Een uitstapje naar Sicilië De Aarde en haar Volken, 1868

Part 2

Chapter 23,725 wordsPublic domain

Eertijds was deze berg een akropolis, waarin zich de uit de stad verjaagde strijders opsloten. Tijdens den eersten punischen oorlog verdedigde Hamilcar-Barca zich hier drie jaren lang tegen een romeinsch leger. De centrale bergspits, die een hoogte van vijfhonderd negentig meters bereikt, blijft altijd zeer moeielijk te beklimmen. Boven de plek waar de weg der pelgrims eindigt, moet men zich tusschen scherpe steenen heen werken, zich met behulp zijner armen tegen de rotsen ophijschen en de puntige takken van het struikgewas vermijden; maar men wordt voor zijne inspanning rijkelijk beloond door het verblindende panorama, dat men van den bergtop geniet. Aan zijne voeten ziet men de groote stad met hare straten en pleinen, met hare wegen, die door de velden slingeren en zich scheiden om in de valleien aftedalen of de steile hellingen der bergen te beklimmen. De Ziza, de Favorita, al de bekoorlijke villa’s der met oranjeboomen beplante vlakten, komen met hare witte wanden allerschilderachtigst te midden van het haar omringende groen uit. De hooge violetkleurige toppen ontwikkelen zich amphitheatersgewijze rondom de tuinen van Palermo, en breiden zich van kruin tot kruin oostwaarts uit, tot aan de met sneeuw bedekte Madoniabergen, waarboven als een witte of vergulde wolk de rookende top van den Etna uitsteekt. Omlaag strekt zich de zee uit, zoo doorzichtig diep dat men zou wanen een anderen veel blauwer hemel dan dezen boven zijne hoofden te zien, en waarop de hier en daar vlottende zeilen zoovele in de lucht fladderende vogels schijnen te zijn. Al de lijnen van het strand zijn volkomen zuiver; de kust wordt door een opeenvolging van halfcirkelvormige baaien en scherpgetande voorgebergten afgewisseld. Hier heeft men den Caltofano, die een Monte-Pellegrino in het klein schijnt; een weinig verder het terras waarop de stad Termini gelegen is; nog verder de vooruitspringende punt van Cefalù; eindelijk doet zich in de verste verte, op zestig kilometers afstands, kaap Orlando als een blauwachtige schaduw voor.

In het midden der zee steken, als pyramiden boven den mist, de drie hooge eilanden Ustica, Felicudi en Alicudi uit; dikwijls zelfs kan men den wazigen groep der eilanden Lipari en Volcano onderscheiden.

Op den toren van den Monte-Pellegrino had men dit spaansche opschrift van het paleis Ziza best kunnen griffelen:

„Del orbe Europa es honor, De Europa Italia verjel, Sicilia compendio del, Y esta vista la mejor!” [1]

Nog treft men een aantal lieden op de wereld aan, die, onder den invloed der dichterlijke herinneringen hunner jeugd, in de ijzeren spoorwegen een beklagenswaardige nieuwigheid zien, en aan de oude trekschuit boven de lokomotief de voorkeur geven. Ieder zijn smaak! Met hen kan men het eens zijn, dat de niet zeer gemakkelijk hangende waggons de reizigers op een onaangename wijze schudden en schokken, en dat het stoomfluitje een afschuwelijk muziekinstrument is; maar in weerwil van al deze en nog andere bezwaren, is het niet minder waar dat de snelheid, waarmede men voortvliegt door de achtereenvolgende landschappen, waarvan het eene het andere als het ware aanvult, niet weinig het schoone verhoogt der natuur, door welke men heenstoomt. Daarenboven, in een land dat nog zoo barbaarsch is als Sicilië, voert het stoomrijtuig al de denkbeelden eener nieuwe wereld met zich. Door zijne verschijning alleen in den wagen van een spoorweg, is de reiziger een zendeling der beschaving.

Dat gedeelte van de Gouden Schelp, waardoor de spoorweg loopt, is niet minder schoon dan de aan den voet van den Monte Pellegrino gelegen landstreek. Een zee van groen ontplooit zich tusschen de kust en de steilten van den Monte-Griffone met zijne geelachtige hier en daar met grotten doorsneden wanden. Dorpen door oranjeboomen omringd, oude torens, waterleidingen met ongelijke bogen, kleine heuvels, waarboven weder steile rotsen oprijzen, volgen elkander haastig op. Hier hebt gij Bagaria en Santa Flavia, met hare groote paleizen, hare lusthuizen, hare kerken met geverniste, in de zon glinsterende daken. Aan onze linkerhand verheft zich de monte Caltofano, de oostelijke wachter der baai van Palermo; vervolgens ziet men zijn voet zich spiegelen in een baai, wier wateren eertijds een phenicische en grieksche stad besproeiden, thans door het vlek Solunto vervangen. Nu stoomen wij langs den oever voort, trekken langs twee of drie rotsachtige voorgebergten heen, en dringen stoutweg door de bres van een muur eene middeleeuwsche stad met zware gekanteelde torens binnen. Het is la Trabbia, het laatste station van den spoorweg in 1865.

Eenige omnibussen wachten de reizigers op om hen naar Termini over te voeren; maar dat tochtje van vier kilometers moet door eene rivier plaats hebben. Doch in weerwil van de daaraan verbonden bezwaren bereikt men genoemde belangrijke stad. Zij ligt op een hoog terras, aan den zeekant steil afdalende, en door een lachende landtong met den prachtigen berg San Calogero verbonden. Aan den oever der Middellandsche zee, zoo rijk nogtans in prachtige gezichten, is er misschien niet een, dat in bevalligheid en majesteit dat van Termini, zoo terecht la splendidissima genoemd, overtreft. De berg San Calogero, wegens de zuiverheid zijner vormen met een vulkanischen kegel te vergelijken, rijst regelrecht van den oever der zee tot op acht-honderd ellen hemelwaarts, en loopt in een kruin, aan de tanden eener zaag gelijkende, uit, zoodat hij veel van den rand eens uitgebranden kraters weg heeft. De geheele berg is met witte, waaiervormige voren doorsneden, waartusschen hier en daar het bevalligste groen wast; op de lagere hellingen ziet men van deze voren niets, daar zij overal met het dichte groen der olijfboomen gevuld zijn. Haar bekoorlijke baai, die een honderdtal booten en eenige grootere vaartuigen tot haven dient, strekt zich tusschen het terras van Termini en den voet van laatstgenoemden berg uit; rondom deze baai blinkt de stad op de hellingen, als een mengeling van steenen en daken. Binnen in, niet ver van den oever, ontspringen de heete bronnen, waaraan de oude grieksche volkplanting van Thermae haar langzamerhand in Termini verbasterden naam te danken had. Daar, zooals de legende zegt, werd weleer de goddelijke Herkules in zijn vaart gestuit. Vermoeid van het najagen der ossen van Helios, smeekte hij den nymfen der bron om nieuwe veerkracht voor zijne ledematen, en kwam hij geheel verjongd uit het bad te voorschijn. Men ziet, wanneer de doctoren en de industrieëlen van Termini de deugdelijkheid hunner wateren zullen uitbazuinen, dat zij van vrij hoog de geschiedenis der wonderdadige bronnen kunnen ophalen. Onder zoovele badplaatsen, die overal de namen in het rond doen klinken der groote personages, die haar bezochten, is er niet een die, als Termini, er op roemen kan de kracht te hebben hergeven aan den zoon van Jupiter en bezongen te zijn geworden in de Oden van Pindarus.

Daarenboven hebben sedert drie duizend jaren de bronnen van Herkules niets van hare deugdelijkheid verloren, en de inwoners zullen dit wel gewaar worden, als zij verstandig genoeg zullen geweest zijn het vervallen badhuis weder op te bouwen, hunne straten te reinigen, en hunne smerige herbergen door bekoorlijke logementen te doen vervangen. Dan zullen de vreemdelingen, die tegenwoordig het niet durven wagen naar Termini te trekken, uit vrees om er door ongedierte te worden verslonden, den weg leeren kennen eener stad, die, door hare ligging, de schoonste onder de schoonen is en door hare geneeskrachtige bronnen zoovele middelen aanbiedt tot herstel van kranken en uitgeputte lijders.

Voorbij Termini loopt de kustweg langs den voet van den berg San Calogero; vervolgens door een breeden bergstroom, waarvan de spoorweg van Palermo naar Catana weldra de bedding in beslag zal nemen. Deze bergstroom is de Fiume-Torto. Het rijtuig gaat op een droge plek over, terwijl de reizigers zich op een brug met een tiental bogen wagen, die nog niet geheel voltooid is. Weldra ontwaren wij rechts van den weg een groot vlak bergplat, met regelmatig gevormde hellingen als de glooiingen eener vesting.

Op dat terras, zoo uitmuntend gelegen om er een stad op te bouwen, vindt men geen enkel huis; maar eertijds stond daar de groote grieksche stad Himera. Aan den voet van dit bergplat behaalden de Grieken van Sicilië eene beslissende overwinning op een groot leger Karthagers, en wel denzelfden dag, waarop de Atheners de persische vloot bij Salamis vernielden. Daar, op dat strand, werden de karthaagsche schepen aan de vlammen prijs gegeven en blies Hamilkar den adem uit; maar daar ook, twee-en-zeventig jaar later, liet de verschrikkelijke Hannibal, nadat hij Himera in een puinhoop had doen verkeeren, drie duizend harer krijgslieden ter dood en hun bloed aan de schim van zijn voorzaat ten offer brengen. Op dit oogenblik is er zelfs geen steen van deze stad der oudheid overgebleven.

Zoo de groote grieksche stad heeft opgehouden te bestaan, omringde in vergoeding daarvan het eenvoudige kasteel van Kephalodion zich met huizen, nam trapsgewijs in belangrijkheid toe en eindigde met, onder den naam van Cefalù, de meest bevolkte plaats der kust tusschen Termini en Barcelonna te worden. Het voorgebergte, waaraan de stad haar griekschen naam (Kephelè) verschuldigd is, is door zijn vorm het merkwaardigste punt van de kust. Het is een geweldig groote rots, wier naar de zee gekeerde zijde loodrecht afdaalt. Hare hooge, geelachtige, hier en daar zwart gestreepte wanden schijnen over de huizen heen te hangen, die allen tegen elkander op den uit puin en brokken saamgestelde aarden voet van het voorgebergte gedrongen zijn. Van het plein der kathedraal gezien, vertoont zich de rand van de rots, die zich ter hoogte van meer dan honderd ellen tegen de blauwe lucht afteekent, als de wal van een reusachtige vesting, en wat de begoocheling nog vermeerdert, is, dat de kanteelen van een muur, door de hand der menschen daar opgetrokken, de rots over hare geheele uitgestrektheid omringen. Als men des nachts deze uitgetande rotspunten bij het schijnsel der starren ziet, grenst de uitwerking daarvan aan het tooverachtige.

Daar de weg langs de kust nog niet geheel voorbij Cefalù voltooid was, was ik genoodzaakt een dag of acht op de stoomboot, die mij naar Milazzo zou voeren, te wachten, of mijn tocht op den rug van een muilezel voort te zetten. Ik koos dit laatste, en bij het aanbreken van den volgenden morgen stond een echte Siciliaan met het gewenschte gedierte voor mijne deur. Ik wierp mij op een groot pakzadel, en was genoodzaakt de houding van een chineeschen Bouddhist aan te nemen; mijn gids sloeg een kruis, deed den muilezel een gewijd zakje om, waarin een afbeelding van de Santissima Maria Addolorata, en gaf door klappen van zijn tong het sein tot vertrek. De lucht was nog vrij koel; en niet zonder een groote voldoening voelde ik weldra de zon doorkomen en de atmosfeer met hare stralen verwarmen. Mijn gids was een flinke kerel, die mijne vragen half scheen te raden. Mijn muilezel had geen lust tegen de steenen op den weg te stooten; het landschap was prachtig en wisselde onophoudelijk in uitgestrektheid af, naarmate ik een baai omtrok of een voorgebergte opsteeg. Het kwam mij voor, dat mijn reis op geen aangenamer wijze kon gedaan worden.

Intusschen begon de zon langzamerhand te klimmen. Terzelfder tijd verspreidde zich in de benedenlucht een grijsachtige mist, terwijl hij over de oppervlakte van het water heenschoof. Bij het voorttrekken langs den oever waren de beide Eolische eilanden Felicudi en Alicuri door den damp voor ons verborgen; wanneer wij een of ander voorgebergte beklommen, kwam op hare beurt de zee slechts flauw door den mistsluier te voorschijn, en tegen het noorden zagen wij op nieuw, boven den nevel uit, de beide vulkanische pyramiden oprijzen. De warmte werd hoe langer zoo drukkender en geen koeltje bewoog zich in de lucht. Eveneens lag de zee roerloos, en de troebele wateren, die uit de rivieren stroomden, lagen tot op een afstand van verscheidene kilometers, om zoo te zeggen, boven op den zeeplas. Ik was van mijn muildier gestegen, welks zadel ondragelijk heet was geworden, en met vrij wat moeite liep ik over de keien van het strand, of in de met steenen bezaaide droge beddingen van den bergstroom. Mijn gids stiet van tijd tot tijd een verwensching tegen den sirocco uit, en met innige verrukking sloeg ik een blik op de sneeuwlagen en de schaduwrijke bosschen der Madonia-bergen.

Eindelijk bereikten wij Santo Stefano, het doel van onzen tocht op dezen dag, en tot overmaat van genot mocht ik er in een herberg uitrusten, die een der wonderen van Sicilië is, want men vindt er een voorkomenden herbergier, versch water, een gouden maaltijd, een heldere kamer en een zuiver bed. Santo Stefano is een zeer nijver vlek, dat met den dag in bevolking toeneemt; geen twijfel of het zal een belangrijke stad worden, als het met het overige Sicilië door goede rijwegen zal verbonden zijn. Eertijds lag het te midden van bosschen op een bergtop; maar de inwoners, wie het verdroot zoo hoog te moeten wonen, vestigden zich de een voor, de ander na, op den oever. Zonderling inderdaad, maar ten bewijze hoe de maatschappij, zelfs in de minst beschaafde streken van Europa, wordt gewijzigd, dient dat al de steden van dat siciliaansche kustland van hooge steile rotsen zijn afgedaald, om zich in de nabijheid van het strand neer te slaan. Eertijds was het de eerste zorg der vroegere maatschappij, zich te verdedigen: iedere stad vestigde zich op een eenzamen bergtop, omringde zich met muren en verschanste zich achter torens. In de nieuwere tijden is de eerste behoefte die van den arbeid. Ook verlaten de inwoners achtereenvolgens hun arendsnesten en komen zich aan den oever der zee of op de wegen, die de vlakte doorkruisen, legeren, en bouwen er woningen, die, wel is waar, het landschap minder luister bijzetten, maar veel gezonder en beter zijn ingericht. Langs deze geheele kust vergroot iedere Marina zich ten koste van den Borgo, en eindigt de oude stad met een prachtige bouwval te worden, als een opeenstapeling van rotsen op de kruin der bergen opgehoopt. Welke heerlijke sujetten voor schilderijen leveren deze oude, gedeeltelijk verlatene steden, als Pollina, Caronia en San Fretello op! Maar genoeg hiervan.—Eenige uren rijdens in den wagen waren voldoende om mij van Santo Stefano naar Santa Agata te voeren, waar de gewone rijweg weder begint—hetgeen op Sicilië nog een groote bijzonderheid, ook wegens het steile van het kustland, is. Zoodra ik Santa Agata verlaten had, moest ik een der fiumare oversteken, dat wil zeggen een uitgestrekte, met steenen bezaaide vlakte, waaraan dichte massa’s mirten, laurierkers en andere heesters, hier en daar tusschen de keisteenen opwassende, den bevalligen naam van Kosa-Marina gegeven hebben.

Bij iedere wending van de kust levert het landschap een nieuw gezichtspunt op. Hier hebt gij de oude stad van Naso, die op den top van een berg verrijst; wat verder heeft men een voorgebergte van wit marmer, waarop een vestingtoren prijkt; daarna komt men aan den voet der ronde granietrotsen van kaap Calavà, waar de weg door een tunnel loopt. Maar niet één plek haalt, wat de ligging betreft, bij de grieksche stad Tyndaris! Het granieten bergplat, waarop deze oude volkplanting der Messeniërs gevestigd was, verheft zich meer dan twee honderd ellen boven den zeespiegel en eindigt in steile klippen die loodrecht in zee afdalen.

Even als in andere oude steden van Sicilië, zooals Termini, Taormina, Syracuse, was de schouwburg, die van romeinsche bouworde schijnt en ongetwijfeld een nog ouder gebouw vervangen heeft, op de helling opgetrokken, vanwaar men een allertreffendst uitzicht geniet. Aan weerszijden heeft men een halfcirkelvormige baai, met lange door olijfboomen gekroonde hellingen omringd. Ter linkerzijde begrenzen de rosachtige massa’s van kaap Calavà den gezichteinder; ter rechterzijde strekt zich tot ver in zee de enge landweg van Milazzo uit. Tegenover u stijgen de verbrande kegels van Volcano, schijnbaar zeer nabij, uit het azuren bed der Middellandsche zee op, en nog verder scharen zich langs den zoom van den horizon de wazige toppen der andere Eolische eilanden tot aan Stromboli toe. Ten oosten ziet men de blauwachtige lijn der italiaansche Apennijnen zich afteekenen, terwijl in het noorden de bergketen der neptunische bergen zich verheft, en de besneeuwde kruin van den Etna over deze eerste reeks van met steden en dorpen bezaaide gebergten henenkijkt.

De stad Tyndaris bestaat niet meer, maar de daarom heengelegen streek is altijd een der vruchtbaarste, der meest bebouwde en der rijkstbevolkte van geheel Sicilië. De talrijke vlekken niet medegerekend, liggen de drie belangrijke steden Patti, Barcelonna, Milazzo in een bestek van minder dan dertig kilometers bijeengegroept, en de smalle strook kustland levert in overvloed tarwe, olijven, oranjeappelen en de andere voor het onderhoud der bewoners benoodigde voortbrengselen van den grond op. Van deze drie steden is Barcelonna de volkrijkste, maar de meestbekende is Milazzo, de oude grieksche volkplanting van Mylœ.

II.

Messina.—De Scala.—Gezicht van Messina en van de Straat.—Bombardementen en aardbevingen.—Messina’s belangrijkheid als koopstad.—De Straat van Faro.—De kwallen van de haven.—De spoorweg van Messina naar Catania.—De fooien en de bedelaars.—Bestijging van kaap Alessio.—Het theater van Taormina.—Gezicht van den Etna en van de uitbarsting des Monte-Frumento.

Ik kon mij echter te Milazzo niet lang ophouden, maar spoedde mij van daar naar Messina, en wel langs de kust door dichte olijfbosschen. Hier en daar heeft men enkele lage met tamarisken bedekte duinen. Eenige vervallen dorpen omzoomen den weg, terwijl tot ver op de hoogten oude schilderachtige kasteelen en gedeeltelijk gerooide bosschen zich aan het oog voordoen. Toch blijft de gezichteinder beperkt tot aan de bijna altoos droge rivier del Gallo; als men die is overgetrokken begint men te klimmen. In plaats van het zeestrand te volgen, loopt de weg zigzagsgewijs langs de steile bergen op, die ten westen van Messina oprijzen, en ontsluiert zich voor het oog des reizigers al meer en meer het uitgestrekte panorama der siciliaansche kusten en der zee van Lipari.

Nog bevindt men zich op de noordelijke helling van het eiland, op een afstand van ten minste tien kilometers van Messina: maar, als men op den fiscus let, zou men wanen reeds zijn intocht in de stad te hebben gedaan; want de ambtenaren der belasting, die aan den voet van den berg op post zijn gesteld, onderzoeken naar hartelust de karren en de met bagage bedekte rijtuigen, en tasten onbeschaamd in de zakken der voorbijgangers, om te zien of zij ook kaas of flesschen olie met zich voeren. Dit cordon van douanen strekt zich langs eene geheele bergketen uit.

Voor gewone rijtuigen duurt de bestijging, die lang en moeielijk is, niet minder dan twee uren. Men komt langs de olijfstreek; vervolgens voorbij het dorp Gesso, geheel met torens en oude bolwerken uit de middeleeuwen omheind, en trekt eindelijk diepe ravijnen tusschen met heideplanten bewassen hellingen door. Geen huis, zelfs geen boom doet zich aan het oog voor: slechts de eentonige opvolging der bruine of roodachtige bergtoppen. Indien men den helderen hemel niet boven zich had, noch den geur der welriekende planten inademde, zou men meenen te midden van de schotsche Hooglanden of de ruwe streken van sommige deelen van Ierland te zijn.

Eindelijk bereikt de weg het hoogste punt van de Scala, en alles verandert als bij tooverslag. Aan zijne voeten ziet men een afgrond gapen, waaruit de toppen van scherpe met pijnboomen begroeide heuvels oprijzen. In de laagte ontplooit zich, als een relief in miniatuur, de stad Messina met vestingwerken en kloosters omgeven, en schuift in het midden der blauwe wateren het bevallige schiereiland vooruit in den vorm van een sikkel, waaraan het den griekschen naam van „Zankle” te danken heeft. Ten zuiden rolt de Ionische zee tot aan den onmetelijken gezichteinder hare wateren voort; ten noorden rust de blik op de beroemde straat van Faro, waarop sedert de dagen van den wijzen Ulysses zoovele zeevarenden zich hebben gewaagd, en die van hier gezien een breeden, kronkelenden stroom gelijkt. De blik kan hem geheel en al overzien, met zijne door de stroomingen veroorzaakte rimpels en kolken. Bij het zandige punt van Faro onderscheidt men duidelijk het witte schuim van den Charybdis en het worstelen der golven, die of in het kanaal zelve of bij den ingang tegen elkander inloopen. Stoombooten, een lange voore achter zich latende en haar rookpluim ontplooiende, schieten door geheele vloten van onderscheiden zeilvaartuigen heen, die zich doodbedaard laten voortstuwen al naar de luim van de zee het medebrengt. Op den tegenovergestelden oever smelten de steden en dorpen, Reggio, San-Giovanni, Scylla, Bagaria tot een onafgebroken lijn van in de zon schitterende huizen ineen; maar boven de bevallig omtuinde villa’s ontwaart men in de hellingen sombere grotten, als lange plooien in een mantel, die door de roodachtige rotsmassa van Aspremonte, voor altoos door Garibaldi beroemd geworden, heen slingeren. Aan de zijde van Sicilië tilt de bergketen der Peloren ontelbare, in scherpe punten uitloopende toppen hemelwaarts, bekleedt hare zijden met groen heestergewas en bijeengegroepte boomen, terwijl, aan den kant van Italië, het vasteland allerprachtigst eindigt in een dorren berg met een eentonige spits gekroond. Het gezicht op de siciliaansche hoogten is allerschilderachtigst, terwijl het laatste voorgebergte van Europa iets plechtigs en ontzaglijks heeft.

Als een wervelwind dalen wij boven van de Scala naar Messina af. De naar beneden loopende weg slingert zich met snelle wendingen om de ravijnen en bergwanden, gaat langs villa’s en kloosters, en verlengt zich tot in de stad over een uitgedroogd bed der rivier. Nog staat het statige gezicht der zee en der bergen ons voor oogen, en reeds rolt het rijtuig over het witte plaveisel der Garibaldi-straat en krijgt men niets meer van de natuur te zien, dan bij iedere dwarsstraat een vluchtig kijkje op de blauwe wateren van de haven en de bergen van Calabrië.

De inwoners van Messina zijn niet weinig aan hunne stad gehecht. Gedurende de verschillende belegeringen, die zij hadden door te staan, hebben zij zich tot het uiterste verdedigd, en zelfs de vrouwen, zoo als een oud krijgsdeuntje vermeldt, hebben met hare echtgenooten en broeders in geestdrift gewedijverd, waar het aankwam op het beschermen van hare haardsteden en altaren. Bij den opstand in 1848 werden de napolitaansche soldaten uit de stad en de hooggelegen straten verdreven en de opstandelingen bijgestaan door de dames van Messina, die de bronzen standbeelden der Bourbons tot kogels hielpen smelten, bestemd om van de heuvels het kanon der citadel te beantwoorden. Maar de citadel bleek onneembaar en spaarde de stad, vooral dat gedeelte, hetwelk den naam van Terra Nova draagt, niet. In 1861 toonde zij zich genadiger, ofschoon het blijkt dat de bevolking zeer voor een nieuwe bestraffing uit de vuurmonden dier vesting bevreesd was: immers nog heden ten dage leest men op menige woning dit beschermende opschrift: proprietà francese, proprietà inglese, proprietà prussiana.