Een uitstapje naar Sicilië De Aarde en haar Volken, 1868
Part 6
Zelfs uit het oogpunt der architectuur is de stad een der aangenaamste van Sicilië. De straten zijn breed en zeer luchtig. De huizen, in den pretentieusen stijl der zeventiende eeuw opgetrokken, maken niettemin een vrij goede vertooning wegens hunne regelmatige vormen, hunne schitterende kleuren en groote lijnen. Fraaie tuinen versieren de stad. Aan de zuidzijde van Catania ziet men wel is waar, als een somber bolwerk, den grooten stroom der zwarte of rosachtige lava van 1660, waarop niets groeit dan eenige doornige cactussen met hun krans van ronde bladeren, van een metaalachtigen glans glinsterende: maar ten westen en ten noorden omringen de oranjebosschen, de boomgaarden, de tuinen vol vreemde planten, met hun schitterend gebladerte of doordringenden geur, de stad als met een groenen gordel. Aan alle kanten steken boven de takken hooge met parcelarias en andere slingerplanten bekleede torentjes uit: het zijn de landelijke, op de waterleidingen gebouwde kasteelen, waardoor de van den Etna afgedaalde beekjes heen stroomen. Toch maken noch de boschjes, noch de tuinen, de voornaamste schoonheid van Catania uit, maar wel de dubbele blauwachtige kruin des vulkaans, die men boven de lange hellingen, aan den voet met groen bekleed en in de hoogte met sneeuw gekroond, ziet rooken. Uit de groote straat, die door geheel Catania, ter lengte van drie kilometers op de helling van den berg loopt, geniet men een uitzicht, dat zijns gelijken in Europa niet heeft.
Catania heeft geen monumenten, die de moeite van een bezoek beloonen. Het oude romeinsche theater, welks materialen grootendeels gediend hebben tot den opbouw der kathedraal, heeft slechts voor de archeologen iets belangrijks; het amphitheater is bijna geheel onder de lava bedolven en men moet er als in een grot binnendringen. Van de honderd drie kerken, die de stad bezit, is er niet een, wier stijl schoon mag worden geheeten, als men die van Santo Carcere uitzondert, wier romaansch portaal allermerkwaardigst is. Al de anderen, hetzij slechts kleine kapellen met eenvoudige klokketorens of groote met koepels gekroonde kerken, zijn evenzeer met lomp en gemaniëreerd beeldhouwwerk beladen. De merkwaardigste kerk is ongetwijfeld die van San Benedetto, die een deel uitmaakt van een geweldig groot klooster, waarin de ambtenaren van het gouvernement, alsmede de officieren en soldaten van het garnizoen, nevens de monniken, zijn gehuisvest. De voorgevel der kerk is nog onvoltooid, maar wekt des te meer belangstelling op met hare groote schachten van kolommen, die in plaats van kapiteelen met gras en bloemen zijn bekroond. Het schip, het grootste van Sicilië, is niet minder dan honderd-zes-en-zestig ellen lang en twintig ellen breed; het krachtige orgel, dat deze ruimte met zijn klank moet vullen, telt bij de drie duizend pijpen. Op het plaveisel der onafzienbare kerk hebben de beroemde sterrekundigen Sartorius, dynast van Waltershausen, en zijn vriend, doctor Peters, een meridiaan getrokken en in marmeren letteren hunne opmerkingen betreffende de meteorologie, en de hoogte van Catania, Nicolosi en de Etna gegrift.
De kathedraal, die zich op een geringen afstand van de haven verheft, is een gebouw van een minder profaan voorkomen, en hare met fresco’s beschilderde kapellen zijn allen opgevuld met altaren en beelden.
Daar bewaart men den beroemden sluier der heilige Agatha, die het palladium van Catania geworden is. Eertijds was de kathedraal aan de Heilige Maagd gewijd; maar tijdens de verschrikkelijke uitbarsting van 1669, waardoor een gedeelte der stad vernield werd, en later in 1693 tijdens een aardbeving, hebben de Cataniërs, die van oordeel waren dat de heilige Agatha zich een betere beschermster had betoond, de kathedraal herdoopt. Inderdaad is, als wij den schrijver van den Mongibello descritto, don Pietro Carrera, gelooven mogen, de sluier van de heilige Agatha altoos voldoende geweest om het leger Cyclopen op de vlucht te jagen.
„Op het zien der gewijde banier, werd de snelvloeiende lavastroom gekeerd;—hij heeft zich in steen veranderd, waarover men blootsvoets gaat, en waarin de overwonnen geesten en monsters zijn opgesloten. Hier werd de Mongibello verpletterd—hier werden de vlammen uitgedoofd—en zegevierde de dappere standaard der hemelsche amazone.—Sedert heeft de met schaamte overtogen Etna zich in een dichte asch gehuld, hetzij om den langen terugtocht der zijnen te verbergen, het zij om zich het gezicht te sparen der roemrijke krijgers van Catania.”
Niet ver van de kathedraal ontspringt uit den grond een fraaie bron helder water die, lang voor de heilige Agatha, een der beschermende godheden der stad was; het is de antieke Amenanus, op de basreliefs en de medailles voorgesteld onder de trekken van een jeugdig man, met een naïef voorkomen en lokken door een bloemguirlande omkranst. Tot op geringen afstand van zijn monding door den lavastroom van 1669 overdekt, vormt nu de oude, door de Grieken van Catania vereerde „stroom” tegenwoordig een doorschijnende kom op het Domplein, loopt vervolgens onder de oude muren door, en komt weder aan het licht, om met zijn helder water de wortelen te drenken van eenige op de kaai, te midden van andere boomen en bloemen, geplante treurwilgen. Heerlijke massa’s groen, statig tusschen bebladerde oevers zwemmende zwanen, ziedaar alles wat door den Amenano op zijn honderd ellen langen tocht wordt weerkaatst; daarna vermengt hij zijne wateren met de golven van de haven, terwijl hij over een lang bed van keisteenen henen wentelt. Een aantal andere beken, aan den Amenano gelijk, zijn nog onder de lava van Catania verzegeld, en men wijst u de juiste plek, waar de uitgravingen haar eenmaal aan het licht zullen brengen.
De haven van Catania beantwoordt lang niet aan de locale behoefte des handels. Toch is deze stad, zonder in belangrijkheid met Palermo of Messina te kunnen wedijveren, de hoofd- en uitvoerplaats van het nijverste en meest bevolkte gedeelte van geheel Sicilië. Bijna een half millioen inwoners, waarvan ongeveer honderdduizend op de zijden- van den Etna gehuisvest, erkennen Catania voor hun metropolis, en staan met geheel de buitenwereld door deze stad in betrekking. De voortbrengselen der omliggende velden, als wijnen, oranjeappelen, kaas, katoen, sumak, zijn van uitmuntende hoedanigheid, en weldra zal het draineeren en het in bouwland herscheppen van de groote, thans nog moerassige vlakte, die ten zuiden van Catania aan de monden van den Simeto en de Gurna Lunga zich uitstrekt, op een belangrijke wijze de hoeveelheid dezer voor uitvoer bestemde voortbrengselen doen toenemen.
Dit is lang niet alles. In een niet veraf zijnde toekomst zal Catania het centrum van het siciliaansche spoorwegnet worden; het zal het vereenigingspunt worden voor de spoorlijnen van Messina, Palermo en Syracuse, en bijgevolg zal daar voor geheel Sicilië het groote middelpunt voor de reizigers en den transitohandel zijn. Op dit oogenblik is Catania reeds de stad waar de meeste rijwegen op uitloopen, en onder deze wegen is een der voornaamste van geheel het eiland, dat hij van het eene tot het andere eind, van de Ionische zee naar de golf van Palermo, doorsnijdt. Waar is het, dat deze nationale weg tegenwoordig geheel verlaten is, omdat de weg over zee oneindig meer gemak aanbiedt; in een geheel jaar begeven zich nauwelijks drie of vierhonderd lieden regelrecht te land van Catania naar Palermo; maar als men den geheelen weg in eenige uren zal kunnen afleggen, zal ongetwijfeld eensklaps de handelsstroom een anderen koers nemen, en zullen de meeste reizigers zich stellig niet aan de kans van zeeziek te worden blootstellen.
De verschillende rijwegen, die rondom Catania naar de in den omtrek gelegen stadjes, als Lenlina, Caltagirone, Paterno, Aderno en alle andere vlekken der Etnastreek loopen, hebben een betrekkelijk vrij grooten invloed op de vervaardiging van alle soorten van rijtuigen gehad. Uit een artistiek oogpunt kan men dus te Catania het gemakkelijkst eene vergelijking tusschen de rijtuigen maken, want in dit land zijn de wagens en karren, niet zoo als bijvoorbeeld hier te lande, een eenvoudige samenvoeging van planken, maar ook in zekere mate kunststukken. De bok van het rijtuig rust op een fraai bewerkten ijzeren as, die in bevallige arabesken uitloopt. Iedere buitenzijde van de kar is in twee afdeelingen gesplitst, die ieder een schilderij bevatten. Het goudgeel, het hoog rood en andere heldere kleuren spelen in deze schilderijen, wie het soms niet aan stijl ontbreekt, de hoofdrol. Meestal stellen zij godsdienstige tafereelen voor, nu eens uit het leven van Jezus en Maria, dan weder uit dat der meest gevierde siciliaansche beschermheiligen, als Johannes de Dooper, de heilige Rosalia, Agatha of Genoveva van Brabant. Soms worden ook de paneelen der wagens met tafereelen uit de ongewijde geschiedenis, ja zelfs met liefdesvoorvallen beschilderd; en langzamerhand maken dan ook de traditioneele onderwerpen plaats voor anderen, zoodat de natuurlijke aanleg des kunstenaars vrij spel gelaten wordt. De moderne geest is tot dezen achterhoek van het groote gebied der kunst doorgedrongen; maar weldra zullen de spoorwegen, de naar de parijsche mode gevolgde rijtuigen en de boerenwagens, naar het model der engelsche vervaardigd, de siciliaansche karren met hare schreeuwende kleuren vervangen hebben.
Het was mij onmogelijk den omtrek van Catania te verlaten, zonder een bezoek gebracht te hebben aan de zwavelmijnen van Centorbi, die het dichtst bij den Etna gelegen zijn. Het eerste gedeelte van den weg wordt afgelegd in een der hotsende wagens, waarin een groot aantal holderdebolder op elkander gepakte reizigers door de stofwolk heen elkaar in het oog trachten te krijgen. Het uitzicht op het landschap is op sommige plaatsen allerheerlijkst, met name op de hoogte van Misterbianco: maar toch gevoelde ik mij recht gelukkig, toen ik aan het eerste station van mijn tocht was, en wel de stad Aderno, waar ik, hetgeen ik nog vergat te zeggen, met de siciliaansche gendarmes op een vreemde wijze had kennis gemaakt.
Aderno ligt op den noordoostelijken hoek van den Etna, op een hoog terras van lava, dat, aan den kant der rivier Simeto, in loodrechte steilten eindigt. Van dat observatorium ziet gij ten westen het amphitheater der neptunische bergen, wier naakte en rotsachtige wanden zulk een scherpe tegenstelling opleveren met de vriendelijke hellingen van den Etna, waar de rijkste plantengroei tusschen de rooskleurige ophoopingen der metaalslakken zulk een schilderachtige uitwerking doet. Op het hoogste dezer kalkachtige punten van het neptunische gebergte teekent zich de stad Centorbi, niet ongelijk aan een rotsachtige kam, tegen de heldere lucht af. Naar dat arendsnest, waarin een gansche bevolking huist, moest ik omhoog stijgen.
De vlakte, die door het voorgebergte van Aderno wordt beheerscht, is in hare geheele uitgestrektheid met een lavabank bekleed, waarin de Simeto en de in dezen stroom uitloopende Salso zich hunne beddingen hebben gegraven. Over de eerstgenoemde rivier is een brug geslagen, maar ik moest den Salso doorwaden, terwijl ik nog de voeten stootte tegen de overblijfselen van een voor ettelijke jaren bij hoog water weggespoelde brug.
Onmiddellijk daarop nemen de steilten van Certorbi een aanvang. Om de stad te bereiken, wier torens men op een kilometer afstand boven zich ziet, is men verplicht een weg te volgen, die langs de uitstekende zijden van den berg heenloopt, of wel een voetpad te bestijgen, waaraan men den welverdienden naam van Scalazza heeft gegeven, en dat tusschen een smal ravijn met een aantal afgronden doorsneden voortslingert. De beklimming duurt bijna twee uren, en toch zijn de inwoners van Centorbi, die de aan den voet der bergen gelegen velden bebouwen, verplicht alle dagen deze eindelooze trap af te stijgen en op te klauteren. Op hoeveel tijdverlies in het leven van iederen mensch en van de opeenvolgende geslachten komt niet de keuze der woning te staan, die door den bitteren oorlog noodig is geworden! Hoe zou de beschaving zich hebben kunnen ontwikkelen, hoe hadden de menschen zich kunnen vereenigen tot een vreedzame maatschappij, toen iedere groep huizen in een in de lucht hangende vesting bestond? Aderno en Centorbi, beide op een rots gelegen, kijken elkander over het dal van den Simeto aan. De van den eenen naar den anderen top drijvende wolken doorloopen deze ruimte in eenige minuten, en boven op het voorgebergte van Centorbi kan men zelfs den geur inademen der aan de overzijde gelegen tuinen; maar om den afstand afteleggen, die de beide plaatsen scheidt, heeft men even veel tijd noodig als om uit Parijs naar de grenzen van België of naar de boorden van het Kanaal te komen.
Zelfs op Sicilië, waar zoovele steden op den top van een berg hangen, is er geen enkele die met Centorbi, wat haren bouw betreft, vergeleken kan worden. De geheele stad bestaat uit twee lange stegen in den vorm van twee saamgekoppelde halve manen. Deze twee stegen zijn niets anders dan smalle rotspaden tusschen twee steile hellingen, en de aan weerskanten staande huizen zijn gedeeltelijk boven den afgrond opgetrokken. Aan den kant van den openbaren weg, hebben de huizen grootendeels geen verdieping, terwijl zij aan den kant van den afgrond tot op een geweldige hoogte boven de gewelfde en van schietgaten voorziene schoormuren uitsteken. Aan een der naar het zuidoosten gekeerde uiteinden van de dubbele halve maan staat een oude, schilderachtige ruïne, waaromheen de inwoners van Centorbi een cirkelvormige plek hebben opengelaten. Dit belvedère, van waar men het prachtige land, dat door de grootsche massa van den Etna, van Catania tot Syracuse, wordt beheerscht, in al zijn heerlijkheid overziet, is bekend onder den naam van paleis van Koenraad, maar het was ongetwijfeld een romeinsch gebouw. Daarenboven hadden de Siculiërs reeds sedert twee eeuwen de stad Centuripæ bewoond, toen de Romeinen die veroverden, om haar tot een hunner eerste sterkten van Sicilië te maken. In de dertiende eeuw sloopte een duitsch keizer Centorbi, en joeg de inwoners er van naar den oever der zee; niettemin verrees er langzamerhand eene nieuwe stad op deze dubbele bergkruin. Tegenwoordig bedraagt de bevolking der in de lucht hangende stad niet minder dan 6500 inwoners. De vertegenwoordigers van het zwijnengeslacht zijn er haast even talrijk, en de stad wint er in zindelijkheid niet door. Hoewel door den adem van alle winden schoongevaagd, zijn enkele wijken van Centorbi geheel en al ontoegankelijk.
Na een poos lang op de brokkelende muren van Koenraads paleis verwijld te hebben, liep ik haastig het pad af, dat naar de zwavelmijnen van den baron Sesto voert. Tusschen de witte rotsen, die hier en daar boven den grond uitsteken, is de bodem overal met zorg bebouwd; maar nergens ontwaarde ik een huis; al de landbouwers keeren iederen avond binnen den omtrek der stad terug. De uitgestrekte graanvelden, waarmede de dalen zijn bedekt, en die zich langs de hellingen uitstrekken, hebben door deze afwezigheid van menschelijke woningen een bijzonder droefgeestig en ernstig voorkomen: het is alsof de mensch plotseling aan zijn landbouw is ontrukt en niemand komen zal om den in de voren oprijzenden oogst te maaien.
De fornuizen en de verschillende inrichtingen bij de zwavelmijn zijn de eerste gebouwen die men ten zuiden van Centorbi aantreft. Zij liggen op meer dan een mijl afstands van de stad, in een eng, rotsachtig dal, dat geheel en al met uit het hart van den berg voortgekomen steenen is opgevuld. Zonder tijd te verliezen vervoegde ik mij bij den ingenieur, die hier de opgraving bestuurt; deze stelde zich aanstonds met de meeste welwillendheid te mijner beschikking en was zoo vriendelijk mij in persoon in de gangen der mijnen te vergezellen.
Ik was hem er zeer erkentelijk voor, want wij waren op het heetste gedeelte van den dag, en al de arbeiders lagen in de schuren uit te rusten. De zonnestralen vielen loodrecht in het dal neder en werden door de witachtige steenen teruggekaatst. Daar de hoofdingang juist naar het zuiden lag, drong de zonnehitte tot in het diepste van de mijn door. Een sterke reuk van gezwaveld waterstofgas steeg uit den mond van dezen put op en sloeg ons op de keel. Nauwelijks was ik de opening binnengedrongen, of ik begon reeds met moeite adem te halen, terwijl mijn gelaat met zweet overdekt was. Gedurende eenige oogenblikken was ik bang geen stap te kunnen doen. De gangen der mijn van Centorbi gelijken meestal op soortgelijke uitgravingen, die als zijgangen in de bergen zijn uitgehouwen. De gewelven zijn laag en op ongelijke wijze bewerkt; lompe pijlers, op ruwe wijze door het houweel afgerond, ondersteunen de zoldering; flauwe lichtstralen komen met het weifelachtige schijnsel der lampen hier en daar uit het diepste der duisternis te voorschijn; voor een oogenblik ontwaart men gangen, die u oneindig toeschijnen: daarna verdwijnen die perspectieven in een oogwenk, en tracht de blik te vergeefs door het duister heen te dringen; men hoort allerhande vreemde geluiden: hikken en zuchten, die door de verre zich steeds herhalende echo’s geboren worden. De vochtigheid dringt de wanden door; er vallen druppels van het gewelf kletterend op den bodem: het water vermengt zich met de aarde van den grond en verandert dien in een glibberig en lijmig slijk. Op enkele plekken vereenigen de watervallen zich in ware zwavelachtige en rookende beken, die gemakkelijk de badkuipen van een uitgestrekt etablissement, als dat van Barèges en Caterets b.v., zouden kunnen voeden.
Evenwel heeft men deze bronnen niet geëxploiteerd, als alleen om alle jaren den eigenaar zelven van eenige kannen zwavelachtig water te voorzien. Tegenwoordig is deze overvloed van vloeistof, die elders zulk een grooten rijkdom zou opleveren, voor de mijn van Centorbi het grootste gevaar: want indien de pompen niet onophoudelijk in werking waren, zou het water weldra den onmetelijken doolhof van gangen vullen. Vier ongelukkige kerels, enkel met een lap om hun heupen bedekt, zooals de bewoners van Australië, en niettemin van het hoofd tot de voeten badende in hun zweet, werken onophoudelijk aan de slingers van de pompen. Gedurende acht lange uren zijn deze menschen, wier geheele denkkracht en werkzaamheid zich oplost in de aanhoudende gelijkmatige beweging der armen, niet anders dan aanhangselen der onverbiddelijke machine. Deze draait, en draait onophoudelijk en haalt, zonder ooit een oogenblik op te houden, de wateren naar boven, die in de metalen kuipen nederstorten; zij alleen schijnt te leven, en de athleten, die elkander om de acht uren aflossen, zijn niets dan deelen van het werktuig: in plaats van de machine te beheerschen, die zij in beweging brengen, zijn zij er de slaven van.
De verhouding der in de aderen der mijn van Centorbi aanwezige zwavel bedraagt ongeveer zes percent. Dit gehalte is betrekkelijk gering, en toch is het voldoende om de wanden der mijn te kunnen ontsteken en ze als pek te laten koken, alleen door de vlam eener lamp met den steen in aanraking te brengen. Overigens gaat men op dezelfde wijze in het groot te werk, tot verkrijging van de zwavel. De uit de mijnen gehaalde brokken worden eerst in de open lucht opgestapeld, en staan aldus gedurende korter of langer tijd aan den verwoestenden invloed van het weder bloot; vervolgens worden zij in hoopen geschikt boven de vuren der fornuizen. De steen splijt, en de gesmolten zwavel loopt in de voor haar ontvangst gereed gemaakte vormen. Hoewel deze bewerking, overeenkomstig de traditioneele sleur, een groote hoeveelheid zwavel doet verloren gaan, is evenwel de jaarlijksche opbrengst zeer winstgevend. De mijn van den baron Sesto levert ieder jaar twintig duizend quintalen aan den handel, ongeveer het vijfde der jaarlijksche opbrengst van geheel Sicilië. De mijnontginningen, die over de geheele breedte van het eiland, van Centorbi tot Girgenti plaats hebben, voorzien Europa van de twee derden der zwavel, die het voor zijn verbruik noodig heeft. De eigenaars der siciliaansche mijnen zijn inderdaad in het bezit van het monopolie en laten den handel veel te hooge prijzen betalen; ook zullen zij zich niet te beklagen hebben als de eene of andere nieuwe chemische uitvinding hen ten val brengt.
Bij het verlaten der mijn voelde ik mij door mijn zwaveldampbad te zeer uitgeput, om op nieuw den berg van Centorbi te beklimmen. Ik liep de steilten aan den zuidelijken kant, door eindelooze graanvelden, om, vervolgens daalde ik op de boorden van Simeto door een diep ravijn af, dat tengevolge der regens ieder jaar grooter wordt.
Bijna al de bebouwde en toch woeste velden, die ik, voordat ik Aderno bereikte, doortrok, behooren nog aan een groot vrouwenklooster en maken een leengoed (feudo) uit. Dat kwam ik dien avond zelven, bij het voorbijgaan van het klooster Santa Lucia, te weten. Een groote menigte verdrong zich rondom een hoogte, waarop een omroeper stond, die een soort van kloosterliverei droeg. Volgens oude gewoonte bood deze persoon de verschillende perceelen van het domein te huur, en van hunne zijde zochten de pachters hunne contracten te vernieuwen, zonder een hoogeren prijs te betalen. Door de aanwezigheid der saamgestroomde menigte uitgelokt, klampten de nonnen zich allen aan de tralies harer vensters vast, en sloegen het tooneel met groote belangstelling gade.
Den volgenden dag mocht ik, toen ik te Catania terugkeerde, van een ander tooneel getuige zijn. Bij het binnenkomen der stad werd ons rijtuig aan de eene zijde tegengehouden door de ambtenaren der belasting, die zich wilden overtuigen of wij ook kaas of flesschen olie bij ons hadden; en aan den anderen kant door een bedelmonnik, die een afschuwelijke schilderij van zijne compositie liet kijken, de zielen in het vagevuur voorstellende. Om den wille der waarheid ben ik verplicht te zeggen, dat mijne reisgenooten de douanen alles behalve aangenaam ontvingen, en de meeste vriendelijkheid jegens den bedelmonnik aan den dag legden. Deze, met zegebeden overladen en eenige giften rijker geworden, ging deftig op een gebroken voetstuk eener kolom zitten om weder andere reizigers af te wachten en ook van hen zijn tolrecht te heffen. Hij heerscht hier als een machthebbende, en houdt met een gebaar vol autoriteit de voorbijgangers tegen. Veel opgeruimder gehoorzaamd dan zijne collega-schattingheffers, stak hij als zijn hem toekomend deel de traditioneele voor de zielen in het vagevuur bestemde belasting op, en liet de agenten van den fiscus maar begaan, om zoo goed zij konden de verschuldigde bajochis te innen.
Ik gaf de voorkeur aan den weg over zee per stoomboot naar Syracuse, en daar deze haar vaart niet al te ver van de kust neemt, had ik een verrukkelijk uitzicht daarop. Eerst hadden wij de bergen van Lentini in het oog; vervolgens voeren wij het dorpje Bruca en zijne belangrijke steengroeven langs; een poos later kaap Santa Croce, waar, naar men beweert keizerin Helena, moeder van Constantijn den Groote, met het „ware kruis” van Golgotha landde, vanwaar dit voorgebergte zijn naam ontleent. Bij het omzeilen der kaap zagen wij een heerlijk grieksch landschap zich voor onze blikken ontrollen. Daar, naar de zuidzijde toe, strekt zich, zacht hellende, het schiereiland uit, waarop eertijds twee voorsteden van Syracuse stonden. Een weinig verder, ten westen, verheft zich de scherpe spits van het Belvedère, met bouwvallen gekroond, en daarachter rijst eensklaps de hooge wand van den berg Hybla op, gelijk aan den Hymettus, en even als deze door zijne bijen beroemd. Het ovale eiland Magnisi verdeelt de golf in twee halfcirkelvormige baaien, terwijl boven de smalle kustvlakte de met dorpen bezette hoogten zich tot een prachtig amphitheater afronden.