Part 5
„Heb je niets te drinken, Feenstra?” vroeg de dokter. „Wat zit je daar toch te droomen op een droogje?”
Hij had nog altijd zijn ouden spottenden toon, door gewoonte, maar een ongekende mildheid, uit geluk ontsproten, had er de scherpte van verzacht. En dat was het werk van dit bijna-onaanzienlijke kind, dat toch wel iets geestigs in de oogen had, en iets gracieus ook, vond Feenstra nu, in de buiging van haar halsje. Wat een vrouw wel kon! En wat liefde toch was! Alles, alles, alles, o, ’t eenige. Een warme gloed streek door hem heen. Maar dan ging zijn blik weer naar Bartels en mevrouw Van Till—, en daar was plotseling een gansch andere wereld, hoor, het holle kakelen, en het hansworsterig „converseeren”, dat eeuwige, onverdraaglijke glimlachje. Over enkele weken zou er een dag komen, dat de blikken trommel van den postlooper een brief van haar bevatten zou—, misschien wel een portret—, hij had het niet rechtstreeks gevraagd, maar wel te verstaan gegeven, dat hij het graag hebben zou. Hij had haar ook gezegd, hoe ze hem dien avond als ’t ware gered had uit den toestand van nerveusen angst en hoe dat de aanleiding was geweest tot zijn schrijven. Dat kon ze, dat mocht ze toch niet opgeschroefd of weekelijk vinden. ’t Was immers een feit dat sinds dien dag de gedachte aan haar onafscheidelijk verbonden zat aan een gevoel van verlossing na ondraaglijk-benauwden druk. Hij moest nu heengaan. ’t Afscheidnemen was al begonnen, ’t grint knerpte onder de voetstappen der eerst-vertrekkenden. Hij had toch eigenlijk nog wel graag even met het meisje gepraat, voelde zich aan den anderen kant te onrustig.
„Blijf je niet nog even?” kwam de dokter, hartelijk, „we hebben zoo weinig aan je gehad, je bent zoo stil vanavond.”
Hij aarzelde even, gezellig was ’t hier wel. Maar hij voelde zich al te onrustig, om kalm te zitten en te babbelen.
„Laat ik liever eens gauw terugkomen. ’k Wou wat vroeg gaan slapen, vanavond. Vanmiddag van de hitte den slaap niet kunnen vatten.”
Hoe stil was de avond, een zoete reuk kwam hem tegemoet, terwijl hij langzaam de huistrappen afdaalde.
Zou die onrust al de komende weken duren? Ze zou waarschijnlijk stijgen, naar het eind. En dan, o dan, als dan maar niet uit die hooggespannen verwachting, alles tegenviel...
IX.
Het viel wel tegen. Hij had zich al die dagen voorgehouden, dat het zoo komen moest, omdat zijn gedachten al te zeer gespannen waren. Hij wist zelf niet of hij zich over die gestadige opwinding om niets moest ergeren of verheugen. Was het een bewijs van zijn kracht en onverwoestbare jongensachtigen levenslust, of beteekende het redelooze zwakhoofdigheid, gebrek aan zin voor de werkelijkheid? Vaak kwelde hij zich met deze zelfontleding, in den vroegen morgen vooral, wanneer het ontwaken hem weer dat albekende gevoel van verwachting ingegeven had! En dan later op het kantoor, uiterlijk kalm, volkomen beheerscht, luisterend naar Rijnbergens eeuwige klachten over onwillig werkvolk, of wel Fonteyns administratieve knoopen ontwarrend, vroeg hij zich af, wat die twee van hem denken zouden, wat elkeen van hem denken zou, wisten ze van zijn dwaze opgewondenheid.
Het merkwaardige daarbij was, dat hij nimmer vaste toekomstplannen smeedde, dat zijn verwachtingen eigenlijk heel geen bepaalde vormen aannamen. Aanvankelijk hadden zijn gedachten zijn eigen brief gevolgd op de uitreis naar Holland, en daarna haar antwoord op weg naar hem toe. En daartusschen kwamen dan ook wel voorstellingen van het oude stadje, waar zij nu „schoolhoofd” geworden was. In welke straat zou ze wonen? Er was in zijn jongenstijd al een buitenbuurt met poppig-kleine villatjes, die ’t schoolmeesterstraatje werd genoemd,—dit alles zou nu nog wel ruimer zijn uitgebouwd, verder het land in, door de weiden heen, die nu geurig en kleurig van klaver en wilde zuring moesten zijn, en waar de welige koebeesten droomend te herkauwen lagen in ’t wisselspel van licht en schaduw. Hoeveel maal had hij niet als jongen onder ’t zalig slenteren na schooltijd de wolkengevaarten gadegeslagen, gestadig aandrijvend van de zeezijde af en land-in vervluchtigend tot dunne nevel.
Ook de school kende hij, die werd door de straatjeugd „jongejuffrouwschool” genoemd ook wel „nuffenschool”,—een verbouwd heerenhuis op een plein met boomen, veel deftiger, maar veel minder gerieflijk dan de stadsscholen, roode en blauwe schortjes hingen er aan de kapstokken in de gang,—de meisjes droegen die alleen onder ’t leeren, gingen er niet mee over straat, dat onderscheidde ze van de stadsschool-kinderen.
Hij kon zich Truusje daar onmogelijk als „hoofd” voorstellen, als opvolgster van het oude, ietwat kreupele dametje met de stijve zwarte japon, aan den hals wit-geplooiseld, die hij zoo vaak aan ’t hoofd van een stoetje snaterende hoogste-klasse-meisjes langs de grachtjes had zien wandelen. Hij had er soms wel eens eentje aangekeken,—ze waren niet veel jonger dan Truusje toen—en zijn blikken werden dan wel beantwoord ook. Dan konden de oude grijs-blauwe oogjes achter den bril ineens zoo venijnig naar hem priemen, ja, als hij er nog maar aankwam, en ’t kleine hoofdje boven ’t witte plooisel wendde zich driftig om bij de gedachte alleen dat hij een van de haar toevertrouwde lammetjes toelachen zou. Zelfs dat oude vrijstertje had in hem gevoeld den meisjes-jongen, die hij was!
Ja, een echte meisjes-jongen was hij geweest, met toch altijd een soort glimlachende geringschatting voor de meisjes van zijn eigen leeftijd, die hij „schaapjes” vond, droomend van de veel oudere, de „bedwelmende vrouw”.
Somwijlen had hij den lust gevoeld er met den dokter over te spreken, die hem nu niet meer hoonen zou. Of met Lientje. In hun bijzijn voelde hij iets van de vertrouwelijkheid van vroeger met Ruysch. En de gedachtenis aan Ruysch was nu voor altijd in zijn geest verweven met diens vreemde biecht, zoo kort voor zijn dood. Alles spon liefde om hem heen, alles sprak hem van de sterkende, meesleepende kracht der liefde. Een machtig verlangen zwol soms in hem aan, naar rust, naar geluk, na al de jaren van werken en ontgoocheling en eenzelvig gepeins. Zoo smachtend, zoo ongeduldig voelde hij zich soms, dat hij zelf wel gevoelde, hoe hij gevaar liep, zichzelf te misleiden en met gretige handen te grijpen naar wat zijn geluk niet wezen kon. Dan maande hij zich tot critische omzichtigheid, hij moest nu al de nuchtere koelbloedigheid aanwenden, welke hij zich tot zoo duren prijs en met zooveel pijn verworven had.
Wat had hem die neiging van de werkelijkheid niet te willen zien, en zich hardnekkig vast te klampen aan eigen voorstellingen, niet doen lijden.
Had hij eenmaal iemands beeld ontworpen voor zichzelf, dan verweerde hij zich tegen de sterkste klaarblijkelijkheid, dan wilde hij dat beeld behouden. Hij herinnerde zich een vriend uit zijn latere gymnasiumjaren, een jongen van minderen stand, door de kameraden verwaarloosd en uit de hoogte behandeld en dien hij zich aangetrokken had, uit een mengeling van edelmoedigheid en koppigen trots tegenover de meerderheid. Zijn verbeelding had toen dien jongen met eigenschappen bekleed, die hij niet bezat, thuis had hij geestdriftig over hem gesproken als over een droomer, een denker, een toekomstig genie, meer waard dan de heele rest en zich nauwelijks kunnen bedwingen als er geglimlacht werd of zwakjes geprotesteerd. Hij had doorgezet dat hij ten eten, te logeeren werd gevraagd. Hoe lang had het geduurd, eer hij wilde inzien, wat iedereen zag en wat hij zelf had kunnen zien, zoo hij maar had willen zien, dat de vriend niets was dan een gevoellooze, nuchtere „streber”, die hem als relatie wel wenschte en overigens lak had aan „sentimentaliteit”.
De wereld moest altijd „mooi” zijn, omdat hij het zoo wenschte, de menschen allemaal „goed” omdat het hem aangenaam was in eene wereld van „goede” menschen te leven.
Al deze ervaringen herdacht hij in de lange avonden, gedurende zijn wandelingen door de velden en zijn werk op kantoor.
De eerste mail, die antwoord had kunnen brengen, leverde niets op,—in de zwellende verwachting en vrees mengde zich toen ook wat hij noemde het „Adolphe-sentiment”, het zoo welbekende, het gevoel van den veroveraar, van den jongen, die juist het liefst bemachtigt, wat zich ’t moeilijkst vangen laat.
De volgende mail, de „Duitsche” mail, kwam een week later, hij was juist dien dag genoodigd op een schietwedstrijd ter eere van het in gebruik nemen van een nieuw clubgebouwtje op een naburige plantage,—hij moest wel daar bij zijn, wilde bovendien niet wegblijven in een soort bijgeloovige vrees, dat juist wanneer hij er voor thuis bleef de brief niet komen zou,—hij was dus gegaan, maar was verstrooid geweest en had slecht geschoten, en laat in den avond weergekeerd, had hij toen ook den brief gevonden.
Het eerste moment was wel zalig geweest. Dat grijs-paarse couvert tusschen zakenbrieven en tijdschriften, waarop hij onmiddellijk Truusjes hand herkende, forscher alleen geworden. Een brief van een vrouw in zijn huis,—en dat gevoel van verrukking, als geschiedde er een wonder, als was dit de allereerste verwachting in zijn leven, als was haar brief de eerste vrouwenbrief die hem gewerd. Hij had hem gewogen op de hand, betast, besnuffeld, eindelijk hem opengebroken en gretig de acht kantjes met de oogen verslonden, vliegensvlug, over elk zijdje heenglijdend, telkens verwachtend op iets te stuiten, op een woord, dat hem als een vonk tegen blinken zou, op iets wonderlijks, wat het moest zijn wist hij niet, iets zoets, iets geheimzinnigs dat tusschen de regels te lezen zou staan,—totdat hij aan ’t eind was en hij iets binnen in zich, dat warm en gespannen was geweest, al die weken reeds en dit oogenblik het sterkst, als verkoelen en ineenzinken voelde. Dat was het dus,—de langverbeide brief, al die hupsche mededeelingen, die toon van blijmoedigen ernst, regels aanvangend met „en laat me je nu eens vertellen”,—maar geen enkel „weet je nog wel?”—tenzij dan om hem zakelijke dingen, de ligging van een huis, de inrichting van haar dag, in herinnering te brengen.
Maar wat anders had hij dan gewild? Wat had hij dan gedacht dat hem als een wonder tegemoet springen zou,—tot wat dwaze hoop had hij zich dan opgewonden, al die weken? En kalmer, had hij den brief nog eens overgelezen. Er was immers echte hartelijkheid in, warme belangstelling in zijn lot en leven. Wat wilde hij meer? Ze had geschreven onmiddellijk na ontvangst van zijn brief, wat vorderde hij nog anders? Dat ze zich aanbieden zou, na wat er indertijd was geschied en zonder nog iets naders van hem te weten? Hij behoorde onder de dwazen, die het verleden idealiseeren, die het harde en smartelijke vergeten, ja, het zelfs opheffen en vermooien, zoo het maar tot de voorbijgegane dingen behoort,—zij had een andere natuur. En dan, hij had onrecht gedaan, maar zij had onrecht verduurd, getuigde dit heenglijden over hun verleden eigenlijk niet van de meest mogelijke takt? En toch... en toch... het wonder was uitgebleven en de heimelijke spijt daarover liet zich niet uitroeien.
Hij was dien avond bij ’t slapen gaan volkomen onzeker wat hij eigenlijk gevoelde en besloot de beslissing aan den volgenden ochtend over te laten.
De eenzame jaren hadden zijn ingeboren zucht tot zelfontleding zoodanig in hem ontwikkeld, hij was zoo gewend geraakt, elk gevoel, elke aandoening te analyseeren en als rondom te bekijken, dat hij er ten slotte zelf geen weg meer in vinden kon. Gedachteloos gelukkig of ongelukkig te wezen verstond hij alleen in momenten van heftige bewogenheid, meestentijds echter vroeg hij zich in zelfkwelling af „ben ik nu wel gelukkig?”—„voel ik mij nu werkelijk ongelukkig?”—„meen ik wel wat ik nu zeg?” „geloof ik wel zelf in wat ik daareven beweerde?”—juist zooals in die eerste weken na den dood van Ruysch.
Doch er was één oogenblik elken dag, dat hem verraste als in naakte onbevangenheid, voordat zijn geest het pantser der critische zelfbeschouwing had aangetrokken: het oogenblik van het ontwaken. Was hij een vorigen dag in onzekerheid omtrent zichzelf gaan slapen, de volgende morgen bracht hem licht, ja, had hij somwijlen in heimwee naar geluk zichzelf opgedrongen dat hij gelukkig was,—het ontwaken anderdaags openbaarde hem onontkoombaar dat hij zich had bedrogen.
De vele dagen voordat Truusjes brief hem bereikte, was telkenmale het ontwaken begeleid door een verwachtingsgevoel, gemengd met vrees voor wat hij wellicht te hooren zou krijgen—was ’t niet mogelijk dat ze zich aan een ander had gebonden of om andere redenen van hem niet weten wou?—dat hem ’t hart deed jagen, ’t bloed opbonzen naar de slapen, maar dat toch niet onaangenaam was.
Doch den eersten morgen na het ontvangen van den brief, en zoodra hij de oogen opsloeg naar den jongen dag,—toen wist hij het al wel: de brief was er, maar had niets in hem teweeggebracht van de uitjuichende blijdschap, van de helderlichte stemming, waarop hij nu pas wist zoo vast te hebben gehoopt, het ruime uitzicht was verduisterd, de klare verwachting leek verflauwd. Ofschoon in den loop van den dag, en in ’t nogmaals herlezen van den brief het neergedrukte in hem zich weer oprichtte en opklom tot hernieuwde hoop, de horizont van zijn geest zich weer verruimde, ofschoon hij in volgende dagen bij ’t opstaan soms een gevoel van rustige blijmoedigheid in zich zelf bewerkte, kon hij toch de herinnering aan den eersten morgen niet zoo gauw en niet geheel vergeten.
X.
Toch schreef hij weer, deels omdat hij wilde en deels omdat hij wel vond dat hij moest, hij schreef de eerste veertien dagen wekelijks eenmaal, en de weken daarna telkens zelfs tweemaal en bemerkte dat hij in het schrijven van die brieven een klimmend behagen vond, dat het zijn dagen vulde. Ook hield het volgen van de booten, die zijn brieven naar Holland voerden zijn gedachten daarna weer bezig. En toen haar volgende brief kwam, kalmer afgewacht nu, maakte het ontvangen daarvan hem ook wel gelukkig, zij het zonder al te groote opgetogenheid. Hij bevond ook, de beide brieven vergelijkend, dat de toon van den tweeden hartelijker was, spontaner en vroolijker, in den vijfden zat zelfs een portret, dat hij haar juist had gevraagd in een brief, dien ze echter nog niet ontvangen kon hebben. Met een zekere vreugde bemerkte hij, dat hun gedachten elkaar gekruist hadden.
Het portret zelfs was wel eenigszins, zooals hij zich had voorgesteld; ze was eigenlijk nog dezelfde als voor twaalf jaren, in rust, dat wist hij, was Truusjes gezicht vrij gewoon, de heldere oogenglans, de frissche kleur, vooral de eerlijke, onbevangen uitdrukking waren er de groote bekoorlijkheden van.
Er was wel iets, vond hij bij nader en critischer beschouwen, van de knappe schooljuffrouw, van de „moderne” onderwijzeres in het degelijk kapsel, in den vastberaden gesloten mond, den zelfbewusten blik van iemand die altijd gelijk krijgt, nooit tegengesproken wordt, heerscheres is in een beperkte ruimte. Toch weer geen spoor van bazigheid of nukkigheid. En de brieven waren eerder meisjesachtig, kinderachtig, wèl veel vertellend van haar school en haar leerlingen en de ouders van haar leerlingen en „personeel”, van moeilijkheden met een volontairtje, die zoo’n „flirt” was, zoo’n raar voorbeeld voor de oudere meisjes en die ze daarom niet had willen aanstellen, wat haar allerlei onaangenaamheden op den hals had gehaald.
Haar eerlijk, flink karakter straalde hem uit die brieven tegen, haar goed en kloek verstand bleek uit de opsomming van wat ze zooal geleerd en gehoord en gelezen had, de laatste jaren, uit haar oordeel over het gelezene. Zoo haar opmerkingen misschien niet „diep” gingen en duidelijk verrieden dat ze meer verstandig was dan bepaald intelligent en zeker niet artistiek,—ze waren in elk geval volkomen vrij van aanstellerij, van de opgeschroefdheid, die hij zoozeer had leeren schuwen en verfoeien, ze gaf zich en uitte zich precies zooals ze was en gevoelde.
Hij van zijn kant schreef meestentijds over zichzelf, over de innerlijke zijde van zijn bestaan, over zijn gedachten en verwachtingen—zijn brieven waren eigenlijk een te-boek-stellen van zijn dagelijksche mijmerijen, die hij tot nu toe in zichzelf had moeten opsluiten, en thans met een ander deelen kon. Dat maakte hem al gauw het schrijven tot een behoefte, schoon hij zich niet altijd ontveinsde, dat hij daarbij eigenlijk meer aan zichzelven dan aan Truusje dacht. Haar hartelijke belangstelling in alles wat hij schreef deed hem goed en streelde ook wel zijn ijdelheid, hij bemerkte uit haar brieven dat ze begonnen was met de cultures van zijn woonstreek te bestudeeren en glimlachte om die wat schoolmeesterlijke degelijkheid, toch ook wel verteederd, en omdat ze gauw jarig zou zijn, besloot hij haar een pas-uitgekomen heel mooie en volledige collectie photo’s, van landschappen en cultures in verschillende phasen en de daarbij behoorende werkplaatsen en werktuigen toe te zenden.
Daartoe maakte hij zich nu gereed om weer stadwaarts te rijden.
Hij wilde ook andere geschenkjes voor haar koopen, hij zou in de Japansche toko’s een paar mooie cloisonné-vaasjes, wat fijn lakwerk zien te krijgen, misschien liep hij wel tegen een bijzondere lap zijde aan,—een waaiertje—het zou nog niet zoo heel gemakkelijk zijn, tusschen al den waardeloozen pronk iets werkelijk goeds te vinden,—dan verder wilde hij haar ook, voor de aardigheid, wat van die Chineesche kruiden en droge vruchten en bolgewassen koopen, hij kende een oud Chineesje, dat een typisch winkeltje in die dingen hield,—ook een foto van dat winkeltje misschien... in geen geval tijgerklauwen in goud, geen limonade-lepels, geen geluks-gespen.
Hij glimlachte onder het peinzen.
Hij ging nu op weg om geschenken te koopen voor een meisje ver weg, voor een lief meisje, dat hij tot zijn vrouw mocht vragen, dat dan „ja” zou zeggen en bij hem komen en zijn leven deelen, een meisje, dat hij vroeger had gekend en aan wie hij oud onrecht goed te maken had! Gesteld, dat hij dat alles nu eens zoo, als geval, las of hoorde...
Een man is op weg om geschenken te koopen voor een meisje in Holland... hij heeft haar portret in zijn zak... hij peinst over wat hij haar geven zal, hij denkt daarbij aan haar karakter en aan haar werkkring... hoe „poëtisch” zou hij dat vinden. Wat zou hij den man benijden om die volheid in zijn leven. Een man die het portret van een lieve vrouw in zijn borstzak bij zich draagt.
Dit leek, gelezen of gehoord, aardig, bijzonder, benijdenswaard, interessant of wat ook... in elk geval, het was een tastbare werkelijkheid...
En nu, was dit, dat hij nu deed en beleefde, was dat wel eigenlijk iets bijzonders... was het zelfs wel een tastbare „werkelijkheid?” Ja, hij ging cadeau’tjes voor Truusje koopen, hij dacht aan haar klas, hij wilde haar genoegen doen met dingen die ze op school kon laten zien... en ’t leek toch zoo nuchter, zoo gewoon, zoo vlak en zoo heel niet bijzonder, zoo zonder eenigen „poëtischen” of interessanten bijsmaak. Als hij verongelukte, straks op weg of op den terugtocht, zooals Ruysch verongelukt was, zouden ze in zijn zak het portret en bij hem in ’t wagentje de pakjes vinden,—en de een of andere jonge kerel, met heimwee naar geluk of naar huis, zou hem misschien benijden en onmiddellijk zichzelf beklagen en hem boven zichzelf gelukkig achten. Was het dan waar, was hij gelukkig?
Vreemd leek het, maar nu hij zich dit voorstelde, dat zijn lijk gevonden zou worden en dat een andere man Truusjes portret zou zien en begrijpen, dat de geschenkjes voor haar bestemd waren geweest,—vreemd was het en kinderachtig, ja, verwerpelijk vond hij het,—maar nu scheen hem zijn geluk plotseling reëeler, zijn bezit veel echter toe, nu was er ineens wél dat waas van bijzonderheid...
Mocht hij dit zichzelf bekennen? Bewees het, dat hij niet echt van Truusje hield of was het misschien algemeen-menschelijk?
Nu eens dit zichzelf voorstellen, dat haar brieven plotseling niet meer kwamen. Dat werkte onmiddellijk, hij werd een groote ledigheid, een groot gemis in zichzelf gewaar. Doch beduidde dat liefde? Was liefde niet toch... iets anders nog, iets fonkelends en fels, een schat die hij altijd als ’t ware, in de handen nemen en omtasten kon, een snaar, die altijd weerklank gaf, hoe vaak ook aangeslagen, een immer werkend besef, dat niet vergeefs zich zoeken liet, een steeds gereede ontroering, een altijd open heiligdom,—de vastheid van elk oogenblik, de stelligheid van iederen dag en ieder uur?
Of was hij, na zoo kort, al gewend, had hij zich alreeds vereenzelvigd met iets, dat hem nog nauwelijks had verbaasd? Hij nam van de schaal op tafel een goudgele, purpergevlekte pisang, daarna nog een, stak een cigarette aan, stond op en begaf zich naar de voorgalerij, om te zien of zijn wagentje al voor was. Nog niet,—’t was nog vroeg trouwens, pas tegen half negen had hij het besteld. Peinzend keek hij den tuin in, gedachteloos spelend met de kleine chevelure blaadjes in den groen-glazuren pot naast hem op een hoog tafeltje, langzaam trok hij dan weer de hand terug, tastte in zijn borstzak en haalde Truusjes portret te voorschijn, hij liet zich neer in een rieten leunstoel en bekeek het voor de zooveelste maal. Ze had beloofd, dat ze hem nog een ander zou sturen... Dit was toch wel aardig... jammer dat er niets van haar hals te zien kwam... door die hooge, gesloten boord, met ’t zwarte strikje... gaf altijd iets mannelijks... ging toch nooit uit de mode..., ja, hij was zoowaar begonnen in modebladen te kijken... maar ’t gezicht was wel echt vrouwelijk, rond, ondanks den vastbesloten blik... de mollige wangen, de weeke kin... ze was zeer zeker verstandig en schrander, en ze las graag en ze had plezier in haar werk, maar studie was toch meer een aangename plicht dan een levensbehoefte voor haar, geloofde hij. Als ze nu op dat portret eens niet zoo’n hooge boord droeg, maar een losse blouse, een avondjaponnetje of zoo iets, dat haar hals te zien gaf.
Zou hij ’t durven vragen? Neen, nooit... Als hij in die richting vragen dorst, iets vragen dorst, dan zou hij wel willen dat ze hem zond een portret ten voeten uit, zoodat hij haar bouw, haar heele figuur kon zien, want hij wist eigenlijk niet,—was ze lang of kort, slank of gezet... maar ’t kon niet, mocht niet, dat hij haar daar rechtstreeks naar vroeg, ze mocht zelfs niet weten dat hij er aan had gedacht. Moest ze eigenlijk uit zichzelf niet begrijpen, dat een man meer van een vrouw wilde kennen, dan haar gezicht? Moest ze hem niet een portret zenden, waarop hij haar heelemaal kon zien, ook zonder dat hij ernaar vroeg? Neen, ze zou het niet doen, argeloos als zij was, in de vaste meening dat „portret” beteekende „gezicht” niet denkend in de richting die zijn gedachten maar al te gemakkelijk namen—mogelijk kreeg hij de volgende maand weer een portret met een hoog boord en alleen maar ’t haar anders gekapt of zoo... op een „pikant” of zelfs maar coquet portret van Truusje viel niet te rekenen, daar was ze te eenvoudig, te onschuldig toe... hij wist dit en wilde het, neen, hij verlangde niet dat Truusje zijn wensch in dat opzicht inwilligen of maar raden zou.
Waarom wilde een man, ook al beweerde hij zijn gansche leven het tegendeel, ook al had hij nooit om het tegendeel een vrouw veracht,—tot zijn eigen vrouw toch altijd het „onschuldige” meisje,—het meisje dat niet denkt in de richting waarin des mans gedachten maar al te licht verdwalen en dat zich nimmer geheel bewust van eigen verlangens is, zoo ze al verlangens gevoelt?