Elsje

Part 13

Chapter 13 4,049 words Public domain Markdown

Op zekeren ochtend was mevrouw d'Ablong uitgegaan om een arm gezin te bezoeken, Miss Piper lag met hoofdpijn te bed en Cécile was den geheelen dag bij Loulou van Rensen om haar te helpen met het nummeren van voorwerpen voor een bazaar. Elsje was dus geheel aan haar lot overgelaten en, zooals ze met een zucht van tevredenheid bedacht, geheel vrij. Terstond kwam het denkbeeld bij haar op, dat dit nu een geschikte gelegenheid was om even uit te gaan en een paar oogenblikken, heel kort maar, in den kruidenierswinkel door te brengen. Haar geweten begon onrustig te kloppen bij de gedachte dat zij iets zou gaan doen dat hare tante hoogst waarschijnlijk af zou keuren, maar alweer troostte zij zich met de gedachte: "Als ik er heel even heenga om hen te bedanken en dan zeg dat ik nooit weerom mag komen, _kan_ tante het zoo erg niet vinden," en zonder zich langer te bedenken, zette zij haar hoed op, deed haar mantel om en ging heen. In de gang kwam ze Dina tegen, die haar verwonderd aankeek, maar Elsje vroeg haar met zoo'n grappig deftig _air_, of ze haar even uit wou laten en liep toen zoo bedaard en netjes de stoep af--ze begon in die dingen al aardig aan te leeren!--dat Dina tot de overtuiging kwam dat alles in orde was en met een lachje naar de keuken terugliep. "Ze wordt heusch al heelemaal een klein dametje," dacht ze.

Spoedig had Elsje de drukke winkelstraat ingeslagen en vlug stapte ze voort, totdat ze vlak in de buurt van den kruidenierswinkel kwam. Toen vertraagde zij haar pas en eindelijk bleef ze aarzelend staan. Plotseling begon haar geweten weer te spreken. Eigenlijk mocht zij toch niet doen wat ze zoo vurig wenschte, eigenlijk had hare tante haar toch bepaald verboden naar hare vrienden toe te gaan--eigenlijk had zij toch maar stil thuis moeten blijven! Wacht, ze zou maar heel even den winkel voorbijgaan--alleen maar één enkel oogenblik naar binnen kijken. Dan zou ze weer bedaard naar huis terug gaan en nooit weer haar best doen met het kruideniersgezin in aanraking te komen. Langzaam liep ze den hoek om, het verboden terrein voorbij, toen zij eensklaps de deur van den winkel rinkelend hoorde opengaan en Everts blijde kinderstem hoorde roepen: "Elsje! Elsje! Moeder, moeder, daar is Elsje eindelijk!"

Nu was het gedaan met Elsje's bedachtzaamheid. Zij bleef staan, liet zich door den verrukten Evert in den winkel trekken en stond weldra, met een van blijdschap stralend gezicht, voor haar vroegere gastvrouw.

"Dag Elsje," zei deze op hartelijken toon, "dat is goed, dat we je eindelijk eens weerzien. En ben je hier nog altijd gelogeerd?"

"Neen," zei Elsje, terwijl de blijde trek van haar gezicht verdween, "mijn grootmoeder is gestorven en nu blijf ik hier."

"Och, wat is dat treurig; is je grootmoeder dood? Arm kind! En blijf je nu bij je tante?"

"Ja," zei Elsje, bij de gedachte aan mevrouw d'Ablong weer onrustig wordend, "en ik kom u nu maar heel even bedanken dat u zoo goed en vriendelijk voor me geweest bent, toen op dien akeligen avond. Ik .... ik vergeet dat bepaald nooit, maar nu moet ik weer weg."

"Weer weg! Nu al! En je bent er net! Kom, dat meen je niet en Evert heeft al zoo lang naar je verlangd."

"Ja, maar ik moet toch heusch dadelijk weer naar huis. Ik bedank u nog hartelijk voor alles."

"Nu ja, dat weet ik nu wel dat je heel dankbaar bent, maar ik vind het niet aardig, als je niet nog wat blijft. Kom Evert, haal maar eens even een stoel voor Elsje--wij kunnen niet naar binnen gaan, want mijn man is uit en ik kan den winkel niet alleen laten."

Evert kwam hijgend en met een vuurroode kleur van inspanning met een stoel aansjouwen en met de woorden: "Dan blijf ik nog even," ging Elsje zitten. En zonder zich een oogenblik te bedenken, vertelde ze nu wie zij was en waar zij gewoond had en hoe hare tante heette en hoe moeilijk zij het nog vond aan het stadsleven te wennen. Gevleid door de zeer groote belangstelling der kruideniersvrouw, die met een verbaasd gezicht naar haar luisterde, terwijl Evert steeds met grappige vragen tusschenbeide kwam, als hij niet begreep wat zij zeide, babbelde Elsje druk voort, totdat de schel der winkeldeur en het binnenkomen van een klant haar stoorden en zij opsprong met een: "Maar nu moet ik heusch terstond weg."

"Dan breng ik je een eindje," zei Evert zeer galant en deftig. "Moeder, mag dat? Mag ik even met Elsje mee?"

"Ja, maar dan een heel klein eindje hoor, niet verder dan tot de gracht, waar Elsje woont. En dan dadelijk weer thuis komen, anders wordt moeder ongerust."

Evert vloog heen om zijn pet te halen en een oogenblik later trippelde hij, druk pratend, naast Elsje voort.

Tot haar blijdschap zag zij op de klok in den bekenden bloemenwinkel dat het eerst elf uur was. Hare tante zou dan zeker vooreerst nog niet thuiskomen--zoo heel veel haast behoefde ze dus eigenlijk niet te maken. Het was zoo aardig en gezellig om langzaam voort te drentelen met den aardigen, kleinen Evert naast zich, die haar zooveel te vertellen had! Wat zou het heerlijk zijn, als hare tante nog van besluit veranderde en haar toestond hare vrienden geregeld te bezoeken--al was het maar één keer in de maand bij voorbeeld. Over mevrouw d'Ablong en Cécile had zij heel weinig met de kruideniersvrouw gesproken--hare natuurlijke fijngevoeligheid had haar daarvan weerhouden. Ook had ze niet over haar lot geklaagd; dat zou zóó ondankbaar geweest zijn, vond ze. Och heden, daar waren zij al bij de gracht, dan moest ze Evert nu terugsturen en zelf ook weer naar huis gaan. Juist wilde zij haar vriendje goedendag zeggen, toen een grappig tooneeltje voor het smalle hoekhuis der stille gracht, haar aandacht trok.

Een steviggebouwde vischboer, klein van stuk, maar overigens stoer en forsch, met een rond, frischrood gezicht, levendige bruine oogen, die half listig, half schalksch keken, en geelblond haar, waarvan een lok van voren onder zijn pet uitkwam, stond, met zijn vischkar naast zich, druk over zijn koopwaar te onderhandelen met het dienstmeisje van het hoekhuis. Zij schenen het niet eens te kunnen worden over den prijs der "prachtige, springlevende" botjes, die de boer niet ophield met groote welsprekendheid aan te prijzen. Een slagersjongen met een mand op den rug en een paar straatjongens stonden met open monden te luisteren naar het levendige debat, zonder er zich ook maar een oogenblik in te mengen. Het zeer belangstellende, toeschouwende publiek werd thans nog vermeerderd door Elsje en den kleinen Evert.

"Geloof me, kindlief, ik kan ze je onmogelijk minder geven dan voor zestig cents," begon de vischboer weer.

"Dat kan je begrijpen, vijf-en-veertig," zei het dienstmeisje, "geen cent meer en dan zijn ze nog heel goed betaald ook!"

"Dat meen je niet! Ik zie aan je gezicht dat je het niet meent. Dat kan ik immers niet doen! Al stond de koningin daar nu in eigen persoon voor me..."

"Nu heel best dan," viel het dienstmeisje snibbig in, "dan moet je het laten, maar houd me dan ook niet langer op," en meteen maakte zij een beweging, alsof ze de voordeur wou sluiten.

"Nou, neem ze dan in vredesnaam maar," zei de consequente vischboer met een zucht en met een gezicht, alsof hem het grootste onrecht werd aangedaan. "Ik kan nou eenmaal niet zoo van jou weggaan, daarvoor heb ik te veel hart voor je, maar anders, 't is schande, schande."

"Ja, praat jij maar toe," lachte het dienstmeisje, "kom, maak ze maar gauw schoon. Ik heb wel wat anders te doen dan hier den heelen morgen naar jou te staan luisteren."

Op dit oogenblik, terwijl Elsje en Evert met de grootste aandacht het gesprek volgden, kwam mevrouw d'Ablong, in gezelschap van mevrouw van Rensen, de gracht langs. De laatste zag Elsje het eerst.

"Vergis ik me, of is dat uw nichtje, die daar staat te kijken naar die onappetijtelijke vischkar?" vroeg ze aan haar buurvrouw.

"Wel neen, Elsje is thuis," zei mevrouw d'Ablong, maar ze keek toch haastig naar de plek, waar de vischboer nog stond met zijn bewonderend gehoor om zich heen.

"Ja, ik geloof toch, dat zij het is," zei ze snel. "Hoe durft ze! Ik begrijp niet...."

"Zij schijnt nog niet in _alle_ opzichten een jonge dame te zijn," zei mevrouw van Rensen met een spottend glimlachje. "Uw taak is niet gemakkelijk, lieve mevrouw."

De arme mevrouw d'Ablong had juist met veel voldoening aan hare aristocratische kennis verteld, dat Elsje haar "dorpsmaniertjes" geheel begon kwijt te raken!

"Ik neem hier nu maar afscheid van u," begon mevrouw van Rensen weer, terwijl zij staan bleef en hare gezellin moeite deed kalm te blijven. Hoe kon Elsje nu toch ook zoo ongemanierd zijn! "Dag lieve mevrouw, zal ik Cilly maar hartelijk van u groeten? Loulou is steeds in één adoratie voor haar."

Mevrouw d'Ablong nam haastig afscheid en liep toen vlug naar Elsje toe, die half met den rug naar haar toegekeerd stond. Zij keek verschrikt op, toen zij een hand op haar schouder voelde en een bekende stem aan haar oor hoorde zeggen:

"Wat doe jij _hier_? Ga terstond mee naar huis."

"O ja tante," stamelde Elsje, "ik .... ik was al op weg. Ik ... ben maar even uit geweest."

Evert hield hare hand stijf vast en zag ernstig op naar de deftig gekleede dame, die zoo boos keek.

"Wat is dat voor een kind?" vroeg zij scherp.

"Ik heet Evert, Jacob, Ferdinand Mors," zei het kereltje trotsch, "en Elsje zegt...."

"Nog eens, wie is dat kind?" viel mevrouw d'Ablong in, terwijl zij zich met Elsje en Evert van het vischtooneel verwijderde.

"Het is het zoontje van den kruidenier," zei Elsje bijna fluisterend.

"Dus je bent daar _toch_ heen geweest, hoewel ik het je bepaald verboden had?" vroeg hare tante met ingehouden toorn.

"Ja," antwoordde Elsje heel zacht.

"Waarom knijp je mijn hand zoo vreeselijk stijf?" vroeg Evert met een helder stemmetje. "Ben je bang voor die mevrouw?"

Elsje antwoordde niet. Het schreien stond haar nader dan het lachen.

"Ik wil nu maar liever naar huis," zei Evert, hare hand loslatend.

"Wij zullen je wel even brengen, kind," zei mevrouw d'Ablong opeens. "Wijs ons den weg maar."

Tot Elsje's verbazing sloegen zij de breede winkelstraat weer in. Mevrouw d'Ablong sprak geen woord meer en het was haar aan te zien dat zij haar best deed, bedaard te blijven. Zij keek in 't geheel niet naar Elsje, maar strak voor zich uit. De kruidenierswinkel was spoedig bereikt. Evert duwde gedienstig de rinkelende winkeldeur open en vloog naar binnen, op zijn moeder toe.

"Wij hebben zoo'n plezier gehad," zei hij, "en er was een vischkar met een vroolijken man en Elsje en ik..."

"U bent zeker de moeder van dit jongetje?" vroeg mevrouw d'Ablong beleefd, maar zeer uit de hoogte en zonder er aan te denken dat zij Evert in zijn verhaal stoorde.

"Jawel mevrouw," antwoordde de kruideniersvrouw, terwijl ze met een verwonderden blik nu eens naar Elsje, dan naar mevrouw d'Ablong keek.

"Dan mag ik u nog wel eens vriendelijk dank zeggen voor uw gastvrijheid tegenover mijn nichtje," zei Elsje's tante, terwijl ze haar beurs uit den zak haalde, er een gouden tientje uitnam en dit op de toonbank legde. "Dit kan zeker wel voor den spaarpot van uw kleinen jongen dienen?"

"O ja, ja," riep Evert verheugd. "Staat het koninginnetje erop, moeder?"

"Het spijt me dat Evert uw geschenk gezien heeft, mevrouw," zei zijn moeder beleefd, "want ik zou het u liever weer teruggeven. Wij zijn niet vriendelijk voor Elsje geweest met het doel er geld voor te krijgen."

"O neen, dat begrijp ik heel goed," zei mevrouw d'Ablong haastig en vol verlangen om een eind te maken aan het onderhoud. "Maar u wilt het toch zeker wel aannemen voor den spaarpot van uw zoontje? Ik .... ik wou u ook nog even zeggen ... u begrijpt ... mijn nichtje leeft in zoo'n geheel andere omgeving.... Ik geloof dat het voor beide partijen aangenamer zal zijn, als zij u niet meer bezoekt."

Elsje werd vuurrood en keek het raam uit. Zij _kon_ de goede kruideniersvrouw niet langer aanzien.

"O! u bedoelt dat wij niet goed genoeg voor haar zijn? Niet deftig genoeg?" vroeg deze, met iets scherps in hare stem.

Mevrouw d'Ablong zweeg; het was geheel onnoodig deze vragen nog te beantwoorden. Die vrouw achter de toonbank had het heel juist uitgedrukt--dat was precies wat zij bedoelde.

"Het zou mij spijten, als ik u gekrenkt had," zei ze eindelijk op vriendelijken toon. "Ik ben u werkelijk heel dankbaar voor uwe goedheid tegenover mijn nichtje en zijzelf is vol lof over uwe hartelijkheid. Maar....

"Jawel, jawel, ik begrijp u heel goed," viel de kruideniersvrouw snel in, terwijl hare oogen schitterden van nog iets anders dan verontwaardiging. "Neem je geld terug, als 't je blieft, mevrouw, wij hebben dat niet noodig. U zult wel gelijk hebben, het zal beter zijn dat Elsje niet meer hier komt." En met driftige haast begon zij de theebussen en trommels op de planken aan den muur te verschikken.

Mevrouw d'Ablong wachtte even, kuchte en zei eindelijk:

"Dan zullen wij nu maar heengaan, juffrouw. Ik dank u nog zeer voor uwe vriendelijkheid jegens mijn nichtje."

De kruideniersvrouw keerde zich snel om. "Ik geloof dat u iets vergeet, mevrouw," zei ze, toen zij het geld nog op de toonbank zag liggen. Mevrouw d'Ablong deed precies alsof zij haar niet hoorde en liep den winkel uit. Elsje volgde langzaam. Met een bedroefd gezicht wendde zij zich nog even om, keek de kruideniersvrouw smeekend aan en fluisterde:

"Houd het als 't je blieft voor Evert, och toe, als 't je blieft. We zien elkaar toch nog wel _eens_ weer, denk ik."

En na den kleinen, zeer verbaasden Evert snel een kus gegeven te hebben en zijn moeder een treurig afscheidsknikje, haastte ze zich, zich bij hare tante te voegen.

Deze bleef zwijgend naast haar loopen en deed juist alsof Elsje niet bij haar was, totdat zij thuis waren gekomen. Toen opende zij terstond de deur der zijkamer, nam haar nichtje mee naar binnen, keek haar strak in de oogen en zei zeer beslist:

"Nu zeg ik je eens vooral Elsje, dat ik niet verkies, ja--dat ik je _verbied_, weer naar die menschen toe te gaan. Heb je me goed begrepen? Ik verbied het je ten strengste. En als ik ooit bemerk dat je mijn gebod overtreden hebt, zal ik je stellig straffen, heel stellig hoor. Begrijp je me goed?"

"Ja tante," zei Elsje, die op dat oogenblik bepaald bang voor haar was.

"Goed. Dan zullen we de zaak nu hierbij laten rusten. Alleen heb ik je nog te zeggen dat ik er ook sterk tegen ben, dat je 's ochtends alleen uitgaat--of op welken tijd van den dag dan ook. Pas op dat dat nooit weer gebeurt. Ik wil het eenvoudig niet meer hebben. Ik wist niet waar ik me bergen zou van schaamte, toen mevrouw van Rensen en ik je daar bij die rare vischkar zagen staan. Denk er aan dat je me gehoorzaamt, anders zal ik andere maatregelen moeten nemen en veel strenger voor je zijn. Je weet dus nu precies, waar je je aan te houden hebt?"

"Ja, tante, ja."

Hoofdstuk XII.

Naar Buiten!

"Misschien zal het dan toch maar beter zijn Elsje thuis te laten met Miss Piper," zei mevrouw d'Ablong op een ochtend in Juni, toen de dokter er geweest was en haar geraden had, Cécile een poosje de zeelucht te laten genieten.

"O ja mama, veel beter," antwoordde Cilly beslist. "Hadt u er heusch over gedacht haar mee te nemen? Zij weet zich nog zóó weinig te gedragen. Verbeeld u, met haar in dat groote hotel en aan table d'hôte, dat zou immers heelemaal niet gaan!"

"Och, dat weet ik niet. Zij begint toch wezenlijk al aardig aan te leeren. En de zeelucht zou zeker ook goed voor haar zijn; zij is bizonder stil den laatsten tijd en ze ziet er ook weer minder goed uit dan ze gedaan heeft. Het spijt me dat ik den dokter niet eens gevraagd heb, wat hij ervan dacht."

"Maar mama, hij heeft immers verleden week nog gezegd dat zij nu heusch totaal beter was en dat ze alleen nog maar wat versterkt behoefde te worden. Zoo'n rustig tijdje met Missy alleen zal juist heel goed voor haar zijn. En in September gaan wij immers bij grootmama logeeren. Dan komt Lizzie dus toch buiten!"

"Och Cilly, waarom blijf je dat arme kind nu toch altijd Lizzie noemen? Ik vind het zoo overdreven van je. Elsje is immers een heel aardige naam en je doet er haar zoo'n verdriet mee dat je nog altijd Lizzie zegt! Zij doet zelf haar best om hier te wennen en zich naar mijn zin te gedragen, waarom wil jij nu ook niet een beetje vriendelijker voor haar zijn?"

"Ik begrijp u niet, mama," zei Cécile, terwijl zij zich met een zucht in een gemakkelijken stoel liet vallen. "Ik dacht juist dat ik mij niets te verwijten had tegenover Lizzie of Elsje, als u dat dan zooveel liever hebt. Ik wil haar ook wel Elsje noemen, hoe kon ik ook weten dat zij daar zoo bizonder op gesteld is! Maar ik vind het heel verdrietig dat ik het u niet naar den zin heb gemaakt. Ik doe zóó mijn best. Toen zij jarig was laatst, heb ik nog bloemen voor haar gekocht en toen heeft ze me daar nog wel zoo overdreven hartelijk voor bedankt. Ik kon het toch niet helpen dat die verjaardag een treurige dag voor haar was!"

"Neen Cilly, dat spreekt van zelf, dat kon je ook niet. Maar ik houd vol dat je meer van Elsje zult kunnen gaan houden, als je dat wilt--wezenlijk wilt en dat jij kunt maken, dat ze zich hier in huis meer op haar gemak gevoelt en beter over weg kan met jouw kennissen."

"Maar mama, hoe kunt u het zeggen! Loulou en Cato vinden juist dat ik er mij bizonder goed onder houd dat Elsje hier moet wonen. Als u eens wist hoe moeielijk ik het soms vind om mij niet aan haar te ergeren en niet driftig te worden, als zij rare dingen zegt of doet."

"Nu kom Cilly, dat gebeurt nu toch zoo heel dikwijls niet meer."

"Och, laten wij er maar niet meer over spreken, mama, wij worden het toch niet eens en--dat zult u misschien heel dwaas vinden--maar ik krijg er zoo'n hoofdpijn van. De dokter vond bepaald ook dat ik erg zenuwachtig was. Och, maar dat komt er niets opaan. Ik beloof u dat ik mij nog meer zal inspannen en laat Elsje dan maar wèl met ons mee gaan op reis. Laten we dan nu heusch over wat anders gaan spreken, mama, ik kan wezenlijk niet langer over Elsje praten. Het is heel flauw van me natuurlijk, maar het agiteert me ontzettend."

En met een air van lusteloosheid leunde zij achterover in haar stoel en deed hare oogen dicht, alsof ze eigenlijk te moe was om nog een woord te zeggen.

"Cilly, kindje," zei mevrouw d'Ablong ongerust, terwijl zij opstond en zich over Cécile heenboog, "voel je je wezenlijk moe? Maar waarom heb je me dat dan niet eerder gezegd? En heb je hoofdpijn ook? Ja, je ziet bepaald bleek! Maar snoesje, waarom laat je me dan toch ook doorspreken?"

"Och het is niets, mama," zei Cécile, hare oogen openend en tot hare moeder opslaande, "ik voel me alleen maar een beetje op, anders niet."

"Maar hoe komt dat dan? Zou je het je gisteren te druk hebben gemaakt met dien bazaar? Je hebt toch goed geslapen van nacht?"

"Ja moedertje, zeker. Toe, wees nu maar niet ongerust. Ik ben heusch heel wel, alleen maar een beetje zenuwachtig."

"Maar Cilly, dat ben je anders nooit, wat is er dan toch? Je hebt toch niets dat je hindert?"

Cécile zweeg even, toen zei ze:

"Het is heusch niets, mama. Het zal wel weer overgaan, wezenlijk."

"Maar dan gaan we dadelijk naar zee, morgen of overmorgen. Waarom heb je het mij toch niet eerder gezegd, snoesje? Er _is_ toch immers niets dat je hindert?"

"Och lieve mama, laten wij er nu maar niet meer over praten. Het is heel kinderachtig van me om zoo zenuwachtig te zijn. Maar het is waar, ik voel me eigenlijk al lang een beetje zwak en op. De zeelucht zal mij wel heelemaal weer opknappen, heusch. Het komt alleen, omdat...."

"Nu, omdat?"

"Och neen, laat ik het u maar niet zeggen. Zullen we dus maar besluiten dat Elsje met ons meegaat, moedertje?"

"Dat weet ik niet. Elsje kan mij nu ook op 't oogenblik niets schelen. Wat is er, Cilly? Ik moet het weten!"

Cécile sloeg de oogen neer, keek toen weer op met een smeekenden blik en zei:

"Ik zeg het heusch liever niet, mama, ik doe er u bepaald verdriet mee."

"Alsof je me nu geen verdriet doet! Kom kindje, zeg het mij nu."

Weer sloeg Cécile de oogen neer. Toen fluisterde ze, half klagend:

"Ik had het u veel liever niet willen zeggen. Het is alleen maar, dat.... dat ik zoo moe word van Elsje."

"Moe van Elsje! Hoe meen je dat, lieveling?"

"Ik weet niet hoe ik het zeggen moet, mamaatje," zei Cécile, haar hoofd tegen den schouder van mevrouw d'Ablong leggend, die teeder de armen om haar heensloeg. "Het is eigenlijk al heel lang. Het agiteert me dat Elsje zoo dikwijls iets doet dat u hindert, het maakt me geagiteerd dat u vindt dat ik niet lief voor haar ben, en.... en... och het agiteert me heelemaal dat zij er is. Erg flauw van me, vindt u niet? Ik vind het zelf ook en het is dus veel beter dat zij wel met ons meegaat. Langzamerhand zal ik die rare kuren wel afleeren."

"En heb je je daardoor nu al lang zwak en moe gevoeld, Cilly? Hoe is het mogelijk dat ik daar niets van gemerkt heb!"

"Ik heb gedaan wat ik kon om het u niet te toonen," zeide Cécile, haar moeder een kus gevend. "U hadt toch al genoeg verdriet, lief moedertje. Maar nu spreken wij er niet meer over, he? En Elsje gaat stellig met ons mee?"

Maar mevrouw d'Ablong schudde het hoofd.

"Neen, nu gaan we zeker met ons beiden. Arm kindje! Heeft je dat allemaal zoo gehinderd? Ik ben blij dat ik het weet; Elsje moet nu stil bij Missy blijven en als wij dan later allen samen bij grootmama zijn, ben jij weer heelemaal gezond en sterk, hoop ik. En dan zal langzamerhand alles wel beter gaan."

"Bent u heusch niet boos op mij, moedertje?"

Tot eenig antwoord trok mevrouw d'Ablong haar dichter naar zich toe en kuste haar. "Boos op jou, lieveling? In 't geheel niet, hoor. Houd je nu maar heel, heel rustig vandaag. Beloof je me dat?"

"O ja mama; ik ben toch eigenlijk wel heel blij dat u het weet. Het is zoo'n heerlijke verlichting!"

Een week later waren mevrouw d'Ablong en Cécile vertrokken naar de drukke modebadplaats, die Cécile het meest aantrok en brak er voor Elsje een rustige, doch zeer eentonige tijd aan. Miss Piper was lief en vriendelijk voor haar en aanmerkingen maakte zij weinig, maar het was een mooie, warme zomer en Elsje kon de drukkende stadshitte en de benauwde atmosfeer in den tuin van haar tante, nauwelijks verdragen. Miss Piper deed wat zij kon om het haar aangenaam te maken. Met groote hartelijkheid sprak zij met haar over den dood harer grootmoeder en met geduld hielp zij haar aan het handwerk, een reusachtig stuk tapisserie, waaraan mevrouw d'Ablong wenschte dat Elsje een gedeelte van haar vrijen tijd zou wijden. Het was gewoonlijk te warm om 's middags uit te gaan en den eenen dag na den anderen zaten zij samen op het bordes, dat aan de zaal grensde en op den tuin uitzag. Elsje's oogen werden moe van het kijken naar het helwitte zonnescherm, dat boven haar hoofd gespannen was en de kleine tuin met de keurig aangelegde perken vol vuurroode geraniums en lichtrose maandroosjes, begon zijn bekoorlijkheid voor haar te verliezen, toen de langdurige droogte de paden stoffig en hard had gemaakt en de bladeren der struiken er bestoven en vaal begonnen uit te zien.