Elsje

Part 12

Chapter 12 4,082 words Public domain Markdown

"Ik wou u graag eens vertellen van grootmoeder.... van dien psalm...."

En met de hand der oude dame in de hare vertelde zij van den ochtend, waarop hare grootmoeder haar had gezegd dat zij afscheid moesten nemen voor een tijd. Hoe zij er tegen op gezien had hier te komen en hoe ze bang was dat men hier heel weinig van haar hield en dat ze hier nu toch zou moeten blijven en hoe zij graag haar best wou doen, maar het zoo heel moeielijk vond precies te wezen, zooals ze moest, en hoe ze veel liever zou willen werken en zelf haar brood verdienen, als zij weer beter was en hoe gelukkig en vroolijk haar leven was geweest bij haar grootmoeder in het aardige kleine huisje. En hoe zij er tegen op zag, altijd in een stad te moeten wonen en een jonge dame te moeten worden en hoe verschrikkelijk moeielijk het haar toescheen, altijd precies te weten wat ze zeggen moest en hoe ze zich moest gedragen. En hoe erg ze soms verlangen kon om terug te zijn in haar vriendelijk dorp en lange wandelingen te maken over de ruime heide en langs den breeden straatweg--en hoe haar grootmoeder óók had gezegd dat zij nooit alleen zou zijn, want dat er Een was, die haar altijd nabij zou wezen en....en....hoe ze dat zelf ook geloofde. Eindelijk zei grootmama dat ze nu al zooveel had gepraat dat zij zich te moe zou maken, als ze nog meer zeide en dat ze nu eens probeeren moest, of zij niet wat slapen kon. Ze moest zich nu maar bedaard houden en vast _blijven_ hopen dat ze geholpen zou worden, altijd. En zij mocht niet denken dat niemand hier van haar hield, want dat wist ze wel beter en allen zouden zeker langzamerhand nog meer van haar gaan houden en wat haarzelve betrof, zij hield van Elsje, alsof ze haar eigen kleindochtertje was, dat wist zij immers wel? En Elsje knikte haar dankbaar toe. Ja, dat had ze wel gevoeld dat grootmama van haar hield en zij vond haar zoo lief en goed.... En toen ze dit zeide, strekte zij de armen uit en het gezicht der oude dame naar zich toetrekkend, drukte zij er een kus op. "Dank u wel voor alles," fluisterde ze--toen viel ze in een gerusten slaap.

Stil en terneergedrukt keerde mevrouw d'Ablong van haar droevige reis terug. De oude vrouw was 's nachts kalm ingeslapen, nadat zij den vorigen dag erg had geklaagd over benauwdheid en een duizelig gevoel in het hoofd. 's Ochtends was zij nog een brief aan Elsje begonnen, met het voornemen dien 's avonds af te maken. Toen had ze zich echter zoo ongesteld gevoeld, dat ze maar gauw naar bed gegaan was en men om den dokter had gezonden. Deze had haar poeiers gegeven en gezegd dat zij vooral niet op moest staan, voordat hij den volgenden ochtend weer bij haar was geweest--en toen die ochtend kwam, lag zij met een uitdrukking van vrede op haar gezicht, dood op hare legerstede. Aafje's zuster was 's nachts herhaaldelijk opgestaan om naar haar te kijken en de patiënt sliep toen telkens rustig, totdat hare verzorgster haar een diepen zucht had hooren slaken en naar haar toegegaan was, om te vragen of zij weer benauwd was en nog eens wou innemen. Op dat oogenblik had Elsje's grootmoeder den laatsten adem uitgeblazen. De dokter had toen 's ochtends terstond aan mevrouw d'Ablong getelegrafeerd.

Deze had den begonnen brief voor Elsje meegenomen, benevens enkele kleinigheden, waaraan zij meende dat het meisje gehecht zou kunnen zijn en ook den grooten, ouderwetschen Bijbel, waarin de oude vrouw nog een der laatste dagen van haar leven met bevende letters Elsje's naam had geschreven. Of zij daarbij een voorgevoel gehad had van haar naderend einde? Haar kleindochtertje las den begonnen brief met brandende oogen.

"Mijn lief kind," las ze,

"Wat begin ik nu erg te verlangen dat je weer thuis komt. Het is mij net alsof je al maanden weg bent geweest. Krelis heeft het poesje maar weer mee naar huis genomen, hij zou het voor je bewaren, zei hij. Aafje's zuster is er zoo bang voor en het arme diertje kan geen goed bij haar doen. Wil je aan tante zeggen ...."

Dat was alles. Het bericht over Elsje's ziekte was juist te laat gekomen. Met een diepen zucht gaf zij den brief ter lezing aan mevrouw d'Ablong, die zeer ontroerd was geweest, toen zij haar weerzag. De trotsche vrouw was geheel onder den indruk van de eenvoudige plechtigheid der begrafenis in het dorp, waar ze haar jeugd had doorgebracht en van het vredig sterven der moeder, wier liefde zij zoo weinig had gewaardeerd. Voor 't oogenblik althans was haar hart vervuld van een vurig verlangen om tegenover Elsje goed te maken wat zij tegenover de oude vrouw had verzuimd en met groote hartelijkheid sprak zij het bedroefde meisje toe en beloofde haar dat _zij_ nu voor haar zorgen zou en haar een gelukkig thuis verschaffen. Er viel een lichtstraal van hoop in Elsje's hart, terwijl ze naar haar luisterde en iets van haar ouden moed en frisschen levenslust keerde terug. En er kwam een blik van verbaasde dankbaarheid op haar gezicht, toen ook Cécile, die hiertoe door hare moeder was aangespoord, haar vriendelijk toesprak en--hoewel met een haperende stem--zeide, dat zij hoopte dat Elsje gelukkig zou zijn hier, in haar nieuw tehuis.

Intusschen herstelde Elsje slechts langzaam. Zij bleef hoesten en aanvallen van koorts krijgen en moest nog steeds haar kamer houden. "Geduld maar, geduld maar, wij gaan toch vooruit," zei de dokter en Elsje _was_ geduldig en droeg hare beproeving en haar leed zoo moedig mogelijk. Het was een zware dag voor haar, toen grootmama weer naar buiten vertrok en aan den middag van dien dag zat ze stil en ernstig voor zich uit te zien in den tuin, met een gevoel van verlatenheid in haar hart, dat zij te vergeefs poogde te overwinnen. Miss Piper zat bij haar en hare tante had haar een ruikertje Maartsche viooltjes gebracht, maar daardoor was hare stemming niet opgewekter geworden en ze moest zich geweld aan doen om hare tranen te bedwingen.

Daar hoorde zij plotseling een wonderlijk gestommel op de trap en het vroolijk, helder gelach van een kind; toen een hoog stemmetje, dat riep: "Jawel, ik kan best alleen. Ik zal wel roepen bij de deur--ga maar gauw weer weg!" en daarop een getrippel van kleine voetjes op het portaal. "Open de deur!" riep het heldere stemmetje weer en toen Miss Piper haastig aan dit verzoek had voldaan, vertoonde zich een alleraardigste kleine gedaante op den drempel. Twee groote, donkerblauwe oogen, schitterend van pret, keken uit een rond, blozend kindergezichtje, waaromheen een donkerrood, geplooid kaperhoedje was gestrikt, van dezelfde stof gemaakt als het ruime manteljurkje, dat bevallig neerhing om de kleine gestalte. In hare beiden handen hield het kleine meisje, stevig vastgeklemd, een eirond voorwerp, dat in een grijs papier was gewikkeld.

"Daar kom ik aan!" zei ze met een vroolijk gezicht naar Elsje toeloopend, nadat ze eerst heel beleefd Miss Piper een handje had gegeven.

"Liesje!" riep Elsje uit, terwijl het kind op haar schoot klauterde, waarbij het kostbare pakje groot gevaar liep uit de kleine handen te vallen.

"Ben je nog ziek?" vroeg Liesje, Elsje's gezicht met groote nauwkeurigheid bekijkend. "Je ziet heelemaal niet bleek."

"Nu niet, omdat ik zoo blij ben dat jij bij me bent."

"Denk je dan dat ik je wat kom brengen?" vroeg Liesje, met zulk een grappige poging om te kijken alsof zulk een veronderstelling hoogst ongerijmd zou geweest zijn, dat Elsje hardop lachte.

"Nu, dacht je dat?" vroeg Liesje weer.

"Ik dacht er alleen maar aan hoe prettig ik het vond, je daar opeens te zien straks," zei Elsje. "Hoe ben je hier toch gekomen?"

"Loulou is beneden bij Cécile, en ik zei dat ik een visitetje bij jou zou maken," zei Liesje deftig.

"Dat vind ik heel aardig van je."

"Wat denk je dat hierin zit?" vroeg het kleine meisje, het geheimzinnige grijze pakje bij Elsje's oor houdend en heen en weer schuddend. Elsje hoorde iets zacht rammelen, maar werd daar niet veel wijzer door.

"Weet je het niet?" vroeg Liesje.

"Neen, ik kan het niet raden."

Liesje gleed van haar schoot af, liep naar Miss Piper toe, liet het pakje aan _haar_ oor rammelen, maar met hetzelfde ongunstige resultaat.

"Laat mij probeeren weer," zei Miss Piper, maar het hielp niets.

"O maar, wat dom!" riep Liesje uit. "Nu _moet_ ik het je dan maar laten kijken," en met een gewichtig gezicht het papier van het pakje losmakend, haalde zij een paaschei van chocolade te voorschijn en hield dit Elsje voor.

"Nu al een paaschei?" zei Elsje met groote oogen. "Of heb je dit misschien van verleden jaar bewaard?"

Liesje schudde ijverig van neen.

"Zij waren nog maar in één winkel te krijgen," zei ze, "en onze juffrouw wist het."

"Zoo, en je bent er zeker heel blij mee?"

"Het is voor jou," zei Liesje, terwijl ze met een zucht van voldoening het ei voor Elsje op de tafel legde.

"Voor _mij_!" riep Elsje verheugd uit. "Maar Liesje, heb je dat dan exprès voor mij gekocht?"

Liesje knikte met een grappig pedante uitdrukking op haar gezichtje. Toen zei ze haastig:

"Van mama's geld, maar ik heb het bedacht."

Elsje's oogen schitterden even blij als die van haar klein vriendinnetje. Zij trok het kind naar zich toe en zei:

"Ik ben er heel, heel blij mee. Dank je vriendelijk, hoor."

"Bewaar je het tot Paschen?" vroeg Liesje ernstig.

"Wou je dat liever? Of wou je er nu ook wel graag eens even van proeven?"

Liesje bedacht zich even en keek met begeerige oogen naar het ei. "Het ziet er erg lekker uit," zei ze.

"Dan moet je er nu ook maar een stukje van hebben. Wil jij het kapot maken?"

Neen, dat gewichtige werk moest Miss Piper maar doen, vond Liesje en met gespannen aandacht volgde zij de bewegingen der Engelsche, terwijl deze de lekkernij doorbrak en ieder een stukje gaf. Toen bleef zij nog een poosje babbelen over Tom, die gauw zes jaar werd en dan naar school ging en eindelijk nam ze afscheid met de stellige belofte dat ze gauw eens weerom zou komen.

Hoofdstuk XI.

Evert Jacob Ferdinand Mors.

Elsje's herstel kwam langzaam maar zeker en toen het tegen Mei liep en het voorjaar in het land was, keerde haar gezondheid geheel terug en begon ze zich met den dag sterker te voelen.

"Je zult nu spoedig weer geheel de oude zijn," zei de dokter, maar "geheel de oude" zou Elsje, naar hare eigene meening, nooit weer worden. Zij miste hare grootmoeder zoozeer en de gedachte dat het gelukkige, zonnige leven met haar nooit terug zou keeren, de gedachte dat alles zóó anders was geworden, dat ze zulk een geheel andere toekomst te gemoet ging dan zij zich ooit had voorgesteld, dat zij haar lief, gelukkig thuis voor goed had verloren en dat het nu haar plicht was, zich in het deftige, groote huis harer tante op haar plaats te gaan voelen en zich door deze te laten vormen en kneden, tot ze eindelijk op den naam van "jonge dame" aanspraak zou kunnen maken--dat alles drukte haar soms zoo, dat ze zich met zekeren schrik afvroeg, hoe het kwam, dat er zoo weinig dankbaarheid in haar hart was voor de zorgen, waarmede mevrouw d'Ablong haar omringde. Deze was, de eerste weken na den dood van Elsje's grootmoeder, bizonder hartelijk voor haar geweest en ook nu nog behandelde zij haar vriendelijker dan ze gedaan had, toen Elsje haar logée was, maar ze kon toch nu en dan haar ongeduld en wrevel niet onderdrukken, als ze zag, hoe weinig Elsje nog vorderde in het aannemen van elegante manieren en meer aristocratische spraak en wijze van zich uit te drukken en hoe zij er geheel als een jong boerinnetje bleef uitzien.

"Hoor eens Elsje," zei ze op zekeren dag, toen deze vroolijk geworden door een bezoek van kleine Liesje, die haar in geen enkel opzicht anders scheen te wenschen dan zij was en volgens hare zuster Loulou, "een allerdwaaste vereering voor Elsje had opgevat"--"hoor eens Elsje, ik moet nu toch eens even ernstig met je spreken. Kijk eens, ik wil je heel graag bij mij houden en ik hoop dat je je hier hoe langer hoe meer thuis zult gaan voelen, maar je bent nu verstandig en oud genoeg, dunkt me, om te begrijpen, dat je je nu _anders_ moet gaan gedragen. Gelukkig was nu zooeven alleen die kleine Liesje er bij, toen je zoo ongemanierd hard lachte en daarbij je mond zoo ontzettend wijd opendeedt...."

"Dat doet ze alleen om te laten zien, dat ze mooie, witte tanden heeft," zei Cécile, die in de kamer gekomen was, terwijl haar moeder Elsje toesprak.

"Och wat, dat is heelemaal niet waar!" zei Elsje driftig. "_Ik_ ben zoo akelig nuffig niet als jij!"

"Ga liever naar je kamer Cilly, snoesje," zei mevrouw d'Ablong bedaard. "Elsje weet op 't oogenblik niet goed wat zij zegt. Het spijt me heel erg te hooren, dat zij haar jaloezie nog altijd niet overwonnen heeft."

"Och tante, ik ben heelemaal niet jaloersch op Cécile," zei Elsje, die zichzelf werkelijk weinig in bedwang had thans, opgeschrikt als zij was uit hare vroolijke stemming door de onverwachte strafpredikatie harer tante. "Ik ben juist heel blij dat...."

"Zwijg Elsje," viel mevrouw d'Ablong in. "Kom Cilly, ga nu liever heen."

"O ja mama, met plezier," antwoordde Cécile spottend. Ze keerde zich om, om de kamer uit te gaan, toen ze zich weer scheen te bedenken en naar hare moeder terugliep.

"Mama," zei ze zacht, terwijl ze mevrouw d'Ablong met hare donkere oogen smeekend aanzag, "zult u het u nu heusch niet te veel aantrekken? Ik vind het zoo naar dat u zooveel moeite hebt met Lizzie en dat ze u zooveel verdriet doet."

Ze had niet zoo fluisterend gesproken of Elsje had verstaan, wat zij zeide. Ze beet zich op de lippen, wendde het hoofd af en keek met een brandend gevoel in hare oogen den tuin in. Schreien wilde zij nu niet, dàt zou Cécile er niet van hebben, maar o, wat vond zij haar naar, naar--en wat zou ze haar graag eens flink door elkander hebben geschud en haar gezegd hebben dat ze nooit, nooit op haar hoopte te gelijken, in _niets_!

"Kindlief," zei mevrouw d'Ablong, Cécile naar zich toetrekkend, "zóó erg is het niet. Elsje meent het veel beter dan ze nu toont, daarvan ben ik overtuigd. Maak je daarover nu maar niet bezwaard, lieveling. Je ziet heusch wat bleek, snoesje, je moet bepaald van den zomer weer eens naar zee. Wat is er toch, Cilly, je voelt je toch immers heel wel?"

"Ja _mother dear_, ik ben alleen maar een klein beetje zenuwachtig; ik vind het zóó naar voor u."

"Maar kindje, dat moet je je nu heusch zoo niet aantrekken. Alles zal langzamerhand wel beter gaan. Maar ik vind het toch heel lief van je, om zoo voor mij te voelen. Ga nu gauw naar je kamer. Keetje zal je een kop bouillon brengen straks. Laat Miss Piper bij je gaan zitten en ga dan even op je rustbank liggen."

Cécile ging nu werkelijk heen en geduldig luisterde Elsje verder naar de terechtwijzingen en raadgevingen harer tante, die bizonder veel woorden schenen te vereischen. "Ik heb er over gedacht," eindigde ze, "om je naar een kostschool te sturen, maar ik heb hiervan afgezien, omdat je je daar waarschijnlijk zeer eenzaam voelen zoudt en je bijna voortdurend zoudt moeten schamen, niet alleen over je slechte manieren, maar ook omdat je nog maar zoo heel weinig geleerd hebt en natuurlijk geheel van voren af aan zoudt moeten beginnen met de talen enz. Van 't najaar zullen we dus een aanvang maken met je goede privaatlessen te laten geven--voor je gezondheid is het beter dat we nu nog wat wachten. Je kunt je nu wel vast wat oefenen in het Engelsch met Miss Piper. Over een poosje zullen Cécile en ik wel naar een of andere badplaats moeten en ik weet nog niet of we jou dan mee zullen nemen of niet. Dat hangt ook van je gedrag af. In ieder geval zal ik er voor zorgen dat je ook nog eens buiten komt van den zomer. Dat zal je goed doen, denk ik, maar ik verwacht dan ook stellig van je dat je veel meer je best zult doen dan tot nu toe gebeurd is, om te zijn en je te gedragen zooals _ik_ dat wil en zooals het ook behoort. Het spijt mij heel, heel erg dat je het nog altijd niet schijnt te kunnen verdragen dat Cécile in alles je meerdere is. Het spreekt van zelf dat zij dat is en dat ze dat blijven zal ook, maar je kunt toch heel goed probeeren om haar na te volgen wat hare manieren en houding en alles betreft. Ik zeg je nu nog eens beslist dat ik _verkies_ dat je je vriendelijk tegenover haar gedraagt en ik raad je sterk aan met alle macht tegen je jaloezie te strijden. Cilly kan het niet helpen dat zij mooi is en dat jij niet op haar lijkt."

Elsje antwoordde niet, maar zij voelde zich diep gekrenkt. Alsof zij er ooit aan gedacht had om jaloersch op Cécile te zijn en dáárom!

Met een zucht verliet ze de kamer, toen hare tante haar daartoe verlof gegeven had. Voor de zooveelste maal nam ze zich voor nog meer haar best te doen om het mevrouw d'Ablong naar den zin te maken en een beetje van Cécile te gaan houden. Maar het was zoo moeielijk en Cécile behandelde haar altijd zoo uit de hoogte en zoo onvriendelijk! O, zij _kon_ niet van haar houden! Toen zij den vorigen dag op Cilly's kamer gekomen was, om voor 't eerst na den dood harer grootmoeder, de andere meisjes weer te spreken--waren Cato en Emma en zelfs Loulou vriendelijk voor haar geweest en hadden een paar hartelijke woorden tot haar gesproken over haar verlies, maar Cécile was al gauw over wat anders begonnen en een poosje later hadden de meisjes samen zitten te fluisteren en te giegelen, terwijl Elsje er stil en verlegen bij zat. Zij was toen eindelijk maar weg gegaan en naar haar eigen kamer geloopen, met een gevoel van verlatenheid en bitterheid in haar hart. Ja, ze was toen zoo boos geweest en zoo hevig ontevreden met haar lot, zoo vol haatdragendheid tegenover Cécile in haar hart--dat ze geschrikt was voor zichzelf en in wanhopige droefheid de handen gevouwen had en uitgeroepen: "Help mij toch, o Heer, ik word zoo slecht!" En zij had toen zoo naar hare grootmoeder verlangd, zoo vreeselijk, dat het haast niet uit te houden was geweest.

En nu vandaag--alweer die bittere uitval tegen hare tante! Wat moest zij beginnen?--Zij was heel, heel anders dan vroeger! Toen had ze zich zoo zelden ongelukkig gevoeld en o nooit, nooit zoo slecht, zoo bitter, zoo ontevreden met haar lot! Maar och, toen was haar leven ook blij en vriendelijk geweest, vol heldere, vroolijke zonnestraaltjes en eenvoudig, rein genot! En dan kwam daar opeens met bijna onweerstaanbaren drang, een snakkend verlangen in haar op naar buiten, naar een lange, frissche wandeling, zooals ze die vroeger zooveel had gedaan--alleen met de ruime, groote natuur om zich heen--alleen op de heide, alleen tusschen de dennen, den harsgeur met wellust opsnuivend--alleen op den vriendelijken, schilderachtigen straatweg, vanwaar zij het huisje harer grootmoeder reeds uit de verte kon zien liggen--alleen in de heerlijke, vrije, rijke natuur, ver verwijderd van alle menschelijke kleingeestigheid!

Iederen dag ging ze een eind wandelen met Miss Piper en Cécile. En zij zag de knoppen der boomen op de pleinen en langs de grachten zwellen en ze keek op naar de lucht, waarin het zachtwit der kleine wolken zoo fraai afstak bij het heldere blauw en ze zag den gouden gloed der zon op het oude, grijze steen van groote, statige gebouwen en op het dek der schepen in de gracht en in het tintelende, rimpelende water en op de bogen der bruggen en ze zag al de vroolijke drukte van het voorjaar in de bonte uitstallingen der kleedermagazijnen en in de elegante toiletjes der dames en kinderen in de parken en ze zag dat de stad mooi was in den lentetooi--maar het verkwikte haar niet; het was haar als kon zij er niet ruim en diep ademhalen--zij snakte naar de plechtige stilte en de reine, vroolijke lieflijkheid van het voorjaar _buiten_.

O, wat waren de straten stoffig en warm en wat was het vol en luidruchtig in het park, waar Cécile altijd zoo gaarne wandelde! Het wemelde er van rijtuigen en kinderwagens en bovenal van menschen--allen keurig gekleed, wandelend naast elkaar, netjes en deftig met parasols en elegante wandelstokken, of rijdend in fraaie equipages met livrei. Elsje drukte soms hare handen stijf tegen elkaar in de glacé handschoenen om zichzelf te dwingen, bedaard naast Miss Piper te blijven loopen.

Met een bijna woeste hartstochtelijkheid kwam er dan een verlangen over haar, om de nette, geëffende paden langs te hollen in vroolijk huppelenden draf en het park uit te loopen naar buiten, ver buiten de stad, naar de weide in het verschiet met de goudgele, glanzige dotterbloemen, waar het gegons der blijde insecten niet vermengd was met het geluid van schelle menschenstemmen. En o, om daar dan de pijnlijk knijpende, nauwe knoopjeslaarzen te mogen uittrekken, den breeden vilten hoed aan den arm te hangen, de fluweelen jurk uit te doen en met bloote armen in haar onderlijfje rond te loopen en adem te halen uit ruime borst in de heerlijke, geurige, reine lucht en dan neer te vallen op het fluweelzachte, groene gras, te liggen kijken naar de blauwe, blauwe lucht en met hare handen het frissche, malsche gras te voelen. Naar buiten, naar buiten!

En dan hoorde ze de vriendelijke stem van Miss Piper naast zich:

"Moe, Elsie? Wou je lijken te gaan huiswaarts? De lucht is te heet; het is te veel voor je."

En dan knikte Elsje bevestigend. Ja, ze wou maar liever naar huis.

Soms dacht ze, of ze zich misschien nog zoo weinig in hare nieuwe omgeving op hare plaats voelde, omdat zij den omgang miste met menschen uit haar eigen stand. En eindelijk vermande ze zich, om aan hare tante te vragen, of ze het kruideniersgezin eens mocht gaan opzoeken. Ze had die vraag telkens uitgesteld omdat ze een voorgevoel had, dat mevrouw d'Ablong haar verzoek met een weigering zou beantwoorden en daarin had zij zich niet bedrogen. Alleen uitgaan mocht ze niet meer na den noodlottigen avond van het bal en dat hare tante er ooit uit zichzelf toe zou komen om met haar een bezoek te maken in den kruidenierswinkel, achtte zij hoogst onwaarschijnlijk. Toen zij met haar vraag voor den dag kwam, klonk het terstond zeer beslist: "O neen kind, daar zie ik volstrekt geen nut in. Die menschen zijn heel vriendelijk voor je geweest, dat is waar, maar ik vind het allerminst gewenscht dat je je verder met hen bemoeit en visitetjes bij hen gaat maken. Als het weer St. Nicolaas is, kunnen we er wel eens iets heensturen en er bij schrijven dat het van jou komt, maar familiariteiten met hen verlang ik in 't geheel niet voor je. Ik ben al blij genoeg dat je nooit een lid van dat gezin tegenkomt op je middagwandeling met Miss Piper en als dat ooit gebeuren mocht...."

"Wij gaan altijd een heel anderen kant uit, nooit die straat door," viel Elsje in.

"En dat is wel heel goed ook. Maar je moet iemand niet zoo onbeleefd in de rede vallen, Elsje, dat hoort zoo niet. En houd je armen toch niet zoo wijd van je lijf. Lieve tijd, kind, wat moet ik je dat dikwijls zeggen! Kom, ga nu maar naar Miss Piper. Ik hoor met genoegen dat je al een klein beetje begint te vorderen in het Engelsch. Gelukkig dat je tenminste niet dom bent."

"En ik _wil_ die aardige, lieve menschen dan toch nog eens zien en hun zeggen, hoe dankbaar ik hun ben voor hun vriendelijkheid op dien vreeselijken avond," dacht Elsje, terwijl zij naar de leerkamer liep. "Ik zal hun dan meteen zeggen dat ik nooit weer mag komen, maar één keer moet ik er nog heen--dat kan tante onmogelijk verkeerd vinden."

Het besluit was gauw genomen, maar hoe zou ze het ten uitvoer brengen? Dat ging veel gemakkelijker dan ze had durven hopen.