Een uitstapje naar Sicilië De Aarde en haar Volken, 1868

Part 5

Chapter 53,851 wordsPublic domain

Gaarne had ik het pad ingeslagen, dat regelrecht naar Aderno afdaalt, maar de gids had waarschijnlijk zijne redenen dat hij mij een anderen weg deed nemen, en vijf of zes mijlen meer zuidwaarts bracht hij mij op den grooten weg. Daar ik hem nu verder kon missen, gaf ik hem zijn afscheid, en terwijl hij in de een of andere schuur ging uitrusten, vervolgde ik mijn weg naar de belangrijke stad Aderno.

Den volgenden dag zette ik mijn tocht om den Etna voort, maar in plaats van den grooten weg te nemen, die langs de hellingen van den berg verscheidene honderde ellen boven den Simeto kronkelt, daalde ik in het dal af, ten einde den loop na te gaan, dien de rivier door de nieuwe lava genomen heeft. Terwijl ik een bevallig voetpaadje volgde, dat aan de andere zijde van het dal oploopt, stond ik weldra voor een der grootste gedenkteekenen van Sicilië. Het is een waterleiding die, met vrij wat meer recht dan de brug van San Leonardo, de ponte bij uitnemendheid verdiende genoemd te worden. Voor meer dan een eeuw doorsneed deze aquaduc, door reusachtige bogen van dezelfde hoogte gedragen, het geheele dal, maar hij was tegen de stormen en aardbevingen niet bestand. De prins, die toen eigenaar was der naburige vlakte, veranderde haar in een duiker. Het aan den voet van den Etna opgevangen water daalt van de oostelijke zijde des dals langs een sterke helling, loopt vervolgens, boven de rivier, over een horizontalen aquaduc van een dertig bogen en stijgt vervolgens, ten gevolge der persing, de tegenoverliggende helling weder op. Met dat groote werk is een brug van pyramidalen vorm, even als al de oude bruggen van Sicilië, verbonden.

Boven deze waterleiding, ponte di Carcacci of van Aragona geheeten, naderen de lavabanken, die de breede hellingen van het dal vormen, elkander trapsgewijs, en het bed van den Simeto vernauwt zich hoe langer hoe meer in den engen doortocht, dien de wateren zich zelven gegraven hebben. Toch hebben zij hun uitgraving nog niet geheel voltooid, daar zij op twee plaatsen watervallen vormen, een op Sicilië zeer ongemeen schouwspel. Bij haar lageren val verdeelt de rivier zich in verscheidene beken, die van een tamelijke hoogte naar beneden storten, maar zoo smal, dat, zoo als men zegt, een vloo die met eenen sprong zou kunnen overhippen: van daar den naam Salte del Palivallo of „sprong van de vloo”. Nog hooger op, boven een oude, allerschilderachtigste brug, heeft de stroom in 1610, door een van den Etna dalenden lavadamp tegengehouden, zich een inham gegraven, aan welks einden men het water in een aantal kaskaden naar beneden ziet storten. Daar heeft men den Salto del Pecoraro of „sprong des herders”, aldus volgens de overlevering genoemd, omdat hier een herder, om zijne geliefde spoediger te ontmoeten, gewoon zou geweest zijn van den eenen op den anderen oever over te springen. Overigens kwam deze daad mij niet zoo hoogst opmerkelijk voor, en ik zou misschien gepoogd hebben den stortvloed op dezelfde wijze over te springen, ware ik niet bevreesd geweest op de gladde rotsen uit te glijden.

Van den Salto del Pecoraro naar de stad Bronte moet men een woestijn van lava, gedeeltelijk oud, gedeeltelijk nieuw, maar overal toch ongeschikt voor den akkerbouw, doortrekken; ter nauwernood ziet men zelfs op de lagen, waarvan de oppervlakte reeds door den invloed van lucht en weder is afgesleten, eenige geelachtige mossen, dotjes gras en cactussen. Het algemeen voorkomen van het landschap is niet minder woest dan de Val del Bove aan den anderen kant des Etna’s, maar het is op verre na niet zoo grootsch: want om de gestolde zee van metaalslakken verheffen zich hier niet zooals daar de reusachtige muren van een onmetelijk amphitheater, en zelfs is de rookende kruin van den vulkaan bijna overal voor het oog bedekt door uitstekende rotsen, groote aschhoopen of op elkander gestapelde puinbergen. Al deze lagen van zwarte of rosachtige lava, die elkander op de hellingen van den berg als zoovele parallelloopende wallen opvolgen, zetten de omringende streek een allerdroevigst en ernstig voorkomen bij.

Bronte, waar men eindelijk, na een allervermoeiendsten tocht over de metaalslakken, aankomt, draagt nog terecht den naam van een Cycloop, zoon der Titanen, die den donder smeedde. Aan alle kanten hangen lavabrokken boven de huizen, talrijke kraters verheffen zich in de nabijheid, en op de helling van den Etna gaapt een lange geul, die een bed schijnt te zijn, bij voorraad gereed gemaakt om den vloed van gesmolten stoffen te ontvangen, die zich op Bronte zoude ontlasten.

In weerwil van dit onophoudelijk haar dreigende gevaar, is Bronte toch een zeer belangrijke stad; zij heeft een groot collegie, koepelkerken, entrepôts, waar uitstekende wijn wordt opgeslagen, die later aan den engelschen handel onder den naam van Marsala wordt afgeleverd. Nochtans is het haast overbodig te zeggen, dat Bronte den reiziger slechts zeer ellendige logementen aanbiedt. Terwijl ik aarzelde twee in smerigheid met elkander wedijverende herbergen binnen te gaan, eindigde ik met mijn intrek in het „logement de Wolf” te nemen, en wel naar aanleiding van dit op het uithangbord geschilderde tweeregelige versje:

„Ospite, non temer di lupo il tetto; Trovi senza periglio agio e ricetto.” [2]

Ongelukkig bemerkte ik te laat dat deze verzen een verschrikkelijke spotternij waren; ik werd in alle opzichten als een schaap behandeld.

De zich beneden Bronte uitstrekkende vlakte maakt met de naburige valleien een groot leen uit, door Ferdinand van Napels aan Nelson geschonken ter belooning voor diens behulpzaamheid in het vermoorden van zijn volk.

De weg, die van den Etna loopt, verheft zich langs een steile helling boven deze bebouwde gronden en bereikt weldra de alpenstreken, waar men noch olijfboomen, noch wijngaarden, maar alleen korenvelden en woudboomen vindt. De pas, door welken men den noordwestelijken hoek van den Etna omtrekt, heeft een hoogte van niet minder dan duizend ellen.

Van daar gezien, gelijkt de kolossus het meest op sommige bergen in Midden-Europa. Indien ik op den top van den hoofdkrater de golvende rookkolom niet had gezien, zou ik in den waan hebben kunnen geraken, dat deze bevallige, met eiken en kastanjeboomen beschaduwde valleien, deze zacht afgeronde hoogten, waarop de blanke sneeuw zich aan het groen der pijnboomen paart, tot een of anderen berg der Alpen of Pyrenaeën behoorde. Het stadje Randazzo, welks hooge muren en vestingwerken in de middeleeuwen dat gedeelte van den Etna verdedigden, schijnt eveneens uit een of ander noordelijk land naar Sicilië’s bodem te zijn overgebracht. Het voorkomen van het stadje is somber en ernstig, als in de dagen der normandische koningen.

Mijn laatste pleisterplaats op den grooten weg, die van Catania naar Taormina en den Etna loopt, was de stad Linguagrossa. Ik voelde mijn hart in mij bonzen toen ik die binnentrad, niet omdat ik er kunststukken zou vinden, of een vriend ontmoeten, maar daar moest ik de hellingen van den vulkaan gaan beklimmen, om den lavastroom en de aschwolken te gaan bezichtigen, die nog uit het hart van den berg opstegen. Reeds van Taormina uit had ik den rooden gloed der uitbarsting kunnen onderscheiden; nu ging ik die van naderbij bestudeeren; voor het eerst van mijn leven zou ik de boorden volgen van een nog in beweging zijnden lavastroom; voor de eerste maal de brandende vloeistoffen haar korst van slakken zien opheffen en zich naar buiten verspreiden; voor het eerst de kolom van damp en asch aanschouwen, die met donderend gefluit uit de onderaardsche kolken opstijgt.

De eerste hellingen van den berg, aan den kant van Linguagrossa, leveren niets dan oude lavalagen en graanvelden op, maar wanneer men de hoogst gelegen pachterswoningen voorbij is, bereikt men het bevallige plateau van Donnavita, waar het pad nu eens door grasrijke weiden, straks onder groote pijnboomen en eiken voortslingert. Ongelukkig ontmoet men van afstand tot afstand de houten hutten der kolenbranders en houthakkers, die nu aan het werk zijn om het bosch te vernietigen en alzoo den zuidelijken wand van den Etna onvruchtbaar te maken. Weldra, wanneer de boomen zullen geveld en het gras zelf door den regen zal vernield zijn, zullen er diepe kloven in de hellingen ontstaan en zal de streek het voorkomen aannemen van een woestijn. Toen ik voorbijging hadden de speculanten, die zich tot taak gesteld hadden den Etna van zijne eeuwenheugende bosschen te berooven, hun goddeloos werk pas aangevangen; de boomen met hunne breed uitgespreide twijgen stonden nog overeind, terwijl de vogels, nog niet door den bijl verjaagd, lustig en wel in het gebladerte kwinkeleerden. Zoodra de eerste stralen van den dageraad, als zoovele pijlen door het netwerk der ontelbare takken heendringende, geheel het gewiekte vogelenkoor hadden gewekt, was het overal feest; en als ware het bosch niet veroordeeld geweest om weldra te verdwijnen, begroette een concert van allerhande gekweel den ontwakenden dag.

Verschillende ontploffingen hadden mij reeds aangekondigd, dat ik het tooneel der uitbarsting naderde. Plotseling, bij een kromming van het pad, zag ik een laag van zwarte en nog rookende lava, die het bosch omgaf als de bouwval van een reusachtig bolwerk. Het was een arm van den stroom van gesmolten stoffen, door den Etna uitgeworpen. De geweldige metaalslakken, door de inwendige kracht der lava gespleten en verwrongen, verhieven zich boven elkander als ineengekronkelde slangen ter hoogte van tien en vijftien ellen; boomtronken, sommige half verkoold, andere nog met hunne takken prijkende, lagen hier en daar op de oppervlakte verspreid van den stroom die hen had medegesleept. Aan de boorden van den gestolden vloed rezen op zich zelf staande of in groepen bijeengevoegde pijnboomen op, die niet door de nabijheid der gesmolten stoffen schenen geleden te hebben, en bewogen nog hun gebladerte boven de opeengestapelde rookende massa.

Eenige boomen, om zoo te zeggen met een overtrek van lava bekleed, vertoonden nog een zweem van leven, hoewel een vurige stroom zich om hunne wortels gelegerd had. Een kleine heuvel, die op zijne hellingen een boschje van pijnboomen torschte, verhief zich nog als een eiland boven deze zee, die het met hare gloeiende golven hield omsloten. Op de oppervlakte was de lava nog warm, maar toch viel het mij niet moeielijk den als in een eiland herschapen heuvel te bereiken, terwijl ik over de gestolde metaalslakken als over de ijsschollen eener rivier heenstapte.

Den oever van de gestolde laag volgende, kwam ik aan den voet van een steile lavamassa, waar de aandrang der gesmolten stoffen zich nog krachtig bespeuren deed. De gestolde korst verhief zich hier en daar, spatte vervolgens met een metaalklank uiteen, terwijl de verblindende massa naar buiten stroomde als het uit een smeltoven voortkomende ijzer. Niet ver van daar ontwaarde ik een ouden met hout begroeiden krater, waar, volgens het zeggen van mijn gids, twee lordi inglesi eenige weken vroeger hunne tent hadden opgeslagen, om photographische afbeeldingen van de uitbarsting te maken.

Aan den voet des ouden kraters, Due Monti genaamd, gekomen, zag ik eindelijk de donderende heuvels, die zich trapsgewijs ter hoogte van honderd ellen boven de kloof van den vulkaan hadden opgeworpen. De hoogste kegel, waardoor de uitbarsting plaats heeft, werpt geen metaalslakken of asch meer uit; de schoorsteen van den krater is met brokstukken gevuld, en het inwendige woelen en koken blijkt alleen uit de zwavelachtige of met zwavel en salpeter bezwangerde dampen, die als rook uit de zijden van den heuvel opstijgen. De tweede kegel, op een lager gedeelte van de kloof gelegen, staat nog in rechtstreeksche verbinding met den lavahaard; maar hij brengt op den duur geen donderend gedruisch voort, en rust als het ware van iedere ontploffing om adem te halen uit. Een gerommel, aan dat van den donder gelijk, kondigt de uitbarsting aan; groote grauwe dampwolken, met asch en steen beladen, stijgen uit den mond van den vulkaan op, verdonkeren een oogenblik de atmosfeer, laten hunne projectielen binnen een rayon van verscheidene honderde ellen rondom den kegel vallen, om daarna, door den wind voortgedreven, in de verte met de wolken van de lucht in een te smelten. Wat de lagere kegels betreft, die zich onmiddellijk boven de bron van lava verheffen, deze loeien steeds voort en werpen onophoudelijk gesmolten stoffen uit hunne kolken op. De uit den kokenden put opdwarrelende dampen verdringen elkander en verdeelen zich aan den mond des kraters, de eene zijn rood- of geelachtig door den weerschijn der gloeiende stoffen, de andere hebben verschillende kleuren door de mede opgeworpen steenen en rotsblokken, maar zij ontvluchten zoo snel, dat men hen met den blik niet volgen kan. Een onbegrijpelijk gerucht van snijdende stemmen en geluiden komt uit den grond voort: het is als het geraas van zagen, fluiten en tallooze hamers die telkens op het aambeeld nedervallen. Men zou meenen het geloei te hooren van de door storm voortgezweepte, op de rotsen brekende golven, indien de plotselinge ontploffingen niet nu en dan haar donderend geraas aan al dat woedende geweld der elementen paarden. Men staat verschrikt, als voor een levend wezen, bij het gezicht van die groep loeiende en rookende heuvelen, wier kegels steeds grooter worden door de uit het hart der aarde opgejaagde en uitgedreven puinen.

Terwijl ik mij aan den westelijken voet der steenheuvelen bevond, was het niet mogelijk de hoogsten hunner te beklimmen, want de wind blies met vrij wat geweld in de richting van het noordoosten en dreef naar dien kant de wolken van damp en asch heen. Alleen was ik genoodzaakt snel te loopen, want de rookende grond bezat nog een hoogen warmtegraad.

Terwijl ik dus met groote stappen voortschreed, kon ik mij rekenschap geven van het algemeene voorkomen der heuvels. Hunne zwartachtige hellingen waren hier en daar met goudgeel of sneeuwwitte lagen bekleed, die niet anders waren dan daarop uit de dampen neergeplofte zwavel, ammoniak- en keukenzout.

Rondom de kraters was de grond met asch bedekt, die de wind in den vorm van duinen had opgewaaid. De dichtst bijstaande boomen schenen zoovele in het zand geplante palen; het onderste gedeelte van hun stam was bedolven, hun kruis was ontkroond of zelfs geheel en al gebroken; eenige, reeds aan den voet verbrand, hingen schuins over de aschvlakten heen. Ten zuiden toonden een zeer zichtbare uitholling en groote spleten in den grond, op verschillende plekken van de lange helling van den Monte Frumento, de kloof, waaruit, in den nacht van den 30sten op den 31sten Januari 1865, de eerste lavastroom gevloeid was. Deze overstrooming van gesmolten stoffen, die plotseling het bosch overweldigden, had duizende boomen weggeraapt, hoewel enkele krachtige stammen weerstand hadden geboden, en zelfs, ten teeken van hunne overwinning, gestolde stukken lava op hun schors droegen. Op de plek, waar de vuurstroom voorbij was gegaan, had een vroeger reiziger een pijnboom ontdekt, welks stam, bij wijze van overtrek, op een tiental ellen boven den grond een dikke metaalslak droeg, blijkbaar door den aan den Frumento ontsnapten stroom aangevoerd. Een lekkerbek zou dit stuk steen bij een aan ’t spit gestoken schapenbout vergeleken hebben.

Een groot gedeelte van den dag bracht ik aan den voet dezer ongenoemde heuvels door, waaraan men voortaan naar recht en billijkheid de namen moest geven der geleerden door wie zij zijn bestudeerd, als daar zijn Fouqué, Silvestri, Viotti, Grassi; daarna daalde ik langzaam naar beneden, terwijl ik den oostelijken oever van den lavastroom volgde tot aan den rand van den afgrond van Cola Vecchia, van welks hoogte een katarakt van steenen en gloeiende stoffen, eenige dagen na het splijten van de zijden des bergs, was neergetuimeld. Niet ver van daar heeft men een pachterswoning, waar mijn gids mij een onderkomen verschafte. Het eenige op dezen tocht geleden verlies was dat van mijn hoed, die door eenige nog brandende en uit de kraters opgeworpen steentjes doorboord was.

De weg, dien ik den volgenden dag moest inslaan om den grooten cheire van Zaffarana, in 1852 uit den Val del Bove voortgekomen, te bezoeken, loopt op een kleinen afstand van den beroemden kastanjeboom der Honderd-Paarden. Deze reusachtige boom is niet meer wat hij in de vorige eeuw was; het is zelfs geen boom meer, maar een groep van drie stammen, waarvan de twee voornaamsten reeds volkomen in het hart zijn aangetast. In de dagen van zijn roem bedroeg de omvang van den kastanjeboom van Honderd-Paarden niet minder dan zestig ellen. De prachtige kastanjeboom van de Nave, dien men nog op een geringen afstand in het noorden ziet, heeft slechts achttien ellen omvang; maar hij is nog niet, als de genoemde, van ouderdom verteerd, en zijne geweldige takken breiden zich verre uit, om zich te vermengen met de twijgen van een anderen bijna even reusachtigen boom. Overigens zullen zij, die niet alleen de boomen om hun kolossalen omvang of hoogen ouderdom bewonderen, op deze zelfde helling van den Etna duizende kastanjeboomen, eiken en abeelen aantreffen, die inderdaad prachtig zijn om hun fraaien stam, hun zuivere schors, de bevalligheid en den adel van hun voorkomen. Hoewel de boomen schaarsch en weinig beteekenend zijn, wordt de zwarte mestaarde gestadig vochtig gehouden door het doorsijpelen van de sneeuw, en kan het hout der boomen de noodige sappen vinden.

Zaffarana, mijn tweede pleisterplaats op de oostelijke helling van den Etna, is een groot dorp aan het lagere einde van den lavastroom, die in 1852 uit den Val del Bove vloeide, en die, in de hedendaagsche geschiedenis van den vulkaan, alleen met de uitbarsting van den Monte Frumento kan worden vergeleken. Ook kon ik niet nalaten dezen stroom te onderzoeken, te meer daar het mij de gelegenheid schonk dien afgrond van den Val del Bove, dien ik reeds van de sneeuwhoogte des bergs aanschouwd had, weder te zien. Ik was zelfs zoo gelukkig, mijn geestdrift over te storten in het hart van een eleganten Cataniaschen burger, die te Zaffarana was om ik weet niet welke belangrijke zaak. De brave kerel was in de schaduw van den Etna geboren; hij had altoos den witten rook er van in de lucht zien dwarrelen, en toch was hij nooit op het denkbeeld gekomen hem te bestijgen, of zelfs maar een der kleine kraters te bezoeken, die men op de zijden van den berg in menigte aantreft. Ik verweet hem zijne onverschilligheid, en des avonds, toen wij elkander wederkeerig goeden nacht wenschten, was mijn kameraad er vast toe besloten krachten te verzamelen voor den volgenden dag.

Inderdaad waren wij beiden op het bepaalde uur gereed en begaven wij ons dapper op marsch. Alles ging uitmuntend zoolang wij nog op het gebied der tuinen van Zaffarana waren; maar voorbij een steenachtig veld, dat aan de eene zijde door moeielijk te beklimmen steilten en aan den anderen kant door een muur van metaalslakken, afkomstig van de groote uitbarsting, ingesloten werd, bemerkte ik dat mijn vriend de Cataniër den moed liet zakken.

Het was recht warm: geen zuchtje drong door in de soort van put, waarin wij ons bevonden. Echter deed de toerist-leerling eenige vruchtelooze pogingen om een eerste helling te bestijgen, door zich aan de struiken vast te klampen; maar deze eerste proef scheen hem voldoende: hij overwon het gevoel van schaamte, dat hem nog aan mijne zijde deed blijven, en terwijl hij mij allen mogelijken zegen op mijn pad toewenschte, keerde hij naar Zaffarana terug.

De beklimming van het voorgebergte, dat den zuidelijken rand van den Val del Bove vormt, gaat inderdaad zeer moeielijk; maar hoe ziet men zijne vermoeidheid beloond, als men den top der steilte bereikt heeft! De groote kegel van den vulkaan vertoont zich in al zijn luister, terwijl hij als twee groote armen de wanden van den Val del Bove, beurtelings wit en zwart gestreept, door de lavamuren en de sneeuwvallen vooruitsteekt. In de verte ontwaart men het uitgebreide veld van metaalslakken, welks oppervlakte niet minder dan vijf-en-twintig vierkante mijlen beslaat; uit het hart dezer zee verheffen zich hier en daar, als eilandjes, afzonderlijk gelegen rotsen en de kraters, aan wier voet de uitbarsting van 1852 een begin nam. Deze groote stroom, die zich van de oudere lava’s door zijn ijzerkleur zeer duidelijk onderscheidt, verspreidt zich eerst in het veld, vervolgens splitst hij zich in drie afzonderlijke armen, waarvan de twee voornaamste verder zich op nieuw in de velden van Milo en Zaffarana vereenigen. De zuidelijke arm werpt zich met een grooten val in het kleine gesloten bekken van den Val van Colonna, waar men enkele brokken weiden aantreft. In de streek van den Etna wordt het oog door weinig verrassender tooneelen aangedaan dan die van dezen zwartachtigen lavaval, welke van een hoogte van 120 ellen naar beneden stort en door een groote rots wordt gekroond, in het midden van den stroom als de rots van den Niagara oprijzende.

De lavastroom van 1852, een der aanmerkelijkste die in de nieuwere tijden uit de zijden van den Etna is voortgevloeid, is ook een van die, welke de meeste schade heeft aangericht, want door zijn onderste laag werden de velden bedekt, die onder de best bebouwde van Sicilië gerekend werden. Daarenboven verdorden eensklaps de wijngaarden en de boomgaarden, beneden de verst voortgedrongene lavastroomen gelegen, alsof hunne bladeren door de hitte van den brand waren vernield. Om dit zonderlinge verschijnsel te verklaren, moet men weten dat zekere aderen van den grooten lavastroom de spleten van den grond binnendrongen, en de een of andere holligheid in den berg onder de vermelde boomgaarden vulden; daar de wortels het noodige vocht dierven moesten de boomen wel sterven.

Te Zaffarana teruggekeerd, behoefde ik slechts den voet van een fraaien, door landhuizen omgeven kegel om te trekken, om het dorpje Via-Granda te bereiken, van waar uit ik den tocht om den Etna had aangevangen. Weldra kwam ik weder te Aci-Reale en den volgenden dag te Catania, na met blijdschap de Cyclopen-eilanden en het kasteel van Aci-Castello terug te hebben gezien.

IV.

Beminnelijkheid der Cataniërs.—De fraaie stad.—De kerk van San Benedetto, de Kathedraal en de sluier der heilige Agatha.—De stroom Amenano.—Handel van Catania.—De historische karren.—Centorbi en de zwavelmijnen.—Gezicht van den Etna.—Kaap Santa Croce.—Agosta.—Het voorgebergte van Panagia.—Het eiland Ortygia.—De tempel van Minerva.—De bron van Arethusa.—De katakomben.—Mijn vaarwel aan Sicilië.

De Cataniërs beroemen er zich op de beminnelijkste der Sicilianen te zijn, en, als ik naar mijne eigene ondervinding er over mag oordeelen, ben ik zeer geneigd te gelooven dat zij gelijk hebben. Zelden heb ik dienstvaardiger, welwillender lieden gezien, of die er meer op uit zijn, den naam van gedienstigheid en gastvrijheid te verwerven. Als vreemdeling werd ik overal met de uiterste voorkomenheid ontvangen; ik vond alle deuren voor mij geopend. Nauwelijks was ik vier-en-twintig uren te Catania, of reeds hadden eenige personen gezorgd dat ik een allergenoegelijkst leven kon leiden, door op de verplichtendste wijze hunne boeken, hunne dagbladen en vooral hun tijd ter mijner beschikking te stellen. Van waar ontstaat deze tot een spreekwoord geworden beminnenswaardigheid der inwoners van Catania? Ik kan het niet zeggen: maar hoe het ook zij, de Cataniërs zijn trotsch op den goeden naam, die in deze van hen uitgaat en zoeken dien des te sterker te verdienen. Het schijnt ook, dat zij niet zoo jaloersch zijn als de Palermitanen, want hunne vrouwen en dochters zijn geenszins beducht zich in de straten te vertoonen, het hoofd ter helft omhuld met een bevallige mantille van zwarte zijde, die onder den rechterarm is vastgemaakt. Van verre zijn al de vrouwen in dit bevallige costuum schoon.