Part 4
O, dat stadje... dat lieve zomerstadje... waarom was hij er toch later nooit weer teruggekeerd... waarom had hij Truusje zoo gauw vergeten... Hij moest het zich wel bekennen... hij was toen rusteloos en fantastisch... ook wel een hooghartige jongen... hij had maar al te grif zijn moeder gelijk gegeven, die Truusje niet goed genoeg voor hem vond... al had hijzelf daarbij niet aan „stand” gedacht, dat mocht hij zich zeggen. Maar hij had in die dagen geen lichten dunk van zichzelf, dwaze jongen die hij was, gevoed met Fransche romans, ook wel een beetje verwend, droomend van „pikante” avonturen, met hartstochtelijke, verleidelijke, gevaarlijke vrouwen, die hij met moeite veroveren, waarvoor hij gevaren tarten moest, die hem zouden kwellen met haar grillen en lichtzinnigheid, voor wie hij zou moeten lijden... Emoties... emoties beloofde hij zich toen. Zij, het frissche, aardige kind met de hangende blonde haren en de vroolijke oogen, waar argelooze verliefdheid uit straalde,—zij zou hem niet hebben doen lijden, zij wist niet van grillen, ze was niet „pikant” en niet verleidelijk en niet gevaarlijk, niets aan haar voorspelde de „felle emoties”, de ongekende vervoeringen uit zijn romans en zijn jongensverbeelding. Ach God, later had hij ze dan gekend, de „felle emoties”, de „ongekende vervoeringen”, de „pikante vrouwen”—en ’t was alles voorbij en niets had hij eruit over, nauwelijks de herinnering aan een enkel opgetogen uur... ’t was al om ’t even hol en dom geweest als zijn laatste „avontuur”.
Wezenlijk waren alleen de dingen, waaruit herinnering bleef... later kon men derhalve pas goed weten, wat „wezenlijk” was geweest en wat enkel opgezweepte verbeelding.
Dat stadje, dat lieve zonnestadje! Kopermuziek... marktrumoer... gele sjeezen... blauwe boeren... bonte vrouwen... spiegelend water... zondoorschenen lindenloof... geuren koel en zoet...
Hij leunde zijn gelaat in beide handen en nu hij opzag, nu voelde hij dat al zijn angst was weggetrokken. De wereld was als bij tooverslag veranderd, al het dreigende was weer onschuldig, bevrijd ademde hij op.
Hoe heette ook dat plaatsje, waar Truusje nu hoofd van een meisjesschool zou zijn? Het kind moest stevig gewerkt hebben, die jaren. Had ze verdriet gehad... was ze... neen, getrouwd was ze niet... mejuffrouw stond daar met haar meisjesnaam... zou ze ook nog wel eens aan hem hebben gedacht...? Verloofd was ze zeker... met een schoolfrik... met een dorpsdominee... maar hij was, „voornaam geparenteerd”, te goed voor haar geweest! Truusje... mejuffrouw G. C. J. van Laar... hoofd van een meisjesschool... Was het niet merkwaardig dat zij, dat het lezen van haar naam juist vanavond de afgrijselijke spanning in hem gebroken en de kwellende angst had verjaagd? Hij glimlachte, omdat hij nu toch dadelijk weer exalteeren ging! Zijn oude neiging, zijn oude dwaze neiging, waartegenover hij opzettelijk de strengste critiek en zelfcritiek had leeren stellen. Doch dit beloofde hij zich, kwam hij over een groot jaar in Holland, dan zou hij moeite doen haar weer te zien.
VII.
Maar toen enkele weken later de officieele brief van den hoofdadministrateur kwam, welke hem zijn benoeming tot administrateur voorstelde, mits hij daarvoor zijn Europeesch verlof nog twee jaar langer uitstellen wilde, toen aarzelde hij geen oogenblik en nam aan. Zijn benoeming geschiedde als gevolg van een in Ruysch’ nalatenschap gevonden aanbevelenden brief. Hij sprong nu Rijnbergen en Fonteyn over het hoofd, maar veel twist zou dat toch niet geven, van Rijnbergen althans wist hij zeker, dat die zelf het beheer over de heele onderneming niet zou hebben begeerd of gedurfd en liever op sloffen bleef voortsukkelen langs zijn lang betreden weggetje.
Hij zelf was er eigenlijk niet zoo bijzonder mee ingenomen, want hij deed zijn werk plichtmatig en zoo goed hij kon, doch zonder er zich ooit over op te winden, of er iets van een „hoogere roeping” in te gevoelen. Rijk te worden begeerde hij al evenmin of ’t moest zijn voor zijn moeder, die er nog steeds gebukt onder ging dat ze zich had moeten verminderen en bekrimpen na zijn vaders dood. Waarom had hij dan toch aangenomen, vroeg hij zich af, terwijl hij langzaam het heldere voorplein van het hoofdkantoor afreed, waar het nog koel was onder de bloeiende kanarie-boomen; waarom had hij erin toegestemd dat hij nu pas over drie jaar naar Holland terug zou mogen?
Ja, ’t lag in de rede, dat een man „vooruitkomen” wilde, ’t lag in de menschelijke natuur, gevleid te zijn met een onderscheiding en heimelijk blij, boven anderen te worden gesteld—eenmaal in het schuitje, diende hij nu mee te varen, elkeen in zijn plaats zou een positie, vergezeld van een verdriedubbeling minstens van zijn inkomen, aanvaard hebben. Ruysch had het bovendien zoo gewild.
Verlangde hij naar zijn moeder, naar zijn getrouwde zusters? Zijn moeder zou zich zeker openlijk beklagen, dat hij zóó makkelijk hun weerzien twee jaar verschuiven kon, maar in haar hart verrukt zijn omdat hij nu administrateur was geworden.
Maar Truusje van Laar...?
Och, het kind was hem natuurlijk lang vergeten, al die jaren. Ze zou hem nu nog zien aankomen. Nauwelijks op de landbouwschool, nauwelijks van haar weg, was hij indertijd immers al verliefd geworden op de vrouw van een schilder, met gitzwarte haren, waarin ze altijd een paars-fluweelen band droeg en rustelooze, donkere oogen, die in lange gewaden van onbestemde kleuren op een divan lag in haar mans atelier, de gordijnen dicht in een bedwelmenden reuk van wierook, die ze den heelen dag in een komfoortje naast zich smeulen liet, en cigaretten rookte en over kunst sprak en over „inspiratie” en over het „banale” leven en over het verfoeilijk burgerdom en over het menschonteerende studeeren, dat zijn familie van hem verlangde.
Hij was toen zelf ook juist in de periode der wereld-verachting, weinig tot werken gezind,—o, wat had hij zich grif laten wijsmaken, dat er een artist in hem stak. Ze was vijftien jaar ouder dan hij, maar juist dat trok hem aan. Langen tijd deed ze ook heel achteloos en hoog tegen hem als tegen een kleinen jongen, soms prikkelde hem dat, maar meestal vond hij het natuurlijk, jong broekje dat hij was, en zij een artistenvrouw, zelf artist! Want ze schilderde ook en ze teekende, symbolische voorstellingen, die ze hem later, in een plotselinge bui van vertrouwlijkheid eens had getoond en uitgelegd. Wat had hij bewonderd, meer nog dan de teekeningen, die hij niet begreep, die hooggestemde edelaardigheid der gevoelens, in het bizarre lijnenverloop uitgedrukt. Wat verheven gedachten gingen er in haar om. In wat heerlijke wereld leefde ze. Hoe hoog stond ze boven hem!—had hij gestameld, vuurrood om zijn eigen durf,—en zij had zijn hoofd in haar handen genomen, hem moederlijk, bijna plechtig op het voorhoofd gekust en „lieve, lieve jongen” gezegd.
Van dien dag af was hun verhouding voortdurend inniger geworden, tot hij haar eenmaal op zijn kamer wachtende had gevonden, toen hij thuis kwam, wachtende en schreiende... Haar man had „alles ontdekt” en was woedend jaloersch geworden en had in razernij een van haar mooiste teekeningen verscheurd. Maar zoo verliefd was hij toch niet geweest en zoo verbluft ook niet, of hij had haar gevraagd, wat dat „alles” dan wel mocht zijn en wat er te ontdekken viel. En toen die hartstochtelijke ontboezeming. Had hij dan nog niet gevoeld, dat zij hem, hem alleen liefhad, dat ze haar man verfoeide, den kleinen geest, die haar miskende, die alleen aan zijn eigen werk dacht en zelfs daarvoor geen edele eerzucht had, enkel maar voor de markt werkte... ja, voor geld! O, dat ze hem ooit had getrouwd! Neen, haar man was geen idealist en zij kon niet gelukkig wezen dan alleen in een sfeer van idealisme. Zij was het ook zelf, idealist! Idealisme alleen inspireerde haar, dan pas konden er superieure kunstwerken uit haar geboren worden, hij alleen, onbedorven en jong, hij zou haar tot het hoogste kunnen opvoeren!
Bevend van geluk had hij naar haar geluisterd. Dat zij hem lief had! Dat een vrouw als zij—die drommen mannen aan haar voeten gezien en teruggewezen had—verliefd kon zijn op hem. Al zijn jongenstrots was in hem opgestaan, maar ook jongensedelmoedigheid en jongensliefde. Dat was immers de droom. Ze zou hem inwijden in de liefde, door haar zou hij leeren wat liefde was. Hollandsche vrouwen konden niet liefhebben. Ze waren te suf en te braaf, er was geen vuur in hen, ze dachten maar aan man en kindertjes. Maar in haar gloeide het vuur... dat ook hem ontbranden zou.
Naar zijn werk had hij toen heelemaal niet meer omgezien, in diepe minachting voor het „banale” het nuchtere, platte, alledaagsche, opgaand in de vervoeringen der liefde en van het „idealisme”.
Hij had het niet gemakkelijk gehad. Ze kwam van toenaf meestal bij hem, en hij alleen nog maar bij haar in de afwezigheid van haar man, en ze bracht hen beiden wel schromelijk in opspraak. Ze was opzichtig en onvoorzichtig—maar dat vond hij juist kranig en hoog in haar. Niet huichelen of liegen. De wereld trotseeren, geen haarbreed uit den weg gaan, waar ’t heilige gevoelens, waar ’t de liefde betrof! Doch ook zij-zelf stelde zulke hooge eischen, ze had zoovele verschillende stemmingen, die hij niet altijd dadelijk vatte en ze kon zoo vele dingen niet verdragen. Hij had al dadelijk moeten verhuizen, omdat de kleur van zijn kamer haar „ziek maakte” en allerlei nieuwe dingen aanschaffen, oude rommel opruimen. Er waren dingen bij, die hij van thuis had, waaraan hij was gehecht uit zijn kinderjaren, prentjes, prulletjes, en die hij eigenlijk heelemaal zoo leelijk niet vond. Doch eer hij haar dat bekend had! Dat hij hechtte aan dingen van „thuis”, als een gewone „bourgeois-jongen”, dat hij die prentjes en prulletjes, de aanblik waarvan haar soms als in pijn deed kreunen en met een gebaar van walging de oogen sluiten, eigenlijk niemendal hinderlijk vond. Hoe voelde hij in alles zijn minderheid. Hij had op ’t gymnasium nogal aardig verzen kunnen lezen, had het zelfs eenmaal op een ouder-avond gedaan en den lof van volwassenen ingeoogst—doch las hij voor haar, dan kon ze zich soms plotseling, ineenkrimpend, de ooren stoppen en roepen; „fout”... „fout”..., zoodat hij onthutst zweeg. Dat verschrikte gezicht van hem vond zij dan weer zoo lief, dat ze opvloog en hem als een razende kuste. Ze las dan daarna zelf en lei hem uit wat ze gelezen had en vond er allerlei dingen in, waar hij zelfs geen vermoeden van had gehad... ze dweepte met Baudelaire, maar, dat merkte hij wel, ze verstond lang niet alle woorden..., het moest haar „intuïtie” zijn—ze zou hem een filister hebben gevonden, als hij daaraan had durven twijfelen... Ze kwam altijd op ongelegen uren... en menigmaal had hij daardoor geen eten gehad en met geeuwhonger naar Baudelaire geluisterd, zich innerlijk verwijtend dat hij in haar gezelschap nog honger hebben kon... hoe het ten slotte geëindigd was, wist hij niet recht meer... er waren allerlei complicaties gekomen.
Ze had hem eigenlijk vrij wel afgedankt..., en langzaam aan, ook door wat hij van anderen hoorde, van haar eigen man, die trouwens allang niet meer gaf om wat ze deed, was hij gaan begrijpen, hoe zeer hij dupe was geweest... En toch, en toch... later weer, altijd weer... altijd opnieuw was hij de dupe geworden...
In den eersten tijd dan van zijn avontuur met Jeanne had hij nog een brief van Truusje gehad, een verjaarbrief op een rose velletje met gouden hoekjes en een pakje was er bij geweest, een sluimerrol! Ja, een ouderwetsche sluimerrol, rood en groen, en door haar zelf geborduurd! Voor als hij een dutje deed, na de studie of na het eten! Een dutje na het eten, hij! En een „dutje”... het woord alleen! De toon van het briefje, dat hij het goede kind toen als bedankje had gestuurd! Hij kon er nu nog zichzelf om voor ’t hoofd slaan! Aap van een jongen, die hij was geweest! O, wat konden menschen afschuwelijk handelen, en niet de jeugd alleen, ook ouderen in hun malle zelfoverschatting, in hun malle overschatting van wat zoogenaamde „artisticiteit”, van wat oppervlakkige ontwikkeling en beschaving, in ’t mal neerzien op anderen, op eenvoudige, goedaardige naturen, die niet aan „stemmingen” deden.
En wat waren ze zelf? Die Jeanne, met haar „fout”... „fout”... met haar „stemmingen”, met haar overgevoeligheid; om gekibbel bij ’t verdeelen van een erfenisje, leefde ze in onmin met haar zusters. Hij wist trouwens nu nog, hoe hij eenmaal, schuchter, iemand dien zij „banaal” vond had verdedigd en geprezen om zijn goedhartigheid en hoe ze hem met haar schellen lach toen had gehoond. Een lammeling was hij geweest, om zoo altijd maar zijn gevoelens en meeningen dadelijk prijs te geven, altijd zich te laten overbluffen, maar wat kon een verliefde jonge jongen tegen een vrouw?
En trouwens, de meeste menschen waren zoo. Later had hij nooit meer van Truusje gehoord en haar zelfs niet geschreven toen hij naar Indië vertrok.
Wonderlijk genoeg, dat ze niet was getrouwd, ze zag er aardig uit indertijd, en in die onderwijzerswereld, op zoo’n school met mannelijk en vrouwelijk personeel altijd bijeen. Hoe oud zou ze nu zijn? Acht-en-twintig... Was het mogelijk, was het misschien dan toch mogelijk, dat ze hem niet was vergeten? ’t Kwam meer voor... ’t Zou juist iets zijn voor haar, eenvoudig kind, dat ze was, het verleden idealiseeren, den ontrouwen held harer droomen getrouw blijven...
Hij glimlachte, terwijl hij zijn tuin binnenreed... Toch weer dupe, toch... toch, bij voorbaat, alweer dupe... Maar wat gaf ’t?
Liet alles verbeelding en opwinding zijn, sinds den avond dat hij toevallig haar naam had gelezen, dat de herinnering aan haar en het stadje zijn angst had verjaagd, sinds dien avond voelde hij zich gezonder en monterder, was er een ietsje kleur in zijn leven gekomen. En al ging hij voorloopig niet naar Holland, waarom zou hij haar evenwel niet eens schrijven? Al was ’t maar om te vertellen van zijn promotie. Het moest toch ook voor haar in elk geval een verrassing zijn, een emotie-tje, plotseling een brief van hem te krijgen. Zoo vol afwisseling kon haar leventje niet wezen. Ja, hij had ook wel wat aan haar goed te maken. Onverbeterlijke dwaas was hij toch, na zooveel jaren, dit elan van ridderlijk schuldgevoel. Maar misschien was ze verloofd, misschien op ’t punt van trouwen als zijn brief kwam.
Die brief! Het zou nog niet eens zoo gemakkelijk wezen, haar een brief te schrijven na alles, wat er tusschen hen lag. Een goed werk voor den avond. Want de volgende dagen zouden drukte genoeg geven, hij diende toch wel iets te doen om zijn promotie te vieren.
VIII.
De dokter ging trouwen! Niemand, die in den aanvang het praatje had willen gelooven. ’t Was waar, hij reed vaker dan zijn gewoonte was den laatsten tijd naar de stad en ook wist elkeen allang, uren in den omtrek, dat daar in het hospitaal een nieuw verpleegstertje was aangekomen, maar die vuurproef had de brave dokter immers al zoo dikwijls doorstaan en tegen ’t „blauwe gevaar”, was hij naar eigen verklaring van zijn geboorte af immuun. En nu toch, nu toch had een jong ding met stille, zachte maniertjes den veel ouderen man op slag veroverd, verliefd en gelukkig gemaakt. Gauw genoeg was ’t nieuws bekend geraakt en wie ze nu samen in zijn wagentje zag rijden, die moest het wel gelooven aan de glanzende uitdrukking op beider gelaat. De plagerijen, die hem niet gespaard bleven, slikte de bekeerde vrouwenhater met gelatenheid, gulweg beamend dat ze hem toekwamen. Hij had wel graag gewild, dat zijn meisje dadelijk ontslag, althans eenig verlof had gevraagd en bij hem in de buurt was komen logeeren, de Van Till’s waren als ’t ware de aangewezen menschen geweest om haar te vragen, maar ’t boterde nog steeds niet tusschen hem en „pruimpje” en bovendien was Lientje niet heelemaal van hun „stand”. Onverwacht had toen de hoofdadministrateur haar een logeerpaviljoen naast zijn huis aangeboden en nu, den derden dag na haar komst, hielden ze te zamen een soort huiselijke receptie in het doktershuis.
De meesten waren daar al, toen Feenstra kwam, alleen de Van Tills werden nog verwacht. De „beschavingsarbeid”, gaandeweg kwijnend, was door de geboorte van de baby tot een vreedzaam eind gekomen, en in zooverre had de dokter gelijk gehad—’t was eigenlijk een opluchting geweest voor de meesten. Nu nam het kind haar heelemaal in beslag en zelfs „mannie” raakte op den achtergrond. Maar veel veranderd was er niet, in plaats van „modern huwelijk” speelde ze nu „modern moederschap”, zoo althans pruttelde de dokter, die haar had geholpen en meer dan eens met haar geharreward om haar „malle mode-fratsen”. Van Till zelf was er al aan gewend en de kameraden hadden er bij gewonnen, nu hij zich niet meer elken dag een graadje „beschaafder” voelde worden.
Het meisje van den dokter liet zich heelemaal niet fêteeren en zij schenen eerder vader en dochter dan pas-verloofden, zoo gemoedelijk en prettig vertrouwelijk was reeds hun omgang, de gasten waren eenvoudig in het wit en er heerschte niet de minste gedwongenheid of deftigheid.
Feenstra keek naar haar uit zijn hoekje en de onverwachte verloving leek hem een goed voorteeken. Ze was heelemaal niet mooi, scheen ook niet verschrikkelijk knap of artistiek, heelemaal geen „superieure vrouw”, zoo maar een gewoon, opgewekt meisje, ze had niet „den glimlach, waaraan de oogen niet meedoen”, enkel een zachten glans over haar heele gezicht en, daar ze even alleen stond en zich onbespied waande, liet ze vrijelijk haar oogen langs de wanden en de meubelen gaan, als overlegde ze alvast, wat er zou moeten worden veranderd en vermaakt, voor ze hier haar intrek nemen zou.
Grappig, dacht Feenstra, haar zoo gade te slaan, terwijl ze heelemaal niet keek naar hem. Kijk, nu kwam er ineens een verteederd-lachende uitdrukking op haar gezicht, hij volgde haar blik, innig-tevreden stond daar de dokter tusschen een groepje jongelui en liet zich hoonen. Feenstra bemerkte ineens, hoe ongedwongen gezellig het hier nu was. Maar daar hield juist het rijtuig van de Van Tills stil voor de voorgalerij. De dokter zette haastig zijn glas neer en liep zijn pasgekomen gasten tegemoet. Feenstra keek toe, hoe Van Till met een enkelen stijven stap uit het rijtuig zakte en daarna zijn vrouw hielp op haar beurt uit te stappen. Mijn hemel, verzuchtte hij in zichzelf, wat had ze zich mooi gemaakt! Wat een japon en een hoed met pluimen. Een paar van de jongelui keken elkaar aan en dan tersluiks naar hem, den administrateur. En in hun blikken las hij de vraag of hij het niet een beetje erg vond, voor een „assistents-vrouw”, ’t Ging hem nogal wat aan, en eer hij zich daarmede bemoeien wilde! Curieus, dat er nu ineens even een verkilling viel. En ze waren nog zelfs de trapjes niet op, ze stonden nog bij hun rijtuig, want de baboe en ’t kind waren ook meegekomen en zoo gauw niet uitgestapt. Ze sjouwde ’t kind overal mee heen. Nu kwam ze dan met de maniertjes van een vrouwtje dat weet dat ze „elegant” gevonden wordt, de trapjes op, en hij zag duidelijk, dat zij ook den voormaligen „vrouwenhater” plaagde met haar glimlachje en een opgeheven wijsvinger. Hij keek even om naar Lientje, hoe ze ’t opnemen zou, een blosje kwam op het eenvoudige gezicht,—grappig, de ontmoeting van die twee gade te slaan. O, met beide handen uitgestoken, hoe overstelpend hartelijk, maar niet zonder den snellen, proevenden blik van top tot teen, waarmede vrouwen elkander meten, en nog tegen haar ook weer oolijkheidjes, die hij niet hoorde,—hij zag alleen maar den dokter zuurzoet grijnzen. De man had gelijk gehad, ze was een nest, met haar neerbuigendheid.
Nu moest hij toch ook wel opstaan en haar tegemoet, ze had hem al uit de verte gezien en gegroet met de mengeling van minzame beleefdheid tegenover den chef en zelfbewustheid van „gevierde mooie vrouw”. Ze was eigenlijk net een verwend kind, vond Feenstra ineens, en even flitste de gedachte door hem heen, hoe ze tegen Truusje wezen zou, als die ooit hier kwam als administrateurs-vrouw ...
Ze spraken even samen, in beleefden gezelschapstoon, en voor de zooveelste maal hoorde hij: „Wie had het ooit gedacht van onzen dokter...”
„Eén voor één en vele gelukkige families” kwam Bartels ertusschen, de „artist”, met een zinspeling op de romans van Robbers, die hij haar juist had geleend. Ze vond de opmerking buitenmate geestig.
Bartels, pedant en redderig in zijn krakende kleeren, praatte door, blij met zijn succes, snel rondziend of misschien ook anderen zijn snedigen zet hadden gehoord, onmiddellijk den beschaafden man uithangend.
„Hebt u gezien, mevrouw, in de laatste „Studio”, die reproducties van oude Japansche teekeningen? Nog niet in den leestrommel gehad? Mag ik u dan zeggen, waar u bijzonder op moet letten? Op de...” Hij kneep even, als zoekend in zijn geheugen, de oogen dicht, dan, langzaam sprekend, „op de derde prent, rechts boven, een heel klein kinderkopje... bijna niet te zien, ’t kind staat verscholen achter de kimono van de oude vrouw... subliem... eenvoudig subliem...”
Bartels zag altijd op een teekening of een schilderij datgene wat „bijna niet te zien” was en vond dat dan ’t mooist van alles, zooals hij in een boek of een vers juist die bladzij of regel „verdomd knap” of, bij dames, „ongelooflijk mooi” noemde, waaraan geen mensch iets bijzonders opgemerkt had.
Feenstra maakte van beider artistieke vervoering over het bijna onzichtbare Japansche kinderkopje gebruik om naar zijn hoekje terug te sluipen.
Hij had daar al een oogenblik in een album met Hollandsche kiekjes zitten bladeren, hopend een prentje te vinden van het dorp, waar hij met Truusje op school was geweest, hij vond zich zelf een beetje flauw, maar kon het toch niet laten.
Thuis op den kalender had hij de mails aangeteekend, waarmee haar antwoord op zijn brief zou kunnen komen.
Er was nu iets, waarnaar hij uitzag en waarop hij wachtte. ’t Schrijven van den brief had nog hoofdbrekens genoeg gekost, dien avond. Toen hij eenmaal met de pen in de hand aan zijn tafel zat, had hij zich eensklaps rekenschap gegeven van de jaren, van het stuk bewogen leven, dat er tusschen hen lag. Er was eigenlijk geen reden om aan te nemen, dat zij iets meegevoelen zou van zijn wedergeboorte. En hij trachtte zich voor te stellen, hoe hij zelf zou hebben gereageerd: wanneer er, zeg een jaar geleden, natuurlijk voordat hij in zijn laatste avontuur gewikkeld was—want zoo’n toestand was abnormaal—plotseling een brief van Truusje was gekomen. Hij kon ’t zich niet denken. En dan ook, hij moest voorzichtig zijn, hij moest zich beperken, niet toegeven aan een stemming, geen onberaden dingen doen. Zooals zijn hart nu was, had hij wel wonderweeke en teedere dingen kunnen schrijven, van leed en schuldgevoel, weggedroomd in zijn herinneringen, omwaasd van zelfverteedering bij ’t herdenken van zijn jongensjaren onder den ouden toren. Altijd immers had hij het verleden geïdealiseerd, en hoeveel te meer dan nu, in zijn eenzaamheid, na de felle schokkende gemoedsbewegingen waaraan hij onderhevig was geweest.
Onverwoestbaar was die neiging in hem om altijd opnieuw te hopen, te verwachten, redeloos te vertrouwen, zijn heele ziel te spannen op elke nieuwe mogelijkheid.
Maar hoe had hij haar kunnen zeggen, wat er in hem omging, sinds dien avond, dat hij zijn jeugd teruggewonnen had, maar zonder jeugd-ijdelheid en wreede onnadenkendheid, dat hij alles wilde goedmaken en meer, dat hij vol berouw en teederheid was,—het zou haar, het zou elkeen dwaas-romantisch lijken, het leek hem zelf zoo bijwijlen. Toen had hij, ten leste, voor zijn brief den vorm gevonden, die hem bevredigde, die haar niet al te zeer bevreemden kon, niet afschrikken, maar evenmin al te vast nog doen verwachten... Want hij gaf er zich toch wel rekenschap van, dat de jaren allerlei veranderingen konden geschapen hebben, dat ze van elkaar vervreemd konden zijn... al bleef die overweging verstandelijk, daar zijn gevoel hem toch de schoonste verwachting voorspiegelde. En nu was zijn brief al een dag of acht in zee.