Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven
Part 5
Het afschuwelijkste echter was het bedsermoen, dat des nachts achter den klamboe werd afgestoken; want ongelukkig genoeg moest ik dat altijd mede aanhooren, en of ik ook honderdmaal riep: Toetoep moeloet! (op zijn Hollandsch: houd je snater)—de „kapitein” liet zich door geen korporaal de wet stellen, maar ratelde door tot zij van vermoeidheid mond en oog sloot. Dergelijke tooneelen zocht mijn collega natuurlijk te vermijden, en hij scherpte zijn geest zooveel hij kon, om te trachten zijn „ouwe” te verschalken, maar die liet zich niet beetnemen, en zoo viel hij steeds weer door de ben. Had hij bijvoorbeeld eens een borrel naar binnen gespeeld, dan poetste hij zich eerst de tanden en spoelde vervolgens den mond, voor hij bij „kapitein Eenoog” op het appèl verscheen. Eerst kwam hij dan nog bij mij, ademde mij onder den neus en vroeg „ruik je nog wat?”
Het was mij natuurlijk ook niet altijd aangenaam aan een andermans mond te moeten ruiken en ik liet hem daarom steeds een paar menage-ketels vol slappe thee opslobberen, vóór ik verklaarde niets meer te ruiken. Kapitein Eenoog echter rook het, want evenals haar gezichtsvermogen was bij haar het reuk-orgaan sterk ontwikkeld. „Ze ruikt als een jachthond,” jammerde mijn kameraad steeds. „Nauwelijks ben ik in de kantine, of het is dadelijk: „Brammetje, geef acht, de kapitein komt!” En dan heb ik nog maar even den tijd om te verdwijnen”.
Ja, de kapitein was eene model-huishoudster. Iederen halven cent keerde zij driemaal om, vóór ze hem uitgaf, en ze had veel halve centen. Ze was rijk; men mompelde van eene heele kous vol „ringgits” en „roepia’s” [9] welke zij verborgen hield. Als dat eene kous van haar was geweest, dan had zij werkelijk rijk moeten zijn, want naar haar stappers en de bevallige ronding harer kuiten welke de sarong liet doorschemeren te oordeelen, moest zulk eene beenbekleeding geweldige afmetingen hebben. Maar inlandsche vrouwen dragen, zooals men weet, geen kousen, en soldaten-kousen zijn niet overgroot, daarvoor zorgen de leveranciers. Het geld verdiende zij met wasschen, naaien en handeldrijven, want zij had een goeden stand in den warong. Natuurlijk profiteerde mijn kameraad daar ook van. Zijn rijsttafel moest den grootsten fijnproever bevredigen en zijn slaapbroeken en kabaaien waren steeds van den smaakvolsten snit. Geen wonder dus, dat hij voor zijn „kapitein” een razenden eerbied had. Zooals vanzelf spreekt, had de „kapitein”, zoo goed als haar overige zusteren, hare kleine zwakheden. Zij was een beetje koket, zalfde en blankette zich als eene Parisienne en was min of meer hoovaardig.
Dolgraag zou zij gezien hebben, dat haar korporaal, die zijn katoenen streep nu reeds bijna 15 jaar met eere gedragen had, die met de gouden chevron had verwisseld; maar dat gebeurde niet, alhoewel de man dagelijks met papier, schrijfgereedschap en reglementen zwaar beladen naar de kaderschool trok. „Ze willen maar prefesters van ons maken,” klaagde hij. „Vraagt me daar de sergeant niet, hoeveel steenen van 10 cM. lengte en 5 cM. breedte ik voor een muur noodig heb die 6 meter lang en 3 meter hoog is. Ik wil toch waarachtig onderofficier en geen metselaar worden! Wat gaat het mij aan, dat Weenen de hoofdstad van het Duitsche rijk is! Als ik maar weet, hoe het er bij ons in Holland en Indië uitziet. Naar Duitschland ga ik toch niet!” Zoo mopperde hij dag in dag uit, maar ging niettemin getrouw ter school en trachtte tevergeefs zijne arme hersenen te bewegen den regel van drieën op te nemen. Sergeant is hij nooit geworden.
Met deze twee brave menschen deelde ik dus de kamer en ook vreugde en leed. Kapitein „Eenoog” mocht mij gaarne lijden, want ik was een goede klant van haar. Twee derden mijner soldij, een gulden dus, vond in plaats van naar de kantine den weg naar hare woning, waar ik onder de stapels smeerproppen steeds eene vreeselijke verwoesting aanrichtte. Dikwerf wees zij haren korporaal, als deze buitengewoon zuur uit den mond rook, mij als voorbeeld ter navolging aan, wat den armen man niet weinig verdroot. Het moet daarom voor hem werkelijk een zalig gevoel zijn geweest, toen hij den „kapitein” op zekeren dag „boven haar theewater” zag. Dat droeg zich als volgt toe.
Het was Oudejaarsavond. Reeds een paar dagen te voren had mijn kameraad mij weten over te halen dien avond waardig te vieren; alleen over het financieele punt waren wij het nog niet eens. Punch toch kost geld. Ik had wel 2½ gulden goed bewaard in mijne kast liggen, maar die waren voor een klamboe bestemd. Doch wat deed het er ook eigenlijk toe, of de muskieten nog een paar weken langer mijn corpus martelden; het is maar eens in ’t jaar oudejaarsavond. Het vorige jaar had ik hem nog ver over den oceaan onder eene flesch champagne gevierd; ditmaal mocht een plechtige punchbowl de herinnering aan die schoone dagen wel opfrisschen! Ik offerde alzoo vijftig cent voor eieren en besten arak. De „kapitein” zorgde voor heet water, suiker en kinnebakswerk; de zwelgpartij kon dus beginnen. Bij gebrek aan eenigerlei ander vaatwerk, geschikt tot het aanmaken van punch, gebruikte ik voor dat doel onze gemeenschappelijke waschkom; die was tamelijk groot. Weldra dampte er het zoete brouwsel in en vermengde zijnen geur met den heeten walm, die opsteeg uit de heerlijkste smeerproppen ooit door de vaardige vingers van den „kapitein” gerold. Galant, gelijk het een korporaal betaamt, presenteerde ik „Eenoog” het eerst een klein glaasje. Ik moet bekennen, dat ik daarbij van de booze onderstelling uitging, dat het geen kwaad kon, zoo Adam eens voor een keer Eva den appel aanbood. De „kapitein” bracht de punch eerst onder den neus, maar zette daarop een gezicht als een mopshond, dien men aan een peperbus laat ruiken.
Vastberaden schudde zij het hoofd. Ten leste liet zij zich toch bewegen het goedje te proeven, stak den vinger in het glas en likte hem toen af. „Enak betoel” [10] mompelde ze en smakte met de tong. Spoedig gebruikte zij niet meer den vinger, maar dronk, evenals wij, uit het glas. De verleider had gezegevierd, tot groote vreugde van mijnen kameraad, die thans onder de oogen der hooge politie tot dusver verboden lusten mocht botvieren. Dat deden we alle drie in ruime mate en geraakten daardoor in zulk eene vroolijke stemming, dat wij om de geringste flauwiteit tranen konden lachen. Wat zou echter Wein und Weib zonder gezang zijn? Dus de gitaar van den wand genomen, heure snaren getokkeld en den lof gezongen van onzen wakkeren kapitein „Eenoog”. Deze scheen het stemmen van het instrument reeds voor de eigenlijke muziek te houden; de dreunende tonen kwamen ook merkwaardig veel overeen met de welluidende muziek van een gamalang. Met eene vlugheid, die ik met haar 250 pond vleesch onvereenigbaar zou hebben geacht, sprong zij op en nam de verleidelijke houding van eene „ronggeng” [11] aan.
„Ha! ha!” Het gezicht, dat mijn kameraad zette bij deze beweeglijkheid, was allerdolst. Zijn kapitein aan het dansen! Dat was onbetaalbaar. In minder dan geen tijd had hij een menageketel omgekeerd tusschen de knieën en sloeg er op los of hemel en aarde vergaan moesten. Daarmede vereenigden zich de valsche tonen van mijn edel instrument tot eene dansmuziek, die ons trommelvlies dreigde te verscheuren, doch de kapitein in verrukking scheen te brengen. Die wiegde zich op de heupen als een eikeboom in den storm en trippelde over den vloer gelijk een dansende beer.
„Wat zou je er van denken,” riep ik overmoedig, „als wij de kapitein eens een ring door den neus boorden en haar voor geld lieten kijken?”
Maar daarmede kwam ik bij mijnen kameraad leelijk te pas. „Als je een paar blauwe oogen er aan wagen wilt, dan zeg je dat nog eens!” riep hij. Maar die verwenschte punch maakte mij steeds overmoediger. Ik wilde mijnen kameraad een beetje jaloersch maken en zong alle mogelijke minneliederen, die voor de „kapitein” echter onverstaanbaar waren. Zij bleef zich maar op de heupen wiegen, klapte daarbij in de handen en zong zacht door den neus. Mijn kameraad daarentegen schoof steeds dichter naar mij toe en siste mij in het oor: „Laat mijn „kapitein” met vrede!” Hij riep in de woestijn! Bij den aanblik van een oog, als „kapitein Eenoog” bezat, kon ik de verzoeking geen weerstand bieden en hief uit volle borst aan: „Du holdes Aug’ du lieber Stern!” Nauwelijks had ik deze hymne op het oog van de kapitein aangeheven, of daar voelde ik ook reeds de vonken uit het mijne vliegen. De vuist van mijn kameraad had er kennis mede gemaakt.
Mijn instrument om te keeren en het met kracht op den neus van mijn aanvaller te laten neerkomen, was het werk van een oogenblik. In het volgende rolden wij over den vloer en beukten op elkander los als smeden op het aanbeeld. De „kapitein”, die van het geheele tooneel niets begreep, stond onze krachtoefeningen aanvankelijk met open mond aan te staren, maar stiet, toen zij den ernst van den toestand inzag, zulk een vervaarlijk gebrul uit, dat voor onze deur een volslagen oploop ontstond. Wij waren juist van den stoffigen vloer opgestaan en poogden ons gehavend toilet wat in orde te brengen, toen de deur werd opengerukt en op den drempel met een hoogrood gezicht de „dubbele” verscheen.
„Wat gebeurt hier?” donderde zijne stem. „Wat! jelui bent aan het bakkeleien geweest? En”—hierbij snoof hij een paar maal de lucht in—„sterken drank heb jelui gedronken? Dat zal je voor den duivel....”
De verschijning van den sergeant-majoor en de vrees voor de gevolgen eener mogelijke ontdekking van onze geurige contrabande maakten mij zoo nuchter als een pasgeboren kalf. Ook kapitein „Eenoog” scheen haar tegenwoordigheid van geest herkregen te hebben. Toen zij bemerkte, hoe de blik van den „dubbele” onderzoekend in alle hoeken drong, hurkte zij achter de tafel, waar zij bij den aanvang der handtastelijkheden de waschkom met godendrank in veiligheid had gebracht, en—ik vertrouwde mijne oogen niet—zette zich, als een evenknie van Mucius Scaevola, midden in de eieren-punch. Deze heldhaftige daad van de „kapitein” zal ik mijn leven niet vergeten, want de punch stond op een komfoor en was gloeiend heet, en ik bedacht met eene lichte rilling, dat „Eenoog” niets aan had dan een dunne sarong.
Gelukkig zocht de „dubbele” niet lang, anders zou „Eenoog” levend gekookt zijn geworden. Met de troostrijke opmerking: „Morgen op het rapport!” verliet de gevreesde moeder der compagnie het tooneel van den strijd. Wij, van onzen kant, zochten met verdeelde gevoelens onze stroozakken op, nadat zich de „kapitein” nog eerst in alle verborgenheid het benedenste deel van den rug met verkoelende zalven had ingewreven.
Deze nacht was de afschuwelijkste mijns levens. De koppige arak had alle sluimerende geesten in mijn lichaam gewekt en deze bonsden en hamerden nu in mijn schedel, zoodat ik vreesde dat hij zou barsten. In dien arbeid werden zij nog bijgestaan door het ééne oog van de „kapitein,” dat in mijne verbeelding mij verwijtend aanstaarde, en zoo gloeiend was die blik, dat het mij scheen of alle speeksel in mond en keel er door verdroogde. Door een razende hoofdpijn en het branden mijner oogen gekweld, zocht ik nog in den nacht de rivier op en bette en wiesch mij in hare golven; dat verfrischte. Geheele emmers water zwelgde ik in, maar steeds had ik een gevoel alsof ik een dozijn haringkoppen had opgeslokt. Lichamelijk en geestelijk gefolterd, legde ik mij weder op mijn stroozak neer en luisterde naar het zachte gekreun van de arme „kapitein”, die maar aldoor jammerde o, o, sakit sakit. [12] De ochtendzon van den 1en. Januari bestraalde een treurig gezelschap.
In de eerste plaats de dikke „kapitein”, die met omfloersd oog en het hoofd krampachtig tusschen de handen geklemd, van achter de „klamboe” te voorschijn kwam.
Kassian, kassian! jammerde ze, sakit sakit, saja poenja badan, [13] en daarbij greep zij zich meewarig onder in den rug. Zij scheen nog maar eene flauwe voorstelling te hebben van het voorgevallene op den vorigen avond.
Daarentegen had zij eene katterigheid, die door geen twee „rolmops” te genezen scheen. Nog grooter werd de verbazing van „Eenoog” toen zij den gezwollen neus van haar korporaal en mijn blond en blauw geteekend oog zag.
Bageh mana! [14] riep ze uit en kwam met een flesch obat [15] aandragen, waarmede zij het gezwollen lichaamsdeel van mijn kameraad zoolang bestreek, tot het glansde als koper. Ook over mijne oogen ontfermde zij zich. Eene poos lang zaten we zwijgend tegenover elkaar. Eindelijk zegevierde de goedhartigheid van mijn kameraad over zijn wrok, en hij vroeg mij, of ik nog kwaad was.
„Ik zou wel eens willen weten, waarom!” antwoordde ik. „Jij hebt je portie beet en ik de mijne. We hebben elkaar niets te verwijten. Maar het kan vandaag slecht met ons afloopen bij den compagnies-commandant. Je weet, dat de „dubbele” rapport gemaakt heeft.”
„Ja”, zuchtte hij, „helaas! Maar wat moeten we als oorzaak opgeven, dat we elkander hebben afgeranseld?”
Ik dacht eenige oogenblikken na. Daar kreeg ik een goeden inval. Onze compagnies-commandant had eene ronde, eerlijke soldatennatuur. Hij zeide het altoos precies zooals hij ’t meende. Toen onlangs een fuselier een ander had aangegeven, omdat deze hem een pak ransel had toegediend, en beiden op het appèl verschenen, vroeg hij den aanklager: „heb je teruggeslagen?” En toen deze hierop ontkennend antwoordde, mompelde hij zoo iets van lafaard, en gaf den ander maar één dag strafexercitie, „om de krachten, die hij te veel had, niet te misbruiken,” merkte hij er bij op. Eene zware straf stond ons dus niet te wachten, als wij maar eene geschikte verklaring konden vinden.
„Weet je wat,” zeide ik, „we vertellen hem, dat we twist hebben gekregen over de vraag, wie van beiden grooter is: Kareltje van der Heyden of Moltke. Ten slotte waren we elkander in het haar gevlogen. Laat mij maar spreken.”
„Goed,” beaamde mijn kameraad. „Ik heb het dus voor Kareltje opgenomen en jij voor den mof. Dat is afgesproken!”
Daarop togen wij aan ’t poetsen, want met helder gepoetste knoopen en schoenen kan men dikwerf een knorrigen superieur verteederen. Een uur later stonden wij tegenover den compagnies-commandant, die met een kritischen blik onze getatoeëerde gezichten monsterde.
„Zeg eens!” vroeg hij mijnen kameraad, terwijl hij op mij wees, „hoe komt het, dat je hem zoo hebt toegetakeld?”
Ongelukkig echter was de aangesprokene zeer zenuwachtig en flapte er zonder nadenken uit: „Hij heeft op generaal Van der Heyden gescholden!”
Ik dacht op dat moment, dat ik eene beroerte kreeg. Zoo’n stommerik! Geheel van mijn stuk, vergat ik een oogenblik de disciplinaire voorschriften en riep: „Neem me niet kwalijk, kapitein....” Verder kwam ik niet, want met een donkeren blik snauwde hij me toe: „Houd je mond, kerel, tot je gevraagd wordt!”
En zich tot mijnen kameraad wendende, vervolgde hij: „Wat heeft hij over den generaal gezegd?” De arme man wist niet wat daarop te antwoorden, en geheel in de war, stotterde hij: „Dat weet ik niet meer!”
„Ben je dan dronken geweest?” donderde het compagnieshoofd. Daarop beval hij mij te zeggen, hoe de zaak zich had toegedragen, en waarom wij elkander zoo mooi hadden gemaakt.
Ik dischte hem het sprookje op, dat wij er over hadden getwist wie grooter krijgskundige was: Van der Heyden of Moltke. Eerst hadden wij geschertst, vervolgens was het meenens geworden en ten slotte: de koperen neus en de blauwe oogen.
Toen ik mijn verhaal gedaan had, keek de kapitein mij van onder tot boven met een eigenaardigen blik aan, als wilde hij zeggen: „Kerel, wat kun jij liegen!” En zich tot den sergeant-majoor keerende, zeide hij: „Schrijf op voor ieder drie dagen kamerarrest!”
Dat was genadig afgeloopen. Terwijl we afmarcheerden, riep ons de kapitein na: „Als jelui weer eens op het rapport komt, dan moet je te voren beter afspreken!”
Daar had ik de quitantie voor mijn leugen om bestwil.
„Kapitein Eenoog” wachtte ons intusschen in de grootste bezorgdheid op. Zij zat er danig over in den angst, dat haar korporaal met de provoost zou moeten kennis maken. De drie dagen kwartier-arrest waren voor haar een meevaller van belang. Gedurende dien tijd onthield zij haren korporaal ook nog den éénen borrel, dien zij hem grootmoediglijk had toegestaan. Wat straf heet, moet ook straf zijn!
Ik behoef niet te zeggen, dat ik mij van dien dag af weder meer dan ooit tot koffie en smeerproppen bepaalde. Alleen een goed gesternte en „Eenoog’s” heldhaftige daad hadden mij voor provoost bewaard.
MIJNE EERSTE HUISHOUDSTER
Tot nog toe werd ik steeds uitgelachen, wanneer ik iemand vertelde, dat ik, als korporaal van het Indische leger, mijne eerste huishoudster alléén nam om geen honger meer te lijden.
Ik kan ’t den menschen niet euvel duiden dat zij lachen; want naar Europeesche begrippen, schaft iemand, die doorgaans honger lijdt, zijne huishoudster af. In Indië d.w.z. in het Indische leger, zijn er evenwel vele toestanden, welke geheel verschillen van die eener Europeesche maatschappij. Zoo’n Javaansche soldatenhuishoudster komt in verschillende opzichten overeen met een Franschen kok. Maakt de laatste misschien uit een paar oude schoenzolen een ragoût met pikante saus, de eerste gaat verder: zij maakt uit niets—iets. Als zij namelijk voor haar „laki” niets te schaften heeft, ziet zij er weinig bezwaar in om, waar ze eenigszins kan, op geslepen wijze het noodige machtig te worden; en daartoe wordt menige Javaansche vrouw, die het ongeluk heeft met haar gebieder bij een depot-bataljon terecht te komen, bijna gedwongen.
Ik moet ronduit verklaren, dat de pas bij de depot-bataljons aangekomen soldaten honger lijden. Uit de volgende „schaftorder” kan men zulks spoedig gewaar worden.
Des morgens ontvangt ieder soldaat koffie en een broodje, zwaar 2 H.G., waarvan natuurlijk geen kruimel overblijft; om 10 uur wordt soep met vleesch en rijst en ten 3½ ure rijst, sajor (groenten) en een miniatuur-portie vleesch verstrekt. Van 3½ uur ’s namiddags tot den volgenden morgen 5 uur is het pauze, ofschoon een vermoeiende exercitie van 4½–6 uur waarlijk voldoende is om het sobere maal te doen verteren. Van de waarheid hiervan heb ik mij herhaaldelijk overtuigd, wanneer ’s avonds om 7 uur het signaal voor ’t eten der onder-officieren gegeven werd. Dan slenterden vele pas uit Europa aangekomen recruten, waaronder mannen met aartsvaderlijke baarden, die zich nog niet aan rijst met sambal hadden weten te gewennen, om de onder-officiers keuken rond, terugsnakkende naar het Harderwijker kommiesbrood, als vroeger de kinderen Israëls naar de vleeschpotten van Egypte.
Waren eindelijk de onderofficieren opgestaan en verscheen de kok met den kookketel, waarin het restant boeboer (rijstebrei) zich bevond, dan vielen de mannen er als uitgehongerde wolven op aan, om ieder zijn deel machtig te worden.
Hoe dikwijls heb ik zelf niet in den droom, schotels welriekende Knödel als een fata morgana voorbij mij heen zien trekken!
„Zijn er dan in Indië geen keukendragonders?” zal misschien menig lezer vragen, die zich moeilijk een soldaat anders kan voorstellen dan aan den arm van eene keukenprinses, die hem behoorlijk van het noodige voorziet.
Het antwoord moet luiden: „Helaas, neen!”
Het ergste is nog, dat het Gouvernement zich volstrekt niet gedrongen voelt om in dat gebrek ook maar eenigszins te voorzien. Met het oog hierop is het dan ook niet te verwonderen dat vele soldaten, ziende welk een naarstigheid zoo’n inlandsche huishoudster ten toon spreidt, besluiten ook den stap te wagen, zoodra zij zijn afgeëxerceerd. Bovendien gebeurt het niet zelden dat zulk een morganatisch gehuwd fuselier als zindelijk en oppassend soldaat aan anderen ten voorbeeld wordt gesteld.
In den beginne is het moeilijk met dien toestand vrede te hebben. Die paartjes huizen namelijk met andere soldaten in dezelfde kamer, doch, het zij hier onmiddellijk bijgevoegd, iets wat aanstoot kan geven, komt hoogst zelden voor. Bij de inlandsche vrouwen toch, is over ’t algemeen het schaamtegevoel sterk ontwikkeld en zij kunnen in dit opzicht op verre na niet gelijk gesteld worden met hare zusteren in Europa, die in dezelfde omstandigheden verkeeren. Bovendien wordt de overtreding van het zesde gebod streng gestraft.
Zij wordt uit het kampement gejaagd en hij gaat voor veertien dagen de provoost in. Voorwaar geen aanlokkend vooruitzicht!
Na deze kleine uitweiding moet ik mij weer met mijn eigen ik bezig houden. Een machtwoord van den allesvermogenden bataljonscommandant had mij als korporaal overgeplaatst bij eene inlandsche compagnie, waar vóór eenige dagen een detachement kersversche Javaansche recruten was aangekomen. Mijn escouade alleen was ± 50 man sterk, waarlijk geen kleinigheid, wanneer men nagaat, dat de meesten zelfs niet wisten hoe ze een broek moesten aantrekken. Vermoeienis en wrevel waren dan ook aan de orde van den dag en gaven mij soms een geweldigen honger.
Tot mijn ongeluk moest ik mijn menageketel in de keuken der Europeanen doen afhalen.
„Tot mijn ongeluk!” zeg ik, want de tamboer, die gewoon was mij het maal te brengen, hield zulk een nauwkeurige inspectie over mijn soepketel, dat ik alleen beenderen af te kluiven kreeg. Ook wist hij, misschien met de beste bedoelingen, het zorgvuldig dáárheen te leiden, dat ik mij niet te buiten ging aan gebakken visch. Meestal toch ontdekte ik bij het openen van den ketel een vischkop, (’t achterdeel ontbrak bijna altijd) die mij weemoedig aanstaarde. Zoo nu en dan kon ik tusschen 2,5 H.G. rijst een z.g. frikkadel ontdekken ter grootte ongeveer van een walnoot.
Doch niet geklaagd, zoolang de soldij nog voldoende is om de ledige maag te vullen met smeerproppen. Was ’t evenwel ook daarmede gedaan, dan kon ik het bijna niet meer uithouden. Ik watertandde, wanneer van alle zijden welriekende geuren mij in den neus kwamen, afkomstig van de gerechten, die de inlandsche vrouwen voor haar gebieders gereed hadden gemaakt. In kleine groepen hurkten zij vóór de kazerne neer en deden zich te goed aan de verblindend witte rijst met daarbij behoorende toespijzen, terwijl ik, gewapend met een stopnaald, vergeefsche pogingen aanwendde om de vuistgroote gaten in mijn sokken te dichten en mijn schreeuwende maag slechts kon troosten met het uitzicht op een volgenden traktementsdag.
Neen! aan dien toestand moest een einde komen. Ik deed er een eed op dat dit de laatste sok was, die ik gestopt had. ’t Mocht kosten wat het wilde—d.w.z. ƒ 1.50 per vijf dagen, want zooveel bedroeg mijn soldij—eene huishoudster moest ik hebben om voor mijn maag en sokken te zorgen. In de krijgsartikelen stond wel veel geschreven over kogel en strop, doch van celibaat was daarin geen sprake en bovendien—een korporaal is geen kloosterling.
Waar moest ik echter zoo’n schepsel vandaan halen?
Het toeval was mij gunstig. Een hoornblazer van het garnizoen te Weltevreden, die naar Europa dacht te vertrekken, wilde mij zijne wederhelft kosteloos overdoen. Naar zijne beschrijving te oordeelen moest zij minst genomen een engel zijn. Zij bezat een massa barang-barang (huisraad), kon koken, o, zoo heerlijk! was trouw als een mopshond en och, zoo schoon!
„Laat haar dan maar opkomen,” zei ik en de overeenkomst werd bezegeld met een handslag en een glas ijswater met stroop.
Toen ik den volgenden morgen van de exercitie terugkeerde, trof ik de dame, op een mat gezeten, reeds in mijn kamer aan. Zij zag er werkelijk niet kwaad uit en ik trachtte een gesprek aan te knoopen door naar haar naam te vragen, doch kreeg hetzelfde resultaat als de examinatoren van den candidaat Jobs n.l. een hardnekkig hoofdschudden. Een nieuwe poging, die ik aanwendde, door wat luider te zeggen: „noem dan toch een naam; waar komt ge vandaan en hebt ge nog familie?” werd met denzelfden uitslag bekroond.