Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven
Part 7
De bruine schoone liet mij evenwel niet lang in onzekerheid. Met een betooverend lachje bracht zij mij de groeten over van haren gebieder, den houder van de roemah pandjang, die mij uit dankbaarheid voor mijne bemoeiingen, eene flesch druivensap deed toekomen. De geslepen Chinees had het niet raadzaam geoordeeld zelf te komen; misschien had hij er een voorgevoel van dat ik hem met zijne flesch wijn vierkant de trap zou hebben afgesmeten. Wat dacht zoo’n langstaart wel van een sergeant? Meende die spekverzwelgende dikbuik misschien, dat ik om zijnentwille de patrouille uit zijn huis verwijderd had?
Tegenover dit meisje ging het evenwel niet aan grof te worden; zij had zulke verliefde oogen, zulke schoone zwarte tanden, en hare huid was zoo sierlijk met gele oker besmeerd, dat de aangeboren ridderlijkheid van een sergeant zoo iets niet gedoogde. Ik loodste haar daarom met een zoet lijntje naar de deur, en wilde haar juist als loon voor de boodschap een kus op den mopneus drukken, toen plotseling het geroep van den schildwacht weerklonk: „Werda?” en kort daarop: „Halt, korporaal heraus, rond-luitenant!”
Heere bewaar ons! Ongelukkiger kon het niet treffen. Wat moest daarvan terecht komen! De ronde naderde en nog altijd bevond het meisje zich in de wachtkamer. Met eene enkele handbeweging wierp ik haar onder de tafel, bedekte haar zoo goed en zoo kwaad als het ging met mijn kapotjas, greep mijn geweer en snelde naar buiten. Daar zag ik ook reeds op de passar het licht eener kleine lantaarn en bij het zwakke schijnsel daarvan bemerkte ik duidelijk de oranjekleurige sjerp van den luitenant van piket. Met van angst trillende stem deed ik de noodige commando’s, trad vooruit en meldde: „Niets nieuws.”
„Laat de manschappen inrukken en geef mij het rapport ter teekening,” luidde het bevel.
Bevend voldeed ik aan dien last en volgde den officier in de wachtkamer, een lam gelijk, dat ter slachtbank wordt geleid.
Het rapport lag op de tafel, de luitenant ging zitten en strekte geeuwend zijne lange beenen uit. Ik dacht dat mijn vonnis geveld was. Het kon bijna niet anders of hij moest tegen de vrouw trappen.
Het koude angstzweet brak mij uit en de pen sidderde in mijne hand, toen ik haar den luitenant aanbood. Mijn ontsteld uiterlijk viel hem op en deelnemend vroeg hij: „Zijt ge misschien ziek?”
„Neen, luitenant,” antwoordde ik, nog meer in de war; „ik ben voor het eerst wachtcommandant en de... de... de groote verantwoordelijkheid...” en meteen greep ik krampachtig naar mijn gouden streep.
„Je hebt toch, hoop ik, niet te diep in het glas gekeken?” vroeg hij, tegelijkertijd een onderzoekenden blik op mijn ontdaan gelaat richtende.
Deze veronderstelling bracht mij weder tot bezinning. Wat, ik, die nooit iets anders over de lippen bracht dan koffie en thee met en benevens dozijnen „smeerproppen”, waarvoor ik zelfs den eeretitel „smeerproppenvreter” verworven had, ik zou dronken zijn?
Het met volle overtuiging uitgesproken „neen” scheen dan ook den officier voldoende te zijn, ten minste hij stond op. Alvorens te vertrekken kon hij toch niet nalaten mij nog even toe te voegen: „Denk er om, drinken op wacht wordt zwaar gestraft; de gouden streep hangt maar aan een draadje.”
Waarachtig, de luitenant had gelijk, en onwillekeurig tastte ik weer naar mijn chevron; er naar zien durfde ik niet. Als een steenen beeld bleef ik voor den officier staan, toen hij mij nog eenige wenken gaf tot het voorkomen van malaria en buikpijn.
Doch neen, zoo hoog zat mijn kwaal niet, noch in het hoofd, noch in den buik, zij zat op een pas van ons af onder de tafel.
Eindelijk, eindelijk ging hij heen en ik volgde hem, de deur voorzichtig achter mij dichttrekkend. Nog een genadig hoofdknikken, en hij verdween met zijn lantaarndrager in de richting van het kruitmagazijn.
Toen het geluid van zijne voetstappen in de nachtelijke stilte was weggestorven, ijlde ik naar de wachtkamer terug en kwam daar juist aan, toen de oorzaak van mijn angst van onder de tafel te voorschijn kroop.
Op dit gezicht werd ik woedend, en de deur openrukkende schreeuwde ik met al de kracht, die mijn longen mij veroorloofden: „Rrraus!”
De aartsengel Gabriël kan er niet onrustbarender hebben uitgezien, toen hij Eva uit het paradijs verjoeg, dan ik op dat oogenblik.
Het meisje scheen het ook te vinden, want zij vloog letterlijk. Tegelijkertijd stormden evenwel ook mijne manschappen naar buiten, daar zij dachten dat het „heraus” hen gegolden had. Moest dan alles samenwerken om mij ten val te brengen?
Dewijl in oogenblikken van gevaar een commandant der wacht altijd de grootste tegenwoordigheid van geest moet hebben, ging ik onmiddellijk op den schildwacht „voor het geweer” af, en vroeg hem of hij die meid niet in de wachtkamer had zien sluipen. Hij ontkende, en met recht, want het vrouwspersoon was binnengekomen toen er een ander op post stond. Nu schopte ik hem een standje, dat klonk als een klok: „Heb je dan geen oogen in ’t hoofd? Moet ik soms een baboe bij je zetten om op je te passen? Weet je niet, dat je eene zware straf verdiend hebt?”
Zoo ging ik een oogenblik voort en daarna gevoelde ik mij zoo licht als een vogel; er was mij een steen van ’t hart gevallen.
Het was een mooi begin van mijne loopbaan als sergeant!
Door de ondervonden wederwaardigheden uitgeput, strekte ik mij voor de wachtkamer op een bank uit en de diepe rust, die in de natuur heerschte, liet niet na haar weldadigen invloed op mijne geschokte zenuwen te doen gevoelen. Geen blad ritselde; het eenige wat mijn oor trof was het kabbelen van de Tjilewong en de eentonige stap van den schildwacht. Weldra werd de maan door het geboomte zichtbaar, en wanneer een der reuzenbladeren van een pisangboom zich voor haar bleek aanschijn heen en weer wiegelde, scheen het mij toe alsof die oude vrijster mij, arm geplaagd menschenkind, uitlachte. Lach maar! Ik lach ook, want heden heb ik de zekerheid gekregen, dat ik lang zoo onhandig niet ben als ik wel gedacht had.
Daar kraaide in de verte een haan. Goddank, de morgenschemering brak door. Reeds kwamen talrijke inlanders met hunne krakende pikolan’s [23], zwaar beladen met sterk riekende vruchten en andere koopwaren, naar de passar. Die lucht, vermengd met de uit den bodem opstijgende dampen, drukte mij loodzwaar op de borst, en mij overviel eene huivering alsof ik de koorts had.
Ik wist—de luitenant had er mij trouwens pas aan herinnerd—dat het liggen in de open lucht in Indië zeer schadelijk voor de gezondheid is.
Op! dus, daar komt reeds de koffie; die zal mij weer uit mijn gedommel wekken. Hare komst kondigde tevens aan, dat de eerste nachtwacht begon te „draaien” d.w.z. ten einde spoedde.
Weldra kwam de aflossing, en in den versnelden pas begaf ik mij met de manschappen naar de kazerne terug. Reeds op een afstand zag ik den patrouille-commandant van den vorigen avond staan. Het ventje zag er bleek en ontdaan uit en met angstige stem vroeg hij: „Sergeant, hebt u rapport gemaakt?”
„Neen,” antwoordde ik, „ge hadt het dubbel en dwars verdiend, doch voor ditmaal heb ik het door de vingers gezien; zorg dat het niet weer gebeurt!”
De blijdschap van den armen jongen was onbeschrijfelijk. Den ganschen nacht had hij wakende doorgebracht, met de treurige gedachte dat hij misschien den volgenden morgen zijne streep zou moeten missen, en dat zou jammer voor hem geweest zijn. Thans is hij reeds jaren lang officier.
Toen ik voorbij mijn vriend Hendrik marcheerde, riep deze mij toe: „Denk er om!”
„Ja, ik weet het al,” antwoordde ik, „zij hangt maar aan een draadje!”
„Ben je gek, kaffer! Je moet van avond op bier trakteeren!”
„O, meen je dat? Dan is het in orde!”
In drie sprongen vloog ik de trappen naar mijne kamer op, want er werd geblazen voor het eten en ik moest mij nog voorstellen aan de collega’s. Snel mijn ransel losgemaakt en het kapmes afgeworpen.
Goede God! Wat is dat? Waar is mijn gouden streep? Daar hing ze aan den ranselhaak, die haar van mijn mouw had gescheurd. Nu, nog mooier! Ze hing immers ook maar aan een draadje!
Snel nam ik naald en draad en naaide haar ditmaal zelf vast, en ze bleef hangen.
ZINGENDE SOLDATEN.
Een oom van mij, die zich reeds op zijn twintigste levensjaar in zulk een lichaamsomvang verheugde, dat ’s konings rok hem te klein was, verklaarde mij dikwerf hoofdschuddende: „Ik begrijp niet, hoe het mogelijk is, dat soldaten met den ransel op den rug, het geweer op den nek en een massa patronen voor den buik, bij een hitte van tachtig graden op den stoffigen straatweg zingen kunnen.” Deze zienswijze was den goeden man niet kwalijk te nemen. Het ging hem juist als vele Hollandsche staatsburgers, die nog nooit het schoone lied hebben medegezongen: „O, welk een lust soldaat te zijn!” maar zich voor een paar honderd gulden iemand koopen, die voor hen dezen lust botviert. Hij weet niet, dat het een zeer slecht teeken is, als een kolonne stil haars weegs gaat; als de manschappen met slependen tred en hangende hoofden achter elkander aanstrompelen. Dan duurt het niet lang meer, of de een na den ander zakt aan den kant van den weg ineen, bleek als een doode, bezwijkende van vermoeienis. Welk een verschil tusschen zulk een troep en één uit welks rijen, van de eerste sectie tot de laatste, de melodieën van bekende marschliederen weerklinken. Als op de parade, zoo gelijk gaan de beenen op en neder; het is of de geheele kolonne marcheert als één man, en trotsch schrijdt zij voorwaarts. Geleden zijn honger en dorst, verdwenen is alle vermoeidheid. De officieren weten dat wel. Zij wekken hun manschappen tot zingen op en stoppen ook de ooren niet dicht, als er zoo nu en dan een lied onder doorloopt, waarvan het refrein een keukenprinses misschien zou doen blozen. Het kan zelfs voorkomen, dat de gestrenge heer kapitein in eigen persoon aan den koorzang deelneemt en enkele klanken uit zijn keel laat opwellen, die van de gebruikelijke commando’s ten eenenmale afwijken. Deze eer viel der eerste compagnie van het 1e depot-bataljon in Meester-Cornelis herhaaldelijk te beurt, want haar kapitein was een zeer muzikaal man, van wien zelfs het gerucht liep, dat hij in zijn ledige uren viool speelde. Was het bataljon uitgerukt tot het maken eener militaire wandeling en weergalmde zoo om en bij de „Berenlaan” het commando: „uit den pas”, dan kon men onzen kapitein ook weldra hooren roepen: „Komaan, jongens, doet nu eens flink den mond open,” en daarop hief de geheele „eerste” het bekende Piet Hein aan, dat het een lust was om te hooren. Was het Piet-Hein-lied uitgezongen, dan volgde Die Wacht am Rhein en daarna de Marseillaise of eerst de Marseillaise en dan Die Wacht am Rhein, al naarmate het grootste gedeelte met de eene of andere hymne instemde. Bij dergelijke gelegenheden verbaasde ik mij steeds over het gebrek aan Hollandsche soldatenliederen in het Indische leger. Piet Hein was vrij wel het eenige lied, op welks kranige, rythmische melodie men goed kon marcheeren. De overige liederen waren grootendeels van draaiorgels afgeluisterd en van alles behalve geestige teksten voorzien, als: „Ik zal het zeggen aan je moeder,” of „Hou jij van soep met balletjes?” enz. Waarschijnlijk ook lachte daarom de kapitein zoo welwillend, toen ik hem, bij gelegenheid van het compagniesrapport, om de vergunning verzocht, een zangvereeniging te mogen oprichten. Toevallig was mij een Duitsch liederenboek voor vierstemmigen mannenzang in handen gekomen en daarop had ik mijn plan gebouwd. De kapitein gaf zijn toestemming. Hij scheen het niet meer dan natuurlijk te vinden, dat een sergeant, die dagelijks vijf uur geëxerceerd, twee uur theoretisch onderwijs gegeven en nog weder vijf uur als „sergeant van de week” in de kazerne rondgegaloppeerd heeft, behoefte had aan eenige uitspanning.
Intusschen was deze uitspanning wel van ietwat twijfelachtig gehalte, want het kwam er hier op aan bij een hitte van 70° negen Duitschers en drie Hollanders in de geheimen der edele toonkunst in te wijden. Als kunsttempel fungeerde de eetzaal der onderofficieren. Dat was een groot euvel, want de etenslucht, die was blijven hangen, bewerkte steeds, dat de zangers binnen het eerste halfuur het water in den mond kregen en dat kon men den menschen niet kwalijk nemen; immers zij hadden honger. Bij het eerste bataljon is namelijk de etenstijd zoo vastgesteld, dat het laatste maal des middags omstreeks half vier verstrekt wordt. Na dien tijd krijgen de manschappen niets meer voor des anderen daags 5 uur in den morgen, wanneer zich de jeukende maag aan koffie met brood mag te goed doen. In dien tusschentijd moet er echter nog twee uren dapper geëxerceerd worden. De honger is dus volkomen gerechtvaardigd. Ik kon den menschen evenwel niets anders aanbieden dan de noten bij het lied van Abt: Die Abendglocken klingen. Ze slikten die dan ook met het grootste genoegen, doch werden er niet dik van. Bij het instudeeren bediende ik mij van een guitaar, die onder de tropische hitte reeds danig had geleden. De gelijmde klankbodem was losgegaan en had met de spijkertjes van een sigarenkistje weer bevestigd moeten worden, door welke bewerking de toon van het instrument nu juist niet aan welluidendheid had gewonnen. Ook waren twee snaren onder den tand des tijds bezweken en moest ik met de grootste behendigheid op de bassnaar manoeuvreeren, om daaraan de vereischte melodie te ontlokken. Deze klonk dan ook zeer erbarmelijk en herinnerde in niets aan de bekende „Abendglocken”.
Niettemin scheen zij een bijzonderen indruk te maken op de toeluisterende Javaantjes. Waar sinds de eerste repetities een stuk of wat van die kereltjes bijeenstonden of -zaten, daar hoorde men hen neuriën: „Abenlokkenlingen, Abenlokkenlingen.” In de slaapzaal, bij het baden, zelfs in de keuken bromde de Javaansche koelie: „Abenlokkenlingen.” Wat hielp het, of ik den kerels al toebulderde: „Houdt den mond!” Geheel in gedachten neurieden zij een minuut later weder „Abenlokkenlingen.”
Maar dit concert zou ten slotte nog zijn te verdragen geweest, echter niet dat mijner scholieren, die in den eersten tijd de vastgewortelde overtuiging niet prijs wilden geven, dat het lied unisono gezongen moest worden. Mocht het al zijn, dat ik de tweede tenoren of bassen zoo ver had gekregen, dat zij, ieder afzonderlijk, hun melodie vlekkeloos konden voordragen, nauwelijks zongen zij te zamen, of het tonengebouw lag weder in puin. Zegepralend schetterde dan de geheele schaar eenstemmig: „Die Abendglocken klingen.” Toen ik na wekenlangen strijd toch eindelijk in het slechte gehoor mijner leerlingen bres had geschoten en mijn begrip van vierstemmig gezang tot hen was doorgedrongen, overkwam mij het ongeluk, dat een mijner eerste tenoren ziek werd en in het hospitaal moest worden opgenomen. Wilde ik de schitterende uitkomst mijner volharding nu niet weer verloren zien gaan, dan moest ik onvoorwaardelijk zelf inspringen, want er viel niet aan te denken, de opengevallen plaats door een ander te doen innemen. Nu zal mij ieder maar eenigszins muzikaal ontwikkeld mensch toegeven, dat het iemand, die zoo half en half reeds als bas in de wereld is gekomen, wiens stem in den loop der jaren zich voortdurend meer in de laagte heeft uitgezet en die ten gevolge van zijn functie als sergeant zedelijk verplicht is zijn keel, bij het omscheppen van gewone stervelingen in soldaten, dagelijks buitengemeen in te spannen,—dat het zoo iemand, zeg ik, uiterst zwaar moet vallen zijn stem eenige octaven hooger te schroeven. Doch is een Indisch sergeant niet tot alles in staat, als hij door ’t noodlot gesard wordt? Spoedig tot een besluit gekomen, sloot ik mij in mijn kamer op en traineerde mijn stem in de hoogste falset. Kon ik het helpen, dat de schoonste tonen altijd oversloegen en af en toe een geluid werd voortgebracht, dat precies op dat van een hond geleek, dien men op den staart trapt? Mijn Javaantjes waren aanvankelijk geheel in de war over mijn gewaagde strottenhoofdexercitiën en meer dan eens hoorde ik hen achter mijn rug mompelen: „Kassian! sergeant pandjang sakit proet.” (De lange sergeant heeft buikpijn). Ik vervolgde onversaagd mijn glibberige loopbaan als tenor en bereikte eindelijk het stadium, dat ik het wagen kon mij te laten hooren. Voorzichtigheidshalve stemde ik evenwel bij voorbaat mijn guitaar nog drie tonen lager. Dit verschil scheen zelfs mijn tweede-bassen—terloops gezegd de domsten mijner leerlingen—op te vallen, want één hunner veroorloofde zich de opmerking, dat de „Abendglocken” veel lager gestemd waren dan vroeger. Maar daar diende ik hem op! „Weet je iets van de harmonieleer en het contrapunt af?” vroeg ik hem. En toen hij daarop „neen” antwoordde, snauwde ik hem toe: „Houd dan je mond!”
Nu wist ik wel is waar zelf niets van de geheimenissen dezer zuilen der toonkunst en had een sterk vermoeden, dat ook de „Abendglocken” er geheel vreemd aan waren, doch men mag, om der wille van de discipline, bij een soldaat nooit het denkbeeld doen opkomen, dat er iets ter wereld bestaat of bestaan kan, waarvan de sergeant—en vooral de Indische sergeant—geen kennis draagt. Maar helaas, ik kon er mijn bassen niet toe krijgen, drie tonen lager te zingen. Zij vertrokken den mond wel op alle mogelijke manieren en zetten daarbij de jammerlijkste gezichten, doch de tonen, die zij zoodoende voortbrachten, waren werkelijk onbruikbaar. Ten slotte maakten zij strike, dat wil zeggen, zij hielden den mond. Daarin had zelfs de strengste kapitein geen grond kunnen vinden om de kerels in „Zijner Majesteits snuifdoos” te stoppen; zij konden toch even zoo min lager komen, als het mij mogelijk was om hooger toon te bereiken. Wij luidden derhalve een tijd lang de „Abendglocken” niet meer, tot groot leedwezen mijner Javaantjes, maar legden ons op marschliederen toe, totdat mijn tenor behoorlijk rijp zou zijn. De kapitein keek zielsvergenoegd, toen wij ons bij den eerstvolgenden „militairen marsch” aan het hoofd der compagnie stelden en het eene lied na het andere aanhieven, met welks slotrefrein dan steeds de geheele compagnie instemde.
Het best beviel hem de marsch:
„Wenn die Soldaten durch die Stadt marschiren, Oeffnen die Mädchen Fenster und Thüren, Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum Vallera, Nur weg’n dem Bum Vallera, Bum Vallera, Bum!”
Dat „Bum Vallera” heeft mij menige sigaar van hem opgebracht en zeker ook mij menigen dag kamerarrest genadiglijk bespaard. Na eenige weken was het met mijn tenor eindelijk in orde.
Het was hoog tijd, want St. Nicolaas stond voor de deur en wij hadden van den kapitein de opdracht gekregen, in de officieren-sociëteit, ter gelegenheid van het kinderfeest, eenige passende liederen te zingen. Als eerste nummer op het programma prijkte het Wien Neerlandsch bloed. Later werd beweerd: men had van den tekst geen woord verstaan, wij hadden even zoo goed „Sauerkraut mit Leberwurst” kunnen zingen; doch dat zal wel vuige laster geweest zijn. Het tweede lied heette: O du fröhliche Weihnachtszeit, en het slot vormden Die Abendglocken.
Ik beefde aan handen en knieën, toen ik met mijn schaar het podium betrad en een heimelijken blik op het publiek wierp. Daar, geheel vooraan, in de eerste rij, zat de bataljonscommandant, wiens gestreng voorkomen scheen uit te drukken: „Kerel, voor elke noot, die je valsch laat zingen, krijg je een dag kamerarrest.” Daar achter, naast een pilaar, stond mijn kapitein met dreigend opgeheven vinger, schijnbaar om mij moed (?) in te spreken, en naast mij in de coulisse verscheen mijn peletonscommandant, die mij toefluisterde: „Sergeant, je hebt immers geen dirigeerstok.” Gerechte hemel, daar had ik in ’t geheel niet aan gedacht! Gewoonlijk had ik daarvoor mijn wijsvinger gebruikt en, wanneer ik wat in vuur kwam, mijn guitaar. „Luitenant, zou u zoo goed willen zijn, mij uw potlood te leenen?” smeekte ik, en hij was zoo menschlievend, mijn verzoek in te willigen. Nu kon het beginnen. Ik draaide mij met knikkende knieën naar het publiek. Daarbij gevoelde ik mij zoo ellendig, dat ik onder het maken van mijn buiging bijna van het podium naar beneden in den schoot van mevrouw de majoorsche zou gevallen zijn; maar, God zij dank, brachten mij de glimlachende damesgezichten weder in evenwicht. Nu verhief ik het potlood, telde een, twee, drie, en zette mijn tenor in beweging. Het Wien Neerlandsch bloed liep uitstekend van stapel, ofschoon niet zonder dat „von der Stirne heiss” mij „der Schweiss” droop. Luide toejuichingen waren het loon voor den moeitevollen arbeid. Alleen de bataljonsadjudant moest weer eens een aanmerking maken. „Je moet bij het dirigeeren den arm meer zwaaien, niet zoo gebogen staan en het hoofd niet zoo voorover laten hangen,” zeide hij. De goede man begreep blijkbaar niet, welk een reuzenarbeid op mijn schouders drukte. Een tenorpartij zingen, voor twaalf man angst uitstaan en daarbij nog de maat aangeven, dat scheen hem zeker maar een kleinigheid. Ik zou er ook nog den arm bij moeten zwaaien! Om dat alles te doen en bovendien het hoofd omhoog en de schouders naar achter te houden, zou men de legercommandant in hoogst eigen persoon moeten wezen. Dien kan niemand het lastig maken, als zijn stem overslaat, doch een sergeant kan men het wel doen. Natuurlijk hoedde ik er mij voor, den adjudant mijn gedachten bloot te leggen, maar beloofde beterschap. De beide andere nummers werden eveneens schitterend uitgevoerd; vooral de „Abendglocken”, waarbij mijn tenor in smeltende klanken over de golvende tonenzee heenzeilde, oogstte daverenden bijval. Zelfs de dikke bataljonscommandant—van wiens muzikaliteit men verhaalde dat hij alleen met militaire signalen ophad en van deze het meest met het signaal voor het middageten: „Ketels in de keuken! Kamerwacht geef acht!”—zelfs hij knikte goedkeurend! De beste waardeering voor hetgeen ik gepresteerd had, vond ik evenwel in mijn kamer, werwaarts ik eenigen tijd later terugkeerde, en wel in den vorm van een flesch rooden wijn en een kistje sigaren. Ik vermoedde, dat deze goede gaven van den kapitein afkomstig waren. Intusschen brak ik mij het hoofd daar niet lang mee, maar ledigde de flesch tot op den bodem. Daarop kroop ik onder de wol. Mijn Javaantjes zongen mij een slaaplied. Het luidde: „Abenlokkenlingen”.
PARADE.
„Oranje boven! De koningin is bevallen van een prins!” Onder luid hoera van „de Eerste” had Jan Kloet, de grappenmaker der compagnie, deze gewichtige woorden in de wachtkamer der manschappen geslingerd, waar de verschillende korporaalsafdeelingen onder toezicht harer sectie-commandanten ernstig bezig waren met wapens en uniformen in gereedheid te brengen voor de parade op den dag van morgen, ’s Konings verjaardag.
„Hoort maar, ze schieten op de reede”, riep Jan opgewonden. Het werd doodstil in het vertrek. Allen spitsten de ooren. Werkelijk: boem-boem-boem! dreunde het dof van de kust herwaarts.
„Waarachtig, het is een prins!” klonk het jubelend van alle kanten. Slechts één was er, die een bedrukt gezicht zette. Dat was de dikke, eeuwig hongerige Kees Kool. „Hoe jammer!” zuchtte hij, „hoe jammer!”
„Wat is jammer?” vroeg hem een Oranjeman met dreigend gebaar.
„Dat het niet een paar dagen vroeger of later gebeurd is. Je zult het zien, de Oomes in Batavia laten de verjaardagen van den koning en den kroonprins niet op twee achtereenvolgende dagen vieren, ze maken er één dag van.
„Waar blijft dan onze dubbele menage? waar onze halve flesch wijn, de oorlam en het kwartje, dat we op ’s konings verjaardag krijgen?”
„Bliksems, Kees heeft gelijk,” mompelden er een paar met lange gezichten.