Een uitstapje naar Sicilië De Aarde en haar Volken, 1868

Part 3

Chapter 33,658 wordsPublic domain

Messina, zoo als te hopen is, zal geen bombardement meer hebben door te staan, maar zoo de stad al geen vrees behoeft te koesteren voor de vijandelijke kogels, toch wordt zij altoos bedreigd door de in haar bodem besloten gassen. Messina ligt als het ware in het midden tusschen de met elkander in gemeenschap staande vulkanen van Sicilië en zuidelijk Italië, en misschien dat hare ligging in het dal door de straat gevormd medewerkt tot vergrooting van het gevaar. Geen enkele stad in Europa is meer regelrecht door de aardbevingen bedreigd geworden dan Messina; niet een heeft er zóó door geleden. In 1783 werden er honderde huizen en torens door omvergeworpen, terwijl de gewelven der kerken scheurden en spleten, en de geweldig opgezette zee, na in een oogwenk twee duizend op den oever der Scylla saamgestroomde menschen te hebben verzwolgen, de haven van Messina binnendrong, al de schepen deed zinken, en de prachtige rij paleizen, die den oever omzoomden, wegspoelde. Meer dan twaalf duizend personen kwamen bij dit verschrikkelijke ongeval om, en hoewel er bijna zeventig jaren sedert deze ramp zijn voorbijgegaan, kan men er nog op verschillende plaatsen de uitwerking van zien. Zelfs in het Corso liggen nog altijd een aantal muren omver en gespleten, zijn verscheidene kroonlijsten verdwenen, en heeft een massa beeldhouwwerk plaats gemaakt voor muurbloemen en andere door den wind gezaaide planten. Gedurende de voorspoedige jaren der negentiende eeuw hebben de inwoners van Messina voor een groot gedeelte hun stad weder opgebouwd, en zelfs nieuwe wijken voor de altoos aanwassende bevolking gesticht; maar ieder oogenblik kan een nieuwe reeks van aardschokken den grond doen schudden en nogmaals de stad in een puinhoop veranderen. Ongelukkig genoeg kan de tegenwoordige wetenschap den periodieken terugkeer dezer vreeselijke natuurverschijnselen nog niet voorzien of aankondigen; en hoewel de richting die deze aardschuddingen nemen vrij wel bekend is, heeft de gemeenteraad van Messina er niet aan gedacht het plan der stad te wijzigen, opdat voortaan de huizen alleen zouden gebouwd worden in een met de golvende beweging van den grond gelijkloopende lijn. Eer men tot het nemen van zulk een maatregel overgaat, zal misschien een nieuwe aardbeving den grond hebben omgekeerd.

Door al de oorlogen, bombardementen en aardbevingen laat het zich begrijpen dat de stad Messina, zoo uitmuntend voor den handel gelegen, geen groote belangrijkheid heeft verkregen. De haven dezer stad is het centrale punt der Middellandsche zee; aan de eene zijde strekt zich de Ionische zee tot aan de stranden van het oosten uit; aan de andere zijde reikt de Tyrrheensche zee tot aan de Golf van Lyon en besproeit de spaansche en fransche kusten. Messina is dus de natuurlijke stapelplaats voor al de vaartuigen, die den onmetelijken handel ter zee tusschen het westelijk Europa en den Levant drijven. De reede is daarenboven een voortreffelijke toevlucht voor vaartuigen, en er kunnen schepen van den grootsten diepgang zonder vrees het anker werpen. De vorming dezer haven, wier natuurlijke, tot verweg zich uitstrekkende zeebrekers door de hand der menschen schijnen gelegd, is uit een geologisch oogpunt des te merkwaardiger, daar de kust van Messina zeer steil is en met een vrij scherpen hoek in de zee afdaalt. Men kan het bestaan dezer haven en van het bochtige schiereiland der citadel zich slechts verklaren door een wegzakking van den grond, of door de werking van kolken in de eertijds wel engere straat van Charybdis. De Ouden geven er een veel eenvoudiger verklaring van. Op zijn tocht door Sicilië zou Saturnus, de vader der goden, zijn geweldig groote zeis in het hart der golven hebben laten vallen;—maar helaas! heeft men sedert dien tijd toch niet opgehouden te sterven.

De belangrijkheid van Messina kan niet anders dan aanwassen, wanneer het noorden van Afrika in de geschiedenis der aarde de rol zal hebben op zich genomen, waartoe het blijkbaar door zijne gelukkige ligging aan de boorden der Middellandsche zee geroepen is. Wanneer Port Saïd, Benghazi, Tripoli, Tunis, Algiers, even als Alexandrië, groote handelsteden zullen geworden zijn, kan het niet missen of Messina, in het midden van al deze lijnen tusschen de meeste plaatsen der Middellandsche zee gelegen, zal op een verbazende wijze met al deze veranderingen haar voordeel doen. Laat ons ook hopen, dat, op een min of meer verwijderd tijdstip, Messina het eerste siciliaansche station van den grooten ijzeren spoorweg van Parijs naar Syracuse en Girgenti zijn zal. Reggio zal het uitgangspunt wezen van een spoorweg, die Italië in zijn geheele lengte zal doorsnijden. Spoedig daarop zal het geheel voltooide siciliaansche net de reizigers en koopwaren overvoeren naar de kaaien der stad, die Reggio van den anderen kant der zeestraat aanstaart. Wat zal er dan te doen overblijven, dan een viaduct te slaan over de beide tegen elkander overliggende oevers, waarvan de uitvoering tot de wonderen der wereld zou behooren, maar niettemin te verwezenlijken zou zijn. Maar dit zou in elk geval ook al door vreemdelingen moeten tot stand worden gebracht; want in alles is de stad Messina haar materieëlen vooruitgang hoofdzakelijk verschuldigd aan de Duitschers, Engelschen, Franschen en Italianen van het noorden, die zich hier van den handel hebben meester gemaakt, en door den spoorweg zich ook het monopolie van het vervoer te land verzekeren. In spijt van hare liefde tot den geboortegrond, laat de bevolking van Messina aan de bewoners van het vasteland de zorg over om het land te verrijken en wegen, fabrieken, villa’s en paleizen aan te leggen. Trotsch op haar heerlijk klimaat, haar haven, haar straat, hare bergen en alles wat de natuur haar geschonken heeft; wat nog meer zegt, hoogmoedig op de heldhaftige worstelingen zich voor hare onafhankelijkheid getroost, heeft zij toch het recht niet zich te beroemen op haar vooruitgang en volharding, waar er sprake is van de werken der beschaving. Door een groot deel harer inwoners wordt de bedelarij meer op prijs gesteld dan de arbeid; het wemelt op de hoeken der straten en op de kaaien van bedelaars, die, onder het uiterlijk van hôtelbedienden, van schuitenvoerders, van vetturini, den vreemdeling slechts zoeken te bedriegen en in een minuut of vijf het levensonderhoud voor een week te winnen. Het openbaar onderwijs moet wel in een erbarmelijken toestand verkeeren, als men de armzaligheid nagaat van twee of drie boekwinkels, die men op den Corso en in de Garibaldi-straat aantreft. Overigens heeft men slechts de leelijke ongewasschen gezichten aan te zien van een groot aantal inwoners van Messina, om er van overtuigd te zijn, dat zij nog vrij wat vorderingen moeten maken, zoo zij, evenals hunne voorvaderen van Messina, op den titel van edele burgers aanspraak maken kunnen.

Even als te Palermo en in bijna alle andere siciliaansche steden, is de smerigheid der binnenwijken waarlijk allerverschrikkelijkst. Rondom zekere kerken en aan de boorden der fiumare die door de stad heenloopen, zijn een aantal huizen slechts afzichtelijke hutten, waar de mannen en vrouwen hot en haar bij elkander wonen te midden van allerhande stank en rottende voorwerpen. Toch, bij het uitbreken van de cholera of iedere andere pest, zouden honderden van deze rampzalige schepsels misschien meer geneigd zijn in opstand te komen om de gewaande „vergiftigers” te vermoorden, dan om hunne ellendige krotten schoon te maken. De voornaamste straten en de beroemde Marina, die de kaai omzoomt, zijn zelven, in weerwil van haar aanmatigenden bouwtrant, meer dan smerig. De haven, waarin al de onreinheden der stad zich ontlasten, zou, even als de haven van Marseille, slechts een geweldige vuilnisstal zijn, indien zij niet ten noordoosten openlag voor den stroom uit de Straat. Ontelbare zeekwallen, door het volk zeespeeksel geheeten, zijn onophoudelijk bezig met het water in de haven te reinigen. Deze schepsels onderscheiden zich van de meeste andere kwallen door den rijkdom van kleur en hunne schoone vormen. Hun doorschijnende mantel is met rose of violet dooraderd, en iedere golving, iedere plooi wijzigt de zachte tinten; de tentaculen, eveneens rooskleurig, zijn dun als draden en dobberen bevallig op de golven. Bij millioenen bevolken deze dieren het water der haven van Messina; vooral vereenigen zij zich in zwermen in de nabijheid der vaartuigen, en de golf, die hen wiegt, knoopt hunne vliezen in onoplosbaar netwerk samen. Geen roeispaan beroert het water zonder een hoop dierlijke vezels op te halen. Over dag heeft het water, dat van kwallen wemelt, vaak een roséachtige kleur, en des nachts schittert de zee van een dof phosphorisch licht.

Tegenwoordig verbindt een spoorweg, die onder langs de bergen van de kust loopt, Messina met de stad Catania, een honderd kilometers ten zuiden, niet ver van den voet des Etna’s. Het is een groote vooruitgang. Overigens blijven zij, die tegen de spoorwegen uit naam van het schilderachtige protesteeren, altoos vrij om de kust te volgen en alzoo den gewenschten langzamen voortgang te huldigen.

In 1865 had ik geen keus tusschen den spoorweg en den stofferigen weg, en ongelukkig belette de zorg voor mijn bagage mij te voet te gaan. Immers het was alles behalve een genot dien tocht af te leggen in een kar, die den weidschen naam van diligence droeg en door de postadministratie werd bezorgd. Gezwegen van het voertuig zelve, een oude kast, die men zich niet de moeite gaf schoon te maken, en die verschrikkelijk naar leer en allerhande vetwaren rook, hadden wij veel uit te staan van het stof en van het hotsen. Op de plekken, waar de weg tamelijk goed is, wordt men in een wezenlijke wolk gehuld en is het onmogelijk zonder sluier voor den mond adem te halen. Nu en dan is men echter bevrijd van het stofeten; het is alleen dan als men het steenachtige bed van de een of andere fiumare doortrekt.

Maar de stof en het rijden door dergelijke droge stroombeddingen zijn niet de eenige bezwaren, die een reis met de diligence op dezen kustweg oplevert: zij stelt de vreemdelingen ook aan de onbeschaamdheid der bedelaars bloot, die de roovers van eertijds hebben vervangen. Eer men Messina verlaat, draagt de signor corriere reeds zorg, de niet siciliaansche reizigers, als hij die in zijn rijtuig heeft, te waarschuwen dat zij niet kwaad zouden doen zich van de noodige koperen geldstukken te voorzien, ten einde aan alle aanvragen te voldoen. In de eerste plaats hebben de postiljons, krachtens een vrij oude overlevering, het recht verkregen vijf baïocchi per iedere halte, boven de voor de reis bepaalde som, te eischen. Vervolgens laat de corriere zelf nooit na zijne tochtgenooten de op den liefelijksten toon uitgesproken woorden en de innemendste blikken toe te dienen, om, zonder iets bepaalds te zeggen, te doen begrijpen dat zijne aanspraken op de edelmoedigheid der hooggeschatte vreemdelingen nog veel gegronder zijn dan die der postiljons. Daarbij, als men even het hoofd aan het portier brengt, ziet men aan alle zijden niets dan lieden met uitgestoken handen: aan de dorpen, voor de vensters der huizen, zijn het kreupelen, kranken, grijsaards en in lompen gekleede vrouwen; eindelijk voor de kerken, de bedehuisjes, de tallooze langs den weg staande kapellen, zijn het bedelmonniken, zich aanbiedende om een Pater of Ave op te zeggen voor hen die hun eenige geldstukken toewerpen. Een hunner, een jong mensch in de kracht des levens, vervolgde ons bij het oversteken van een vrij lange fiumare, terwijl hij ons verzocht een tamelijk ruw gesneden heiligenbeeldje te koopen. Ik had reeds vrij wat zonderlinge siciliaansche monniken gezien; maar geen enkel kwam mij zoo vreemd voor als deze verwonderlijke hardlooper met opgeschorte pij, haveloozen baard en krijschende stem.

Ik zou hier een vergelijking kunnen inlasschen van dit bedelvolkje met dat van andere landen, onder anderen met de onbeschofte spaansche broeders van hun gilde, die u de hand toesteken alsof zij in de andere een mes hielden, en dan tot het resultaat komen dat de siciliaansche aalmoesvragers van een geheel ander ras en bij slot van rekening zeer onverschillig zijn. Maar er rest mij nog zooveel te beschrijven behalve hetgeen ik zou willen schetsen,—zooals de antieke, op een voorgebergte tronende citadel van Forza d’Agro, een waar arendsnest gelijk de dichters zeggen—dat ik den lezer voeren moet naar de andere zijde van kaap Alessio, die een geheel bijzonder karakter van woeste schoonheid aanbiedt.

De rots van het voorgebergte is over hare geheele hoogte gespleten, en vormt beneden een zwart schietgat van genoemde citadel, een soort van put, waarin allerhande slingerplanten in dichte trossen, als een waterval van groen, afdalen. Boven den vrij diep in het graniet uitgehouwen weg is de berg—die zeker een groot aantal aardbevingen en schokken te verduren heeft gehad—geheel met spitse punten omringd en met blokken bezaaid, die in kleur en vorm verschillen en aan het geheel het voorkomen van een bajert geven. Vóór u, aan den anderen kant, rijst de groote rots van Taormina op, wier voet allerbevalligst door de zee in steilten en inhammen is afgedeeld; men zou wanen geweldig groote ver in zee zich uitstrekkende leeuwenklauwen te zien. Op dit oogenblik loopen door al deze vooruitstekende landtongen tunnels, door wier duistere gangen de spoorweg, de schoonheden der natuur verachtende, heenstuift; maar de reizigers, die de pracht der natuur weten te schatten, zullen nooit nalaten er voor Alessio uit te stappen, om te voet de beide voorgebergten te beklimmen.

Dat, waarop Taormina gelegen is, laat zich vrij moeielijk bestijgen; het is een natuurlijke citadel, minder ontzaglijk op het gezicht dan Forza d’Agro, maar niettemin van een onheilspellend voorkomen. De stad bestaat uit een rij huizen, op een enge bergvlakte tusschen het dal en de steile rots gelegen, waarop het oude beroemde kasteel zich verheft, sedert de tijden der Saracenen door al de veroveraars des lands telkenmale hersteld. Tauromenium onderging het ongelukkige lot van alle zoo goed door de natuur verdedigde steden: sedert eeuwen werd zij door al de tirannen van Sicilië elkander hardnekkig betwist. Tijdens den grooten slavenopstand op Sicilië, was deze stad het bolwerk der vrijheid; de opstandelingen verdedigden er zich met onverschrokken volharding; liever dan zich over te geven, verslonden zij elkaar, en de Romein Rupilius zou, indien een verrader er hem niet had binnen gebracht, er niets dan lijken gevonden hebben.

Bij het vallen van den nacht bevond ik mij te midden van het onvergelijkelijke theater van Taormina, waar meer dan twintigduizend binnen hare wanden verzamelde Grieken tegelijk de verzen van Æschylus konden toejuichen en den rookenden top van den Etna aanschouwen. Terecht doen de reizigers een pelgrimstocht naar deze beroemde plek, van waar men tegelijk het uitzicht heeft op de wijkende kust van Messina, de bergen van Calabrië en den fieren kolossus, aan welks voet geheel Sicilië gelegen is. In niet ééne streek ter wereld hebben de menschen tot nog toe op een indrukwekkender wijze de wonderen der kunst met de majesteit der natuur kunnen vereenigen! Meer dan tweeduizend jaren zijn verloopen sedert het tijdstip, waarop de Grieken zulk een volmaakte uitdrukking aan hun gevoel voor het schoone hebben mogen geven, maar helaas, verre van hen daarin op zijde te streven, schijnen zij, die de Grieken en Romeinen op Sicilië zijn opgevolgd, het zich tot taak gesteld te hebben de gedenkteekenen hunner voorgangers te vernietigen. Zelfs zij, die zich voor Mecaenassen, voor vurige beoefenaars der schoone kunsten hielden, en meer bepaald een zekere hertog van Santo Stefano, hebben tot dezen Vandalen-arbeid medegewerkt door de standbeelden en ander marmerwerk weg te voeren, om er hunne paleizen mede op te luisteren. Uit hetgeen er van het oude grootsche, door de Romeinen hernieuwde theater is overgebleven blijkt intusschen genoegzaam, dat het een monument van zeldzame schoonheid was. Men kan niet nalaten de granieten zuilen, de van hare standbeelden geplunderde nissen, het tooneel, het best bewaarde van al de in Europa aanwezige gebouwen van dien aard, te bewonderen. Maar wat vooral de bouwvallen van het theater van Taormina zoo schoon maakt, zijn de bogen, waar doorheen men het blauw des hemels of der zee, en de tusschen de struiken schuilende marmerblokken te midden van in het wilde opschietende heesters ontwaart.

Toch beproefde ik het niet, bij de meer en meer vallende schemering, in al hunne bijzonderheden de overblijfselen van het theater van Taormina te bestudeeren, want de Etna bood mij een schouwspel aan, dat voor mij nog oneindig veel meer aangrijpends bezat. Het was voor het eerst dat ik den vulkaan van nabij voor oogen had, en op zijn naar het zuiden gekeerde zijde, juist vlak tegenover mij, onderscheidde ik de roode lava, die er over heen vloeide. Sedert ongeveer twee maanden was de berg loodrecht aan de naar het noordoosten gekeerde zijde gespleten, en uit de geweldige, ongeveer vier kilometers lange scheur kronkelde de rook opwaarts en dwarlden allerhande gesmolten stoffen rond. Een der grootste nevenbergen van den Etna, de Monte-Frumento, gaapte bijna van boven af tot beneden toe, en de spleet strekte zich van den voet des bergs tot aan een eertijds met hout bewassen plek, waarop zich nu eenige uitgebrande kegels verhieven, uit. Op dit gedeelte van den berg, ter gemiddelde hoogte van twee duizend ellen, lag nu het middelpunt der nieuwe uitbarsting. Zichtbaar vormden zich een aantal heuveltjes, uit stukken van gesmolten stoffen bestaande, benevens tallooze aschhoopen, en uit haar voet vloeide een ontzaglijke lavastroom, die, na de bosschen van het bergplat verwoest te hebben, langs de hellingen van den Etna nedergolfde, de dalen vulde, en de bloeiende velden overdekte.

Van de muren van Taormina af, dat wil zeggen op een afstand van achttien tot twintig kilometers, was het mij onmogelijk de uitbarsting in al hare bijzonderheden na te gaan, vooral te midden der duisternis, die langzamerhand meer en meer begon toe te nemen. Maar het grootsche dat het geheel kenmerkte was zooveel te treffender. Een groote massa witachtige dampen, nog volmaakt zichtbaar, waarde om den top van den vulkaan als een spook, en spreidde zich in de onmetelijke ruimte uit. Lager, op een rand der prachtige pyramide van den Etna, kringelden andere dampenmassa’s, afkomstig van de uitbarsting van den Frumento, als de rook van een brand voort en omhingen de bosschen met hun grijsachtigen sluier. Daar beneden vonkelde de scharlaken gloed van de lava, door het contrast hoe langer hoe schitterender, naar gelang de duisternis van den nacht zich dichter in het rond legerde. Weldra was de vallei, die het voorgebergte van Taormina van de zijden des Etna’s scheidt, niet meer zichtbaar voor het oog: het kwam mij voor alsof de groote berg dichterbij was gekomen, en dat de vlammende oven dicht bij mij, aan de andere zijde van een dal gaapte. Eindelijk was in mijn oog het brandpunt der uitbarsting niets dan een vurige monstersmidse, en de snel opeenvolgende ontploffingen, die de wind meer verflauwd tot mij overgebracht, deden mij aan de zware hamerslagen denken, waarvan het aanbeeld dreunde en daverde. Nu en dan was het mij of ik voorbij de vlammen de schimmen der Cyclopen zag waren, door wie de dondersteenen van Jupiter werden gesmeed.

III.

Giarre.—Aci-Reale.—De zuilengrot.—Het Cyclopen-eiland.—De reus Polyphemus.

Ten zuiden van kaap Schisò steekt men het riviertje Cantara over door middel van een echte brug, die zeker geen wonder van bouwkunst is, maar waarop de Sicilianen toch niet weinig trotsch zijn; vervolgens trekt men in de schuinte de eerste hoogten van den voet des Etna’s over. De grond van den weg is ijzerkleurig, en het stof, dat door de wielen wordt opgejaagd, gelijkt op het vijlsel der fabrieken; ter rechter en ter linkerzijde rijzen muren omhoog, die men wanen zou dat uit blokken metaal waren opgetrokken; maar in tegenstelling met dezen verzengden weg, leveren de velden waar men door komt, een prachtigen plantengroei op, veel weelderiger dan die der andere gedeelten van Sicilië. De boschjes van olijf-, oranje-, citroen- en andere vruchtboomen, hier en daar door palmboomen afgewisseld, maken de geheele tusschen de zee en den voet van den berg gelegen vlakte tot een grooten boomgaard; tallooze villa’s, kerk- en kloosterkoepels stijgen aan alle kanten boven het dicht ineen gewassen groen op. De grond is zoo vruchtbaar, dat zijne voortbrengselen voldoende zijn om eene in verhouding drie- of viermaal sterkere bevolking dan die der overige streken van Sicilië en Italië te voeden. De steden grenzen aan elkander. Riposto’s voorstad strekt zich zoover in het land uit, dat zij tot aan een wijk van Giarre reikt, en deze stad loopt weer aan een anderen kant in Mascali uit; de rondom den voet des bergs gelegen dorpen sluiten als paarlen van een halssnoer aan elkander. Boven deze lagere, zoo ongemeen vruchtbare hellingen rijzen de eigenlijke wanden van den Etna op, welks grond allergeschiktst is voor den groei der bosschen, zooals blijkt uit den kastanjeboom van „honderd paarden” en andere reuzen des plantenrijks. De aanblik van de boven dien gordel van groen oprijzende rookende massa van den Etna, met zijne beide besneeuwde neventoppen het zwarte circus van den Val del Bove omringende, is onvergelijkelijk en onvergetelijk. De indrukwekkende gestalte van den Etna staat altoos hem voor oogen, wien het geluk beschoren was daarop eens den blik te mogen slaan.

Het gebied van den Etna neemt aan den voet der rots van Taormina een aanvang, want daar ontmoet men den eersten lavastroom. Deze steenen vloed, een der opmerkelijkste dien de grond van Sicilië ooit heeft uitgebraakt, is niet minder dan vijf-en-twintig kilometers lang en verlengt zich tot een afstand van verscheidene honderde meters in zee. Op dat uit lava gevormde voorgebergte, in onze dagen onder den naam van kaap Schisò bekend, stichtten de Ioniers, voor 2600 jaren, de eerste grieksche volkplanting van Sicilië. Even als de duitsche en iersche, in de Nieuwe Wereld gevestigde, landverhuizers de smart over het verlies van hun vaderland trachten te verzachten door aan hunne verblijfplaatsen in Amerika een naam te geven, die hun verlaten erfgoed herinnert, zoo noemden ook de grieksche kolonisten de door hen op vreemden bodem gestichte stad: Naxos, en richtten op het naburige zeestrand het standbeeld van Apollo, hun beschermer, op. De jeugdige stad nam spoedig in bevolking en aanzien toe; daarop volgden de oorlogen, de verre tochten, de tirannieën: en Dionysius van Syracuse kwam op zekeren dag de stad slechten en de inwoners in slavernij wegvoeren. In onzen tijd herinnert geen enkel spoor aan het voormalige bestaan der grieksche volkplanting.