Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven

Part 6

Chapter 63,924 wordsPublic domain

„Lieve Heer” dacht ik „zou ze misschien doofstom zijn?” Dat was een mooi geschenk. Ook was het mij niet mogelijk, niettegenstaande ik mijn oogen goed den kost gaf, iets anders te ontdekken van de zoo opgehemelde barang-barang, die mijn huishouding zoo in eens op de been zou helpen, dan een ijzeren pan, waarin de inlanders gewoon zijn zoowat alles te bakken en te braden. Heerlijk vooruitzicht!

Verduiveld! Daar werd reeds ’t signaal gegeven voor het compagniesrapport. Ik moest kennis geven, dat ik eene huishoudster had genomen en wist nog niet eens haar naam!

Of ik mijn hersenen ook al pijnigde door het zoeken naar middelen om mij voor de vrouw begrijpelijk te maken—het lukte niet, en toen ik den sergeant-majoor op onheilspellende wijze mijn naam hoorde uitbrullen, ijlde ik naar het rapport om den zegen van den vader en de moeder der compagnie deelachtig te worden.

De vader (de kapitein) vroeg: mij „hoe heet de meid?”

„Ik weet het niet! ik geloof dat ze doofstom is, kapitein.”

„Wat doe je er dan mee?”

„Ze kan heerlijk koken, kapitein.”

„Smulpaap!” bromde deze en zich tot den sergeant-majoor wendende, zei hij: „Schrijf op, de meid heet Salima.”

„Waar ze thuis hoort weet je natuurlijk ook niet?” vervolgde hij en op mijn ontkennend antwoord gelastte hij den sergeant-majoor maar eene of andere kampong van Java op te schrijven.

Hiermede waren de formaliteiten van den burgerlijken stand afgeloopen en met zeer verdeelde gevoelens kon ik naar mijne kamer terugkeeren.

Toen ik weer binnenkwam vond ik de pas herdoopte Salima in dezelfde houding nog op dezelfde plaats, alleen met dit onderscheid, dat ze thans een pruim tabak, ter grootte van een vuist, benevens de noodige „sirih” in den mond had gestoken en bezig was daaraan te zuigen als een kind aan de moederborst. De geheele omgeving was met rood sap bespogen, zoodat mijn kamer er uitzag als een slagveld.

Nu bestaat er voor een Indischen korporaal geen grooter gruwel dan onzindelijkheid en wanorde. Daarom wees ik met strengen blik, alsof ik op al de geweren van mijn escouade roestvlekken ontdekt had, op den vloer. En wat deed nu dat vrouwspersoon? Zij trok den mond samen en spuwde mij met ontzettende zekerheid een geheele lading tabakssap over den uitgestrekten wijsvinger.

Hemelsche gerechtigheid, bestaan er dan geen straffen meer voor zulk een beleediging van een autoriteit als ik? Ik stond geheel versteld. Maar hoe moest ik die doofstomme vrouw te verstaan geven, dat een dergelijke handelwijze onvergeeflijk was? In mijn verwarring riep ik een inlandschen korporaal—een jong, slim kereltje—die met de Indische talen beter op de hoogte was dan ik. Nauwelijks had hij den mond opengedaan of—wonder boven wonder—daar ratelde het van haar lippen als bij een afloopende wekker-klok. Nu helderde zich de zaak op: zij kende alleen de Javaansche taal en ik had getracht mij in ’t Maleisch verstaanbaar te maken. Een prettige toekomst! Ik kon dien korporaal toch niet altijd als vertolker mijner gevoelens gebruiken!

Om te beginnen droeg ik hem op te vragen, waar toch wel al die huishoudelijke benoodigdheden waren.

Het antwoord luidde: „Ik heb niets, dan wat ik aan het lichaam draag.” Nota bene een sarong, een kabaia en een gescheurde slendang. Een goed begin.

„En hoe staat het met de kookkunst?” zoo liet ik den korporaal het onderzoek voortzetten.

„Daar verstaat ze niets van, maar zij heeft honger,” vertaalde deze.

Ik dacht dat ik een beroerte kreeg. Wat had me die vervloekte hoornblazer te pakken genomen! Wat bleef er eigenlijk wel van al de goede eigenschappen van die vrouw over?

Een weinigje twijfelachtige schoonheid en „trouw”; maar daarmee kon ik mijn hongerige maag niet tevreden stellen. Ze was in staat om mijn geheele soldij alleen aan pruimtabak en sirih op te maken en hoe kwam ik dan aan mijn geliefde smeerproppen en gezouten eieren?

Ik was geheel terneergeslagen.

De inlandsche korporaal was heengegaan en ik bleef met mijn smart en de kauwende dame alleen.

Daar naakte het middageten. Goddank! Er werd erwtensoep met varkensvleesch geschaft en die kost is den geloovigen Javaan een gruwel. Toch kon ik niet nalaten die levende tabakszak mijn menageketel eens eventjes onder den neus te houden. Toen daar evenwel een gedeelte van een varkenskop uit opdook, kroop zij verschrikt terug en kwam eerst tot zichzelve, toen ik haar mijn ketel met rijst toeschoof en daarbij nog vijf klinkende centen voegde voor sajor en deng-deng. Deze lekkernijen waren tot billijken prijs in de warong verkrijgbaar en, te oordeelen naar de snelheid, waarmede ze daarheen toog, moest ze grooten honger hebben.

Toen zij terugkeerde nam ze zeer deftig de tabakspruim uit den mond en stopte die heel gemoedelijk in mijn patroontasch, die spiegelglad aan den wand hing.

Wilde dat mensch mij dan met alle geweld te gronde richten? ’s Namiddags moest ik op wacht trekken. Verbeeld u, dat de luitenant van piket dat vieze zoodje in mijn patroontasch had gevonden! Dat zou me minstens op veertien dagen politiekamer zijn te staan gekomen.

Buiten mijzelven van toorn smeet ik het kauwsel uit het venster. Zij evenwel bleef kalm dooreten en dacht misschien: „Gij moet me toch andere tabak koopen.”

Met een zucht deed ik mijn wapenen om, hing den ransel over de schouders en marcheerde af om mijn post in de „bamboe-kazerne” te betrekken.

Tegen den avond echter veroorloofde ik mij de vrijheid om voor een oogenblik de wacht te verlaten, ten einde eens te gaan zien wat Salima wel in de nieuwe huishouding uitvoerde. Voorzichtig opende ik de deur en zag haar in een erg vertrouwelijk onderhoud met den inlandschen korporaal, die des morgens mijn tolk was geweest.

Nu was ook de laatste der hooggeprezen eigenschappen, de trouw, naar den bl....

Ellendige hoornblazer!

Thans moest met spoed gehandeld worden. Een revolver of vitriool had ik niet bij de hand, doch een paar stevige vuisten waren tot mijn beschikking en daarmede bewerkte ik de oogen van den Don Juan zoodanig, dat zij zich weldra blauw verfden als de hemel boven ons.

Salima had er intusschen de voorkeur aan gegeven om spoorloos te verdwijnen en te Meester-Cornelis werd zij niet meer gezien. Ik droeg mijn smart zooals het een korporaal betaamt.

Toen den volgenden morgen aan mijn inlandschen collega door den kapitein gevraagd werd waar hij die blauwe oogen had opgeloopen, antwoordde hij met een schuinen blik op mij: „Een kebo heeft mij gestooten.”

Nu, toen ik van wacht terugkwam, heeft diezelfde kebo hem nog eens ongenadig toegetakeld.

Eenige weken hield ik het weer alleen uit. Toen zond een kameraad, die medelijden met mij kreeg, uit Batavia een van die oude erfstukken, die—zooals de soldaten zich uitdrukken—voor de derde maal kiezen krijgen.

Met mijn maag stond zij op zeer goeden voet, want ze kookte heerlijk. Daarenboven wist ze zooveel van mijn soldij over te houden, dat mijn kleerkist zich langzamerhand met slaapbroeken en kabaaien vulde, doch van mijn hart bleef zij verre.

„ZIJ HANGT MAAR AAN EEN DRAADJE!”

„Wacht aantreden!” klonk het door de lange chambrée der 1ste compagnie. De kamerwacht herhaalde het bevel en de huishoudster van den almachtigen sergeant-majoor, die juist bezig was haar lievelingsaap behulpzaam te zijn bij eene drijfjacht op zekere parasieten, mompelde het na. Nauwelijks was de order gegeven, of reeds wemelde de trap van manschappen. Vooraan eenige jonge soldaten, wien de malaria de Europeesche kleur nog niet van de wangen had geroofd; uit de gejaagdheid en het angstige gezicht, waarmede zij hun wapenen en kleeding monsterden, kon men dadelijk opmaken dat zij hun eerste „wachtje snapten”. Daarop volgden met een onverschillig gezicht de oudere fuseliers, meest magere, bruingebrande mannen, die reeds menigen vijand met de punt der bajonet hadden doen kennis maken. Een jong korporaaltje, wien de zaak te langzaam ging, trachtte naar voren te dringen om toch vooral niet te laat te komen, en achteraan daalde de trappen af—ikzelf, de nieuwbakken sergeant, geheel onder den indruk van de waardigheid, waarmede mijn nieuwe titel mij bekleed had.

Wat weet een gewoon sterveling van het gevoel eens korporaals, wien men plotseling de katoenen streep van de mouw neemt en er de gouden voor in de plaats hangt? Die indruk is niet te beschrijven, men moet dat hebben doorleefd; eerst dan kan men begrijpen wat het zeggen wil uit den kring der gewone soldaten, waarin de korporaal steeds verkeert, opgeheven te worden tot den onderofficiersstand. Bovendien schitteren nu in het verschiet de luitenantssterren!

Daarbij kwam nog de feestelijke toespraak van onzen kranigen kapitein v. V..., van wien men vertelde dat niemand hem ooit had zien lachen, behalve wanneer de Atjehers schrikkelijk slaag kregen.

Het duizelt mij nog wanneer ik aan dien tijd denk. Ik gevoelde mij zoo nietig, zoo geheel gelijk nul, toen ik tegenover mijnen compagnies-commandant stond, wiens borst versierd was met het kruis der Militaire Willemsorde, en wiens linkerhand rustte op een eeresabel.

Zijne toespraak was kort. „Denk er om, zij hangt slechts aan een draadje,” zeide hij op mijne gouden streep wijzende, en in zijne woorden lag groote waarheid, zoowel in figuurlijken als in werkelijken zin. Ik had er niets op kunnen antwoorden, want door vreugde overmand, stokte de stem mij in de keel.

Nu stond ik op de bovenste trede der trap en monsterde als een veldheer mijnen troep. De soldaten keken tersluiks naar boven. Verbeeldde ik het mij of lag er werkelijk op hunne aangezichten eene niet thuis te brengen uitdrukking, zoo’n soort van onderworpenheid, waarbij men zijn lachen moeilijk bedwingen kon? Mij ging het trouwens evenzoo. Telkens weder gaf ik mij moeite om een nijdig gezicht te trekken, zooals een sergeant betaamt, doch het hielp weinig. Ik moet bij die pogingen om mijne waardigheid op te houden een onbeschrijfelijk dom gezicht getrokken hebben, althans toen ik trotsch langs het front stapte, konden de mannen zich slechts met moeite inhouden. „Wacht maar jongens, dat zal ik jelui inpeperen,” dacht ik.

„Geeft acht!” commandeerde ik met donderende stem, zoodat de pas afgeëxerceerde soldaten van schrik bijna omvervielen. Met het lachen was het natuurlijk in eens gedaan. Daarna begon de inspectie. Eerst waren de geweren aan de beurt. „Een koninkrijk voor een roestvlek”, bood ik in stilte; zoo gaarne had ik aanmerkingen gemaakt en standjes uitgedeeld, doch er was geen smetje te ontdekken. Even weinig geluk had ik met de uniformknoopen; ze zaten als vastgenageld. Het was werkelijk een schandaal—reeds een half uur sergeant, en nog niet éénmaal eens flink uitgevaren. Ja, het noodlot deelt soms harde slagen uit. Er schoot mij niets anders over dan „op de plaats rust!” te commanderen. Die rust duurde evenwel niet lang, want onder de poort der kazerne verscheen reeds de gestalte van den luitenant van piket om de wachten nogmaals te inspecteeren.

Het is moeilijk te gelooven welk eene afkoelende uitwerking zoo’n luitenants-uniform op een met eenige phantasie behepten sergeant heeft. Had ik mij ook al een oogenblik te voren verbeeld een militair „iets” te zijn, bij de verschijning van den luitenant verdween ik weer in het niet.

Met geschouderd geweer meldde ik mij bij den jongen officier, en met stil genoegen hoorde ik de woorden aan, waarmede hij mij met mijne bevordering gelukwenschte. Een welwillend lachje van den luitenant verplaatste mij bijna in den zevenden hemel; het kan een sergeant soms gaan als een bakvischje. Het was mij evenwel opgelegd het: Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt in een halfuur tijds tweemaal te moeten doorleven, want daar zag ik met groote stappen den kapitein van de week aankomen om nog een nader onderzoek in te stellen naar roestvlekken en stofjes. Met een blik, die tot in de geweerloopen en tot aan de hakken der schoenen doordrong, overtuigde hij zich van het onberispelijke uiterlijk der manschappen, gaf eenige korte bevelen, en rechts en links zwenkten de verschillende wachten de poorten uit. Hoe grooter de afstand tusschen de inspecteerende officieren en mij werd, des te meer keerde mijn gevoel van eigenwaarde terug, en toen ik den hoek, waar het huis van den bataljonscommandant stond, achter mij had, gevoelde ik mij zóó verheven boven alle „buikjes”, dat ik een razenden trek kreeg om een voorbijgaanden Chinees, die mij erg onbeschaamd aanstaarde, bij den nek te pakken. Ik deed het evenwel niet, gedachtig aan de waarschuwing: „zij hangt maar aan een draadje.”

Toen ik voorbij de militaire school marcheerde, hoorde ik eene vroolijke stem roepen: „Goeden morgen, collega!” In mijne vreugde verbeeldde ik mij dat zij kwam van een élève dier inrichting, doch ik vergiste mij. Die heeren zijn nog hooghartiger dan een pasgebakken sergeant. Het was slechts een sergeant van politie, die mij gegroet had. Ook de njonja [16] van den kapelmeester lachte mij vriendelijk toe als ik haar voorbijging. Toen ik nog korporaal was, kwam daar niets van in; volgens haar werd iemand eerst een mensch als hij den graad van sergeant had bereikt.

Ja, alles werkte mede om mij gelukkig te maken. Ik had kunnen juichen van vreugde, doch dat was in dienst verboden en de manschappen zouden er moeilijk eene goede verklaring voor hebben kunnen vinden.

Dus—hou je goed!

In flinken pas marcheerden wij door Meester-Cornelis langs den stoffigen weg naar de passar [17]. „Met rotten rechts!”

Nog eenige schreden, en daar stonden wij voor de gevangenis, die voor een etmaal aan onze hoede zou worden toevertrouwd. De wacht stond reeds in het geweer en wisselde met ons de voorgeschreven eerbewijzen. De commandant, een sergeant evenals ik, gaf mij de wacht over. Hij was pas uit Europa gekomen en had eenigen tijd in den zoeten waan verkeerd, dat in Indië de officierssterren als rijpe kokosnoten van de boomen vallen. Tot zijne niet geringe ontzetting had hij evenwel spoedig bemerkt, dat het hier vrij wat gemakkelijker was achteruit dan vooruit te komen.

Ik zag den inventaris na, bestaande uit patronen, een inktpot, eene olielamp en dergelijke kostbare zaken meer, waarvan evenwel het zoek raken zwaar geboet moest worden. De cipier ontsloot de verschillende strafkamers en liet toe dat ik er mijn neus in stak. Ik wist echter niet hoe gauw ik hem weer zou terugtrekken, uit hoofde van de onaangename prikkeling, die mijne reukorganen ondervonden.

Eindelijk was de inspectie afgeloopen en de oude wacht marcheerde af. Ik zette mij voor het wachthuis neder en liet mijne blikken gaan over het bonte gewoel op de passar. Thans gevoelde ik mij een volkomen alleenheerscher.

Reeds dikwijls, wanneer ik als soldaat op post stond en ook later als korporaal, had ik mij vermeid in het aanschouwen van dat gewriemel, doch nu was het alsof ik door andere oogen zag. Dat was alleen de schuld van die mooie gouden streep. Ik keek er eens naar; zij hing nog. Van louter pleizier had ik tot nog toe niets van eetlust bemerkt, doch toen de verschillende scherpe geuren uit de nabijgelegen warongs [18] mij in den neus kwamen, begon mijne maag hare rechten te doen gelden. Gelukkig, daar naderde reeds de etendrager.

Mijn eerste maaltijd uit de onderofficierskeuken! Het liefst was ik den man te gemoet gegaan en had hem zijn draagkorf afgenomen, daar hij mij te langzaam liep, doch dat zou beneden mijne waardigheid geweest zijn. Hoewel mij het water bijna uit den mond liep, verwaardigde ik den brenger met geen blik, toen ik hem achtereenvolgens biefstuk, aardappelen, rijst, roode vischjes en nog andere heerlijkheden zag uitpakken. En daarbij porseleinen borden en schotels! Neen, zulk eene weelde...

Reeds zoo lang had ik mijn maal uit een menageketel genuttigd en het had mij altijd goed gesmaakt; hoe moest het dan wel smaken uit porselein?

Nauwelijks had de etendrager zijn „slamat makan” [19] uitgesproken, of ik viel op het eten aan alsof ik veertig dagen gevast had. Er bleef geen rijstkorreltje over, en om den manschappen geen aanstoot te geven en niet voor een veelvraat door te gaan, riep ik een gladdakker [20] binnen en liet hem de ledige borden aflikken. Een eerste staaltje van sergeantsdiplomatie.

Langzaam kropen de middaguren voorbij. Naarmate de zon den horizont naderde, werd de passar meer en meer ontvolkt en toen het geheel duister was geworden, werden er obor’s [21] en olielampjes aangestoken, die op de warongs en de zich daaromheen groepeerende inlanders een phantastisch licht wierpen. Nu begon er ook weer meer levendigheid te komen; gestaarte zonen van het Hemelsche Rijk pikelden [22] hun vrachten op een sukkeldrafje voorbij, en troepjes soldaten, pas uit Europa gekomen, trokken zingende van de eene warong naar de andere.

De indruk van dit woelige tooneel werd nog verhoogd door de donkergroene pisang- en klapperboomen op den achtergrond en den onbewolkten, met fonkelende sterren bezaaiden hemel. Ook dit aantrekkelijk beeld verdween langzamerhand, naarmate de nacht zijne vleugelen verder uitbreidde. Ik bleef alleen met mijne luchtkasteelen en mijn geluk. Werktuiglijk nam ik een boek ter hand; het was Perelaer’s: Een kwart eeuw tusschen de keerkringen, waarin de lotgevallen van twee sergeanten geïdealiseerd worden. Het eerste deel had ik reeds doorgelezen, en thans trachtte ik het tweede door te worstelen, waarin de beide helden, Frank en Herman, evenals jonge dames van eene kostschool, elkander bezingen met alle mogelijke citaten uit verschillende dichtwerken. Zulke sergeanten had ik in de werkelijkheid nog niet aangetroffen. Toen ik echter op bladzijde 103 aan dat gedeelte kwam, waarin Frank zijnen vriend omarmt en hem toefluistert: „lieve dweper!”—toen kon ik de oogen niet meer open houden, ik sliep weldra in en droomde. Ik waande mij gezeten naast den braven Hendrik Meijer, den gebaarden sergeant, die van mij een onderofficier gemaakt had. De brave Hendrik had zijn hoofd aan mijne trouwe vriendenborst gelegd, terwijl hij de oogen smachtend naar den hemel opsloeg. Hij verhaalde mij de geschiedenis van zijne laatste liefde. „Ach, ge hadt het meisje moeten kennen,” zuchtte hij, „zij was een engel! Elken Maandag bracht zij roast-beef, ’s Woensdags varkenskarbonade en op Zaterdag een heele flesch wijn, want ge moet weten dat het lieve kind bij een wijnhandelaar in dienst was. Hoeveel gelukkige uren heb ik niet met haar in Velp doorgebracht, en telkens betaalde zij, dat ideaal van een meisje! Mijn hart en maag breken nog als ik er aan denk, dat zij mij ontrouw geworden is. Het was op een Zaterdag, en zij bracht mij slechts eene halve flesch wijn. Mijn God, dacht ik, zou ze mij niet meer zoo oprecht liefhebben als vroeger? Die onzekerheid wond mij zoodanig op, dat de wijn mij niet smaakte. Toen zij bovendien nog een half uur vroeger dan gewoonlijk afscheid nam, werd mijn vermoeden zekerheid. Ik volgde haar op eenigen afstand; zij sloop een zijstraatje in en greep bijna onmiddellijk daarna den arm van een sergeant der rijdende artillerie. Duidelijk hoorde ik het klokken van mijn halve flesch wijn in zijn keel. Met elk geklok werd een der banden verbroken, die mijn hart nog aan de trouwelooze hechtten. Doch mijn hartzeer heb ik overwonnen; ik ben er ten minste niet van gestorven.”

„Lieve dweper,” lispelde ik, en toen ik hem daar zoo zag, geheel terneergeslagen door die treurige herinnering, trachtte ik den arm om zijn hals te slaan.

„Ben je nou heelemaal gek?” riep hij plotseling uit en legde zijn vuist onzacht op mijn aangezicht. „Ik heb eene andere genomen; in Arnhem zijn mooie meisjes genoeg!”

Deze ruwe bejegening deed mij uit mijne sluimering ontwaken. Het hoofd was mij van den arm gegleden en thans lag ik met den neus in den inktpot.

Verschrikt sprong ik op. Heer in den hemel, hoe was ’t mogelijk dat ik op wacht kon inslapen! Dat zou mij mijne streep kunnen kosten. Goddank, zij hing nog. Eigenlijk had ik geen schuld, doch alleen die overste Perelaer. Waarom liet hij die Frank en Herman zulke wonderlijke dingen doen?

Er bleef mij weinig tijd om over mijn verzuim na te denken, want plotseling verscheen de gestalte eens fuseliers in de deur, die mij rapporteerde dat in de „roemah pandjang” (eene philantropische inrichting) eene patrouille zich aan allerlei onbehoorlijkheden schuldig maakte. Dat was toch wel een beetje sterk. Eene patrouille, wier plicht het was de orde te handhaven, verstoorde die zelf. Wee u, korporaal, de straf volgt de zonde!

Nadat ik het commando over de wacht aan eenen korporaal had overgegeven, snelde ik met vier man naar de bedoelde plaats en trad het huis binnen. Daar ik bij ondervinding van vroegere patrouilleeringen—men denke niet aan iets kwaads—wist, dat het lokaal ook nog een achterdeurtje had, posteerde ik daar twee man en meende daardoor al een buitengewoon strategisch talent te hebben ontwikkeld. Het rapport van den fuselier bleek volkomen juist te zijn; het gansche gezelschap was aan ’t dansen.

Als de bliksem voor de voeten van deze ontrouwe zonen van Mars ware ingeslagen, zouden ze niet heviger hebben kunnen schrikken dan bij mijn verschijnen. Nu had ik gelegenheid de sluizen mijner welsprekendheid open te zetten en de woordenlijst van krachtige militaire uitdrukkingen met eenige te verrijken.

„Vervloekte kerels!” zoo begon ik, „denkt ge dat ge hier nog in het ellendige Harderwijk zijt? De duivel zal jelui halen, wanneer je niet als de bliksem maakt dat je er uit komt!”

Met den commandant der patrouille, een jongen korporaal, rekende ik afzonderlijk af. Ik stelde hem provoost en cachot in ’t vooruitzicht, doch mijne hoogste troef speelde ik uit met de woorden, die mij zoo angstwekkend in de ooren hadden geklonken: „Denk er om, de korporaalsstreep hangt maar aan een draadje.”

Het kereltje was geheel uit het veld geslagen. Hij bezwoer mij, hem niet ongelukkig te maken; veertig dagen had hij op zee doorgebracht en na het aan wal stappen was het hoofd hem een weinig op hol geraakt. Natuurlijk deed ik alsof zoo iets voor mij geheel onverklaarbaar was, en op zijn bidden en smeeken gaf ik slechts kort ten antwoord: „gestraft moet je worden!”

In stilte, en vervuld van een angstig voorgevoel, trok de patrouille huiswaarts. Ikzelf begaf mij met het gezicht van een Nemesis naar de wacht terug en overlegde onderweg of ik van de zaak al dan niet rapport zou maken. Mijn „korporaal van aflossing” trachtte eenige woorden ten gunste van den zondaar te spreken, doch een kort: „hou je mond!” deed hem afdruipen. Het was een moeilijk geval. Zweeg ik en werd de zaak buiten mij om ruchtbaar, dan kon mijn kapitein gelijk gehad hebben, toen hij zeide: denk er aan....!” Maakte ik rapport, dan zou het vermoedelijk den patrouillecommandant zijne streep kosten, en dat zou mij voor het arme ventje leed gedaan hebben. Ik wist bij ondervinding hoe gelukkig iemand reeds door de katoenen streep wordt gemaakt—hoeveel te meer dan nog door den gouden chevron! Lang dacht ik na, zonder een uitweg te vinden. Daar viel mij iets in. De korporaal en de manschappen droegen kennis van het voorval; ik moest hen dus in de meening doen verkeeren dat ik rapport gemaakt had. Snel nam ik een vel papier, linieerde het volgens voorschrift en schreef:

„Beste Hendrik! Morgen hoop ik u en andere collega’s van de eerste compagnie in de kantine aan te treffen. Ik trakteer op een paar flesschen prinsessenbier. Salut!”

Dezen brief vouwde ik dicht in den vorm van een rapport, riep een inlandsch fuselier, die toch niet lezen kon en zond hem daarmede naar mijn vriend Hendrik aan de hoofdwacht. Korporaal en soldaten dachten natuurlijk dat het een rapport was omtrent de patrouille, die zoozeer haren plicht vergeten had. Hier en daar hoorde ik zelfs iets mompelen over mijne hardvochtige strengheid. Ik evenwel, zette mij tevreden op eenen stoel neer en verdiepte mij in overpeinzingen over de duurzaamheid van gouden strepen. Daar werd zachtjes aan de deur getikt en binnen trad een Javaansch meisje met eene flesch in de hand.

Wat moest dat beduiden? Een vrouwspersoon binnen de heilige muren eener wachtkamer!