielden, waaraan bij het licht van kaarsen het frissche kopje van onze mooie „majoorsche” zichtbaar was.
In de verte weerklonken tromgeroffel en hoorngetoet. Het kwam nader en nader. Een donkere massa golfde bijna onhoorbaar naderbij. Het was de derde compagnie, louter Javanen, wier supérieuren juist bij een parade het gemis van schoenen bij hun ondergeschikten smartelijk gevoelen. Het oor wil zich toch ook verkwikken aan den zwaren paradestap, zooals het oog aan de zuiver rechte lijn der gestrekte voeten.
Nu kwam de muziek. Ternauwernood was zij opgesteld, of de bataljons-commandant kwam zijn woning uit. Commando’s weerklonken en vereenigden zich met het gekletter der wapenen; de muziek speelde den parademarsch en onder die tonen reed de majoor langs het front. Maar zelden kreeg men den kleinen, dikken heer te aanschouwen; doch als hij verscheen en zijn oog over de colonnes liet gaan, dan schenen de lange rijen in breedte en hoogte te groeien. Met verdubbelde rotten ging het nu den grooten postweg naar Batavia op, waar tusschen het geboomte de woningen der officieren vriendelijk uitkeken en vrouwtjelief den kranigen echtgenoot kushandjes tot afscheid toewierp.
De natuur ontwaakte. In de twijgen der bosschages werd het levendig. De vogels piepten en krijschten. De wind ruischte zachtkens door de bladeren en schudde millioenen dauwdruppels naar omlaag. Daar brak de zon door, die roodgloeiend achter de woudreuzen was opgegaan en met haar stralen alles overstroomde. De punten der bajonetten schitterden alsof zij in purper waren gedoopt; zij wedijverden in vroolijken glans met de opgewekte gezichten der dragers. Een overvol gemoed gaf zich lucht in het heerlijke lied: „Wilhelmus van Nassouwen” en, kon men er ook zoo goed niet op marcheeren—het gezang plantte zich van compagnie tot compagnie voort—echt en goed gemeend was het toch.
Bij het binnen-marcheeren van Kramat kon men bemerken, dat er iets „aan de hand” was; alle huizen waren gesloten en slechts enkele dos à dos snelden zoo vlug als de wind in één en dezelfde richting. Een eindweegs verder stiet men op groepen feestelijk uitgedoste Javanen en Chineezen; ook eenige „klipsteenen”, die zich de weelde van een „kar” niet konden veroorloven, bevonden zich onder hen.
Van de „haute volée” was nog niets te bemerken. In sierlijken galop kwam nu een adjudant ons bataljon te gemoet; waarschijnlijk bracht hij beschikkingen, omtrent onze opstelling over, want hij wees naar het Waterlooplein, welks boomreeksen ons, het welkom toewenkten. Onder de vroolijke tonen van den Lindenau-marsch zwenkten wij de allee in en marcheerden met krachtigen pas, langs het garnizoen van Weltevreden, naar onze stelling.
Van daar uit hadden wij een prachtig gezicht over het geheele terrein. Tegenover ons stond de „Schutterij”, goed in rijen geschaarde in het wit gekleede „buikjes”, die, in zwarte sabelkoppels gesnoerd, op fraaie, vlekkelooze winkelprentjes geleken. Rechts reden ons de elegante equipages der suiker-baronnen en koffie-graven voorbij, waaruit vrouwenoogen fonkelende blikken wierpen, die in schittering wedijverden met de talrijke briljanten der eigenaressen. De afwisselende tooneelen deden hitte en dorst vergeten.
Eensklaps rekten zich alle hoofden naar ééne richting; er liep iets als een huivering door de lange, blinkende rijen. In fieren galop kwam een ruiter over het groote plein aangesneld.
Donderende commando’s ontwelden aan zijn mond en de bataljons stonden, of zij uit erts waren gehouwen.
Omgeven door een schitterenden stoet officieren naderde nu een vergulde heer, die lang niet onverschillig was onder de wilde sprongen van zijn door de drukte schichtig geworden schimmel. Waarschijnlijk om niet Moeder Aarde te moeten kussen, beval hij een knecht het dier vast te houden en verdeelde nu zijn aandacht tusschen het paard en de voor hem ’t geweer presenteerende troepen. Misschien dacht onder dezen menigeen: „Nu, die ziet er ook niet naar uit, of hij ’t onderscheid kan zien tusschen een knoop, die vastgenaaid en één die met een lucifer bevestigd is.”
De gouverneur-generaal—want dat was de heer op den schimmel—was zeker blij dat hij weer rustig kon stilzitten en ons laten voorbijmarcheeren. Vol waardigheid zag hij op de colonnes der compagnie neer en glimlachte goedkeurend, zoo dikwijls de beenen der manschappen als uit een kanon geschoten zijn schimmel op eenigen afstand langs den neus vlogen.
Een heerlijke aanblik was het, toen artillerie en cavalerie op hun kleine, flinke paarden als een wervelwind over het paradeveld stoven. De schimmel had gaarne, zonder verlof van zijn heer, meegerend, maar een adjudant naast het dier liet het niet toe.
Men moet eerlijk erkennen; een parade, die niet door een militair wordt geïnspecteerd, mist haar doel. Officieren en soldaten verlangen waardeering der afgelegde proeven. En zoo hun die ook in ruime mate wordt geschonken, zij verschaft hun niet de gewenschte voldoening, want zij is niet die van een deskundige; ze blijft een nietszeggend compliment. De soldaat is er toch steeds op uit, om van elke situatie de belachelijke zijde op te merken en als dit ten koste van den hoogstgeplaatsten persoon des lands geschiedt, dan lijdt diens prestige daardoor.
Er werden dan ook veel „moppen getapt”, toen na afloop der parade het bataljon zich door het stof, dat een voet hoog den weg bedekte, weder naar het garnizoen van Meester Cornelis voortbewoog. Verzengend schoten thans de zonnestralen op de witgepoederde soldaten neer, die elkander de beloofde heerlijkheden uit den kelder (?) voorspiegelden, om zoodoende den dorst nog te vergrooten.
„Nog maar een halfuurtje stevig doormarcheeren en dan zijn we er”, hoorde men allerwege.
Het zou niet eens zoo lang duren. Met de snelheid van den wind trokken achter ons dichte wolkenmassa’s op. Het opgejaagde stof herschiep ons in wandelende molenaars, die door onheilspellend rollende donderslagen letterlijk tot den looppas werden aangezet. Het mocht niet baten; met een onweer in Indië kan men niet om het hardst loopen. Binnen weinige minuten stroomde ons het water uit de schoenkappen.
Voor de eerste sectie had het onweer ten minste nog een nuttige zijde. De bombardonist die voor haar uit marcheerde, hield namelijk de windpijp van zijn instrument uitdagend ten hemel en verzamelde het stroomende nat. De een na den ander mocht dan aan het mondstuk van den bombardon zuigen en zijn dorst lesschen. Het was wel niet smakelijk, want de man pruimde, maar het deed toch goed.
Twee uur later zat de geheele compagnie bij de dubbele menage en de halve flesch wijn en Kees Kool hield een redevoering waarin hij het Oranjehuis elk jaar een mannelijken telg toewenschte. „Maar niet op denzelfden dag, want de oomes in Batavia... we weten er alles van.”
DE BESTORMING DER BENTENG MANDOEROEIAN.
(Zuider- en Ooster-Afdeeling van Borneo, den 20sten Sept. 1883.)
„Sergeant! de kettingganger Panglima Alie is gedrost, en heeft van mij een splinternieuw slagersmes medegenomen.”
Met deze woorden naderde de fuselier Van Zijl, die in de kleine versterking te Moeara Teweh naast de betrekking van kok ook het bloedige ambt van slachter uitoefende, den menagemeester. Deze trok een bedenkelijk gezicht, krabde zich achter de ooren en zeide tot een sergeant die in de nabijheid stond: „Dat heb ik wel zien aankomen. Hoe kon men ook zoo onverstandig zijn om een veroordeeld Atjehsch hoofd naar eene streek te zenden, waar de bevolking in verzet is en Mohamad Seman nog veel invloed bezit?”
„Wat kan het jou schelen,” antwoordde de ander, „laat het civiel bestuur dat maar uitmaken.”
„Je hebt gelijk,” mompelde de menagemeester en begaf zich naar den sergeant-majoor, die de jobstijding aan den post-commandant overbracht.
Spoedig daarop rukten twee patrouilles uit, die in verschillende richtingen in het woud op verkenning gingen, terwijl eene gewapende sloep van den oorlogsstoomer, die voor de benteng op de Barito voor anker lag, stroomopwaarts voer om zoo mogelijk den vluchteling in handen te krijgen.
Tegen den avond keerden allen naar Teweh terug, wel met vermoeide beenen, doch zonder Panglima Alie.
Eenige weken waren sinds dat voorval voorbijgegaan. Het leven van het garnizoen bleef vervelend, zooals het alleen op buitenposten zijn kan. De manschappen exerceerden, werden geoefend in het schijfschieten en in hunne vrije uren speelden zij, onder het genot van wat slappe thee, pandoer om een halven cent de 10 punten. De officieren exerceerden natuurlijk ook mede, maakten daarna hun omberpartijtje (waarschijnlijk hooger dan om een halven cent de 10 punten) en dronken daarbij geen thee.
In dat gemoedelijke leven kwam plotseling verandering, toen op zekeren dag het hoofd van een der omliggende bevriende kampongs in groote opgewondenheid binnen de benteng kwam en den commandant mededeelde, dat eene bende Doessoeners, onder bevel van den pretendent-sultan Mohamad Seman, van de bovenstreken was afgezakt en vijandelijkheden begon tegen alle kampongs, die geen gemeene zaak met hem wilden maken. Eenige dagen later werd een troep, die van het schijfschieten terugkeerde, uit de rimboe [24] beschoten. Daar de onzichtbare schutters zich op een behoorlijken afstand hielden en waarschijnlijk ook een weinig aan beverigheid laboreerden, bezorgde ons dat geschiet geen verliezen. Den postcommandant werd de zaak evenwel een weinig te bar. Toen hij bekend was geworden met de schuilplaats der opstandelingen, zond hij daarheen een detachement infanterie onder aanvoering van een officier, dat den vijand overviel, de benteng bestormde en met den grond gelijk maakte. Doch indien de bevelhebber had gedacht daarmede den vijand onschadelijk te hebben gemaakt, dan vergiste hij zich schromelijk. Elken dag traden de opstandelingen brutaler op. Bij honderden nestelden zij zich op de omliggende hoogten en richtten hun vuur op onze versterking en op het oorlogsstoomschip Onrust.
Te Bandjermasin waren deze gebeurtenissen natuurlijk niet onbekend gebleven. Op zekeren dag duidde dan ook eene rookkolom de nadering aan van een stoomschip, en korten tijd daarna liet de Boni, tot groot genoegen van het garnizoen, haar anker vallen voor de versterking, medebrengende 60 man infanterie tot versterking van de bezetting. De Doessoeners, die waarschijnlijk van oordeel waren dat twee schepen gemakkelijker zijn te treffen dan één, namen nu ook de Boni onder vuur, zonder evenwel veel schade aan te richten.
Een paar dagen later stoomden beide schepen met 100 man infanterie aan boord de Barito verder op. Spionnen hadden bericht dat de vijand in het stroomopwaarts gelegen Telok Mayang een sterken voorpost had opgesteld, die zoowel de versterking te Teweh als de omliggende kampongs aanhoudend verontrustte. De troepen, die de vijandelijke benteng van twee zijden naderden, vonden haar verlaten, doch men kwam te weten, dat de opstandelingen zich op ongeveer drie uren stoomens boven Teweh aan eene linker zijrivier (de Lahei) op een 40 meter hoogen heuvel sterk verschanst hadden. Aanvoerder van de bende was Panglima Alie, de gevluchte dwangarbeider, die tegenover de bevolking volhield dat Mandoeroeian—zoo heet de heuvel—voor onze troepen onneembaar was. Dientengevolge waren, te oordeelen naar de ontvolkte kampongs, vele gewapende mannen naar den vijand overgeloopen. Het werd daarom hoog tijd dien Atjeher eens eene gevoelige les te geven. Op den 19den September kwam daartoe de gouvernementsstoomer Djambi te Teweh aan, met den resident, den gewestelijken militairen commandant en een detachement infanterie van 50 man aan boord. Onmiddellijk werd met de bevelvoerende officieren overleg gehouden, en besloten zoo spoedig mogelijk tot den aanval over te gaan. Met onverholen vreugde werd deze tijding door de troepen vernomen, vooral door de vaste bezetting, die reeds zoo lang tot levende schijf gediend had, en zich zoo gaarne met den vijand zou hebben gemeten, indien de postcommandant slechts het bevel daartoe had willen geven. De aanval werd vastgesteld op den volgenden morgen.
In de soldatenkamers ontstond nu groote bedrijvigheid. Hier gaf er een zijnen geweerloop—toch reeds zoo blank als een spiegel—nog eens een extra olielaagje; daar onderzocht een ander de scherpte van zijn kapmes, kortom alles was leven en beweging.
„Zeg eens, Piet,” riep een fuselier zijnen kameraad Van Zijl toe, die, met het hoofd tusschen de handen, met starre blikken voor zich uit zat te kijken, „wil ik je vriend Alie niet de groeten overbrengen en hem vragen of hij je slagersmes wil teruggeven?” Op deze woorden volgde een schaterlach van de omstaande soldaten. De aangesprokene stond driftig op en met een gelaat, vuurrood van toorn, verliet hij de kamer.
„Plaag dien armen kerel toch zoo niet,” bracht een oude korporaal in het midden, „het is al hard genoeg, dat hij morgen niet mee mag, omdat hij toevallig kok is.”
Eenige minuten later stormde Van Zijl, gloeiend van opgewondenheid, de chambree weer binnen en riep luide: „Hoera! leve de kapitein! ik heb vergunning gekregen om mee te gaan. Nu zal ik mijn mes zelf halen, of de duivel mag het mij doen.”
Van alle zijden hoorde men met genoegen dat de bij zijne kameraden en superieuren geziene kok, slachter, enz., mede van de partij zou zijn.
„Niet waar, Piet, van middag krijgen we grootere porties, is ’t niet?” vroegen hem enkele manschappen.
„Loop naar de maan!” antwoordde hij en ijlde naar zijn heiligdom, daar de hoornblazer reeds het signaal „voor den kok in de keuken” deed weerklinken.
„Bruine boonen met spek,” mompelde de oude korporaal, terwijl hij met welgevallen den neus in zijn menageketel stak. „Piet heeft eer van zijn werk. Sedert Alie er met dat groote mes van door is gegaan, komt het me voor dat de rations grooter zijn. Er bleef misschien veel aan dat mes hangen.”
De manschappen schenen van dezelfde meening te zijn, ten minste er heerschte eene diepe stilte, slechts afgebroken door het eigenaardige geluid van etende menschen en het gekletter van lepels en vorken.
Daar knalden plotseling van buiten een paar schoten, eenige kogels vlogen over de hoofden der manschappen en drongen in de wanden. Verschrikt sprongen de jongere soldaten op. De oude korporaal bleef echter rustig zitten en zeide kalm: „Bruine en blauwe boonen onder mekaar kan geen korporaalsmaag verdragen. Zet de slaaptafels voor de vensters!” en toen dat geschied was vervolgde hij: „Ga nou je gang maar weer met eten.”
Er waren evenwel toch enkelen, die na dat geschiet weinig eetlust hadden, daar eenige vijanden uit nabijzijnde boomtoppen een levendig vuur onderhielden. Ook de officieren hadden hunne eetzaal op dezelfde wijze gebarricadeerd om niet te veel blootgesteld te zijn. Allen troostten zich echter met de gedachte: „morgen zullen we het jelui wel afleeren.”
Reeds vóór de morgen, waarnaar zoo verlangd werd, was aangebroken, stonden de manschappen van het garnizoen, die ook aan de expeditie zouden deelnemen, op de binnenplaats aangetreden. Een paar gedempte commando’s lieten zich hooren, en weldra marcheerde de troep naar buiten om zich naar den rivieroever te begeven, waar de Boni gereed lag om hen op te nemen.
Het was nog stikdonker, daarbij hing er een dichte nevel over het water, zoodat men geen pas voor zich uit kon zien. Voelend en tastend gingen de manschappen een voor een over de glibberige loopplank op het stoomschip. Van de overige schepen was niets te zien. Slechts hoorde men nu en dan het sissen van ontsnappenden stoom en het geluid van menschenstemmen.
Op het achterdek van de Boni stond de luitenant-adjudant C., die in plaats van den ongesteld geworden kapitein, wien aanvankelijk het commando was opgedragen, de aanvaltroepen zou aanvoeren, in druk gesprek met een paar andere officieren. Nu en dan ontsnapte hem eene kernachtige verwensching tegen den nevel, die maar niet wilde optrekken en het vertrek vertraagde. De handen schenen hem te jeuken.
Eindelijk—het was ongeveer halfzeven—klaarde het op en zette de flottille zich in beweging. Voorop de Boni, daarna de Onrust en eindelijk de Djambi. Toen eerstgenoemd schip in de nabijheid van de kampong Ipoe gekomen was, zag de bemanning op grooten afstand eene prauw, bemand met ongeveer tien personen, stroomopwaarts roeien. Zeker waren dit vijandelijke verspieders, die onze komst moesten berichten, althans te oordeelen naar de snelheid, waarmede zij zich uit de voeten maakten, konden zij onmogelijk een zuiver geweten hebben. Het doel van den tocht kon nu niet ver meer zijn.
Het was ongeveer drie uren na de afvaart, toen bij eene kromming der rivier de vijandelijke versterking in het gezicht kwam. Hoog boven de palissaden wapperde uitdagend de roode sultansvlag. Met volle kracht stoomde nu de Boni vooruit. Alles was aan boord tot een gevecht in gereedheid gebracht, doch aan ’s vijands zijde werd nog geen leven bemerkt. Nauwelijks evenwel was het schip binnen het bereik van de vijandelijke kogels gekomen, of een hevig vuur barstte los, zonder echter belangrijke schade aan te richten. Men bleef natuurlijk het antwoord niet schuldig. Een kort commando weerklonk, en een kanon van 5 cM. verhief zijne stem, om in den vorm van eenige ijzeren suikerbroodjes de groeten over te brengen. Nog eenige infanterie-salvo’s en de vijand liet de Boni ongemoeid, om meer aandacht te wijden aan de Onrust en de Djambi. De Boni ging voor den mond van de Lahei ten anker. De Onrust opende op ongeveer 500 meter benedenstrooms het vuur, dat door den vijand levendig beantwoord werd. De leiding der verdediging scheen niet in slechte handen te zijn. De lilla’s [25] waren goed gericht, doch werkten weinig uit, daar de afstand te groot was.
De Onrust had het ongeluk, dat bij eene poging om van de kleine kanonnen op het achterschip gebruik te maken en daartoe dwarsstrooms te gaan liggen, wegens den snellen stroom een anker moest worden gekapt. Daarna stoomde dit schip voorwaarts, kwam 400 meter benoorden de vijandelijke benteng weer ten anker en opende nogmaals het vuur, nu ook uit een kanon van 16 cM. De projectielen, daaruit geworpen, konden evenwel den heuveltop niet bereiken, daar aan het stuk geen voldoende elevatie kon worden gegeven. Met des te meer nadruk werd evenwel het vuur onderhouden uit de kleinere kanonnen, en blijkbaar niet zonder gevolg.
De geschutstrijd had ongeveer een uur aangehouden, toen het vijandelijke vuur eenigermate verflauwde, en de overste het oogenblik gekomen achtte om tot den aanval over te gaan. Hij gaf dus last de troepen te ontschepen. Vooruit twee sloepen van de Boni met den voortroep onder het bevel van een luitenant, ten einde de nakomenden voor een overval te beveiligen. Na een half uur stonden ongeveer 170 man, onder bevel van zes officieren, gereed het gevecht te beginnen. Zooals reeds van de schepen was opgemerkt, was de benteng aan drie zijden van zware verhakkingen voorzien, en moest men dus trachten aan den achterkant (noordzijde) te naderen.