Elsje

Part 14

Chapter 14 4,154 words Public domain Markdown

Bezoek kwam er, nu Cécile en haar moeder van huis waren, heel weinig en buitendien waren vele families ook op reis of naar buiten, zoodat het er langs de grachten somber en doodsch uitzag met zooveel luiken voor de ramen en briefjes met "afwezig" op de deuren. Op hare dagelijksche ochtendwandelingen met Miss Piper naar het park, had Elsje dikwijls een gevoel alsof zij iemand anders was, niet hetzelfde meisje als die Elsje, die vroolijk en vol levenslust iederen dag begon, toen zij bij hare grootmoeder woonde, niet hetzelfde meisje als die Elsje, die grappen maakte met Krelis en de meisjes van het dorp en voor wie tot nu toe het leven een bron van rein genot was geweest. Het was ook juist, alsof zij opeens veel ouder geworden was--soms kon zij 's ochtends opstaan met zulk een overweldigend gevoel van gedruktheid, dat het haar bijna angstig maakte en zij al hare krachten moest inspannen om vriendelijk en geduldig te zijn tegen Miss Piper. Dan werd ze soms boos op zichzelf, verweet zich dat zij schandelijk ondankbaar was bij al het goede, dat haar tegenwoordig leven toch ook had en werd dan weer overmand door een hartstochtelijk verlangen naar haar grootmoeder, door een vurig snakken ook naar één dag, één uur in de stilte en de schoonheid der natuur. Zij was zoo stil in het bijzijn der gouvernante en ging er zoo bleek en teer uitzien dat Miss Piper zich ongerust over haar begon te maken en eindelijk besloot mevrouw d'Ablong over haar te schrijven. Het liep reeds tegen September, maar er moest toch nog bijna een maand verloopen eer Cécile en haar moeder van de badplaats terug zouden komen; het zou dus nog vrij lang duren, eer Elsje's tante haar weerzag.

Op een drukkend warmen ochtend, terwijl Elsje bleek en met een vreemde lusteloosheid, die zij vroeger nooit had gekend, tegenover de gouvernante op het bordes zat te handwerken, haalde deze haar schrijfgereedschap te voorschijn. Zij was juist een brief aan mevrouw d'Ablong begonnen, toen de deur der zaal plotseling werd geopend, een vlugge stap door de kamer klonk en Frits d'Ablong op het bordes verscheen. Hij zag er bizonder opgewekt uit en zijn gezicht was bruingebrand door de zon, maar hij keek terstond heel ernstig, toen hij Elsje's bleeke gezichtje zag en haar scherp onderzoekend aanziende, vroeg hij vriendelijk:

"Hoe is het, Roodkapje? Nog niet heelemaal weer beter?"

Nu zag Elsje niet bleek meer. Een donkere blos verspreidde zich over haar wangen en voorhoofd en hare lippen begonnen te beven, toen zij trachtte te antwoorden. Tot haar ontsteltenis kon zij niet anders uitbrengen dan: "Ik.... ik ben...." en begon toen opeens bitter te schreien.

"Het is niets.... niets.... het is erg flauw," snikte ze, boos op zichzelf en erg verlegen. Wat moest Frits wel van haar denken en wat had zij nu toch weer? Zij had werkelijk in het huis harer tante al veel meer tranen vergoten in dien korten tijd dat zij er woonde, dan in al de jaren van haar vroeger leven.

Vol schaamte wendde zij het hoofd af en wilde opstaan om zachtjes heen te gaan, maar Frits hield haar tegen met de woorden:

"Ik zie wel dat je nog lang niet beter bent. Kom, kom, wees maar bedaard. Je moet eens naar buiten, dat zal je goed doen. Het is hier ook zoo benauwd in de stad. Wat zegt u, Miss Piper, heeft zij de buitenlucht niet dringend noodig?"

De gouvernante knikte, ernstig toestemmend.

"Grootmama heeft tot voor een paar dagen in de meening verkeerd dat Elsje met tante en Cécile meegegaan was," hernam Frits, "en ik zelf ben op reis geweest. Wij dachten niet anders of je waart druk bezig je frissche roode wangen terug te krijgen in de versterkende zeelucht, Roodkapje," ging hij lachend tot Elsje voort. "Een paar dagen geleden eerst hoorde grootmama door een brief van tante, dat jij met Missy thuis waart gebleven en daarom kom ik je nu uit haar naam vragen, of je lust hebt nu maar zoo gauw mogelijk bij ons buiten te komen en dan natuurlijk niet eerder dan met tante en Cilly weer naar stad te gaan. Wil je, of blijf je liever hier?"

Of zij wilde? Met een kreet van blijdschap en stralende oogen sprong zij op. "Als.... als ik mag, als tante het goed vindt," stamelde zij.

"Ik ben juist een brief aan mevrouw d'Ablong begonnen," zei Miss Piper met een geruststellend knikje, "zij vindt het zeker heel goed dat je gaat. Zal ik het haar vragen?"

"O ja, dolgraag."

"Dus dat blijft dan afgesproken," zei Frits, "ik ben blij dat je er lust in hebt. Grootmama verlangt erg je eens weer te zien. Wij kunnen dan samen reizen, want ik blijf een paar dagen hier in de stad. Zou je tegen overmorgen klaar kunnen zijn? Dan zal tante wel al geschreven hebben dat zij het uitstekend vindt, dat je bij ons komt."

"O ja, ik kan best klaar, mijnheer," zei Elsje, die een gevoel had, dat zij eigenlijk op dit oogenblik al klaar was om op reis te gaan.

"_Mijnheer!_ Wat beteekent dat nu, Roodkapje? Weet je wel dat je me beleedigt, als je me niet eenvoudig Frits noemt, evenals Cilly? Ik zal jou mademoiselle Roodkapje moeten gaan noemen, als jij mijnheer tegen mij zegt! Mag ik vragen, hoe oud u zijt, mejuffrouw?"

"Ik ben pas vijftien geworden," antwoordde Elsje lachend.

"En ik pas twee-en-twintig," zei Frits. "Ja, dan moet je toch wel een beetje eerbied voor me hebben! Je zoudt me wel 'oom' kunnen noemen als we samen reizen, maar ik heb toch liever dat je Frits zegt. En wat gaat u dan doen, Miss Piper, als Roodkapje u verlaat?"

"Dan hoop ik reeds nu mijn vacantie te beginnen en naar Engeland te gaan."

"Dus dan komt alles mooi in orde," zei Frits. "Dan zal ik de dames nu maar verlaten, dan kom ik morgenavond nog wel even hooren of ik het genoegen zal hebben, overmorgen Roodkapje mee naar grootmama te nemen. Dag Missy, dag Roodkapje."

"Ik _heet_ eigenlijk Elsje," zei ze met haar ouden, vroolijken lach.

"Ja, dat weet ik wel, maar ik heb je als Roodkapje leeren kennen en zoo heet je dus bij mij. Kom, laat mij maar eens netjes even uit, dat doet Cilly ook altijd."

Elsje gehoorzaamde lachend. Bij de voordeur reikte Frits haar nog eens de hand en zei: "Nu, dag Roodkapje. Ik zal straks aan grootmama schrijven hoor, dat je hoogstwaarschijnlijk komt."

"Dag mijn.... Frits," zei Elsje verlegen.

"Zóó! Dat klinkt al _heel_ hartelijk," plaagde hij haar met een ondeugende flikkering in zijn oogen, maar Elsje overwon hare verlegenheid, gaf hem met een spottend gezicht een deftige, kleine hoofdbuiging tot afscheid en deed de voordeur dicht.

Toen verdween al hare deftigheid terstond. Vlug als de wind snelde zij de gang door, de zaal in en het bordes op, sloeg onstuimig de armen om Miss Piper's hals, drukte zich tegen haar aan en riep uit:

"O Missy, Missy, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij. O, hoe heerlijk, hoe heerlijk!"

En Miss Piper legde de pen neer, schoof den brief van zich af, trok Elsje dichter naar zich toe en liefkoosde en kuste haar, al maar zachtjes mompelend: "_Dear little Elsie! Poor darling! I am glad too, my pet!_"

Het was Elsje alsof haar adem stilstond, toen Miss Piper den volgenden dag den brief van mevrouw d'Ablong opende, die het antwoord bevatte op de gewichtige vraag. Gelukkig liet Missy haar niet lang in onzekerheid. Elsje's tante schreef dat zij er niet tegen was dat haar nichtje reeds nu naar grootmama vertrok, maar dat Elsje dan vooral erg haar best moest doen zich _ladylike_ te gedragen en niet te uitgelaten en te druk te zijn. Miss Piper kon dan naar Engeland vertrekken en Cécile en zijzelf hoopten over een week of drie ook bij grootmama te komen.

Twee dagen later, 's middags om twee uur, reed Elsje, in gezelschap van Frits, naar het station. Het was haar bijna alsof zij droomde, toen hij haar verzekerde dat zij nog vóór vijven bij grootmama buiten zouden zijn en zij keek zegevierend naar de stoffige, warme straten en grachten, die zij langs reden--het was zoo'n heerlijke gedachte dat zij die nu in weken niet zien zou! Maar bij al haar blijdschap dacht zij toch telkens aan de waarschuwing harer tante om zich vooral te gedragen als een jonge dame en toen Frits haar in den coupé had geholpen en tegenover haar ging zitten, moest hij er om lachen dat zij zulk een deftig _air_ aannam en hem met zulk een zachte stem antwoordde op zijn vraag, of zij gemakkelijk zat en of de zon haar niet hinderde. Er waren nog twee meisjes van Elsje's leeftijd in den trein. Zij reisden met hare moeder en het duurde niet lang of Frits had een gesprek met deze aangeknoopt. Langzamerhand geraakten de drie meisjes ook met elkaar aan het praten en spoedig klonk er telkens een luid en frisch gelach, als Frits een grappig verhaal deed of Elsje plaagde. Hij had er plezier in haar aan den gang te brengen en aardige, gevatte antwoorden uit te lokken op zijn plagerijen en in een bizonder vroolijke stemming namen zij eindelijk afscheid van hun reisgezelschap en verlieten den trein bij een schilderachtig gelegen klein station, dat Elsje levendig herinnerde aan dat van het dorp, waar zij gewoond had.

"Kijk eens, daar wacht Jacob al op ons," zei Frits, op een ouden koetsier wijzend, die op den bok van een kleinen _panier_ gezeten, uitkeek naar de logés van zijn meesteres. Hij groette beleefd toen hij Frits en Elsje bemerkte en even later zaten zij in het sierlijke rijuigje. De aardige, jonge paardjes zetten zich vlug in beweging en voort ging het den straatweg over, het dorpje door en eindelijk door een prachtige beukenlaan op de bevallige villa toe, die door de oude mevrouw d'Ablong werd bewoond.

Het was een ritje van een half uur ongeveer, maar in dien korten tijd genoot Elsje al zooveel, als had zij uren gereden door de bekoorlijke streek. Haar spraakzaamheid van zooeven was geheel verdwenen, maar al bracht zij het niet onder woorden, Frits zag wel aan de glinsterende oogen, waarmee zij om zich heen keek en aan de uitdrukking van vredig geluk op haar gezicht, hoe zij genoot. Nu en dan haalde zij diep adem en eens zelfs hoorde hij haar zacht neuriën bij zichzelf op een wijze, alsof zij er zich nauwelijks van bewust was dat zij dit deed. Toen het rijtuigje voor het hek der villa stilstond en zij grootmama onder de veranda zag staan, ontwaakte zij uit haar mijmering en sprong zoo vlug uit den _panier_ dat Frits uitriep: "Neen maar, wat een haast heb je, Roodkapje!"

Ja, zij _had_ haast. Toen zij het lieve gezicht der oude dame zag, sprong haar hart op van vreugde en was al hare kalmte weg.

"O grootmama, lieve grootmama!" zei ze, toen deze haar hartelijk welkom heette en kuste.

"Ik ben er ook nog, grootmoedertje," zei Frits naderbij komend. "Roodkapje was er wel toe over te halen om nu al bij u te komen, zooals u ziet, maar u moet haar niet al te veel verwennen, want dan wordt ze brutaal."

"Brutaal?" Elsje keerde zich snel om en herinnerde zich met schrik de waarschuwingen harer tante. "Dat ben ik toch niet geweest?" vroeg ze.

"Wel neen, hoe heb ik het nu met je? Ik dacht juist dat je zoo goed tegen plagen kondt," antwoordde Frits. "Zal ik maar naar mijn kamer gaan, grootmama, en u verder de zorg voor deze jonge dame over laten?"

"Ja, dat is best. Ga jij dan maar met mij mee, kind, dan zal ik je je slaapkamer wijzen. Vindt je het hier niet mooi?"

"Prachtig mooi!" zei Elsje op bijna eerbiedigen toon, terwijl ze bewonderend keek naar het lieflijke uitzicht, dat men van uit de veranda had naar alle kanten heen. Het huis lag aan den lommerrijken straatweg, vlak tegenover de oprijlaan van een groot, ouderwetsch kasteel, waarvan de puntige torentjes en hoekvensters tusschen het donkere groen der linden te voorschijn kwamen. Aan den rechterkant leidde een dennenlaan naar het heuvelachtige bosch en de heide en aan den linkerkant lagen, tusschen het bouwland verspreid, enkele boerderijen.

De oude dame liet Elsje stil genieten, terwijl deze met genot overal rond keek en de geurige dennenlucht inademde. Grootmama zag met deernis hoe teer en bleek zij er uitzag en nam zich vast voor alles te doen, wat zij kon om haar verblijf hier gelukkig te maken.

"Kom kindje, nu moet je je goed eens gaan afdoen en je eens wasschen. Wij eten om half zes, dus je hebt nog net den tijd om een beetje uit te rusten. Wil je me maar volgen?"

Zij gingen door de openstaande glazen deuren naar binnen en toen de gang door naar boven naar een groot portaal, waarop verscheidene deuren uitkwamen.

"Je ziet, ik heb plaats voor vele logés," zei de oude dame, "maar op 't oogenblik zijn alleen de kamers van Frits en mij bezet en die van jou. Ik dacht dat je het wel prettig zoudt vinden, als er geen vreemden waren."

"O ja," antwoordde Elsje met haar geheele hart, terwijl ze hare gastvrouw volgde naar een vrij groote kamer, die eenvoudig gemeubileerd was, maar er toch bizonder aantrekkelijk uitzag. Er stonden twee ledikanten, een waschtafel voor twee personen, een met neteldoek gedrapeerde toilettafel en eenige stoelen, terwijl de vensters van buiten met klimrozen waren begroeid. Voor de ramen hingen neteldoeksche gordijnen en het viel Elsje op, dat een daarvan vreemd bol uitstond van onderen, alsof men er iets achter had gezet. Zij had geen tijd te onderzoeken wat dit was, want plotseling klonk de muziek van een reinen, vroolijken kinderlach door het vertrek, het gordijn werd met een ruk terzijde geschoven en ... kleine Liesje van Rensen stond voor haar.

"Dàt dacht je niet, he?" riep ze, snel naar Elsje toeloopend, die met een kreet van blijdschap bij haar neerknielde en toen dankbaar opzag naar grootmama.

"Kleine Liesje had de buitenlucht ook noodig, moet je weten," zei deze lachend. "En hare ouders vonden haar nog te jong om met de geheele familie mee op reis te gaan. Daarom is ze toen maar bij mij gekomen. Ze zou eerst pas de volgende week..."

"Ja, ik zou eerst veel later gaan," viel Liesje ijverig in, "maar toen kwam er opeens een brief of ik gisteren al kon komen!"

"Ik vond het een aardige verrassing voor je haar hier te vinden," zei de oude dame, terwijl ze zachtjes hare hand over Elsje's haar streek.

Elsje's hart was zoo vol, dat zij niets anders doen kon dan grootmama's hand grijpen en die stevig drukken.

Liesje was natuurlijk opgetogen en bleef steeds zoo dicht mogelijk bij Elsje. Aan tafel moest zij naast haar zitten, na den eten was zij er niet af te brengen te helpen bij het uitpakken van den koffer en zij vond het heerlijk, toen Elsje later terstond beslist den wensch uitte om Liesje zelf iederen avond naar bed te brengen. Toen het kleine meisje eindelijk onder de dekens lag, na hare beide armen om Elsje's hals te hebben geslagen en na haar met een "nacht snoes!" een nachtkus te hebben gegeven, dronk Elsje heerlijk rustig thee onder de veranda met de oude mevrouw d'Ablong en Frits, en ging de avond voorbij onder gezellige, vroolijke gesprekken. Noch grootmama noch Frits schenen iets aan te merken te hebben op Elsje's manieren of op hare wijze van zich uit te drukken en toen ze later alleen op hare kamer was, vroeg zij zich verwonderd af, hoe het kwam dat zij zich hier in huis zoo bizonder op haar gemak voelde. Met een zucht van geluk legde zij zich ter ruste en toen de oude dame nog even naar haar kwam kijken, deed zij als Liesje, sloeg de armen om grootmama's hals en fluisterde:

"Wat houd ik toch veel van u en wat is het heerlijk weer bij u te zijn!"

En nu volgden er dagen voor Elsje, die zij haar geheele leven niet weer zou vergeten, dagen van rein genot, waarin de vrede en blijmoedigheid terugkeerden in haar hart. Bijna overweldigend was voor haar in het begin de aanblik van de prachtige natuur. "Nu moet je maar eens alleen een eind gaan wandelen," zei grootmama den eersten ochtend na het ontbijt. "Neen, Liesje blijft van morgen bij mij--je bent nu mijn patiëntje en ik reken er op dat je me stipt zult gehoorzamen. Tegen koffietijd kan Liesje je dan wel hier in de dennenlaan tegemoet komen. Ga dien kant maar eens uit, je zult het daar heel mooi vinden."

Elsje gehoorzaamde met een lachend gezicht en liep langzaam de dennenlaan in op zij van het huis. Het was er zoo heerlijk stil en mooi en het rook er zoo lekker! Met innig welbehagen ademde ze de verkwikkende lucht in en wandelde voort, terwijl de grond hoe langer hoe heuvelachtiger werd en zij soms even stil moest staan om adem te scheppen. "Wat ben ik gek gauw moe," dacht ze. Toen ze bij grootmoeder was, kon ze uren achtereen loopen, zonder iets te voelen en nu was ze nog geen half uurtje van huis, of ze kreeg al lust om eens even te gaan zitten. Maar nu al rusten, dat was toch al te erg, vond ze. Neen, ze zou nog doorloopen tot aan dien hoogen heuvel, daar op zij van den weg. Dien moest zij even beklimmen, men had daar zeker een prachtig uitzicht; ze kon daar dan wel een poosje gaan zitten. Ze hijgde wel wat, terwijl ze haar voornemen ten uitvoer bracht, maar zij gaf den moed niet op en toen ze bovenop den heuvel gekomen was, hoe werd hare moeite toen beloond!

Plotseling stond ze voor een groot heideveld, waarover de zon vol scheen en aan de purperkleurige bloesems van het heidekruid een schitterenden glans verleende. Als een glinsterend, reusachtig tapijt, vol gloed en kleuren strekte zich de heide uit, terwijl tusschen den overvloed van bloeiende Erica, enkele blauwe klokjes groeiden, waarvan de teere stengels zachtjes door den morgenwind heen en weer werden bewogen. Een zoete welriekende geur steeg uit het kruid op en een oogenblik was het Elsje, terwijl ze dien inademde, als stond ze weer bij de heide in de buurt van het huisje van hare grootmoeder. Het scheen haar alles zoo bekend, zoo heerlijk bekend, hier voelde ze zich thuis, zoo geheel en al! 0, God was goed, zoo goed voor haar, dat Hij haar dit liet genieten! Even stond ze doodstil en ernstig op te kijken naar de rein-blauwe lucht--toen, als overweldigd door een gevoel van onuitsprekelijke, hartstochtelijke vreugde, wierp zij zich languit voorover op de heide en greep liefkoozend met beide handen in het taaie, veerkrachtige kruid. Zoo bleef ze liggen, met wellust de heidelucht opsnuivend en zich geheel overgevend aan een gewaarwording van groot, oneindig genot. Eindelijk hief zij het hoofd op, plantte hare beide ellebogen in den grond en keek gretig voor zich uit. Het zachte gegons der bijen, het fluisteren van den wind door de dennen naast haar, het rinkelen van de belletjes van een huifkar heel in de verte, was al wat de stilte verbrak. Recht vóór haar, in de diepte, zag ze het dorp liggen, met de roode daken der huisjes aardig afstekend tegen het groen der hoornen en aan hare linkerhand vertoonde zich een glooiende heuvelenrij, gelijk aan die, welke zij zooeven had beklommen. En terwijl ze daar lag, werd het zeer rustig en vredig in haar en kwamen haar de welbekende woorden in de gedachten:

"_Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe komen zal._"

Hoe lang ze zoo bleef liggen, met al haar hart genietend, zou ze niet hebben kunnen zeggen, maar ze schrikte op, toen ze plotseling het zachte stemmetje van Liesje aan haar oor hoorde fluisteren:

"Slaap je? Waarom blijf je daar zoo stil liggen?"

"Zoo zoo, jonge dame, hebben wij het ons zo gemakkelijk mogelijk gemaakt?" klonk de stem van Frits toen. "Gelukkig dat wij je eindelijk gevonden hebben; dat is me een zoeken geweest, he Liesje?"

Verlegen sprong Elsje op. Dat Frits haar daar zoo had moeten zien liggen! Wie weet, hoe ontzettend weinig jongedamesachtig hij hare houding gevonden had! Als tante het hoorde....

"Ik ... ik vond het zo heerlijk hier!" zei ze. "Ik wist niet ... ik dacht ... het spijt me erg dat ik niet wat netter zat."

"Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?" En Frits lachte hartelijk. "Wie zit er nu ooit 'netjes' op de heide! En ik vond je houding juist zoo schilderachtig! Neen, kijk maar niet zoo verschrikt; ik meen het, hoor. Het was alleen een beetje moeielijk je te vinden, maar Liesje heeft me dapper geholpen bij het zoeken. Je zult wel trek hebben na je vermoeienden tocht, he?" En hij keek haar plagend aan. Elsje lachte vroolijk.

"Ik houd zooveel van de heide," zei ze. "Toen ik nog bij grootmoeder woonde ging ik er zoo dikwijls heen."

"Ja, de heide is prachtig," zei Frits. "Kom, zullen we nu naar huis gaan? Ja Liesje, blijf jij maar naast Elsje loopen aan dien kant, dan ontsnapt ze ons niet weer. Waar heb je vroeger gewoond, Elsje?"

Elsje vertelde het hem en Frits toonde zooveel belangstelling in haar vroeger leven, dat zij er over doorpraatte tot zij de villa hadden bereikt.

"Wel kindje, je begint er al wat beter uit te zien," zei grootmama. "Was het mooi buiten?"

"Zij heeft er niet veel van gezien. Ze heeft een dutje gedaan op de heide" zei Frits.

"0 neen, heelemaal niet!" riep Elsje verontwaardigd uit. "Ik heb maar al liggen kijken naar alles--het was er zoo prachtig!"

"Je hebt heerlijk gedroomd," spotte Frits weer en toen Elsje hevig ontkennend het hoofd schudde, legde grootmama de hand op haar arm en zei vriendelijk:

"Laat hem maar praten, kind; ik geloof heelemaal niet dat je geslapen hebt."

Hoofdstuk XIII.

"Koningin! Koningin!"

"Ziezoo Liesje, nu ben je heusch heelemaal klaar. Neen, neen, je moet niet te veel aan de bladeren trekken, dan gaan de kransen dadelijk stuk. Ja, loop maar flink rechtop--dan zie je er dubbel deftig uit."

En Liesje liep met een gewichtig gezicht en kleine, voorzichtige pasjes naar grootmama toe, die onder een breeden beuk op een mosheuveltje zat uit te rusten van de lange wandeling, die het gezelschap samen had gemaakt.

"Hè, nu wil ik ook heel graag eens even zitten," zei Elsje met de handen nog vol eikebladeren. Frits, Liesje en zij waren druk aan het plukken geweest en Elsje was daarop ijverig aan het kransen vlechten gegaan, zoodat Liesje nu een lange guirlande droeg op haar witte jurk, armbanden om de polsen en een krans op het blonde haar.

"Prachtig hoor!" zei grootmama, toen het kleine meisje vlak voor haar ging staan met de woorden: "Kijk eens!"

"Nu moet Elsje zelf ook bekransd worden," zei Frits, terwijl Elsje en hij zich naast de oude dame neervlijden, "kom Roodkapje, wij hebben die eikebladeren niet voor niets geplukt. Niet zoo lui zijn als 't je blieft. Ik sta er op dat je een krans voor jezelf vlecht en dan nog een voor grootmama en een voor mij."

"En als ik dat nu eens niet doe?" vroeg Elsje lachend.

"Dan noem ik je nooit meer Roodkapje."

"Alsof dat zoo'n straf was!" riep Elsje uit, om toen plotseling van toon te veranderen en langzaam, en als bij zichzelf te zeggen: "Ja .... dat zou ik toch wel een beetje jammer vinden."

Grootmama keek snel op. "Waarom wordt je zoo graag Roodkapje genoemd?" vroeg ze.

Elsje antwoordde niet dadelijk. Toen zei ze: "Het herinnert me zoo prettig aan vroeger."

"Waarom ben jij Roodkapje?" vroeg Liesje met groote oogen.

"Omdat zij soms boodschappen gaat doen met een heel aardig, rood wollen kapje op," zei Frits.

"En waarom zet je het dan nu nooit op?" vroeg Liesje. "Je hebt altijd dien grooten hoed op, als wij samen boodschappen doen in het dorp. Doe je morgen dan dat aardige, roode kapje eens op?"

"Morgen zijn tante en Cécile hier," zei Elsje langzaam.

"Maar je hebt dat kapje toch zeker ook niet bij je, wel?" vroeg grootmama. Het deed haar leed op te merken hoe weinig Elsje naar het gezelschap van mevrouw d'Ablong en Cécile scheen te verlangen. Zij was nu drie weken bij de oude dame gelogeerd geweest, drie gelukkige, zonnige weken, waarin hare oude opgewektheid en hare gezondheid geheel waren teruggekeerd, maar hoe vroolijk en spraakzaam zij overigens ook was, over hare tante en Cécile sprak zij bijna nooit.

Zij werd een beetje verlegen bij grootmama's vraag omtrent het bewuste kapje en beschroomd, erg bang dat men haar uit zou lachen, zei ze bijna fluisterend:

"Ja, ik heb het wel meegenomen in den koffer, omdat ik dacht .... als ik soms eens alleen uitging .... het leek me zoo aardig het dan eens op te zetten en me dan te verbeelden dat ... dat alles nog net was als vroeger."