Een Indisch huwelijk

Part 3

Chapter 33,751 wordsPublic domain

Hij had haar dan weergezien, zooeven, voor ’t eerst na eenige maanden. In een rood maskeradepakjes, met roode muts, de oogen karbonkel-fel in ’t wit-bepoederd gezicht, stond ze tusschen de bloemen van haar tentje, achter haar, in haar schaduw, het goedige mannetje, het officiertje met de bolle, blauwe oogen, het laatste stapeltje knoopsgat-bouquetjes omwoelend met zilverbladen dunne draad, dadelijk zag hij haar toen hij binnenkwam. Aan dit oogenblik van weerzien had hij gedacht, den heelen weg over naar de stad, bij voorbaat overtuigd dat het hem onbewogen zou laten, zichzelf sterkend met de gedachte aan dien vorigen vernederenden tocht, vol halfbeleden vrees dat ze hem toch nog eens overmeesteren en in bezit nemen zou. Doch in de eerste seconde wist hij het en voor goed: niets bewoog er binnen in hem, niets leefde daar meer op, er was nooit iets geweest, dan een droom alleen, een maanzieke begoocheling. Hij was haar gaan aanspreken, had een bouquetje gekocht, een paar beleefde woorden gezegd, nauwelijks had haar blik in den zijnen gerust, hij wist zelfs niet of ze hem wel had herkend. Op een afstand was hij haar even blijven gadeslaan, zooals ze daar gebogen stond over haar toonbankje, de roode mouwen half schuil onder bloemen, in het laaggesneden maskeradepakje, lokkend en vasthoudend met lachen en rad praten de mannen die zich rondom haar verdrongen, haar bloemen opdringend en duur verkoopend, buitensporige bedragen eischend, wetend dat niemand weigeren dorst, voortdurend opgewondener, de oogen groot en gloeiend, gretig haar hand ophoudend voor ’t vele geld, dat ze dan haast zonder omzien achteloos achter zich reikte, waar kleintjes in haar schaduw haar man stond en al maar nieuwe bosjes bond, zóó luid en zóó begeerig naar meer, maar het meeste, naar de grootste opbrengst als bewijs van haar grootste verleidelijkheid, van haar triomf over de anderen, dat haar beide buurvrouwen, zedige, blonde Hollandsche vrouwtjes, één met bonbons, één met sigaretten, misprijzend naar haar keken. Hij had daar gestaan en het aangezien, starend naar haar gelaat, in het volle besef dat hij volkomen veilig was, maar tegelijkertijd verbaasd, dat het zóó had kunnen zijn, dat ze hem zoo totaal en zoo volslagen vreemd was geworden, na wat er toch toen was geschied. En zij zag hem zelfs niet—had hem nauwelijks herkend—, wel moest hij, zei hij bitter, één uit velen voor haar wezen.

Hij had zich afgewend, met dat ijle, leege gevoel, dat hem altijd weer overkwam, wanneer hij menschen feestelijk en vroolijk zag, als hielden ze zich maar zoo en wisten ze allen wel dat het toch het echte niet was—, hij had aan alle tentjes geofferd, hij had handdrukken gewisseld met mannen die hij vagelijk kende van feestmaaltijden en vergaderingen, dames begroet, altijd maar weer beaamd dat de fancy-fair schitterend scheen te slagen, gepraat over het weer en den stand van het gewas, een sterfgeval hier, moeilijkheid met werkvolk elders, drie, vier uitnoodigingen om te blijven overnachten afgeslagen met de betuiging dat het werkelijk onmogelijk was, dat zijn chef bleef maar dat hij naar huis terug moest en ten leste, al die plichten vervuld, was hij met Ruysch een glas bier gaan drinken in de voorgalerij, afgezonderd van de anderen.

Toen had hij hem alles verteld. Hij wist hem toch wel een echten vriend, Ruysch, vaster en warmer dan ginds in de eenzaamheid voelde hij het hier, waar alles leven scheen en, althans voor zijn gevoel, juist bleeker en valer was, en binnen in hem was het ook zoo arm en leeg. Want hij was nu wel weer vrij, maar zoo doodelijk eenzaam. En blijkbaar wel heel toegankelijk en zwak. Dit komen en gaan van gevoelens, eerst dat branden in hem en nu de stilte, al die beroering, het zou altijd weer kunnen komen, er altijd zijn als een bedreiging in zijn heimwee en zijn eenzaamheid. Hij had nu wel weer zijn waardigheid terug, maar ’t leven leek hem niettemin zoo gering en kil, dor en verschrompeld.

Doch hoe was het toen ook weer gegaan, dat plotseling Ruys had zitten vertellen van zijn eigen oud leed? Ja—, zóó was ’t geweest; hij had bittere dingen gezegd over „de vrouw” in ’t algemeen, dingen die hij eigenlijk niet meende, die hij maar napraatte van den dokter, die ze wellicht ook niet meende, waaraan hij zich opwond en zijn zelfbeklag scherpte—, en daar was Ruys toen tegenop gekomen. En hij had hem verteld van zijn eigen liefde, zijn eenige, diep weg in het verleden van zijn bestaan, daar alles overlevend, onuitwischbaar helder tusschen het vergetene en vervaagde van de lange jaren her. Hij had ervan opgezien: Ruysch ooit verliefd! Ruysch die als ’t ware over vrouwen heen keek, haar allen dezelfde beleefdheid betoonde, welke niet tusschen leelijk en mooi, oud en jong scheen te onderscheiden. Ruysch was verliefd geweest, Ruysch had ervan gedroomd een vrouw te ontvoeren, met haar te vluchten, om haar als ’t moest te breken met zijn toekomst en met de heele maatschappij. Doch eigenlijk, waarom niet? En van terzijde keek Feenstra zijn chef er nog eens op aan, hoe trouwhartig was de stroeve, bedroefde mond onder de grauwende snor, die eens helder blond moest zijn geweest, meer dan hij zag, herinnerde hij zich een verscholen zachtheid in de diepliggende oogen. Dan zijn prettige stem en de indringende kracht waarmee hij op zijn stille manier eenvoudige dingen zei—een avond op den eenzamen weg onder ’t naar huis rijden, zoo’n simpel gezegde over het wonderlijke van natuur en leven, dat hem den adem benomen had, dat van elk ander banaal had geklonken, doch van hem bijna indrukwekkend. Ja, er was in dit alles toch wel iets om een vrouw te bekoren.

En de onstuimige warmte, het argelooze, diepe gevoel, als van een jongen, waarmede hij hem daareven over dit alles had gesproken, blijkbaar voor het eerst na jaren, zijn beschrijving van dien hoteltuin in de verre Chineesche havenplaats, den avond, hun samenzijn onder de zwaar bloeiende, zoet riekende boomen, het achter heuvelen stervende daglicht, het dompe gerucht der volle, benauwde stad heel ver weg, haar zieke man wasbleek, met pijnlijken, verzonken mond, halfsluimerend in zijn stoel en zij beiden zwijgend. Ja, het moest wel heerlijk zijn geweest, die volmaakte zekerheid van elkaar te hebben gevonden voor altijd, en geheel en al te verstaan. Zooals hij hem had verzekerd, daareven. Dat was geen jongenspraat, geen dwepend idealiseeren van het verleden, doch de ernst en het vaste geloof van een man, in wien de jaren niets hebben kunnen veranderen. Hij, Ruysch, die zichzelf had gekend als een zwerver, bang en schuw, nauwelijks durvend hopen op een hart, waarin het zijne natuurlijkerwijs versmelten zou, zichzelf bij momenten een overspannen dwaas heetend, omdat hij nog bleef gelooven in zulke liefde, daar hij toch zag waarmee anderen genoegen namen, hij had daar dien avond, bij het gestadig dalen van den nacht, in momenten van zwijgend opgaan in blauwe kinderlijke oogen, zijn geluk beleefd. En de zalige slapeloosheid daarna, het waken in duister, de wilde plannen en dan weer het luisteren den nacht in, als om haar te hooren ademen uit de kamer waar ze sliep. Die gloeiende nacht met de groote gouden maan tusschen ’t zwarte, ijluitgespannen kantwerk der acasia’s. Ja, Ruysch was wel een mensch uit ’t echte hout, dacht Feenstra. Eerlijk-menschelijk had hij hem alles beleden, hoe hij uitsluitend aan haar had gedacht, om haar lief te hebben, om haar voor zich alleen te bezitten, om haar het geluk te geven dat ze derven moest naast dien man met zijn sloopende tropenkwaal en zijn grenzenlooze zelfzucht. Eerlijk menschelijk ook gewaagd van zijn strijd, den dag daarna. Maar was het dan ook niet hard geweest, haar brief, geschreven uit de besluiten en raadslagen van haar eigen slapeloosheid? Aan zijn edelmoedigheid vertrouwde ze zich toe, had ze hem toen geschreven, opdat hij haar niet zou doen lijden. Want ze zou hem niet kunnen weerstaan, zoo hij aanhield en ze zou hem volgen, waarheen ook, doch hij moest niet aandringen en niet vragen dat ze hem volgen zou, omdat ze den zieken man, met zijn zelfzucht en de scherpte van zijn jaloersche natuur, toch niet zonder leed zou kunnen verlaten, ook later niet, zelfs niet als hij in Holland terug en goed verzorgd bij moeder en zusters wezen zou. Bovenmenschelijk! Te weten dat ze hem niet zou kunnen weerstaan en te moeten wijken, het hoogste, het heerlijkste onder bereik—, zich te moeten afwenden en eenzaam verder gaan. Hij had het volbracht, om harentwil, doch nog lang en nog vaak in bitterheid de „edelmoedigheid” verwenscht, waarop ze toen kinderlijk-argeloos—of vrouwelijk-sluw? vroeg hij zich soms—een beroep had gedaan, totdat op dit alles de jaren zich hadden gestapeld zooals gras groeit op een graf, waar toch de heugenis onuitwischbaar blijft.

Weemoedig om aan te hooren was het geweest en nu zwegen ze en beiden peinsden ze, de een over wat hij had gesproken, de ander over wat hij had gehoord. Maar het werd laat,—de feestgangers verdwenen in langzamen, gestadigen stroom. Feenstra gaf er zich eigenlijk nu pas rekenschap van en ook dat de muziek zweeg... en dat de bruine en gele toekijkers afgetrokken waren... en dat achter hen het feestelijk licht werd gedoofd. Het werd nu tijd ook voor hen om te scheiden. Hoog stond de maan, den langen weg terug zou hij alleen moeten gaan.

Ze reikten elkaar de hand.

„Ik breng je nog even naar je wagen”, zei Ruysch. En samen gingen ze de rood-gelooperde bordestreden af.

„Dat zoo’n doodzieke man in al die jaren nog niet gestorven is”, begon Feenstra nog even, voor zich uit peinzend, terwijl ze naast het wagentje stonden. Ruysch antwoordde niet dadelijk. Hij tuurde tusschen de zwarte palmbladeren naar de maan.

Een zucht ruischte zwaar door het nachtelijk loof,—het witte gebouw stond laag en naakt en blank in den ruimen tuin—, aan den overkant van den weg, op de bank voor een gesloten kantoorgebouw, zaten twee Bengaleesche nachtwakers in lange gewaden, één wit, één geel, en hooge tulbanden op. In de verte klonk nog het luchtige lachen van een meisje, dat met een vriendje wellicht, thuis-ging van het feest.

„Och ja”, zei Ruysch ineens—Feenstra meende al dat de opmerking hem was voorbijgegaan—„och ja, ik heb er jaren lang wel op gehoopt, maar je ziet het vaker, de dood haalt zulke krukken juist niet, maar jou of mij of een ander, die nergens verdacht op is...”

„Zou jij ’t willen?” vroeg Feenstra onwillekeurig, nog even wachtend, zijn voet al op de treeplank.

„Neen”, bekende Ruysch eenvoudig, „neen, eerlijk gezegd, niet. Ik heb niet zoo heel veel, dat weet je ook wel, maar ik kan toch het leven niet haten. En dan... ik geloof dat ik eigenlijk nog altijd hoop...”

Feenstra knikte peinzend en zij scheidden.

VI.

Drie dagen later was Ruysch dood en begraven. Den dag na het feest met zijn kleine auto, die hijzelf bestuurde, huiswaarts keerend, scheen hij in een oogenblik van verstrooidheid de macht over zijn stuur verloren te hebben en in volle vaart tegen een steenen paal aangereden te zijn. Voorbijgangers hadden hem zieltogend aan den wegkant gevonden, uit zijn bewusteloosheid was hij zonder ontwaken den dood ingegaan.

En nu was het twee weken na de begrafenis en Feenstra zat alleen en tuurde den pikdonkeren nacht in. Het had dien middag zwaar geonweerd,—van over de bergen waren machtige wolkendrommen komen opzetten als grauwe krijgslieden in een vervaarlijke vastberadenheid, en boven in de lucht was er slag geleverd met flits op flits en slagen, zoo lang, dat ze in elkaar verrolden tot één eindeloozen, oorverscheurenden dreun. ’t Waaiend loof worstelde angstwekkend in den kopergloed, ’t dorre stof warrelend in wolkenkolommen, wegwervelend om hoeken, de donkere tuin als verkrompen in een stuip van angst, de weg leeg gevaagd, het huis en de bijgebouwen als uitgestorven, trillend van ingehouden angst, totdat met splijtend geruisch de wolken scheurden en de regen neerbrak, een gordijn van vloeiend zilver gelijk,—als een milde verlossende tranenvloed na al te hoog gestegen opwinding. Wel bleef het langen tijd nog rommelen, zetten de rosse flitsen het druipend geboomte van den achtertuin in vreemden glinstergloed, maar de spanning was voorbij en in ’t snelle neerkomen van den avond drupte ’t nu nog maar alleen wat na—in en rondom het huis had het dagelijksch leven zijn gewonen gang al weer hernomen.

Maar het was toch guur gebleven, een klamme wind woei in lichte vlagen uit het duistere buiten en bij elke vlaag als een zwakke klacht zwol daar het gerucht van afdruipend water, van de dakranden neer in de goot, van de hoogere boomen afkletterend op de lage bamboeheg, van de uitspringende randen der voorgalerij op het grint van de oprijlaan, dan stilde het weer met den wind mee en zwol even later opnieuw als een koor van droeve zuchten.

Feenstra voelde de klamme kilte over zich heen strijken,—nu en dan een koude druppel op zijn hand uiteenspatten; hij was er zich vaag van bewust dat het boven zijn hoofd gedurig lekte, maar kon er niet toe komen van plaats te veranderen.

Een doodelijke loomte lag hem op het lijf, uit neergeslagen oogen staarde hij zijn witte broekspijpen langs, tot de rechtopstaande linnen schoenen, grauw van vochtig stof, zijn hoofd lag scheef achterover in den lagen rieten stoel. Hij voelde zich gekweld van hoofdpijn en de vochtige koelte deed hem wel goed, maar tegelijk huiverde hij toch. Moeizaam sloeg hij de oogen weer op en tuurde over den rand van de balustrade, maar buiten den lichtkring uit de gekleurde lantaarn onder het afdakje beneden, vochtig en flauw uitvloeiend over ’t natte kiezel als een stervende regenboog, stiet hij overal op ’t barre zwarte donker, dat zijn blikken als ’t ware terug en naar binnen dreef. Aan zijn linkerhand, achter de zacht waaiende gordijnen, was de achtergalerij, die tot eetkamer diende en waar een laaggedraaide lamp een sober licht verspreidde over de donkere djatti-tafel, kaal en ontruimd na zijn vroeg en eenzaam maal.

En buiten het natte duister, dat den blik naar binnen dreef...

Half verdoofd van loomte en hoofdpijn gaf Feenstra zich toch met zwak-bewust welbehagen over aan een toestand die hem van den last der gedachten onthief,—al wist hij tegelijk dat gauw genoeg weer zijn heele wezen zou omgrepen worden door dat eene kwellende besef, dat de laatste veertien dagen bij waak of slaap niet uit hem week en nu als zweefde in zijn nabijheid om zich dadelijk weer op hem vast te zetten. Mocht het zelfs wel een gedachte heeten, dat gevoel van een suizelende leegheid en stilte, waarvan het erge juist was, dat het zich niet uitdenken liet?

Neen, hij kon dat plotseling sterven niet realiseeren, hij kon het gebeurde niet voor zich halen en als omtasten met de handen, gelijk een klaar feit—, het ontsnapte hem, als hij het meende vast voor zich te zien en week duizeligdiep terug naar den achtergrond van zijn ziel en loste zich daar op in nevel,—in stilte en suizelende leegheid.

Mocht het ook verdriet heeten, wat hij gevoeld had na den dood van Ruysch? Hij wist het nauwelijks. Eerder scheen sindsdien het leven op losse schroeven te staan, eerder was er een gevoel van onwezenlijkheid, als waren de dingen uit hun centrum weggebroken en deden zich nu alleen nog maar afzonderlijk voor om afzonderlijk afgedaan te worden—het dagwerk, het thuiskomen, gesprekken met collega’s, het huishoudelijk bestaan... er was iets onreëels aan dat alles, als werd het slechts uit gewoonte verricht en had geen zin meer in een onderling verband. Zelfs het gevoel van gemis en verlies kon hij maar niet als iets wezenlijks, als een vastheid in zich zelf bemerken.

Dit kwam ook door zijn eenzaamheid. Hij had als halfvolwassen jongen in Holland zijn vaders sterven meegemaakt, een groot verlies en een groot leed, hij had toen eigen leed vermengd gevoeld met dat van zijn moeder en zijn zusters en van zijn vaders eigen moeder die toen nog leefde en haar andere kinderen, zijn ooms en tantes, hij had niet hoeven peilen naar de wezenlijkheid van zijn gevoel, want hij had immers zonder denken de wezenlijkheid van hun gevoel en daardoor van zichzelf aanvaard.

Zoo was alle gevoel, blijdschap en smart, zoo had zich bij feesten hun vreugde vermengd en bij droefenis hun leed, zoo droeg de een den ander en realiseerde elkeen zijn eigen aandoeningen aan die der anderen... maar wat bleef er over van de menschelijke gevoelens in de eenzaamheid? Geen gemeenschap waarin ze gedragen werden, geen gemeenschappelijkheid van voelen en handelen... en alles vloeide uiteen... en de eenzame mensch, in wanhoop zichzelven peilend, wist ten leste niet meer waar zijn blijdschap en waar zijn droefheid was, het vloeide uit hem weg als hij het grijpen wilde. Het denken was noodlottig aan het gevoel, het denken moordde de gevoelens... maar de gedachteloosheid van het gemoedsleven was in eenzaamheid niet mogelijk en dat was juist de vloek der eenzaamheid, dat de mensch zich als uitvrat, uitgroef, uitholde, tot alles in hem wankelde en vernevelde...

Hoe somber was daarenboven deze avond.

Nu het bewuster peinzen hem uit zijn halve verdooving had weggevoerd, gaf Feenstra er zich weer rekenschap van,—hij bemerkte nu ook dat zijn linkermouw, uitgestrekt op de stoelleuning, door ’t gestadig lekken nat geworden was, hij voelde de levenloosheid van dat lijdelijk ondergaan en wilde zich er tegen verzetten, hij beurde zich overeind uit zijn liggende houding en stond stram en duizelig even later naast zijn stoel.

En nu viel hem het donker en ’t zuchten en klagen als van allen kant op ’t lijf—een vaag onbehagen bekroop hem,—doelloos liep hij tusschen de gordijnen door naar de achtergalerij en toen hij die schemerige ruimte betrad, had hij ineens het gevoel dat een mensch moet hebben, die in donker verdoold onverhoeds in ’t water loopt en plotseling in plaats van den vasten grond, een zwart, week, verraderlijk graf onder de voeten voelt. De ijzige angst, die hem nu plotseling aansprong, kende hij uit zijn oude jaren, die had hij later nog maar zelden zoo gevoeld, het was de waanzinnige vrees, alle levenlooze dingen rondom hem levend te zien worden. Kil van angst staarde hij naar den grooten groenen kelk van de grammophoon op het tafeltje in een hoek. Gesteld dat er plotseling geluid uit kwam, hoog zingen, schetteren van een orkest, zonder dat iemand er een hand naar uitgestoken had. Hij leende luisterend het oor naar buiten. Gesteld, dat daar nu onder de lage, donkere palmen de leege auto naderde, waarvan hij eens had gedroomd, die onbestuurd reed en rechtaf aankwam op zijn huis, dat hij echter niet bereikte. Die twee dingen waren het voornamelijk, waarop zijn angst zich concentreerde,—de grammophoon, waarvoor hij wel vaker bevreesd was geweest en de auto uit zijn droom. En terwijl zijn voorhoofd klam werd van angst, wist hij zelf wel goed, hoe dwaas dit alles was,—en was hij benauwder voor wat die angst in hem zelf aanrichten kon, dan voor wat van buiten af tot hem komen mocht.

Daarom wilde hij er zich met geweld aan onttrekken. Zou hij den jongen roepen? Neen, het was te kinderachtig en hij moest dan bovendien ook vlak langs die gapende grammophoon-kelk. Als het valsche ding hem beloerde en ineens zijn vol geluid in de ooren toeterde! O, hij was gek. Hij wilde los. Hij ging naar de tafel en draaide sidderend de lamp omhoog. Daar lag nog een stapeltje dagbladen, den vorigen dag met de mail uit Holland gekomen. Nu afleiden—, nu gewone, nuchtere dingen lezen, zijn gedachten met een ruk omzetten, zichzelf met geweld een andere wereld binnensleuren. Hij kende dit middel uit ervaring en als kleine knaap al had hij eruit geleerd dat het beangstigende dus alleen binnen in hem en niet buiten hem om bestond.

Hij sloeg een blad open en liet nerveus-zoekend, verlangend zijn aandacht aan iets te binden, zijn blik over de kolommen glijden. „Berichten aan zeevarenden”..., neen, dat was nog niet nuchter, niet neutraal genoeg... liever de advertenties... „Eet nu zalm”... „Tehuis voor schoolgaand meisje”... „Motorjacht ter overname”... en weer voorzichtig even omkijken naar de grammophoon en naar buiten... was hij alweer kalm...? niet te lang... ’t was er zoo duister en vochtig daarginds... en al dat gerucht in de boomen... langzaam vormde zich toch nog weer dat visioen van den auto uit zijn droom, schoon niet meer zoo scherp als daareven, gauw dan weer in de krant terug, de nuchtere, dagelijksche menschenwereld binnen vluchten... Marktberichten... radijs... spinazie... vette biggen... „Kerk en school”... beroepen naar... bedankt voor... benoemd tot hoofd van een meisjesschool mejuffrouw Van Laar... Maar dien naam had hij meer gehoord, dien naam kende hij... Mejuffrouw G. J. C. van Laar... dat moest Truusje van Laar wezen... G. J. C.... ja, dat waren de letters die hij soms met een haastig potlood schreef op het smalle vouwbriefje, dat een zusje tusschen haar boeken stoppen moest. Truusje van Laar... wel zeker, ze werkte toen immers al voor onderwijzeres. Ze was al bijna klaar, toen hij nog op ’t gymnasium ging twaalf jaar geleden. Ze ontmoetten elkaar alle dagen in den trein naar het kleine stadje, hij kwam van verder... zij stond dan ergens op een weg bij een halte, tamelijk dicht bij ’t stadje, waar alleen maar de schooltreinen stopten, ze woonde daar in een gehuchtje, haar vader was er molenaar of boer... o ja... en dan zocht ze met de oogen de coupé waar hij al zat... hij zag het van achter het gordijntje en dan deed ze of ze heel toevallig binnenkwam... maar haar roode blos verried haar dadelijk... ze was veel te eenvoudig en te oprecht voor listen, de kleine Truus... Dan gingen ze in ’t stadje samen tot school... door ’t lieve, oude provinciestadje, waar ’t morgenleven in fleurigen opgang was, waar de oude linden zich spiegelden in ’t roerlooze, groengrijze grachtjes-water... waar breede, deftige oude huizen dommelden in ’t lommer, en een dienstmaagd, ook al oud en deftig, met breed-gestrikte muts en onderkin, de stoep boende uit groen-en-rooden emmer, of de pui spoelde met een ouderwetsche spuit... waar over de ronde bruggetjes de groenteboer aankwam met zijn kleurige kar, de bakker met zijn witgedekte mand... zoodat de geur van ’t versche brood zich mengde met den lindenbloesemreuk... en boven alles uit als een goedige wachter, de oude, hooge, droomerig omwaasde toren...

Ook wel ’s avonds hadden ze daar geslenterd, langs de grachtjes, dan zoo stil, voorbij de gesloten huizen, het ruischen der linden beluisterend, in eensgezind zwijgen, of wel opgewonden pratend, onschuldige gesprekken van school, van smokkelen en gefopte meesters.