Een uitstapje naar Sicilië De Aarde en haar Volken, 1868
Part 4
Aci-Reale, ten zuiden van Giarre gelegen, is, na Catania, de belangrijkste stad uit den omtrek van den Etna en, volgens het aantal harer bewoners, de vierde stad van Sicilië. Als koopstad geniet zij zeer veel voorspoed, zoo door de vruchtbaarheid der haar omringende velden, als door het groot aantal zeer goed bevolkte dorpen, die men in hare nabijheid aantreft. Daarenboven zijn de burgers van Aci-Reale betrekkelijk zeer beschaafd; zij beroemen er zich op, dat zij veel beter onderwezen zijn dan de Sicilianen van Messina en Palermo. Waar is het, dat in het geheele district veertien van de vijftien inwoners niet lezen en nog minder schrijven kunnen. Aci-Reale is daarenboven de zetel van twee akademies, en schoon weinig buiten de provincie bekend, worden door deze toch zeer degelijke werken uitgegeven; daarbij bezit de stad een massa paleizen, groote gemeentegebouwen, kerken en kloosters, ofschoon de meesten het bezichtigen niet waard zijn. Hare grootste vermaardheid is de stad verschuldigd aan het onvergelijkelijke uitzicht, dat men van haar op de zee en den Etna heeft. Het plateau, waarop de huizen gelegen zijn, bestaat uit zeven lagen lava, achtereenvolgens door den vulkaan, op onbekende tijden, uitgeworpen en aan de zee in een steile helling eindigende van meer dan honderd ellen hoog, waar men duidelijk de verschillende op elkander volgende uitbarstingen kan onderscheiden. De kaap is zoo steil dat men zich over het terras, dat terecht den naam van Belvedère draagt, of over den aan den rand des afgronds aangelegden spoorweg moet buigen, zoo men, dwars door de ineengekronkelde takken van den barbarijschen vijgeboom, de roode daken der visschershutten en de lange lijn der schuimende branding ontwaren wil.
Ten noorden van het visschersgehucht staat de moedige voetganger, die er niet tegen opziet over de scherpe rotspunten heen en de geweldige brokken, die boven van de steilte zijn neergetuimeld, op te klauteren, eensklaps tegenover een fraaie grot, die zich als een voorportaal aan den voet eens bijna loodrechten wands opent. Deze grot, waarin de golven binnendringen en waaruit onophoudelijk een dof gesteun en gekreun u in de ooren dringt, door de persing der saamgedrukte lucht te weeg gebracht, heeft, ten minste wat hare vorming aangaat, veel overeenkomst met de bekende Fingalsgrot op het eiland Staffa. Aan weerszijden van de opening zijn de massa’s lava in onregelmatige zuilen ter hoogte van vier tot vijf ellen gerangschikt, en wel sommigen volmaakt rechtstaand, de anderen half doorgebogen onder de zwaarte van overhangende rotsen. Boven deze benedenste zuilenrij verheft zich een tweede reeks kolommen, wier kruisbogen, op die van een gothisch gewelf gelijkende, het dak der grot vormen. Hooger op nemen de meer saamgedrongen rotsen nog eenigermate den vorm van reusachtige pijlers aan; het is duidelijk dat de drukking der geweldige daarboven liggende lavamassa’s niet voldoende is geweest om de zuilenformatie in de geheele grot te voltooien.
Andere groepen van bazaltzuilen verheffen zich in de nabijheid van Aci-Reale. Het zijn de beroemde eilanden der Cyclopen, die, naar men wil, door Polyphemus op Ulysses en zijne reisgenooten zouden geworpen zijn. Deze eilanden, ook Faraglioni geheeten, liggen op eenige honderde ellen van den oever, waarlangs op deze plek de weg van Catania loopt. Het merkwaardigste dezer zwartachtige eilanden is een soort van pyramide, ter hoogte van zestig ellen en geheel en al omringd met klokjes, gevormd door bundels prisma’s rondom een middenzuil gegroept; men zou meenen het reusachtige dak eener indische pagode te zien.
Daarnaast verrijst een andere obelisk, die, hoewel kleiner van omvang, er overigens geheel mede overeenkomt. Het landschap, door de Cyclopen-eilanden met het voorgebergte en den ouden toren van Aci-Castello gevormd, is een der gezichten van Sicilië door de graveerkunst het meest bekend gemaakt, maar toch lang niet een der schoonsten. Het ontbreekt dit gedeelte van het kustland ten eenemale aan boomen; de huizen der aan den oever gelegen dorpen zien er armelijk uit, een wolk van stof drijft bijna onophoudelijk boven den weg, en de hooge rotsachtige steilten langs de baai belemmeren het uitzicht op de groenende velden, waarmede de voet van den Etna omgeven is.
Toch, zoo men de legende gelooven mag, werd daar eertijds het bevalligste dal van geheel Sicilië gevonden. Beneden aan den weg ziet men, onder een opeenstapeling van rotsen, een kleine bron ontspringen, wier wateren zich gedeeltelijk in een moerassige weide verliezen, terwijl het overige gedeelte in een onreinen drinkbak op de plaats van een stal stroomt: het is de rivier Acis, in oude tijden door de nymphen aangebeden. Reusachtige boomen baadden hunne wortels in het heldere water, de hier en daar in de weiden grazende kudden scheerden den geurigen klaver af, en de reus Polyphemus, op een rots gezeten, liet zijn groot oog in zijn breed voorhoofd over zijne schapen en de golven waren. Wie was nu voor de Hellenen, die de kusten van Sicilië aandeden, deze groote Cycloop, ons door Homerus geschilderd? Was het niet de Etna zelve, welks krater gedurende de uitbarstingen schittert als een geweldig groot oog op den top van den berg ontsloten? Wanneer het monster „met zijne tallooze stemmen” de lava langs zijne zijde doet stroomen, bedelft hij de beken onder een stortvloed van steenen, zooals hij het eertijds de Acis deed; als hij zijn reuzenlichaam schudt, laat hij van zijne steile toppen steenklompen en rotsblokken naar beneden vallen, die, even als de Faraglioni eilanden en klippen worden; in zijne aanvallen van gramschap verplettert en verslindt hij bij duizenden de vreemdelingen, die zijne gastvrijheid kwamen inroepen en zich met het vleesch zijner kudden voedden. Hij is verschrikkelijk om aan te zien, en toch gaat de wijze Ulysses hem tot in zijn hol trotseeren; gedurende den slaap van den Cycloop vreest de held, de type van den rustigen landman, geenszins hem van zijne rijkdommen te berooven; vervolgens, als het monster ontwaakt, weet de prooi waarnaar hij zoekt aan zijne blinde woede te ontsnappen, en laat hem alleen met zijne teleurstelling, terwijl deze zich vroolijk maakt over een even schitterende als weldadige overwinning.
In plaats van een grooten omweg door Catania te maken, viel het mij gemakkelijk den Etna te bestijgen uitgaande van Aci-Reale. De weg, die van deze stad naar Nicolosi loopt, is veel rijker in schilderachtige gezichtspunten dan die, welke gewoonlijk door de vreemde reizigers wordt beklommen. Terwijl ik in de herberg te Aci-Reale al mijn noodelooze bagage achterliet, wierp ik mijn ransel op den rug, en vroolijk en onbezorgd als een duitsch student, ving ik mijn voetreis aan, zonder mij de verveling op te leggen van een gids, een armzaligen makker, die maar zelden de indrukken deelt van hem, dien hij geleidt. Wel is waar stelde ik mij dus, als een vrij man reizende, aan een buitengewone nieuwsgierigheid van den kant der gendarmes bloot. In dit land, even als in alle landen waar de bevolking nog half in slavernij verkeert, staan de voetreizigers niet hoog aangeschreven. Bovendien was ik alleen, en de Sicilianen, die een bij uitstek gezellig volk zijn, konden maar niet begrijpen dat het iemand in het hoofd kon komen, zonder makker te gaan wandelen op een goede vijf honderd mijlen van zijn woning. Ook moest ik meer dan eens mijne papieren voor den dag halen en mijn identiteit bewijzen.
Boven het fraaie dorp Via-Grande verheft zich de dichtst bij de zee en het verst van den eigenlijken Etna gelegen krater. Aan den voet van dezen kegel, wiens roode en zwarte zijden met wijngaarden beplant zijn, begint men den berg eerst te beklimmen, welks top ten noordwesten op een lijnrechten afstand van achttien kilometers verrijst. Voorbij een oude met olijfboomen bewassen lavalaag, verandert het voorkomen van de streek eensklaps. Men ziet niet een zee van groen om zich, maar slechts rijen van lage wijnstokken en graanvelden door muren van roodachtige ijzerslakken omringd; men bevindt zich reeds in de vuurstreek.
Na achtereenvolgens een aantal lava-cheires te hebben bestegen, ontwaart men ter zijde van den weg eenige lage woningen, die er uitzien alsof ze uit ijzerslakken waren opgetrokken, en die van verre met het haar omringende terrein schijnen samen te smelten. Deze huizen maken een wijk uit van het groote dorp Nicolosi, dat zich over een oppervlakte van meer dan een kilometer tusschen twee groote lavastroomen uitstrekt, en wel in het midden van een soort van circus, dat ten westen en ten noorden door de kraters, de Monpilieri, de Monti-Rossi en de Serra-Pizzuta wordt beheerscht. Bij het zien van deze zwartachtige, met steenen omringde huizen, zou men wanen in een ellendig gehucht en niet in een groot dorp van drie duizend inwoners te zijn. Nicolosi telt niet minder dan zes kerken, ongerekend een aantal kapellen en het belangrijke klooster van San Nicolo d’Arena, hetwelk het lusthuis der Benedictijner monniken van Catania geworden is. Gedurende een gedeelte der voorgaande eeuw hadden de roovers, zoo als men zegt, zich in de zalen van het klooster gevestigd. De schaarsche bezoekers van den Etna konden toen den berg niet bestijgen zonder met de bandieten tot een schikking te komen.
De meeste vreemdelingen bepalen zich tot het beklimmen van een der tweelingbergen die zich ten noordwesten van het dorp verheffen, en die men met den naam van Monti-Rossi aanduidt, wegens de roodachtige kleur hunner hellingen. Deze geweldige aschhoopen, meer dan twee honderd ellen hooger dan de omringende grond gelegen, zijn uit de zijden van den Etna, tijdens de beroemde uitbarsting van 1669, voortgekomen, en uit hun voet vloeide naar Catania die verschrikkelijke lavastroom, waardoor veertien steden en dorpen, door meer dan vijf-en-twintig duizend zielen bewoond, werden vernield. Uit geweldig groote bron gevloeid, verspreidde zich de lavastroom in de breedte over een oppervlakte van verscheidene kilometers, en daalde langzaam en majestueus bergafwaarts, de velden en huizen onder zijne vurige golven bedelvende. De boschrijke kegel van den Monpilieri, die zich ten zuiden van de Monti-Rossi verheft, werd zelf als een eiland door deze brandende zee omspoeld: en zijn gedeeltelijk gesmolten, gedeeltelijk onder het gewicht der opeengehoopte lava verpletterde rotsen waren genoodzaakt der vloeibare massa een doortocht te verschaffen. Na dezen heuvel te hebben doorboord, verdeelde de stroom zich in drie hoofdarmen, waarvan de een, terwijl hij zich naar het zuid-oosten wendde, naar Catania afliep, een gedeelte van de stad sloopte en in zee een voorgebergte ter lengte van ongeveer een kilometer, op de plek van de oude haven, uitwierp. In minder dan twee maanden was een hoeveelheid van een milliard kubieke ellen lava uit het hart van den berg voortgekomen, om de vruchtbaarste velden in een vreeselijke woestenij te herscheppen. Nog in onze dagen kan men, bij het beklimmen van een der beide Monti-Rossi, met het oog over zijne geheele uitgestrektheid, den stroom van gesmolten steen volgen, die zich in de vlakte ontlastte; intusschen dringen reeds de plantengroei en akkerbouw weer over de boorden van den grooten stroom lava heen. Wat den krater betreft, die tusschen de beide heuvelen zich opent en die gedurende de uitbarsting een verschrikkelijke hoeveelheid asch over de geheele streek uitstortte, deze is heden ten dage in een dal veranderd, welks bevallig gebogen hellingen een klein braamboschje omsluit.
Onmiddellijk voor de groote uitbarsting was de zijde van den Etna over een lengte van bij de twintig kilometers gespleten, en wel van het bovenste bergplat tot beneden Nicolosi toe. Deze spleet is bijna over hare geheele oppervlakte gevuld; nochtans ontwaart men een vijftiental min of meer diepe gaten, die nog duidelijk de richting van de groote spleet van 1669 aanwijzen. Het grootste dezer gaten, fossa della Palomba geheeten, is niet ver van den noordelijken voet der Monti-Rossi verwijderd. Het is een twintig meters diepe trechter, die door een nauwen gang met een soort van put in verband staat, op wiens bodem zich een galerij opent, die tot op eenige honderden ellen afstands in den berg voortloopt. Door een straatjongen van Nicolosi vergezeld, daalde ik in den eersten put af, maar daar voelde ik mij alles behalve opgewekt mijn ontdekkingstocht in de ingewanden van den vulkaan voort te zetten. Ontsnapt aan de kille vochtigheid, die door de lavawanden heen boorde, steeg ik met vreugde weder op waar het licht der zon mij weldadig koesterde en verwarmde.
Den volgenden nacht moest ik met mijne bestijging van den Etna een aanvang maken; maar de man, die zich had aangeboden mij tot gids te verstrekken, beviel mij geen zier, en aan den anderen kant verboden mij mijn zware bagage en de onmisbare voorraad leeftocht de reis alleen te ondernemen. Wij waren toen in het begin van de lente, het saizoen, waarin de bewoners van Nicolosi er volstrekt niet opgesteld zijn den berg te beklimmen, wegens de in de hoogere streken heerschende koude, en vooral wegens de lange sneeuwhellingen, die zij dan verplicht zijn te voet over te trekken. Bijna al de beklimmingen van den berg hebben in den zomer plaats, wanneer reizigers en gidsen te paard den voet van den grooten kegel kunnen bereiken, om in het zoogenoemde „engelsche huis”, geheel vrij van sneeuw, een vroolijken maaltijd te komen houden en, na een stevigen slaap genoten te hebben, zich de weelde te verschaffen het opgaan der zon van den rand des kraters te bewonderen. Toch moeten de ware vrienden der natuur den berg des te fraaier vinden, dien zij bij een langeren tocht door de sneeuw te bestijgen hebben, waarmede het prachtige groen der vlakte zulk een schitterende tegenstelling oplevert.
In mijne verlegenheid wendde ik mij dus tot den heer Giuseppe Gemellaro, broeder van den beroemden geoloog van Catania en zelf een gelukkig beoefenaar der mineralogie. Hij bezorgde mij den knapsten en veiligsten gids van Nicolosi, een man die, schoon „de sneeuwvlok hem reeds door de haren snuift” en hij een weinig kreupel is aan zijn rechterbeen, nochtans een onvermoeide wandelaar is, zooals ik den volgenden dag herhaaldelijk gelegenheid had op te merken.
Het was nacht toen wij Nicolosi verlieten; nauwelijks kon ik mijn gids zien, en ik liet mij vooral door het gekraak der metaalslakken onder zijne voeten leiden. Weldra hadden wij die streek bereikt, welke men, uit gewoonte, nog altijd de houtstreek noemt, maar waar men nog slechts, op groote afstanden van elkander, eenige eiken met geweldig zware stammen en bijna geheel zonder takken aantreft.
Op deze helling van den Etna is er geen bosch meer, en de woestenijen der hoogere streek volgen onmiddellijk op de bebouwde gronden, waarmede de berg omringd is. In den zomer ziet men hier niets dan hellingen en dijken van ijzerslakken en asch: in den winter en in de lente niets dan onafzienbare sneeuwvelden, waaruit hier en daar zwartachtige eilanden van steile lavabeddingen oprijzen. Overigens is de helling gemakkelijk te beklauteren. Ongetwijfeld zou men, indien de Etna in Zwitserland lag, er reeds lang een rijweg hebben aangelegd, om naar den top van den vulkaan op te stijgen.
De zon begon juist op te komen toen wij op het zachtkens hellende bergplat kwamen, waaraan men den naam van Piano del Lago geeft, herinnering aan een lagune van gesmolten sneeuw, door de lavastroomen in het begin der zeventiende eeuw gevuld. De stralen gleden schuinsch langs de witte oppervlakte, die als van duizende diamanten schitterde. Vlak voor ons zagen wij den grooten koepel oprijzen, hier en daar, waar de asch zich met de sneeuw vermengde, door grijsachtige strepen afgewisseld. Uit zijn geweldig grooten mond kronkelde een dampkolom, aan haar voet door een guirlande van doorschijnenden rook omringd, in breede, met gouden randen omzoomde kringen tot de wolken opdwarrelende. De vulkaan was zoo stil als het graf; maar deze kalmte maakte de ontzaggelijke opstijging der dampen nog majestueuzer. Ik naderde met ontroering, half gelukkig, half bevreesd gelijk een oningewijde, wien men een geheimenis ontsluiert. Dat was dan de reus van Sicilië, waarheen, sedert de dagen mijner jeugd, mijne verbeelding zich zoo dikwijls gewend had! Eindelijk aanschouwde ik dan dien berg, dien de Ouden, doordrongen van bewondering, eertijds den „spijker der aarde” en den „pijler des hemels” heetten!
Aan het oostelijk uiteinde van den Piano del Lago duidt een lange rotsketen den rand van den afgrond van Val del Bove genaamd aan. Om mij een blik in die kloof, een der wonderen van den Etna, te laten werpen, deed mijn gids mij rechts afslaan en den voet omtrekken van de Montagnuola, een grooten kegel dien men, van Catania gezien, voor een der kruinen van den vulkaan zou houden. Dezen verschrikkelijken afgrond naderde ik met een zekere ijzing. Weldra breidde de uitgestrekte lavavlakte, ter diepte van meer dan duizend ellen, zich voor mijne oogen, als een brokstuk eener andere wereld, uit. Rondom ons was het de poolstreek met haar sneeuw en haar ijs; in het lagere gedeelte van het circus, beneden de sneeuwmassa’s, die van het bergplat naar beneden waren getuimeld, had men het gebied des vuurs met zijne aschkraters, zijne stroomen van gesmolten stoffen, zijne opeenstapelingen van metaalslakken. Boven van de steilte slaat men den blik tot in de ingewanden zelven van den berg, en men kan gemakkelijk de bouworde en inrichting van den geheelen vulkaan bestudeeren, door met de oogen, langs de zijden van het amphitheater, de op elkander gestapelde lavalagen en de trachyt- of basaltmuren te volgen, die tusschen de spleten zijn opgeworpen. Eertijds stond een deel van dezen afgrond, de Trafoglietto, een der monden van den Etna, in onmiddellijke verbintenis met de onderaardsche zee van gesmolten stoffen, maar lang vóór menschengeheugenis werd dit kanaal verstopt, en de gesloten krater werd langzamerhand door de wateren der sneeuw uitgehold, en eindigde met in den loop der eeuwen het ontzaglijke onregelmatige circus van den Val del Bove te vormen.
De oogen gestadig op den nevens mij gapenden afgrond geslagen, zette ik mijn tocht naar den uitersten kegel van den Etna voort. Zonder ze te zien, ging ik langs eenige overblijfselen van een romeinsch gebouw, dat men den toren der wijsgeeren heette; vervolgens had ik aan mijne linkerhand het vooruitspringende terrein, dat „het engelsche huis” draagt. Alleen het dak van dat gastvrije gebouw stak boven de sneeuw uit. Gedurende de wintermaanden blijft dit huis er onder bedolven; met eenige aan de Eskimo’s ontleende voorzorgen zou men het gemakkelijk het geheele jaar door kunnen bewonen, en zelfs heeft men voorgesteld er een meteorologisch observatorium van te maken, waar men tegelijk den vulkaan zou kunnen bestudeeren en de stroomingen der lucht waarnemen.
De centrale kegel is ongeveer 300 ellen hoog, en zijne zijden, uit brokstukken samengesteld, die door hun eigen zwaarte naar beneden glijden, zijn vrij wat bezwaarlijker te bestijgen dan het overige gedeelte van den berg, zonder dat de beklimming echter zoo moeielijk is als men doorgaans zegt. Bij mijn bezoek vond ik alleen aan de zuidelijke helling een klein aantal rookgaten, maar de temperatuur der in het binnenste van den krater besloten gassen was voldoende geweest, om de sneeuwlaag op bijna de geheele helling des kegels te doen smelten. Een eenigszins zwavelachtige reuk had den dampkring vervuld. Een zonderlinge slaperigheid had zich van mij meester gemaakt. In weerwil van de ontroering, die ik bij het naderen van den top gevoelde, werd ik bij iederen stap dien ik deed in verzoeking gebracht mij op een bed van metaalslakken uit te strekken, om er in slaap te vallen. Hetzij de wandeling van den vorigen nacht mijne oogen had vermoeid, hetzij de aanmerkelijke vermindering in de drukking der lucht haar invloed op mijne zintuigen gelden deed: zeker is het dat ik mij zelven geweld moest aandoen, om niet bij de bestijging der helling in slaap te vallen.
Eindelijk bereikte ik den rand des kraters. Aanstonds verliet de laatste zweem van slaap mijne oogen, en genoot ik van dit 3300 ellen hooge observatorium een panorama, waarvan de wereld misschien geen wedergade kan aantoonen. Hier blijkt beschrijven—onmacht. En hoe prachtig ook het gezicht van dit verrukkelijk geheel was, hetwelk een uitgestrektheid van meer dan twee honderd kilometers in de rondte omvatte, werd nochtans mijn blik altoos weder teruggevoerd naar de zwarte kloof, die ik een veertig ellen lager in het hart van den krater zag rooken. Deze punt is op zijn hoogst tien ellen breed, maar het was voor mij voldoende te weten dat hare loodrechte wanden tot op ongekende diepten afdalen, tot in de onderaardsche werkplaatsen der lava’s, om de geheimzinnige kloof niet dan met huiverende bewondering aan te staren. Bijna doorschijnend aan den rand van den krater, ten gevolge der hooge temperatuur daar binnen, verdikken zich de rookwolken zeer spoedig in de koude lucht, en, terwijl zij uit den krater als groote zuilen van damp opstegen, namen zij dadelijk den vorm eener groote wolk aan. Deze rees als een zuil in den stillen dampkring tot op een hoogte, door mij van beneden op 2000 ellen geschat; vervolgens in aanraking komende met een luchtstroom, die naar het zuiden zich richtte, boog de kolom zich bevallig over en ontplooide zich als een lichte sluier over den geheelen hemel, om met de nevelen samen te smelten, die in de verte over de zee van Afrika vlotten. En deze ontzaglijke wolk ontrolde zich in de ruimte als een boog tusschen twee werelddeelen; bijna onder mijne oogen zag ik haar van den grond zich verheffen, gelijk een snuivend monster; nu en dan was zij rosachtig getint, het gevolg van de weerkaatsing der lava, die in de diepte kookte!
Meer dan anderhalf uur had ik noodig om mijn tocht rondom den krater te volbrengen, die evenwel slechts een kilometer in omvang bedraagt; maar ik kon mij niet verzadigen aan het gezicht van de kloof, en aan het verbazende contrast dat de steile, rood en goudgeel gestreepte wanden van den krater met de groenende rondom den berg gelegen vlakten opleverden. Overigens was er geen zweem van gevaar bij dezen ontdekkingstocht. Het moeielijkste punt was de noordelijke hoorn, waar talrijke rookgaten van hooge temperatuur den grond hadden afgebroken en de ijzerslakken in een soort van warme, glibberige pap veranderd hadden.
Het hooger stijgen van de zon waarschuwde ons dat wij spoedig aan onzen terugtocht moesten denken. Door mijn kreupelen gids gevolgd, daalde ik op een draf den hoogsten kegel van den vulkaan af; maar aan den voet van dezen kegel werd onze tocht weldra vertraagd, want wij waren verplicht door de sneeuw te waden, die door de zonnestralen ontdooid werd. Boven het engelsche huis werden wij door den mist overvallen, en ik moest bescheiden achter mijn gids loopen, wien ik had aanbevolen mij naar een der steden te brengen, die ten westen aan den voet van den berg gelegen zijn. Toen wij eindelijk uit de langs de hellingen voortwentelende wolk te voorschijn kwamen, hadden wij reeds de sneeuwvelden verlaten en doorkruisten wij in schuinsche richting banken van ijzerslakken en zwarte zandbedden, waarin zich droppelsgewijs de aan de bovenste sneeuwlagen ontsproten waterstraaltjes verloren. Het dal van den Simeto, dat ik boven van den berg had aanschouwd, was duidelijk zichtbaar, en ik kon er al de steden, al de gehuchten, al de op zich zelf gelegen huizen onderscheiden. De rivier, in schijn onbewegelijk, slingerde hare blauwe wateren rondom de schiereilanden der vlakte voort.
Links ontwaarde ik die fraaie, gedeeltelijk met hout begroeide kegels, den Minardo, den Peluso, die ter halverhoogte van den Etna oprijzen, en door hunne stoute lijnen de eentonige helling van den berg zoo gelukkig afwisselen.
Ongelukkig zijn de houthakkers op dezen bergwand aan den arbeid, en binnen weinige jaren zullen de tegen het westen gekeerde hellingen die van de zuidzijden niets in naaktheid toegeven.