Een uitstapje naar Sicilië De Aarde en haar Volken, 1868
Part 1
DE AARDE EN HAAR VOLKEN.
EEN UITSTAPJE NAAR SICILIË
TIJDENS DE UITBARSTING VAN DEN ETNA IN 1865.
I.
De twee hoofdstraten van Palermo.—Voorkomen der inwoners.—De burgersocieteiten.—De maffia en de rooverijen.—Het krankzinnigengesticht.—De hoofdkerk te Palermo.—Het Kapucijnerklooster.—De hoofdkerk van Monreale.—Het Benedictijnerklooster.—De Monte-Cuccio—De Monte-Pellegrino.—De kustspoorweg.—Bagaria, Solunto, la Trabbia.—De brug van San Leonardo.—Termini en de berg San Calogero.—Cefalù.—Santo Stefano.—Kaap Orlando.—Tyndaris.
Hij die, pas in de haven van Palermo aangeland, de straat Toledo inslaat, ziet reeds terstond een aantal dingen, die hem verwondering inboezemen. Als men den voet op siciliaanschen bodem zet, is men van zelf geneigd te gelooven, dat onder dien fraaien hemel, te midden dier bekoorlijke natuur, de mensch door de bevalligheid en den adel zijner trekken geheel in harmonie moet zijn met alles wat hem omringt. Met dat denkbeeld, zelfs gekoesterd door hen die er zich geen duidelijke rekenschap van geven, paren zich de herinneringen aan de poëzie en de schoone kunsten der oudheid. Men stelt zich voor, onder de moderne kleeding de bewonderenswaardige type der grieksche beeldhouwkunst te zien; maar, helaas! reeds spoedig heeft men zijne begoocheling zien verdwijnen. De vermenging der verschillende rassen, die elkander te Palermo hebben opgevolgd: Siculiërs en Pheniciërs, Karthagers en Grieken, Romeinen, Gothen, Arabieren, Normandiërs, Spanjaarden, Italianen, heeft geen gelukkig resultaat opgeleverd: geen nieuwe type van schoonheid, met die van eertijds te vergelijken, is uit die kruising te voorschijn gekomen. De inwoners van Palermo, zoowel de vrouwelijke als de mannelijke, bezitten over het algemeen lompe, onbevallige, bijna barbaarsche trekken. Bij het zien dezer bevolking kan men het denkbeeld niet van zich weren, dat zij langzamerhand door de onwetendheid, het bijgeloof en de ellende in leelijkheid ontaard is. Een eeuwenlange verdrukking heeft hier diepe sporen nagelaten. Het despotisme vergenoegt zich niet niet de zielen te verlagen en de geesten te ontzenuwen, het drukt zelfs zijn stempel op de gelaatstrekken.
Bij het doorkruisen der verschillende wijken van Palermo verbaast het u zulk een gering aantal vrouwen te ontmoeten, zelfs op die uren, waarin de straten het drukst worden bezocht. Do menigte bestaat bijna geheel uit mannen. Daargelaten de vrouwen en dochteren der hier gevestigde vreemdelingen, engelsche, duitsche, amerikaansche, die men overigens gemakkelijk aan haar kleur en houding kan herkennen, ziet men slechts nu en dan een vrouw uit het volk hier en daar in de winkels of voor hare deur aan den arbeid. Het algemeene voorkomen der stad krijgt iets sombers door de voorbijgangers in het zwart, die aan weerszijden der straat als twee lange rijen mieren voorttrekken; het oog zoekt een of ander vroolijk kleurig kleed, dat de eentonigheid breekt van heel dien sleep van paletots en suikerbroodvormige hoeden. Van waar komt het dat de palermitaansche zich dus in hare woning opsluit? Het is niet waarschijnlijk dat zij alleen wordt teruggehouden door de vrees van haar frissche tint te verliezen, als zij zich aan de zon en het stof blootstelt. Indien men de te Palermo gevestigde vreemdelingen mag gelooven, zouden de inboorlingen van hunne voorvaders, de muzelmannen, den woesten hartstocht der jaloezie hebben geërfd, en zouden zij hunne echtgenooten bewaken alsof zij echte pacha’s waren, en haar zooveel mogelijk het verlaten van den harem ontzeggen. Overigens voegt men er bij dat, als een zeer natuurlijk gevolg, deze inkerkering der vrouwen nadeelig voor hare deugd is. Wat er van zij, men moet niet vergeten dat Palermo meer dan twee eeuwen een der meest geliefde steden der Saracenen was, en dat Tunis er slechts een dag varens van verwijderd ligt. Het kan geen verwondering baren, dat de palermitaansche zeden inderdaad het kenmerk dragen van den dubbelen invloed der nabuurschap en van den ouden maatschappelijken toestand.
Indien de dames weinig uitgaan, houdt daarentegen de burger van Palermo er veel van, zijn tijd buitenshuis door te brengen. Nogtans is hij alles behalve verkwistend, en gelijkt in dat geval volkomen op zijne sobere voorouders, de Karthagers en de Arabieren: hij veroorlooft zich geenszins zijn inkomen in koffiehuizen en schouwburgen te verteren. Deze instellingen van weelde worden slechts door de Italianen van het vasteland of door de vreemdelingen bezocht. Wat den palermitaanschen rentenier betreft, deze brengt het grootste gedeelte van den dag op de sofa’s van de eene of andere kamer door, die een wijd uitzicht over de voetpaden van de straat Toledo heeft. Daar ligt hij, dood op zijn gemak, de eb en vloed der voorbijgangers aan te kijken en de voorvallen van den dag met zijne vrienden te bespreken; des noods, wanneer het gesprek begint te kwijnen, kan hij op het rumoer der straat langzamerhand gaan indutten. In deze societeiten vindt men geen dagbladen of boeken, geen biljart, dam- of schaakbord en zelfs geen likeuren. De leden zoeken elkander volstrekt niet te onderrichten of iets bij de hand te nemen: het is hun voldoende „den tijd te dooden”, zonder verplicht te zijn er iets te betalen. Hunne eenige uitgaaf bestaat in het betalen der huur van dit observatorium, waar zij, zelf niet meer dan burgers, zich hebben neergezet om de kleine burgerlijke wereld in haar bedrijf gade te slaan. Voor de getraliede vensters der bovenverdiepingen volgen andere blikken den stroom der menigte: het zijn die der geestelijke zusters, welke, om de benedenlokalen harer woningen aan profanen te verhuren, haar leger onder de daken hebben opgeslagen.
Een jeugdig piemonteesch geneesheer, die juist met een werk van statistieken aard omtrent de zeden der palermitaansche bevolking belast was, was wel zoogoed mij met de meeste voorkomendheid als cicerone te dienen in de stad, en mij den uitslag zijner studiën mede te deelen. Zijne onderzoekingen hadden hem zooveel ellende doen aanschouwen en in zulke holen der schande gevoerd, dat hij er nu en dan tot wanhoop door gebracht werd, en dat hij ieder oogenblik van den dag zich geneigd gevoelde de stad te ontvluchten, om den zielevrede tusschen de bergen van zijn geboorteland te hervinden. Wat er vooral toe bijdroeg om hem nog wanhopender te maken was, dat hij, in zijne hoedanigheid van vreemdeling en piemontees, bij iederen palermitaan te worstelen had met die spotzucht, waarmede de aan dienstbaarheid gewone bevolkingen zich doorgaans tegen hunne meesters wapenen. Het is waarschijnlijk dat de arme geleerde, uit reactie tegen deze onheuschheden en spotternijen, niet onbevangen genoeg in zijn oordeel is gebleven en de bevolking van Palermo wat al te streng heeft beoordeeld; maar de officieele bescheiden, waardoor hij in die meening bevestigd werd, getuigen maar al te zeer van den beklagenswaardigen, laaggezonken staat der Sicilianen. In 1865 telde men niet minder dan vier tot vijf duizend aanhangers dier geheime maffia, wier leden zich onderling verbonden om van bedrog, valschheid en diefstal van allerhande aard te leven.
Op dat nog niet zeer verwijderd tijdstip waren de meeste kooplieden en industrieelen verplicht om, wilden zij zelven leven en hun beroep vrijelijk uitoefenen, schatting te betalen aan de hoofden dezer zoo te vreezen en gevreesde vereeniging: men kan zeggen dat de gansche stad tegelijkertijd aan twee machten, die van Italië en van de maffia, onderworpen was. Deze laatste macht wordt des te beter gehoorzaamd, daar hare bevelen in enkele teekens, gebaren, wenken en aanrakingen en geheimzinnige seinen bestaan; het onbekende verhoogt hare verschrikkelijkheid, en nu en dan bewijst een dolksteek dat zij ook hare rechters en beulen heeft. De invloed, door zulk een stelsel op den handel uitgeoefend, laat zich gemakkelijk raden. De belemmering, door deze traditioneele afpersingen den handel in den weg gelegd, en aan den anderen kant de algemeene onverschilligheid harer inwoners, hebben de hoofdstad van Sicilië betrekkelijk zeer arm gemaakt. Palermo is tweemaal meer bevolkt dan Genua, en toch is het in vergelijking vijfmaal minder rijk.
Juist toen ik mijn reis had aangevangen, werden de omstreken van Palermo en de beide aangrenzende provinciën Trepani en Girgenti, door een nog vreeselijker ramp dan de maffia bezocht. Wij bedoelen de rooverij.
Begunstigd door den staatkundigen ommekeer en de tijdelijke verwarring, die daardoor in al de takken der siciliaansche administratie was ontstaan, hadden de dieven des lands, echte Bedouïnen aan wie slechts de burnous ontbreekt, zich in der ijl naar alle kanten verspreid om de reizigers uit te plunderen. Kleine benden vormden zich dus op verschillende punten van het eiland, en na de aanneming der wet op de conscriptie groeiden deze weldra tot honderden en duizenden weerspannelingen aan. Daar de lichting van soldaten voor het leger tot nog toe iets onbekends in Sicilië was, vond een groot aantal jongelieden, in sommige districten op een vijfde, in andere zelfs op een vierde der opgeroepenen geschat, gelegenheid zich door landverhuizing, vlucht of aansluiting bij een rooverbende, aan den militairen dienst te onttrekken. Al de westersche provinciën werden geheel en al onveilig, zelfs de toegangen tot de groote steden bedreigd, en meer dan eens waagden de roovers zich tot in de voorsteden van Palermo. Eenige afgelegen dorpen, wier inwoners half slachtoffers, half medeplichtigen waren, strekten den roovers tot schuilplaatsen; en, dank zij hunne kennis van het land en van de menschen, dank eveneens de moeielijk te bestijgen bergen, konden zij gemakkelijk aan de waakzaamheid der geregelde troepen ontsnappen. Onder den invloed van dezen afschuwelijken oorlog van listen, schermutselingen en moorden op kleine schaal, dreigde het land weldra op nieuw tot een staat van barbaarschheid te zullen vervallen, als men er in het einde niet toe ware overgegaan een geheel leger tegen die booswichten in het veld te brengen. Nogtans schijnt het te blijken, dat de siciliaansche roovers zich nooit aan dergelijke schanddaden hebben overgegeven als die welke men van zekere hoofden in Calabrië en de Abruzzen verhaalt; zelfs de meesten hunner zijn schandelijk laf. Overeenkomstig eene oude gewoonte van kruipende beleefdheid gedragen zij zich soms allernederigst tegenover de rijke reizigers die hun prooi zijn geworden. Een ingenieur, dien het toeval mij tot reisgenoot tusschen Palermo en Termini verschafte, verhaalde mij, dat hem, toen hij door de roovers was overvallen, beleefdelijk was verzocht geworden uit het rijtuig te stappen:
„Groet zijne excellentie!” riep het hoofd der bende. „Het is een galantuomo (een man van aanzien)!”
En vlak daar naast hadden diezelfde schelmen een armen voerman zoo op stokslagen onthaald, dat hij op den grond in zijn bloed lag te baden.
Gelukkig is het rooven slechts iets voorbijgaands in de geschiedenis van Palermo; en weldra zal, onder den invloed van boeken, dagbladen en scholen, het jongere geslacht langzamerhand verbeteren en zelfs de maffia, deze kweekschool des diefstals en des bedrogs, met al de andere uit de middeleeuwen afkomstige instellingen, opgehouden hebben te bestaan. Het zou wel droevig zijn te denken, dat deze zoo bevallig gelegen stad tot onzindelijkheid, onwetendheid, bijgeloof en allerhande kleingeestige ijverzucht zou kunnen veroordeeld blijven.
Integendeel, de beweging waardoor heden ten dage Europa een beteren maatschappelijken toestand te gemoet gaat, veroorlooft ons te hopen dat Palermo spoediger dan andere reeds meer gevorderde steden in vooruitgang zal toenemen, en dat de vreemdeling er weldra niet meer dat pijnlijke contrast zal ontwaren, hetwelk er bestaat tusschen de wezenlijke barbaarschheid van zulk een groot deel harer inwoners en die verrukkelijke natuur, die bevallige baai, die prachtige tuinen, die lanen met palmboomen, die wandelingen van erythrinen met haar verrukkelijk schoone koraalachtige trossen.
Hoe licht zou men te Palermo gelukkig zijn! roept men uit bij het zien dezer bekoorlijke stad. Hoe gemakkelijk zou het wezen, in dat heerlijke klimaat en op dien vruchtbaren grond in vrede met zich zelven en zijne natuurgenooten te leven! En toch zijn weinig steden ongelukkiger geweest dan Palermo la felice; en toch werden er slechts weinige in ons Europa gevonden die zich meer zullen hebben in te spannen, om aan de groote beweging der hedendaagsche beschaving deel te nemen. Men zou waarlijk geneigd zijn soms te gelooven, dat het opschrift waarheid behelsde, hetwelk een beroemde, weldadige menschenhater van Palermo boven de deur van het gekkenhuis heeft laten beitelen: „Dit is de woning der Wijsheid.”
Zeker is het echter dat deze merkwaardige door den baron Pisani gestichte en lang bestuurde inrichting de aandacht van iederen vreemdeling verdient, hetgeen men niet kan getuigen van andere openbare instellingen te Palermo, als b.v. de hospitalen, de scholen, gymnasiën. Onder de eigenlijk gezegde monumenten trouwens zijn er een aantal uit het saraceensche en normandische tijdvak, die de meeste aandacht verdienen. Daaronder rangschikt men de overblijfselen der moorsche paleizen van Cuba en Ziza, die later door de normandische vorsten en de spaansche of napolitaansche grooten zijn hersteld en bedorven. Daaronder behoort ook de kathedraal, die een aartsbisschop, Engelschman van geboorte, Walter of the Mill, tegen het einde der twaalfde eeuw liet bouwen, en die, van dat tijdstip af, op den duur gedeeltelijk, nu eens aan de eene dan weder aan de andere zijde, is hernieuwd. Boven deze opeenstapeling van muren van verschillenden bouwstijl verheft zich een moderne koepel van vrij slechten smaak. De westelijke voorgevel is verreweg het fraaiste gedeelte van het gebouw. De drie gothische deuren, met posten van door de zon verkleurd marmer, zijn met verwonderlijk fraai beeldhouwwerk, acanthusbladeren en dooreen gevlochten takken, versierd. Onder de beroemdste godsdienstige gebouwen uit de middeleeuwen treft men er weinigen aan, wier ornamentatie tegelijk zoo rijk en bevallig is.
Palermo telt niet minder dan twee honderd kerken of kapellen. Het merkwaardigste van al deze godsdienstige gebouwen is ontegenzeggelijk de Capella Palatina, in het koninklijk paleis, dat zelf eene wonderlijke vereeniging van orde- en smakelooze getimmerten is. Een groote vlag wappert boven den ingang, schildwachten loopen op de straat en in de gangen met eentonigen stap heen en weder; maar, in weerwil van al die militaire vertooning, kan de vreemdeling, zonder zich om het qui vive te bekreunen, in de zalen binnendringen, de galerijen doorwandelen, van de eene plek naar de andere, van den kelder tot den zolder dwalen. Wanneer hij op deze wijze zijn ontdekkingstocht in het paleis voortzet, kan het niet missen of hij zal ook den voet zetten in het bevallige bedehuis, onder den naam van palatijnsche kapel bekend. Dit in zijn soort geheel eenig monument vereenigt in een allerharmonieuste samensmelting de verschillende schoonheden der byzantijnsche en moorsch-romaansche kunst, en zou gewis een nauwkeuriger beschrijving verdienen dan ik in staat ben te geven.
De kathedraal van Monreale, op een vooruitstekende punt van den Monte-Caputo gebouwd, vier kilometers ten zuid-westen van Palermo, is een monument uit het normandische tijdvak, in schoonheid de palatijnsche kapel weinig toegevende en van veel grooter afmetingen. De weg die naar Monreale voert, loopt door een lange voorstad, waar, in weerwil van het stof en het vuil, de door tallooze oranjeboomen verspreide geur de overhand heeft. Aan den voet van den heuvel heeft men aan zijne rechterhand het beroemde kapucijnerklooster, waar al de overleden monniken in den oven gedroogd en vervolgens als wassenbeelden in de nissen der onderaardsche galerijen worden bijgezet. Tallooze gravuren hebben een afbeelding gegeven van deze afschuwelijke verzameling van lijken, die door hunne nog in leven zijnde broeders op feestdagen met welriekende wateren, bloemruikers en linten worden versierd. Aan de vrouwen is de toegang tot deze doodenverblijven ontzegd, alsof de monniken na hun dood er nog toe zouden kunnen verleid worden hunne geloften te verbreken.
De kathedraal van Monreale en het aangrenzende klooster zijn zoo groot, dat zij de helft schijnen te beslaan van de stad, een morsige opeenhooping van huizen, waarin men zelfs geen herberg, geen koffiehuis aantreft, en die toch een bevolking van bij de twintig duizend zielen telt.
Het uitwendige gedeelte der kerk levert uit een bouwkundig oogpunt weinig merkwaardigs op. De twee bronzen deuren zijn overheerlijk gewerkt. Die ten noorden, van het einde der twaalfde eeuw dagteekenende, is omgeven met mozaïeken en in acht-en-twintig vakken verdeeld, waarvan ieder een tooneel uit het leven van Jezus voorstelt of de beeltenis van een profeet of een apostel bevat, terwijl allervoortreffelijkst uitgevoerde arabesken iedere voorstelling scheiden. De westelijke deur, die gevat is in een voorportaal, welks moorsche versieringen met romaansche en byzantijnsche ondereen zijn gemengd, is het werk van den beroemden Griek Bonanno van Pisa, een der bouwmeesters van den hangenden toren. Het schijnt dat de basreliefs der bronzen deur van Monreale, de voornaamste tooneelen uit de bijbelsche geschiedenis voorstellende, slechts eene kopie van die der kathedraal van Pisa zijn, welke laatste in 1596 door een geweldigen brand werden vernield. De min of meer lomp uitgevoerde beelden zijn nogtans breed opgevat, en het geheel doet een grootsche uitwerking. Het is te bejammeren voor Bonanno’s roem, dat, van zijne beide deuren, juist die van Pisa, waar alle kunstenaars die Italië bezoeken vertoeven, door het vuur is verwoest.
Wanneer de dubbele bronzen deur openstaat, en men met een blik geheel het inwendige gedeelte der hoofdkerk van Monreale kon overzien, worden wij van verbazing getroffen, want geen der kerken in noordelijk Europa of Italië is in staat een denkbeeld te geven van de uitwerking, door het schip van dat tegelijk moorsch en byzantijnsch gebouw teweeggebracht. Ook hier hebben de bouwmeesters aan het geheel een indrukwekkend en geheimzinnig voorkomen weten te geven; maar ditmaal niet door het licht buiten te sluiten of te temperen door beschilderde glazen, als in de gothische kathedralen, noch door dat schemerdonker en die breede schaduw, waar zich onder de hooge gewelven de blik en de gedachte verliezen. Neen, de zonnestralen dringen vrij het schip van Monreale binnen en verlichten al de heerlijke gewrochten der bouwkunst, al de bijzonderheden der arabesken. Het door vergulde balken onderschraagde gewelf schittert van de levendigste kleuren; het marmer, het purper, de slangensteen werken te zamen mede, om aan het gebouw iets wonderlijk prachtigs en rijks bij te zetten. Terwijl in de kerken van het noorden iets geheimzinnigs den boventoon heeft, en men er door een onbestemd gevoel van vrees wordt overvallen, waarvan men zich moeielijk rekenschap kan geven, spreekt hier, in de byzantijnsche kerk, het zien van een in het volle licht oprijzend beeld regelrecht tot de zielen. Geheel het bovenste gedeelte van den halfronden wand achter het koor is ingenomen door een groot mozaïek, een kolossale buste van den Christus Pantokrator voorstellende. Plechtig en ernstig heft de Rechter de hand als om te zegenen op; maar in zijn linker houdt hij het ontzaglijke boek, waarin het vonnis der levenden en dooden staat opgeteekend. Zijn gelaat is streng en onbewegelijk als dat van het noodlot; men ziet dat de beslissing van eeuwig leven en dood reeds onherroepelijk genomen is. De geheele binnenmuur der kerk is overdekt met mozaïeken, die in strenge groepen de voornaamste feiten der bijbelsche geschiedenis voorstellen; maar wel verre van de aandacht aftetrekken van dit groote beeld, dat het geheele schip met zijn machtigen blik beheerscht, is al deze menigte, naar de bedoeling van den kunstenaar, niets meer dan een plechtige optocht der eeuwen tot den eeuwigen Rechter.
Het benedictijnerklooster, dat met deze in haar soort eenige kerk verbonden is, bevat eveneens schoone overblijfselen van siciliaansche bouwkunst der middeleeuwen. Het kloosterhof, een der grootste die men kent, is omringd met een vierkante galerij van tweehonderdzestien zuilen, twee aan twee verbonden en allen met verschillend beeldhouwwerk versierd: sommigen zijn glad, anderen gegroefd, en weder anderen met krullijnen doorkorven; ook heeft men er onder die met mozaïeken, basreliefs en guirlandes prijken. De kapiteelen stellen nu eens bladeren of vruchten, dan weder vreemde dieren, jachttooneelen, historische of bijbelsche tafereelen en wonderen voor; soms zijn het slechts eenvoudige arabesken. Onder de tweehonderdzestien kapiteelen is er geen die op een ander gelijkt: zoo zeer heeft de verbeelding des kunstenaars de vormen weten af te wisselen.
Wat het overige van het klooster betreft, het heeft niets merkwaardigs meer, dan rijke nieuwerwetsche vertrekken, waar pedante kapiteins en majoors van het garnizoen hun intrek hebben genomen. Eenige schilderijen, waaronder een meesterstuk van Pietro Novelli, de heilige Bruno en zijne leerlingen voorstellende, versieren de wanden der galerij; maar de schoonste schilderij is zeker het gezicht dat men van het balkon der domkerk heeft op de Gouden Schelp en de steile bergen, waardoor deze omringd wordt. Vlak tegenover zich ontwaart men, aan de andere zijde van het dal der Oreto, de stad Parco, op een terras tusschen twee afgronden gebouwd. Langs deze steile hellingen slingert zich een weg opwaarts naar een bergpas tusschen twee naakte toppen; vervolgens beurtelings in de kloven verdwijnende en weer langs de uitstekende punten voortloopende, neemt hij zijn richting naar de oude albaneesche kolonie, onder den naam van Piano de’ Greci bekend. Door een stoutmoedigen tocht dwars door deze bergen maakte Garibaldi zich, in Mei 1860, van Palermo meester. De napolitaansche troepen vervolgden hem op den weg van Piano de’ Greci en meenden hem reeds in een bergpas gedreven te hebben, toen Garibaldi zich naar het Noorden keerde, achter de tot zijne vervolging afgezonden Napolitanen in de vlakte afdaalde en, in zijn vaart alle hinderpalen omverwerpende, de stad binnendrong, waar de opgestane bevolking hem met geestvervoering ontving.
Ten westen van Monreale heeft men nog een ander benedictijnerklooster, aan San-Martino toegewijd, dat voor het rijkste van Sicilië wordt gehouden en een prachtige verzameling kunststukken bevat. Men wil dat de in dit klooster opgehoopte schatten in waarde verreweg al de meubelen en het zilverwerk te boven gaan, die de volkrijke, lager op naar Palermo gelegen dorpen bezitten. Ongelukkig genoeg zijn deze duizende kunstvoorwerpen zonder smaak bijeengebracht, en schuilt er zooveel van minder allooi onder het wezenlijk fraaie of zeldzame, dat men zeer spoedig van het bezichtigen vermoeid wordt. Men gevoelt dan ook weldra zijn harte verkwikken, als men zich weder in de vrije natuur bevindt, aan den oever van een beekje, dat het met populieren en italiaansche pijnboomen bewassen dal doorkronkelt.
De hoogste berg in den omtrek van Palermo is ongetwijfeld de Monte-Cuccio of Aguzzo, die zich ter hoogte van duizend vijftig meters verheft, en welks steile wanden juist boven de vallei San Martino oprijzen. Ongelukkig heb ik dien berg niet bestegen, maar den volgenden dag verzuimde ik niet het hoogste punt van den Monte-Pellegrino te beklimmen, in welks zijwanden men de beroemde grot der heilige Rosalia vindt, reeds zoo menigmalen door de reizigers beschreven. De Pellegrino is een natuurlijke vesting van twintig kilometers in den omtrek, die men niet kan naderen dan langs een opeenstapeling van rotsen, waarover de weg heenklautert als een trap, die steil naar Palermo afdaalt.