Ge-eft Acht! Schetsen uit het Indische soldatenleven
Part 9
Een dajak, die door Panglima Alie genoodzaakt was geworden aan het opwerpen der versterking mede te werken, doch later gelegenheid had gevonden om te ontvluchten, werd door den controleur onder voorspiegeling van eene ruime belooning overgehaald tot gids te dienen. De man scheen niet bijster met die taak ingenomen, doch toen de commandant van den voortroep hem toevertrouwde aan de zorg van twee stevige fuseliers, die hem kort en bondig te kennen gaven, dat hij, bij de minste poging tot ontvluchten, als zijnde geen schot kruit waard, aan de bajonet zou worden geregen, schikte hij zich in zijn lot.
In de volgende orde werd afgemarcheerd: aan het hoofd eene spits van zes man onder een sergeant, waarbij zich ook de commandant van den voortroep bevond; onmiddellijk daarachter de voortroep, sterk 30 Europeanen en Amboineezen, vervolgens het gros van de voorhoede, de hoofdtroep, sterk 79 man en eindelijk eene achterhoede van 30 man. In de grootste stilte werd afgemarcheerd, slechts hier en daar kraakte een dorre tak onder de voeten van een minder oplettend soldaat, doch een bestraffende blik van den bevelvoerenden officier was voldoende om tot meer voorzichtigheid aan te sporen. Na een marsch van een kwartier kwam men voor een ravijn van ongeveer 10 meter diepte en 15 meter breedte, met zeer steile wanden. Een boomstam moest hier als brug dienst doen. De inlanders dansten er overheen alsof het een parketvloer ware geweest; ook de commandant van den voortroep balanceerde nog vlug naar den overkant. Moeielijker evenwel was de overtocht voor de volgende manschappen, daar de dunne boomstam door de bemodderde voeten hunner voorgangers glibberig was geworden. De meeste officieren en manschappen gaven er dan ook de voorkeur aan om schrijlings den overtocht te bewerkstelligen door het beurtelings verplaatsen van handen en posteriora, een kunststuk, dat eenen luitenant, die een weinig dik was uitgevallen, menigen zucht ontlokte. Dit veroorzaakte nog al oponthoud. De voortroep zette inmiddels den marsch voort en kreeg, na ongeveer een kwartier stijgen op aanwijzing van den gids, de benteng in ’t gezicht.
„Links aanhouden!” klonk het uit den mond van den luitenant. De steile helling, waarvoor de gids den voortroep had gebracht, was voor eenen aanval alles behalve gunstig. Sidderend als een espenblad verzocht de gids, bevreesd voor de wraak zijner landgenooten, thans naar de achterhoede te mogen gaan. Het werd hem toegestaan. Weldra was de achterzijde der benteng bereikt. „Aan! vuur!” klonk het, en de knal van het salvo, honderdvoudig door het gebergte weerkaatst, waarschuwde de nog achter zijnde kameraden dat het doel bereikt was. Een krachtig hoera weerklonk, en als in een wedren doorschreden de manschappen van den voortroep de kleine ruimte, die den boschrand van de versterking scheidde. Snel werden de geweren door de schietgaten gestoken en een ware kogelregen op de binnen opgehoopte vijanden uitgestort. Deze waren echter niet genegen spoedig den kamp op te geven.
Bijna borst tegen borst, slechts door de palissaden gescheiden, stonden onze soldaten tegenover den vijand. Aanhoudend spoorde het Atjehsche hoofd zijne onderhoorigen aan om eenen aanval met de blanke wapenen te doen. De commandant, hiervoor beducht, trachtte tot tweemaal de benteng te beklimmen, zeker dat hij door de soldaten gevolgd zou worden. Bij de eerste poging evenwel ontving hij een schot door den linkerarm, dat hem deed neerstorten. Ook de tweede poging mislukte.
Intusschen had de commandant der colonne zich bij den voortroep gevoegd. Hij had sabel en revolver achtergelaten en alleen een dun stukje bamboe in de hand, waarmede hij zoo nu en dan het stof uit zijn broek klopte.
„Hij heeft gelijk,” mompelde de oude korporaal, „ik ken hem van Atjeh. Als die een sabel in de vuist heeft en er moet gestormd worden, dan houden hem geen tien paarden; maar nu moet hij zijn kop bij elkaar houden.”
„Verduiveld,” mopperde Van Zijl, „mogen we er dan nooit in?”
Verlangend wendden zich veler blikken naar de plaats, waar de commandant stond. Kalm en bedaard wees deze de nakomende troepen, die door het overtrekken van het ravijn eenigszins waren opgehouden, hunne standplaats aan. Eindelijk was ook de achterhoede aangekomen. Deze werd zoodanig opgesteld, dat zij een aanval in den rug kon afwijzen. Spoedig daarop weerklonk het commando „Attaqueeren!” Eenige fuseliers klauterden als apen tegen de palissadeering op, terwijl anderen met de van boord meegenomen handspaken en breekijzers eene kleine opening maakten, waardoor andere manschappen binnendrongen en waarin de dikke luitenant, die het op bovenvermelden boomstam zoo zwaar te verantwoorden had gehad, bijna bleef steken.
Een Amboineesche fuselier was de eerste, die met zijn geweer boven het hoofd te midden der vijanden sprong. Een Europeaan was de tweede. Van Zijl, die met den uitroep: „Mijn broeder was ridder, ik wil het ook worden!” in de benteng drong, vloog met opgeheven geweerkolf te midden der zich met vertwijfeling verdedigende opstandelingen. Doch deze konden tegen de steeds voorwaarts dringende soldaten geen stand meer houden. Een klein troepje wierp zich nog met de woede der wanhoop op onze manschappen, doch zij boetten die vermetelheid met hun leven. Toen de overigen hunne voornaamste aanvoerders hadden zien vallen, greep een panische schrik hen aan. In doodsangst vluchtten zij over de palissaden en stortten zich van eene hoogte van wel 10 meter in de versperring, die zij tot hunne eigene veiligheid hadden aangelegd. Achter hen klonken de salvo’s der overwinnaars, waardoor nog menige vluchteling gedood of gewond werd.
Het was ongeveer halfeen, toen de drie sultansvlaggen, die aan onze soldaten den weg ter overwinning hadden gewezen, werden neergerukt, en de Nederlandsche driekleur zich ontplooide, luide begroet door de zegevierende troepen.
Het wekte verbazing te zien, hoe dit bolwerk door den Atjehschen panglima gedeeltelijk naar de voorschriften der Europeesche versterkingskunst was ingericht. Drie rijen schietgaten van bamboe waren aan het ondereinde der palissadeering aangebracht en daarboven een banket, van een afdak voorzien, ten einde geen last te hebben van handgranaten. De kanonnen waren zóó opgesteld, dat zij het voorterrein en de rivier geheel konden bestrijken.
Hoe hardnekkig de verdediging was geweest, bewezen 18 dooden binnen de versterking en een tiental, die daarbuiten waren neergeschoten. Om de gewonden heen stonden vele soldaten, vooral bij Van Zijl. Aller oogen vestigden zich op den ouden korporaal.
„Heb je nog iets op je hart?” vroeg deze.
„Is Alie, die smeerlap, dood?” was de wedervraag.
„Hier ligt hij vlak bij je,” zei de korporaal op het lijk van den panglima wijzende, wiens hoofd letterlijk verbrijzeld was.
„Ja, hij heeft me mijn mes in den buik gestooten, doch ik heb hem goed op zijn kersepit geraakt.”
Allen wilden afscheid van hem nemen, doch hij drukte, geheel afgemat, alleen de handen van den ouden korporaal.
Toen hij aan boord van de Onrust gebracht werd, waar de officier van gezondheid zich bevond, had het leven hem verlaten.
Van Zijl was onze eenige doode. Gewond waren een officier en drie fuseliers. Onder de gesneuvelden des vijands waren vijf hoofden, namelijk: Panglima Alie; Pangeran Kertas Melajang, de Imam Mahdi, die den heiligen oorlog geproclameerd had; Pangeran Praboe Anoem, een neef van den pretendent-sultan; Panglima Naja, die den 27sten Februari een prauw met levensmiddelen had overvallen en zeven der opvarenden gedood had; Andin Loetoeng, een der voornaamste hoofden van de Soengei Lahei.
Vier kanonnen, vijf-en-twintig geweren en eene menigte klewangs, lansen en mandau’s werden buitgemaakt.
Bij het lezen dezer regelen zou menigeen misschien geneigd zijn de overwinning gering te schatten, wegens het klein aantal dooden en gewonden, dat de aanvallers bekwamen. Dit zou evenwel onjuist zijn. Niets ware den aanvoerder lichter gevallen dan de versterking in front te doen aangrijpen. Ook dan zou de verovering wel gelukt zijn, maar hoeveel dapperen hadden dan daarbij het leven niet moeten laten?
Welke ver reikende gevolgen onze overwinning moest hebben, kan hij het best beoordeelen, die op de hoogte is van Indische toestanden, inzonderheid van de Borneosche. Wie daaromtrent meer wil weten leze: De Banjermassingsche krijg van 1859–62.
De Dajaks uit die jaren, ten minste die uit de bovenstreken, zijn nog geheel dezelfden gebleven. Antassari is vervangen door Mohamad Seman. Aanhoudend weet deze geslepen vorst de gemoederen dier natuurkinderen op te winden en ze bij honderden ter slachtbank te voeren. Dit laatste blijkt uit eenen opstand, die vier jaren later daar weer uitbrak en eindigde met de verovering van Toembang Patangan.
Ware de bestorming van Mandoeroeian niet gelukt, dan zou als een loopend vuur door het geheele land het gerucht verspreid zijn van de onneembaarheid der benteng en de onoverwinnelijkheid van haren verdediger Panglima Alie. De gevolgen zouden niet te overzien zijn geweest.
Onze dappere soldaten en hunne kalme aanvoerders hebben dus door hunne overwinning aan het Nederlandsche gezag eenen gewichtigen dienst bewezen.
DE VEROVERING VAN DE VERSTERKING TE TOEMBANG PATANGAN.
(Z. en O. Afd. van Borneo) op den 18den Maart 1887.
De beweging op koloniaal gebied heeft tegenwoordig in de meeste landen van Europa alle klassen der maatschappij aangegrepen en meegesleept. Werkelijke en salon-ontdekkers doorzoeken met begeerige oogen elk werelddeel, om nog ergens een vergeten plekje grond te vinden, dat in bezit genomen zou kunnen worden. Oude en nieuwe akten worden doorsnuffeld om eene paragraaf te ontdekken, die voor tweeledige uitlegging vatbaar is, en waaruit misschien een schijn van recht tot inbezitname is af te leiden. In het kort, een levendig verlangen naar uitbreiding van gebied doet zich overal gevoelen, en het oude liedje: Mein Vaterland muss grösser sein, zweeft meer dan ooit op de lippen van geestdriftvolle patriotten.
Dit jagen naar eene aanwinst, die meestal slechts in de verbeelding bestaat, trekt de aandacht van de binnenlandsche aangelegenheden der in bezit te nemen landen af; hoewel het toch noodig is daaraan in de eerste plaats de opmerkzaamheid te wijden, om de vernietiging van bestaande welvaart, ja zelfs het verlies van de geheele bezitting in de toekomst te voorkomen.
Zelfs mogendheden, die eeuwenlang in het bezit waren van uitgestrekte koloniën, die beroemd zijn wegens hun uitstekend bestuur, moeten ondervinden dat een maatregel, die op zichzelf van weinig gewicht schijnt, aanleiding geeft tot jarenlange woelingen, die slechts met de bajonet kunnen worden bedwongen.
Een voorbeeld hiertoe leveren de militaire operatiën der Nederlanders op het eiland Borneo, die plaats hebben, zonder dat de buitenwereld er veel van bemerkt.
Lang voordat de Islam op Java was doorgedrongen, hadden Javanen reeds koloniën gesticht aan de zuidkust van Borneo, terwijl Boegineezen en andere Maleiers zich op de oostkust hadden gevestigd. Deze kolonisten vermengden zich langzamerhand met de oorspronkelijke bewoners des lands, de Dajaks, en deden zoo het gemengde ras ontstaan, dat tegenwoordig de kuststaten van Borneo bevolkt. De Dajaks werden allengs meer en meer naar de binnenlanden teruggedrongen, en het viel den kolonisten, die in ontwikkeling verre boven de oorspronkelijke bewoners stonden, niet moeilijk zich als beheerschers van het land te doen eerbiedigen. Zoo werden de verschillende Maleische staten gegrondvest, waarvan Bandjermasin het machtigst was. Toen de Nederlanders hun gezag ook over Borneo uitstrekten, lieten zij het inwendig bestuur aan de vorsten over, in de uitoefening waarvan deze natuurlijk werden bijgestaan en geleid door Europeesche ambtenaren, zoodat de Nederlandsche regeering eene voortdurende contrôle op hunne handelingen uitoefende.
De rust bleef ongestoord, totdat in het jaar 1857 sultan Adam overleed, en in diens plaats Tamdjid’oellah door de regeering tot sultan van Bandjermasin werd benoemd, terwijl een kleinzoon van den overledene, Hidajat’oellah, tot rijksbestierder werd aangesteld. Deze regeeringsmaatregelen wekten ontevredenheid. Hidajat, Antasari, Demang Lehman en andere hoofden wisten in het geheim de bevolking tot verzet aan te sporen, en in het jaar 1859 werd openlijk de vaan des opstands ontrold. Slechts na groote krachtsinspanning en ten koste van talrijke offers mocht het den Nederlanders gelukken den opstand te bedwingen, en in 1860 werd het rijk van Bandjermasin bij het Nederlandsche gebied ingelijfd. Hiermede was evenwel nog op verre na de rust niet hersteld. Met korte tusschenpoozen bleven de woelingen aanhouden, waarvan, na het overlijden of onschadelijk maken van bovengenoemde aanvoerders, de zoon van Antasari, Goesti Mohamad Seman, het hoofd was. Met eene hardnekkigheid, eener betere zaak waardig, bleef deze zich verzetten, en hij wist de lichtgeloovige inboorlingen gemakkelijk voor zijne zaak te winnen.
Nog steeds zwerft hij, zich sultan noemende, omringd door eene kleine schaar van ontevreden hoofden, door Borneo’s wildernissen. Tot heden heeft hij alle toenadering tot het gouvernement geweigerd. Hij wil alleenheerscher zijn.
Bij vele zijner in de herhaalde gevechten gesneuvelde volgelingen vond men akten van aanstelling, waarin die verblinden tot regent, opperpriester of andere aanzienlijke ambten in zijn te stichten rijk werden benoemd.
In zijn onderhoud voorziet hij door afpersingen van weerlooze kampongbewoners, die hij tevens door valsche voorspiegelingen of door geweld dikwijls tot verzet weet over te halen.
Van elke ontevredenheid der bevolking, al heeft de oorzaak daarvan in de verte met zijne zaak niets uitstaande, maakt hij gretig gebruik om de domme, goedgeloovige Dajaks tot opstand aan te zetten en hen zoodoende ter slachtbank te voeren. Zelf houdt hij zich steeds voorzichtig buiten schot, en dit doet hem bij weldenkenden zeker niet in achting rijzen. Zoo sneuvelden in het jaar 1883, bij de bestorming van Mandoeroeian door onze troepen, velen van zijne trouwste aanhangers, terwijl hijzelf op behoorlijken afstand in de wildernis van eene zekere overwinning droomde. Gelijk een wild dier werd hij toen opgejaagd, doch het mocht ons niet gelukken hem te vangen. Steeds wist hij in de ontoegankelijke bovenstreken te ontkomen. Dit zal menigeen, die met de toestanden van het land niet bekend is, onverklaarbaar voorkomen. Voornamelijk door Duitsche „Colonialschwärmer” hoort men dikwijls met zekere minachting spreken over de weinige voortvarendheid, waarmede de Nederlanders tegen hunne oproerige overzeesche onderdanen optreden. Doch hoe spoedig zouden zij van gedachten veranderen, indien zij het land eens met eigen oogen konden aanschouwen!
Onderscheidene bergruggen strekken zich op Borneo van het centraalgebergte tot aan de zee uit. Hiertusschen liggen onmetelijke laagvlakten, doorsneden door kolossale stroomen en bedekt met eeuwenoude wouden, die slechts langs enkele, bijna niet te onderscheiden voetpaden en met behulp van een inlandschen gids kunnen worden binnengedrongen. Eb en vloed doen zich op de rivieren tot ver in het binnenland gevoelen, en de lagere terreingedeelten worden dan ook geregeld onder water gezet.
De stroomen zijn in dezen wilden chaos bijna de eenige verkeerswegen.
Langs de oevers vindt men hier en daar, op groote afstanden van elkander verwijderd, kleine Dajaksche kampongs met de daarbij gelegen ladangs (droge rijstvelden), want ook de inboorlingen vestigen zich natuurlijk bij voorkeur aan de gemeenschapswegen.
Langs de rivieren bewegen zich ook bijna uitsluitend de militaire expeditiën. Waar zij voldoende diepte hebben, wordt gebruik gemaakt van stoomschepen of groote prauwen. Nadert men evenwel de bovenstreken, waar breedte en diepte afnemen, dan moeten manschappen, munitie en vivres in djoekongs (uitgeholde boomstammen) worden overgeladen.
Prauwen en djoekongs worden door inboorlingen geroeid, die met hunne korte spadevormige pagaaien aan die vaartuigen eene verbazende snelheid weten te geven.
Opmerkenswaard bij die menschen is de buiten verhouding sterke ontwikkeling der armspieren, vergeleken met de dunne, dikwijls kromme beenen. De oorzaak daarvan is evenwel niet ver te zoeken. Slechts korte afstanden worden door den inlander te voet afgelegd. Moet hij eene grootere reis ondernemen, dan neemt hij zijn pagaai, plaatst zich met de beenen onder het lichaam gekruist in zijn djoekong, en voort gaat het. Het valt hem niet moeilijk om zoo zes-en-dertig uur achter elkaar door te roeien, zonder meer tusschenpoozen dan den tijd, die noodig is voor het bereiden en verorberen van het eten.
De voor eene militaire expeditie benoodigde roeiers behooren òf tot de hulptroepen, die onder hunne eigen hoofden de expeditie vergezellen, òf het zijn andere inboorlingen, die tegen betaling tot dien dienst verplicht worden. In beide gevallen zijn zij weinig te vertrouwen. Niet zelden kwam het voor, dat bij een vijandelijken aanval de roeiers ’s vijands zijde kozen en zich op de argelooze soldaten stortten. Andere malen gebeurde het, dat zij bij het eerste schot overboord sprongen en naar land zwommen om van daar uit, behoorlijk gedekt opgesteld, het verder verloop der dingen gade te slaan. Welk eene heillooze verwarring hierdoor werd gesticht, kan men zich voorstellen, wanneer men weet dat de soldaten in het hanteeren der pagaaien onbedreven zijn. Doch niet alleen met de trouweloosheid van hulptroepen en roeiers hebben de militaire expeditiën te kampen. Ook de natuur en de listen des vijands, die met groote scherpzinnigheid van de voordeelen, welke het terrein hem biedt, weet gebruik te maken, stellen volharding en moed der soldaten op eene zware proef.
Talrijke stroomversnellingen en neergestorte rotsblokken maken de vaart op de bovenrivieren reeds moeilijk. Op verschillende plaatsen worden bovendien door den vijand nog versperringen van omgekapte boomen enz. aangelegd. In het dichte woud aan den oever verscholen, wacht hij de komst der troepen af. Nauwelijks is de colonne de versperring genaderd en wil die omtrekken of opruimen, of eene hagelbui van kogels, pijlen en werpschichten overstelpt de verraste soldaten. Van alle zijden schieten uit kleine soengei’s de halfnaakte inlanders, onder luid geschrei, in hunne lichte vaartuigen te voorschijn. Boomen, aan den voet bijna geheel doorgekapt en slechts door een rotankabel staande gehouden, worden losgemaakt en storten op de strijdende dapperen, die met den moed der vertwijfeling hun leven verdedigen. Thans komt het er op aan bij elkander te blijven, kalm te zijn en vooral snel en juist te schieten.
Dit laatste is voorwaar geen kleinigheid in die kleine smalle djoekongs, die bij de minste onvoorzichtige beweging omslaan.
Het gevecht heeft nog slechts kort geduurd, doch van de eerste verrassing bekomen, hebben de soldaten zich weder geordend en brengen op hunne beurt den vijand groote verliezen toe. Reeds zijn verscheidene van zijne djoekongs zonder bemanning en drijven de rivier af, terwijl de lijken der gesneuvelden eene prooi worden der talrijke kaaimans, die zich in deze wateren ophouden.
Nog een laatste wanhopige aanval, die zegevierend wordt afgeslagen, en even snel als zij gekomen zijn, verlaten de aanvallers in overhaaste vlucht het tooneel van den strijd. Die aanval heeft ons menig offer gekost.
De verliezen worden opgenomen, de gewonden verbonden, en zoo mogelijk onder dekking teruggezonden. Daarna wordt de tocht naar het operatie-object zoo spoedig mogelijk voortgezet om misschien bij eene volgende kronkeling der rivier in eene zelfde hinderlaag te vallen.
Laat nu nog iemand spreken van geregeld oorlogvoeren!
In onrustige streken worden dikwijls ver vooruitgeschoven tijdelijke militaire posten opgericht, met het tweeledig doel de omwonende bevolking vertrouwen op ons gezag in te boezemen en als operatie-basis te dienen voor mogelijke expeditiën. Zulke posten zijn al zeer eenvoudig ingericht. Eene palissadeering uit ruwe boomstammen bestaande, met twee cirkel-bastions, waarop een paar gladde ijzeren kanonnen in batterij staan, omgeeft de gebouwen. Deze, die bestaan uit de woningen voor den commandeerenden officier en de manschappen, vivres- en munitiemagazijnen en meestal een klein hospitaal, worden van bamboe opgetrokken en met atap gedekt.
Welk een ongunstigen invloed het verblijf in zulk eene versterking, die meestal is gebouwd op een vochtigen, met rottende plantaardige stoffen overdekten bodem, moet uitoefenen op de gezondheid, zal een ieder, die wel eens beschrijvingen van tropische landen gelezen heeft, gemakkelijk begrijpen.
Dysenterie, malaria en beri-beri dunnen aanhoudend de bezetting.
In dit opzicht was Toejoen, het uitgangspunt van de hierna te vermelden expeditie, berucht.
Reeds vóór het oprichten van den post te Toejoen waren bij het bestuur berichten ontvangen omtrent woelingen onder de bevolking aan de Boven-Kahajan.
Mohamad Seman wist eene door lieden van de benedenstreken ondernomen plundering op rekening van het Nederlandsche gouvernement te schuiven, en weldra had hij de geheele Boven-Kahajan in vollen opstand gebracht. Thans moest snel gehandeld worden. Om te beletten dat de opstand ook op den meer benedenstrooms wonenden stam der Oeloeh Baranarè zou overslaan, werd te Tewah eene tijdelijke versterking opgericht in de nabijheid der woning van het ons getrouwe hoofd Temanggoeng Mangkoe Kenjapi en door 40 man hulptroepen onder het flinke districtshoofd van Klein-Dajak, Radhen Johannes Karsa Negara, bezet.
Een ander belangrijk punt, de kampong Toembang Koeroen, ongeveer vier uren roeiens stroomafwaarts van Tewah aan de soengei van denzelfden naam gelegen, werd bezet door eene bende hulptroepen onder het hoofd van Groot-Dajak, Demang Anoem Djaja Karsa. Dit punt was daarom van veel belang, omdat genoemde soengei den hoofdverbindingsweg vormde met de Boven-Kapoens.
Niettegenstaande al deze voorzorgsmaatregelen gelukte het eene kleine vijandelijke bende, onder aanvoering van een paar mindere hoofden, in een donkeren nacht onze versterking te Tewah voorbij te sluipen en den meergenoemden stam der Oeloeh Baranarè in opstand te brengen. De toestand van den controleur, die zich te Tewah bevond, dreigde nu zeer hachelijk te worden. Beide bovengenoemde districtshoofden snelden evenwel ter hulpe, verdreven de vijandelijke bende en herstelden de rust.
Thans werd de militaire post te Toejoen opgericht en bezet door 50 man onder een luitenant. Ook de controleur vestigde zich nu te Toejoen.
De vijand zat intusschen niet stil.
Onze hulptroepen werden in de versterking te Tewah aanhoudend bestookt.
Een inlander, Koesin, die door den controleur met eenige manschappen naar de bovenstreken was gezonden om te trachten den stam der Ot-Danoems te bewegen zich in hun eigen belang niet bij den opstand aan te sluiten, werd even boven Tewah uit eene vijandelijke versterking beschoten, tengevolge waarvan hij en een zijner volgelingen gewond werden. Met een duren eed zwoer hij bloedige wraak te zullen nemen. Dat hij dien eed gestand deed, zullen wij hieronder zien.
Eenigen tijd ging nu voorbij, zonder dat er veel belangrijks voorviel, totdat in het begin van 1887 de controleur plotseling te Toejoen onder eenigszins geheimzinnige omstandigheden overleed.
Mohamad Seman, die inmiddels aanzienlijke versterkingen bekomen had, wist aan dit feit in de oogen der lichtgeloovige bevolking zulk eene beteekenis te geven, dat hij zich weldra in staat zag gesteld om aanvallend op te treden.
Te Batoe Njewoek, vier uur roeiens boven Tewah, werd op zijn bevel eene versterking gebouwd, waarbinnen hij zelf zijn verblijf vestigde, en van waar hij zijne panglima’s uitzond om de Ot-Danoem tot den strijd op te roepen. Die zending gelukte maar al te wel. In korten tijd was zijne macht met pl. m. 500 strijdbare mannen van genoemden stam vermeerderd, die deels vrijwillig, deels gedwongen, zich onder zijne vanen schaarden.
De toestand werd thans bedenkelijk.