Elsje

Part 11

Chapter 11 4,139 words Public domain Markdown

De goede vrouw was, zooals te begrijpen is, erg nieuwsgierig wie en wat Elsje eigenlijk was, maar Elsje was veel te zenuwachtig om nauwkeurig te letten op wat zij zeide en haar te antwoorden en toen ze een reepje brood gegeten had en een slokje gedronken uit het glas met warme melk, dat de kruideniersvrouw haar voorzette, stond ze snel van tafel op, liet zich een ouden, wijden wintermantel van haar gastvrouw aantrekken, betuigde dat zij het best zonder hoed kon doen, toen er niet dadelijk een voor haar te vinden was, nam afscheid van het kleine gezin en liep snel den winkel uit. Evert riep haar nog na of zij niet een nieuw zakje met rozijnen hebben moest, want zij had hem verteld hoe zij het vorige was kwijt geraakt, maar zij hoorde hem niet eens meer en liep op een draf voort, de drukke straat door en de deftige gracht op.

Het was nu acht uur en de melkboeren, bakkers en enkele dienstmeisjes, die zij tegen kwam, keken haar verbaasd na, terwijl zij in haar zonderling kostuum voortsnelde. Het was dan ook een wonderlijke verschijning: die meisjesgestalte gehuld in een vaalbruinen, lakenschen mantel met ouderwetsche, neerhangende wijde mouwen, die ver over de handen vielen--daaronder de lichte, in 't oog vallende jurk en de zijden kousen met de lage, goudlederen schoentjes en het blonde haar, dat woest in den wind fladderde.

Maar evenmin als den avond te voren stoorde Elsje zich nu aan de blikken der voorbijgangers; zij liep voort, voort, tot ze eindelijk geheel buiten adem op de stoep stond van het huis van mevrouw d'Ablong. De kruidenier had aangeboden haar thuis te brengen, maar zij had zijn aanbod afgeslagen, overtuigd dat zij veel vlugger zou kunnen loopen als ze alleen was. Nu ze echter op de stoep stond en aangescheld had, scheen het haar toe dat ze er niet zoo verschrikkelijk tegen op zou hebben gezien naar binnen te gaan, als er iemand bij haar was geweest. In haar hoofd begon het nog harder te kloppen en klappertandend, rillend en bevend wachtte zij het oogenblik af, dat de deur geopend zou worden. Lang behoefde zij niet te wachten. De deur werd met een ruk open gedaan door Frits, die bij iedere schel hoopte dat er bericht van de politie zou zijn en met smeekende oogen en de woorden: "O, het spijt me zoo vreeselijk!" liep Elsje de gang in. Op hetzelfde oogenblik overviel haar zulk een hevige duizeling dat ze zich onmogelijk staande kon houden en met de handen rondtastend en een zwakken kreet om hulp, op het marmer neerzakte. In een oogenblik had Frits haar van den grond getild en zijn arm om haar heenslaande, zei hij zacht:

"Stil maar Elsje, stil maar. Wij zijn heel blij dat je er weer bent. Haal maar eens flink adem. Zoo! Steun nu maar goed op mij. Tante is binnen. Wij gaan dadelijk naar haar toe. Niet bang zijn, het is niets, niets. Kom, kom, niet zoo beven! Straks maar gauw naar bed, he? De warmte zal je goed doen. Arm kind, arme kleine Roodkapje! Gelukkig dat wij je weer hebben."

"Wat is er, is er bericht?" vroeg de stem van mevrouw d'Ablong haastig, terwijl de deur der kamer waar zij had zitten wachten, snel werd geopend. "Toe Frits, kom toch gauw."

"Er is heel goed bericht tante," zei Frits, "ik kom u Elsje zelf brengen," en een oogenblik later stond hij met Elsje, die er doodsbleek en zeer bevreesd uitzag, voor Miss Piper en Mevrouw d'Ablong.

"O tante, tante," riep het arme kind, "het spijt me zoo vreeselijk! Het spijt me zoo vreeselijk! Hier zijn ze weer! Ik dacht dat ze weg waren gisteravond en toen ben ik weggeloopen in mijn angst, omdat.... ik.... bang was dat u heel boos zoudt zijn.... maar hier zijn ze weer!" En snel haalde ze de kostbare parelen uit haar zak en legde ze haar tante in de hand. Toen begon ze weer over al hare leden te beven, alles draaide voor hare oogen en met den uitroep: "Ik ben zoo koud, zoo akelig koud!" viel ze op een stoel neer.

"_She is fainting, she's fainting!_" riep Miss Piper bij haar neerknielend, terwijl zij uit alle macht Elsje's handen begon te wrijven; maar flauw vallen deed deze nog niet, hoewel ze zich hoe langer hoe zieker en akeliger begon te voelen.

"Ik zal me dadelijk gaan verkleeden, tante," zei ze, met een zwakke poging om op te staan, "och wees maar niet al te boos op mij, het spijt me zoo vreeselijk, zoo vreeselijk! Het was heel leelijk van me om weg te loopen, maar ik was zoo bang en toen....

"Niet praten zooveel," zei Miss Piper. "Jij moet nemen een lange rust en probeeren te slapen."

"Tante, tante, bent u erg boos?" riep Elsje, angstig naar mevrouw d'Ablong kijkend, die met Frits stond te fluisteren.

"Neen kindje, neen," zei ze, veel te blij dat Elsje er weer was om haar te kunnen beknorren. "Wind je nu maar niet zoo op. Je bent ziek en je moet maar dadelijk naar bed. Frits zal naar den dokter gaan, die zal je wel gauw weer opknappen, hopen we. Maar waar ben je toch den heelen nacht geweest, toch niet aldoor op straat? Er is zóó naar je gezocht."

Met horten en stooten, veel te moe om geregeld haar wedervaren te kunnen vertellen en toch niet gerust voordat haar tante alles wist, deed Elsje haar verhaal, waarbij Miss Piper haar telkens in de rede viel door te zeggen dat ze "moest probeeren te kalmeeren haarzelf" en "niet weenen, niet weenen", en "wezenlijk moest nemen een rust nu." Elsje gunde zich echter geen rust, voordat ze, zoo goed en zoo kwaad als het ging, haar hart geheel had uitgestort en nauwkeurig had aangeduid, waar de kruidenier woonde, die haar zoo gastvrij had geherbergd. Zij was erg bang dat de kruideniersvrouw haar mantel niet terug zou krijgen en eerst toen haar tante haar vast had beloofd dat het kleedingstuk nog dien ochtend door den oppasser zou worden terug bezorgd met een vriendelijk briefje en toen ze nog eens en nog eens had gehoord dat niemand boos op haar was, liet ze zich overhalen naar boven te gaan en zich door Keetje, die nu natuurlijk bizonder hartelijk voor haar was, te laten uitkleeden. Mevrouw d'Ablong bracht haar een geklopt ei met wijn en ging toen zelf nog wat rusten, terwijl Miss Piper haar voorbeeld volgde, maar eerst Cécile van alles op de hoogte bracht, die later, zonder veel medelijden voor Elsje uit te spreken, alles aan grootmama vertelde, die erg met de arme vluchtelinge te doen had. De dokter kwam 's middags en constateerde dat Elsje hevig de koorts had en veel kou had gevat op haar avontuurlijken tocht. Hij zou den volgenden ochtend weerkomen--er was nu nog weinig van te zeggen of zij werkelijk ziek zou worden of niet.

De oppasser bracht den mantel, keurig in een doos gepakt, aan de kruideniersvrouw terug met een eigenhandig geschreven briefje van mevrouw d'Ablong. Elsje had haar verteld dat zij den naam harer tante niet had genoemd en ook niet had gezegd waar deze woonde en mevrouw d'Ablong vond het bij nader inzien ook onnoodig, het kruideniersgezin daaromtrent thans in te lichten. Zij gebood den oppasser de vrouw een belooning in geld te overhandigen, niet te zeggen wie hem zond en schreef het volgende briefje:

"_Elsje's tante zendt u haren vriendelijken dank voor de goede zorgen en de gastvrijheid, aan haar nichtje verleend._"

De kruideniersvrouw keek vreemd en wat teleurgesteld op, toen ze het briefje las. De belooning in geld wezen haar man en zij eenigszins bits van de hand; dàt was het niet, waarnaar zij verlangden, maar: "ik had gedacht dat het meisje zelf ons hartelijker zou hebben behandeld," zei ze. De geheele geschiedenis bleef even raadselachtig als zij geweest was, vooral toen Elsje niet meer van zich liet hooren en ook niet in den winkel verscheen, hoewel Evert telkens verlangend naar haar uitzag.

Hoofdstuk X.

Grootmama.

"Een telegram, mevrouw, of u zoo goed wilt zijn, hier even uw naam te teekenen," met deze woorden kwam Dina twee dagen later de eetkamer binnen, waar mevrouw d'Ablong, grootmama, Miss Piper en Cécile aan het ontbijt zaten.

"Zeker _toch_ een telegram van Lizzie's grootmoeder," zei Cécile ontevreden, "om te vragen hoe het op dit oogenblik met haar is. En u zoudt nog wel niet te alarmeerend schrijven, mama!"

"_Cilly, Cilly dear_," begon Miss Piper op vermanenden toon, maar op het zelfde oogenblik uitte de oude dame een kreet van schrik en vroeg:

"Mijn hemel Lize, wat is er? Wat zie je doodsbleek! Zeg toch in vredesnaam wat er is!"

"Mijn lieve moeder is gestorven," zei mevrouw d'Ablong met bevende lippen, het telegram aan grootmama overreikend, "ze is van nacht plotseling heengegaan, terwijl wij rustig lagen te slapen. Mijn lieve, lieve moeder!"

Zij bedekte haar gezicht met de beide handen en begon zacht te schreien. Cécile stond langzaam van tafel op.

"Och moedertje, wat spijt me dat voor u," zei ze, haar arm om haar moeders hals slaande en bij haar neerknielend. "Geen wonder dat u bedroefd bent, arme mama! Ja, leg uw hoofd maar tegen mij aan en schrei maar eens goed uit! Wat een vreeselijk plotseling bericht ook--zij hadden u toch ook eerst wel een brief kunnen schrijven, om u wat voor te bereiden."

"Ik moet er dadelijk heen, ik moet terstond op reis," zei mevrouw d'Ablong, met koortsachtige haast van tafel opstaande en Cécile zacht van zich afduwend. "Ik wil mijn lieve moeder ten minste nog even zien, voordat... voordat ze begraven wordt. Och, waarom heeft zij zoo alleen moeten sterven! Waarom was ik niet bij haar! Ik zou stellig nog eens naar haar toegegaan zijn, als Elsje niet ziek geworden was...."

"Ja, die arme Elsje, wat zal die ontzettend bedroefd zijn," zei de oude dame zacht, "zij verliest _alles_ in hare grootmoeder."

"Och heden ja, wat moet zij nu beginnen, nu staat ze heel alleen op de wereld," zei Cécile, "hier kan ze natuurlijk niet blijven en ze is nog te jong om in betrekking te gaan."

"Foei Cilly," zei haar grootmoeder verwijtend, "hoe zou je moeder er nu ooit toe komen om dat lieve kind aan haar lot over te laten! Haar plaats is...."

"Ja, zeker, Elsje's plaats is _hier_," viel mevrouw d'Ablong zenuwachtig in, geheel vervuld als zij op dit oogenblik was van het verlangen om te doen wat zij maar kon, om hare nalatigheid tegenover hare moeder op een of andere wijze goed te maken.

Cécile haalde even nauw merkbaar de schouders op, maar zweeg. Hare moeder was nu veel te bedroefd om bedaard over iets te kunnen praten, redeneerde zij bij zichzelf, maar dat Elsje voor goed hier in huis zou blijven was natuurlijk al te dwaas.

"Het zal heel moeielijk zijn, het arme kind te vertellen dat hare grootmoeder gestorven is," begon de oude dame weer, "vooral omdat het bericht haar licht weer erger ziek zou kunnen maken. Wij kunnen het toch niet lang voor haar verborgen houden natuurlijk."

"Neen, dat gaat niet," zei mevrouw d'Ablong zeer zenuwachtig. "En wie zal het haar zeggen? Ik moet terstond op reis en zij slaapt nu nog--de dokter heeft zoo gezegd dat zij zooveel mogelijk rust moet hebben."

Zij keek haar schoonmoeder met een angstig vragenden blik aan en deze knikte haar geruststellend toe.

"Ik zal van ochtend wel met den dokter spreken en hem vragen of ik het haar zeggen mag," zei ze.

"Wilt u dat doen? Dan ben ik u heel, heel dankbaar. Dan ga ik nu terstond naar boven om mij klaar te maken. Ja Cilly lieveling, ik wil heel graag dat je even met mij mee gaat naar mijn kamer. Och, ik had jou ook zoo graag nog eens meegenomen naar haar toe; nu is het te laat."

Ja, nu was het te laat! Het was zeker niet meer dan natuurlijk dat Cécile, onder de bestaande omstandigheden, weinig of niets voelde voor den dood der brave, oude vrouw, die zulk een trouwe, goede moeder voor Cécile's eigene mooie moeder was geweest, maar mevrouw d'Ablong voelde toch een steek in haar hart, toen Cilly, terwijl ze bij de voordeur afscheid van haar nam, bedaard zei:

"Als het er is, neemt u dan een portret van uw moeder mee, mama? Ik weet heelemaal niet hoe zij eruitzag."

En Elsje? Het arme kind had sedert den ochtend, waarop zij van haar vreemden tocht was teruggekeerd, al den tijd te bed doorgebracht. De dokter had bedenkelijk het hoofd geschud, toen hij haar voor de tweede maal bezocht, gezegd dat hij bevreesd was voor een longaandoening en de grootste voorzichtigheid aanbevolen. Het was mogelijk dat de ziekte van tamelijk langdurigen aard zou zijn en het was dus niet ongewenscht dat de patiënt op een vroolijker kamer lag, ergens waar zij de zon eens kon zien en niet alleen de kachel warmte bracht. Grootmama opperde terstond het plan dat haar kamer, die ruim en vroolijk was en aan den zonnigen tuinkant lag, voor Elsje in orde zou worden gemaakt. Zoo heel lang zou zij zelf toch niet meer blijven logeeren en buitendien kon zij heel goed slapen op de logeerkamer, waar de patiënt nu lag. Deze werd dus, terdege in wollen dekens gewikkeld, naar het andere vertrek overgebracht en daar lag zij thans gerust te slapen, terwijl Keetje nu en dan heel zacht binnenkwam om de kachel te verzorgen en te zien of de zieke al wakker was en naar haar ontbijt verlangde. Eindelijk hoorde ze Elsje diep zuchten en met een zwak stemmetje vragen:

"Ben jij daar, Keetje?"

"Ja jongejuffrouw, bent u goed wakker? Zal ik dan uw ontbijt maar halen?"

Er kwam geen antwoord, zoodat Keetje naar het bed toe ging en haar vraag herhaalde. Elsje lag nog met gesloten oogen; thans opende zij die en zei met een lachje:

"Ik ben toch zoo vreeselijk lui. Ik zou best nog een beetje kunnen slapen."

"Dan zou ik het maar doen ook--straks kom ik wel eens weer naar u kijken. Kom, doe maar gauw de oogen weer dicht."

"Ja. Maar Keetje...."

"Ja, jongejuffrouw?"

"Hoe is het met allemaal beneden? Goed?"

Keetje zweeg verlegen. Straks zou het arme kind weten wat er niet "goed" was--hoe moest zij haar vraag beantwoorden?

Maar Elsje maakte het haar gemakkelijk. Zij wachtte Keetje's antwoord niet af, maar had haar hoofd al weer op het kussen omgedraaid en was bijna weer in slaap.

Het was omstreeks elf uur, toen ze verkwikt en met een heerlijk gevoel van flink uitgerust te zijn, opnieuw wakker werd. Met geopende oogen, maar zich overigens geheel overgevend aan een behagelijke gewaarwording van zalige rust, bleef ze doodstil in dezelfde houding liggen, al haar aandacht wijdend aan een vriendelijken zonnestraal, die onder de neergelaten gordijnen door naar binnen scheen. Ze voelde zich te zwak en te dommelig op dit oogenblik om er aan te denken, hoe mooi en lieflijk het thans buiten zijn moest, waar het vroege voorjaar de kastanjes reeds deed uitbotten en over alles licht en glans wierp. Het was haar genoeg, warm gekoesterd te mogen rusten in het ruime, makkelijke bed, dat de lieve oude dame haar had afgestaan en stil tevreden te zijn, omdat het akelige gehamer en gesis in haar hoofd en de benauwde pijn op haar borst zich van ochtend nauwelijks deden gevoelen.

Even bleef ze zoo liggen, toen ze plotseling geheel wakker werd door een gefluister in hare nabijheid, waarvan ze duidelijk de woorden opving:

"Ja, het zal toch maar beter zijn dat het haar nu gezegd wordt. Ze zal toch naar hare tante vragen, als zij die den geheelen dag niet ziet en buitendien ben ik er volstrekt geen voorstander van, dergelijke dingen voor patiënten verborgen te houden, als het niet absoluut noodzakelijk is."

Elsje herkende de stem van den dokter en hoorde grootmama antwoorden:

"Dan moet ik het haar straks zeggen, als zij wakker is, het arme kind! Wilt u ook nog even naar haar kijken, dokter, al slaapt ze?"

"Neen, neen, ik slaap niet," riep Elsje uit, geheel opgeschrikt uit haar zoete rust. "Wat is er, wat is er?"

"Stil, stil, rustig meisje, rustig," zei de dokter, met de oude dame naderbij komend. "Kom, ik ben zoo gewend dat mijn patiëntje gehoorzaam is. Ga gauw weer liggen, zóó!" En hij legde zijn koele hand op haar voorhoofd en dwong haar stil te blijven liggen.

"Maar wat is er toch, dokter?" vroeg ze weer.

De dokter antwoordde niet, maar nam een stoel en ging bij het bed zitten, bevoelde Elsje's pols, deed haar eenige vragen en zei toen op hartelijken toon:

"Er is iets gebeurd, Elsje, daar je heel bedroefd om zijn zult. Er is van ochtend bericht gekomen over je grootmoeder en dat bericht is niet gunstig."

Zij bleef hem strak aanzien, maar scheen nog volstrekt niet te vermoeden, waar zijne woorden op doelden.

"Elsje," zeide de oude dame zacht, terwijl ze zich over haar heenboog en haar diep in de oogen zag. "Mijn lief, lief kind, je grootmoeder is gestorven."

Elsje keek haar aan, met zulk een vreemde, onzekere uitdrukking in de oogen, zoo geheel alsof zij niet begreep wat haar gezegd was, dat grootmama zachtjes herhaalde:

"Zij is dood, Elsje."

"Neen, neen!" riep het arme kind nu, terwijl ze met een woeste beweging de beide handen der oude dame greep, "dat kan niet, dat kan niet! Dat bericht is verkeerd, zoo ziek was grootmoeder niet! Maar ze is zeker erger, dan wil ik naar huis... en dan mag ik ook wel! Ik ben zooveel beter en ik verlang zoo vreeselijk..."

"Dat zou nu niet meer helpen, Elsje, ze is werkelijk gestorven."

"En ik heb haar niet eens meer gezien! Mijn arme, lieve grootmoeder! Ik kan niet zonder haar leven, dat kan ik niet! Och, was ik hier maar nooit heengegaan! En nu is er niemand meer, die wezenlijk van mij houdt en die mij noodig heeft! O, ik had nooit van haar weg moeten gaan--mijn lief, lief grootmoedertje! Och, was ik nu ook maar dood, was ik nu ook maar dood!"

En alsof ze niet getroost wilde worden, alsof ze de medelijdende uitdrukking in de oogen die haar aanzagen, niet kon verdragen, alsof haar smart te groot was om het daglicht te zien, drukte zij haar hoofd diep in het kussen en begon hartstochtelijk te snikken.

"Laat haar maar uitschreien, dat zal haar goed doen," fluisterde de dokter. "Ik ga nu heen, maar ik kom stellig van middag of van avond nog even terug."

Hij stond op en was op het punt, de kamer te verlaten, toen Elsje hem met een zwakke stem terugriep.

"Dokter," fluisterde ze, zoo zacht dat hij zich moest inspannen om te verstaan wat zij zeide: "Denkt u.... zou het kunnen.... zou ik ook gauw dood gaan, misschien?"

"O neen, dat geloof ik volstrekt niet," zei hij zeer ernstig.

"En het is natuurlijk slecht om het te wenschen?"

"Jij moogt het zeker niet wenschen, Elsje. Zou je grootmoeder dat ook gewild hebben?"

"Neen, neen," zei ze, maar ik kan niet zonder haar leven, dat kan ik niet."

En met een kermenden zucht keerde zij het hoofd naar den muur.

Den geheelen dag bleef zij in dien toestand van ontroostbare droefheid. De oude dame was bijna voortdurend bij haar, Keetje verzorgde haar liefderijker en trouwer dan ooit, men trachtte haar van smakelijk toebereide schoteltjes te doen proeven--maar zij at nauwelijks, schreide weinig na die eerste uitbarstingen lag maar stil, steeds met het hoofd naar den muur toegekeerd, zonder iets te zeggen of eenig teeken te geven dat zij bemerkte wat om haar heen gebeurde. Toen de dokter weer kwam, was ze even ingesluimerd. Hij oordeelde het beter, haar niet wakker te maken en beloofde den volgenden dag terug te zullen komen.

Na een onrustigen nacht en een bitter droevig ontwaken, lag zij den ochtend daarop moe en lusteloos, met een vreemde onverschilligheid, die haar zelf verbaasde, voor zich uit te staren, te uitgeput om geregeld te kunnen nadenken. Men had haar verteld dat haar tante weggereisd was om bij de begravenis tegenwoordig te kunnen zijn, maar dit had weinig indruk op haar gemaakt. Het was haar nog als leefde zij in een bangen droom--maar als ze soms, als met een schok, uit dien droom scheen te ontwaken, was alles zoo ontzettend, zoo benauwend donker en eenzaam om haar heen dat zij zich angstig afvroeg, hoe het mogelijk zou zijn om voort te leven met die alles overheerschende smart in haar binnenste.

Het was aan den middag van dien dag, dat grootmama zich bedaard aan de tafel zette, die bij het raam was geschoven en met een vriendelijk knikje naar Elsje, die lijdelijk toezag wat ze deed, haar haakwerk opnam en de grove haakpen vlug door de zachte wol liet glijden, waarvan een grappig klein kindermanteltje moest worden vervaardigd. De gordijnen waren aan den achterkant van het huis niet neergelaten en terwijl de oude dame rustig zat te werken, wierp het zonlicht schuine stralen op haar gestalte en deed het mooie, witte haar glinsteren als zilver. De vriendelijke, bruine oogen werden vochtig, terwijl zij ze op haar werk hield geslagen, want al keek zij niet op, ze voelde toch wel hoe Elsje's oogen dof en treurig naar haar keken en haar hart was vol medelijden voor het arme kind, dat nergens troost scheen te kunnen vinden voor haar smart.

Eindelijk liet ze haar werk in den schoot zakken, keek peinzend naar buiten in het heldere, vroolijke licht vol leven en lente, legde toen wol en haakpen naast zich neer op de tafel, en schoof, de ingeving van haar hart volgend, een in zwart kalfsleer gebonden boek naar zich toe.

Elsje had met hare oogen hare bewegingen gevolgd, zonder er veel belang in te stellen.

De oude dame sloeg een paar malen de bladzijden van het boek om, dat met groote, duidelijke letters gedrukt was; toen begon ze met hare welluidende stem hardop te lezen:

"_Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp komen zal_.

"Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.

"Hij zal uwen voet niet laten wankelen, uw Bewaarder zal niet sluimeren...."

Elsje hield den blik onafgewend op haar gevestigd en er kwam een wonderlijke verandering in de uitdrukking van haar gezicht, terwijl ze luisterde naar de bekende woorden van den psalm--denzelfden psalm, dien zij haar grootmoeder op dien gedenkwaardigen Zondagochtend voorgelezen had.

Reeds toen ze de eerste woorden hoorde, week hare onverschilligheid en aandachtig, onwillekeurig de handen vouwend, luisterde ze naar de lieve stem en dronk de troostende woorden in, die deze las. Er heerschte een vredige rust in de kamer, waar de zon een gouden gloed wierp over de doffe tinten van het tapijt en grillige figuren tooverde op het behang en de donkergroene bedgordijnen van het mahoniehouten ledikant. Schilderachtig en aantrekkelijk was de gestalte der oude dame, zooals zij daar zat, met het grijze hoofd even voorover gebogen over den Bijbel en de kleine, gerimpelde handen rustig gevouwen in haar schoot. Dartele zonnestraaltjes speelden over haar japon, het zwart kanten mutsje en het witte haar, maar zij verschoonden het oude, schoongevormde gelaat, waarop thans een eenvoudig kinderlijke uitdrukking lag. Het was alsof er een weldadige invloed uitging van hare geheele persoonlijkheid en het luisterende kind bleef haar aanzien met een glans van innige dankbaarheid in de oogen, toen de psalm reeds geëindigd was.

Grootmama keek zwijgend voor zich uit, nadat ze de laatste woorden had gelezen: _"De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid,"_ en het was Elsje, als zag ze haar eigene grootmoeder voor zich, zooals deze tegenover haar had gezeten aan den ochtend, waarop zij zelf haar den psalm had voorgelezen, die haar getroost en bemoedigd had, evenals hij het nu haar kleindochtertje deed. Ze bleef stil liggen en voor het eerst sedert het bange oogenblik, waarop men haar had verteld dat haar grootmoeder gestorven was, keerde de hoop terug in haar hart en was het haar, als voelde zij zich gesteund door een sterke hand, gesteund om geduldig en geloovig te dragen wat haar werd opgelegd, getroost door de woorden: _"Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft."_

Het bleef een poosje stil in de kamer, toen klonk het zacht en bedeesd:

"Grootmama."

De oude dame keek snel op. Niettegenstaande zij Elsje herhaaldelijk had aangemoedigd haar bij dien naam te noemen, was deze altijd met zekere verlegenheid "mevrouw" blijven zeggen, bevreesd als zij was dat hare tante en Cécile er aanmerking op zouden maken als zij anders handelde. Nu dacht zij hieraan echter niet, ze voelde alleen maar een onuitsprekelijk verlangen, haar hart uit te storten tegenover de lieve vrouw, die zoo goed scheen te begrijpen hoe vreeselijk bedroefd zij was en welken troost zij noodig had.

"Ja lieveling," zei grootmama, naar het bed toegaande.