Een Indisch huwelijk

Part 2

Chapter 23,683 wordsPublic domain

Het was volle maan geweest, een zoele, overzoete nacht, wanneer het hart een instrument gelijkt met strakgespannen snaren, trillend op de geringste beroering, volle maan, de zee als glad metaal, stil en eindeloos wijd, en overal de ruige, zwarte kegels, vulkaan-eilandjes, als sombere gestalten, van een lokkende geheimzinnigheid, in hun duistere diepten van geheimen en raadselen vol. Uitliggend in zijn stoel had hij er heen gestaard, over den stillen zilten zilvervloed, waar de boot rimpels in kliefde en uit zijn hart trok een nameloos verlangen daarheen, als een pijn bijkans, om het wezen te kennen van alle vreemde dingen, die daar leven moesten en die hem hun hart verborgen hielden, doch hem van uit de verte verontrustten met hun aanwezigheid. Niets dat geheimzinnig was, geen vertelsel, geen bedenksel haalde in huiveringwekkende diepte bij de machtige bekoring dier duistere, ruige, doode vulkanen, nachtelijk zwart rijzend uit zilveren zee. En dan, o God, die geur, die zoete rotheid die van overal aanwoei, ontbindende vruchten, in het verborgen gerijpt, in ’t verborgen welkend, verterend loof in de wouden daarginds, laag op laag, van jaar op jaar, door geen oog aanschouwd, door geen voet beroerd...

Iemand had aan dek, eigen zang begeleidend op een mandoline, een banaal Italiaansch deuntje gezongen—, was het eigenlijk wel banaal geweest? Niet in dien nacht, toen had het ondraaglijk zoet en huiveringwekkend diep van heimwee en klacht geklonken en hij had geschreid als een kind van eigen heimwee en nameloos, mateloos verlangen. Om geluk had zijn ziel geschreid. Hij was niet gaan slapen, alleen gebleven aan dek.

Met de anderen tegelijk had zij hem, in ’t vorderen van den avond, goeden nacht gewenscht en was naar de hut gegaan waar haar kind al sliep. Haar oogen hadden hem toegeblonken, met een smachtenden, vochtigen blik, een geur uit haar haren en haar kleeren, in ’t snelle omwenden, een zilveren dauw over haar nek, een helle glimp op haar tanden, toen ze nog even omkeek. In dat omzien had ze hem al vastgegrepen. Hij kende haar al wel langer, een officiersvrouwtje was ze, in Indië geboren, dochter van een planter. Indisch bloed had ze in zich, ze was nog maar kort getrouwd, hij had indertijd over haar huwelijk hooren spreken, ze had als meisje den naam van flirt gehad, het officiertje, een grasgroene Hollandsche jongen, over hals en ooren verliefd, was van allen kant voor haar gewaarschuwd—, had toch doorgezet. Na haar huwelijk bleek ze onberispelijk in haar gedrag en nu had ze een kindje.

Dit alles had hij zich na haar weggaan voor den geest gehaald—toen waren zijn gedachten weer uitgevloeid in een nevelig mijmeren tot hij haar plotseling achter zich had hooren loopen—, even later zat ze naast hem in haar stoel en vertelde hem dat ze ook niet slapen kon, want zoo warm in de hut... en dat haar kind... en de baboe... en voor hoe lang ze ging... en haar man op expeditie... hij had dit alles maar half verstaan, alleen maar in hartbonzende ontroering gekeken naar haar oogen, haar tanden, het teere opgeheven gezicht, waar de maan op scheen en altijd rondom die reuk, die zoete, rotte reuk, en dat mandoline-deuntje dat nog naklonk in zijn ooren en het schrijnend verlangen in zijn hart, het dolende, onbestemd smachten. En toen was dat onbestemde ineenen bestemd geworden, het verstrooide had zich samengetrokken, het dolende had zich als gekristalliseerd op haar, die daar bij hem zat: haar wilde hij, haar in zijn armen, haar kussen, van haar verlangde hij de stilling zijner hartsbegeerten, van zijn schrijnend heimwee, de oplossing der vage beloften die hem wind en wouden in zijn eenzame woonplaats sinds jaren toefluisterden en die hij altijd door in zich omdroeg. Hij voelde zich bleek worden en in een smachtende weekheid verteederen... zij wilde hem ook, dat was zijn zekerheid, zijn eenige duidelijke gedachte, die hem trouwens vanzelfsprekend scheen, als hoorden ze bijeen. Wie had toen het eerst gesproken, wie had het eerst dat ademloos staren in elkanders oogen gebroken, wie het eerst getoond dat hij begreep en den ander aan het hart getrokken? Zijn gemoed had gestormd in heftige bewogenheid, maar zij werd dadelijk weer dartel en coquet, altijd door lachend, rad pratend tusschen kussen door. Hij had willen vragen, zwijg nu toch, zwijg nu toch—, de nacht zoo schoon... het uur zoo kostbaar... hem hinderde die parelende lach... doch ze voerde hem weg in al dieper bedwelming en wat ze zei verstond hij toen zelfs niet meer... het praten en lachen ruischte langs zijn verdoovend gehoor, zijn kwijnend bewustzijn..., tot hij op eenmaal in een laatste lach-pareling, die bijna spottend klonk, haar als wind uit zijn armen voelde wegzweven. Verschrokken de oogen opslaand, zag hij in maanglans haar witte kleeren, haar smal figuurtje, een coquetten handwuif, weer dien glimp als van zilver op parelmoer, de maan in haar open mond, en de reuk van haar uit, voordat ze verdween naar beneden...

Hoe had hij den nacht verder doorgebracht? Even soms sluimerend, dan weer opspringend uit zijn stoel met een bitter en wild gevoel binnen in zich om haar spelen, haar leelijke spelen van zoo te komen en weer te gaan, zoo een man te verontrusten... telkens toch nog hopend dat ze wel weer komen zou, tot eindelijk maanglans wegtrok en morgen daagde, en de wijde zee geen zilver meer afstraalde, maar loodgrijs rimpelde en rilde in ’t verbeiden van de zon. In ’t rozig licht daagde dan daarginds de breede reede—palmen als knipprentjes scherp langs een opglooienden heuvelrug, zwarte blokjes van huisjes tegen al feller en vuriger horizont, morgenwind, koel en zoet en aan dek de blootvoetige bedienden, zwijgend en ijverig zich haastend voor ’t bereiden van een vroeg ontbijt.

Zij was aan dek verschenen, wit-gekleed en met altijd dien parelenden lach, pratend met den kapitein, doch langs dezen heen een zwaren blik vol herinnering en belofte in zijn oogen borend. Toen, vreemd, had hij ineens een kilte gevoeld—, was het omdat de lucht verduisterde voor hem uit en een dreigende wolkentoren zich heenschoof voor de jonggeboren zon? Alles aan hem en in hem scheen slap en doodelijk dof. Maar hij had ook den ganschen nacht niet geslapen.

Op het oogenblik dat de boot aanlei aan de kade, braakte de hemel zijn regenvloed uit vlak boven de stad. De wachtende riksjouw-Chineezen wierpen zich ijlings den grof-strooien mantel om, die hun het uitzicht van wilden in oorlogstooi gaf, om vooral klaar te wezen voordat de reizigers den wal betraden. Zij had het nu zoo druk met regenmantel en pajong, plotseling schel kijvend in rad Maleisch tegen de oude baboe, die hulploos tobde met het schreiende kind, terwijl de kapitein, tusschenbeide tredend, aanbood haar aan boord te houden totdat de bui bedaard zou zijn, dat ze hem volkomen vergat. Even aarzelde hij, zag toen hoe ze zonder omzien den kapitein volgde, nog snauwend tot de baboe—toen verliet hij de boot, liet zich in een riksjouw dwars door de bezige stad naar zijn hotel brengen, stortte zich daar op bed en viel in zwaren slaap.

Moeizaam was zijn ontwaken—, de regen had opgehouden, het was warm en duf binnen in de kamer. Het hotel lag vlak aan de uiterste straten van de uitgebreide Chineesche buurt, door den dunnen muur heen hoorde hij schreeuwen en heet kijven—, zeker werd daar fel gedobbeld, hij hoorde ook den zich aldoor verplaatsenden roep van een koopman dien hij echter niet kon verstaan. Even hield hij zijn aandacht bij dat roepen, met zichzelf weddend, dat hij het dan en dan daarna opnieuw, weer hooren zou, zich afvragend hoe zoo’n man altijd precies op regelmatige tijden... en dat hij toch in die volte wel drommelsch vlug liep of misschien een hoek was omgegaan... of wellicht juist bezig iets te verkoopen want hij hoorde niets meer... ja, toch, daar was het opnieuw... nee, nu was het een ander, die uit de verte dichterbij kwam, zijn stem trouwens geheel verschillend, zijn roep ook anders, deze stem oud en broos... en slepend, de andere krachtig en rauw-kortaf...

Toen dacht hij aan haar en een loome last viel op zijn leden..., hij werd geen lust en geen verlangen in zichzelf gewaar... hij proefde geen zoetheid aan de herinnering... hij wierp zich om met zijn gezicht in het kussen... ze moesten maar beter vergeten zijn, de oogenblikken van dien nacht, de maan had hem parten gespeeld, de maan had hem aan zichzelf ontvoerd, en toch weer niet zóó of hij had in de eerste ademroovende ontroering alreeds gevoeld, dat ze niet te zamen voegden, hij en zij.

Als zij nu ook maar hem vergat, als zij nu maar niet, thuisgekomen, zich vervelend, weer zou trachten hem tot zich te lokken. Als ze hem maar niet schreef, niet poogde te bezoeken. Hij had niet de minste verwachting van een nadere bekendheid, geen flauwe hoop, geen aasje verlangen naar een toekomst voor hen beiden. Als zij het eveneens begreep, dan was er immers niets geschied. Zoo mijmerend en overleggend, had hij zich aangekleed, in de vruchten-geurige, koele, heldere eetzaal, weer wat rustiger nu, gedejeuneerd en was tegen zonsondergang naar den zeekant gewandeld, waar in ’t koele weer de gansche stad verkwikking zocht en waar hem de pompeuze equipages der rijke Chineezen onhoorbaar op hun gummiwielen voorbijgleden in langen stoet...

IV.

Hij was de stad genaderd en de toenemende volte op den breeden, stoffigen weg noopte hem tot langzamer gaan. Ook het paard was klaarblijkelijk vermoeid, grauw schuim stond hem op de flanken. Grauw en strak voelde hij het eigen gelaat—, keel en verhemelte dor-dorstig, nu de spanning der gedachten even in hem brak, drongen de lichamelijke aandoeningen te scherper en kwellender tot hem door, de zon flikkerde schel in ’t water van de kali, terwijl hij stapvoets reed over de lange planken brug, stof wolkte op tusschen de naden, hij voelde ineens dat zijn hoed hem schrijnde, dat zijn stijve, witte kleeren hem hinderden, een gloeiende prikkeling voer hem over de huid—, toch weer niet van de warmte alleen. Stoffig bestoven waren de kleurige kleeren der Inlanders, de vruchten en groenten en snoepwaren hunner draagbare winkeltjes—, een verlangen naar koelte beving hem als een dorst van heel zijn huid. En zóó kon hij toch ook niet bij haar komen. Eerst even aanrijden in het hotel om zich te verfrisschen. Het vooruitzicht van de koele zalen, met glad glanzend marmer bevloerd, met den vruchtenreuk en de ruime rieten stoelen, de ijskoude dronk, die hem daar wachtte, verzoette even den hinder van warmte en stof—, oplettender mennend nu voertuigen van allerlei soort—ossekarren en kleine rijtuigen, ook wel victoria’s of landauers met winkelende dames, die hij meerendeels kende en groette—in dorre stofwolken voorbijjoegen of wel kalmer stapten, liet hij toch zijn gedachten weer terugkeeren naar wat er in de verloopen weken met hem was geschied.

Dien eersten dag na de betoovering van den maannacht niets dan verlangen het gebeurde te vergeten en uit zich weg te doen—een bittere nasmaak bijna—en de hoop dat zij het ook zoo voelen en willen zou, dat alles voorbij, als niet-geweest zou zijn. Den anderen dag een begin van verlangen om te weten of zij werkelijk ook alles vergeten wilde en vergeten kon—, niets, wist hij stellig, dan nieuwsgierigheid naar haar gevoelens als „vrouw”, als „geval”. In den avond van dien tweeden dag, weer mijmerend langs duisterenden zee-oever, genietend koelte en reuk, had hij zichzelf betrapt op de berekening wanneer zij thuis kon zijn—eerder dan hij-zelf, wist hij, zou ze terugkeeren—en op de stijgende benieuwdheid of ze al dan niet hem schrijven zou. Toch nog zonder verlangen, meende hij te mogen volhouden, eerder in een zekeren angst, vermengd met een zonderlinge, weinig fraaie nieuwsgierigheid. In de dagen die volgden voortdurend de mogelijkheid dat ze schrijven zou, in zichzelven wikkend en wegend, had hij zijn thuisreis twee dagen vervroegd, enkel maar om daaromtrent zekerheid te hebben, zichzelf schamend voor zoo dwaas een beweegreden, nog meer zich schamend, omdat hij geen lieve of zachte of teedere gevoelens voor haar in zich oproepen kon en toch zich voortdurend met haar bezighield.

Gedurende de thuisvaart had hij de innerlijke zekerheid in zich voelen groeien, dat er een brief van haar zou zijn, moest zijn—die blik, vóórdat hij de boot verliet—na zijn vertrek dien dag moest ze zich toch bezonnen hebben, spijt gevoeld hebben omdat ze hem zich zoo ruw en onbeheerscht had getoond, verlangen om dat weer goed te maken, het kon niet anders. Elken keer opnieuw had hij dit alles gewikt en gewogen en telkens wanneer zijn gedachten tot het besluit kwamen, dat er in zijn huis een brief van haar op hem wachten moest, dan keerde ook tegelijkertijd zijn tegenzin terug, dan wist hij weer zeker: neen, hij wilde niet, hij wilde niet, hij gaf niets om haar, zelfs in die weinige overweldigende oogenblikken was zijn verteederd smachten langs haar heen en boven haar uit gegaan, had hij haar kussen maar genomen als stilling van het heimwee, dat dieper, veel dieper dan waartoe zij reiken kon, binnen in hem schrijnde.

Naar huis van ’t laatste stationnetje af uit den heeten, stoffigen trein verademend op zijn hooge wagentje, had hij zijn paard doen rennen—hoe zijn hart had gebonsd toen hij, na den jongen de teugels toegeworpen te hebben, snel de hooge trap beklom en in de voorgalerij, waar ’t duister scheen na ’t laaiende witte licht, het felle zonnebranden buiten, met bevende vingers den stapel brieven doortastte, die daar lag opgegaard van dagen. Niets van haar—, hij wist het onmiddellijk. En hij was zoo zeker geweest! Nog eens, in flauwe hoop, scheurde hij eenige der brieven open, waarvan hem het handschrift onbekend voorkwam, eigenlijk al tegen beter weten in. En toen zijn razernij, zijn woedende verliefdheid ineenen, die hij beter deed „verliefde woede” te noemen en waarvan hij eigenlijk geen oogenblik dupe was geweest. „Adolphe” smaalde hij zichzelf,—alreeds in dat eerste oogenblik, toen hij duizelig bleek en met een wee gevoel van teleurstelling en leegte in zijn stoel gevallen was. En ’s avonds had hij het boekje van Benjamin Constant uit de kast gezocht—dat hem de dokter eens was komen brengen als „remedie tegen de liefde”, dat hij met wrevel en tegenzin gelezen, maar nimmermeer vergeten had—en hij had zichzelf trek voor trek met „Adolphe” vergeleken, zichzelf voorhoudend dat niets dan teleurstelling en gekrenkte ijdelheid die ijle, onzuivere vlam in hem aanjoeg, dat hij niets voor haar voelde, niet verliefd was, haar niet in zijn bijzijn verlangde, niet bij haar behoorde—, dat hij stellig haar zou hebben afgewezen, als ze nog was tot hem gekomen, als ze zich aangeboden had, maar geslapen dien nacht had hij niet.

En na dagen uitzien naar een brief—huiswaarts jachtend van zijn werk, verstrooid in gezelschap, korzelig tegen het personeel, zichzelf verfoeiend om een gevoel, dat hem in eigen oog onteerde, had hij, in een bitter besef van onmacht en kleinheid, zelf geschreven, zich dwingend tot half-schertsenden flirtation-toon, „zouden ze elkaar nooit weer terugzien?”—ze had hem na dagen in een kort, koel-schertsend, bijna-spottend briefje geschreven dat ze hem natuurlijk gaarne weer eens zien en ontvangen zou in haar huis, zoodra hij in de stad en haar buurt uit kwam.

Het was zoo duidelijk, alles, de woorden, de toon, ze wilde niet, of ze dorst niet—o, ze had geen hart, zwoer hij in zijn verwoedheid, vergetend dat hij haar misschien zoo geantwoord zou hebben als zij hem het eerst geschreven had—ze wenschte geen schandaal, geen opspraak, ze was alleen maar ijdel en nieuwsgierig, ze zou hem ontvangen met haar man, den onnoozelen jongen, dien ze vertellen zou, hoe ze hem had ontmoet aan boord en dat hij haar geholpen had met kind en bagage of zoo iets. En de brave bloed zou hem dan bedanken, de kennis willen voortzetten, hem ten eten houden... o, de lamme comedie. Wat had hij dan wel gewild? Wist hij niet—, alleen dat hij „iets” wilde, omdat zij nu „niets” wilde.

Toen had hij dan maar weer gewacht, bitter zichzelf afvragend of dat nu het wezen van liefde en hartstocht was—enkel het willen hebben wat zich niet vangen laat—, het willen grijpen wat ontvliedt—, vaak was hij verliefd geweest, maar had nimmer een zoo brandend gevoel gekend als nu, terwijl hij nu eigenlijk niet verliefd was.

Ten leste had hij, het opgevend tegen zijn lusteloosheid, haar geen tijd tot weigeren latend, zijn bezoek aangekondigd, op een uur dat haar man niet thuis kon zijn, in den voormiddag. En daartoe had hij zich nu, vol ongeduld en kwellende onrust, stadwaarts begeven...

Haastig, met afgewend gelaat langs de bezette tafeltjes sluipend om niet herkend en opgehouden te worden, had hij in een hoekje achter palmen binnen in de zaal met groote slokken den kouden drank gedronken, waarnaar hij zoo had verlangd en die nu nauwelijks door zijn keel wilde. Benauwd en lam voelde hij zich, nu het oogenblik gekomen was—, met afrekenen vergiste hij zich twee keer achtereen en de Chineesche bediende, die gewend was de planters op hun vrijen dag gezelligheid te zien zoeken, en zich al verbaasd had om zijn wegschuilen keek hem nu met medelijdende verwondering aan. Zijn paard liet hij achter om te rusten, sprong in een leeg huurrijtuigje en reed naar het laantje van officierswoningen, te midden waarvan de hare was gelegen.

Een duizeling als een stuip beving hem toen bij het uitstappen—als een heete roode nevel rees hem het bloed naar de slapen, aan het hek moest hij zich vasthouden om niet neer te storten—, wezenloos starend langs den leegen naakten weg, die als wit-gloeiend uitlag onder de zon. Was dat ook krankzinnig jachten in die helsche hitte. Onbewogen wachtte de bruine koetsier op zijn zilvermuntje. Zijn klamme vingers diepten het met moeite uit zijn beurs. Had hij nog wel geluid om iets uit te brengen en om den huisjongen te roepen?

Het behoefde niet. Van terzijde het huis, de hand langs de bamboeheg schurend dat het stof eraf wolkte, kwam traag, als onwillig, tenger en stemmig in blauw en bruin, de voeten diep in ’t grauwe, mulle zand, de oude baboe voor den dag. Kwam de toewan vroeg ze, om de njonja? Het duurde enkele oogenblikken voordat hij haar verstond, nog niet geheel bekomen van zijn duizeling. Hij keek in ’t onbewogen, bruine gezicht, het was strak als een oud masker, de oogen neer—, en toch voelde hij onmiddellijk dat ze hem herkend had en alreeds wist waarom hij kwam, dat ze hem hadden begluurd, dat hij niet zou worden binnengelaten, dat hij haar niet zien zou. Zoo tergend was dat strakke masker, de dorre vingers die aan den zoom van de sarong plukten, de neergeslagen oogleden, waarachter hij plotseling sluwheid en leedvermaak vermoedde, dat hij ineens den lust voelde met de vuist op dat gezicht te slaan en in die ééne gewelddaad al zijn leed, woede en zelfverachting uit te storten en te koelen.

Het effen, oude stemmetje meldde hem dat de njonja ziek was—schrikkelijke hoofdpijn had ze—en dat ze niemand kon zien. Maar als de toewan binnenkomen en een glas tamarindestroop drinken wilde?

Hij hoorde het nauwelijks, had al zijn zelfbedwang noodig om niet in woedende, onzinnige bedreigingen los te barsten.

Boven den weg trilde de lucht van felle hitte, zwaar en flets, als versmoord van stof hing het gebladerte van acasia’s en palmen neer, een leeg huurrijtuigje naderde met kalmen stap; bijna ingedommeld op den bok, loerde de koetsier nog met een half oog uit naar een vrachtje. Hem ziende, hield hij de teugels in en toefde, wachtend, ineens wakker, voor het tuinhek. Werktuigelijk naderde Feenstra het karretje, steeg in, de onverwachte ruk, waarmee het paard zich plotseling in draf zette, deed hem bijna tuimelen, heenrijdend zag hij het baboe-figuurtje weer langs het huis om den achtertuin ingaan, waar mangaboomen roerloos stonden hoog uit boven het lage dak...

V.

In de breede galerij, buiten den lichtkring, die in weelderigen overvloed de open zaal ontvloeide en het blanke marmer overgoot met een weeken glans, haast verscholen achter een der beide groepen zware sierpalmen, feestelijk pralend ter weerszijden van het breede met donkerrooden looper belegd bordes zaten Ruysch en Feenstra in zwijgend gemijmer na een gesprek dat van ongewone vertrouwelijkheid was geweest en beiden lieten ze hun mijmeren wegdeinen op de tonen der muziek die van achter uit de zaal tot ze doorklonk. Daar binnen, waar alles blinkend was en feestelijk van licht, witte toiletjes, witte bloemen, waar het geurde van vruchten en wijn en parfum, daar gingen ze nu in paren of groepen de tentjes langs, de meisjes voor de zooveelste maal zich vergastend aan ijs, de mannen voor de zooveelste maal bezwijkend voor de lokkende oogen der champagne-verkoopsters, de ouderen aan tafeltjes, tusschen palmen, en met hun praten en lachen, het behaaglijk-trage schuifelen van hun voeten, drong de zwaar-zoete feestelijke reuk tot de beide zwijgende mannen door.

Schoon de boomen in de laan helder zichtbaar waren in den maneschijn, de gestalten der Inlanders, die buiten het hek roerloos en gretig toekeken, zich duidelijk afteekenden tegen den koel-blanken weg, de Chineezen als lichtere vlekken kenbaar door hun witte kleeren, deed dit alles te zamen, daar binnen het licht en de geur van den wijn, hier buiten de even-ruischende blanke avondschijn—Feenstra denken aan zijne vele late avonden aan boord, indertijd, op zijn uitreis, dat hij zoo stil, in zichzelf gedoken aan dek gezeten en over de maanlichte zee gestaard en zichzelf zoo klein en zoo groot, zoo machtig en zoo miserabel tegelijk had gevoeld—, totdat dan alles was vervloeid tot een zachte pijn van eenzaamheid en heimwee, terwijl achter hem evenals nu, feestelijk gerucht was geweest en deze zelfde geur van wijn en van bloemen.

Zoo was ook dat heimwee er nu—het had hem eigenlijk op den vreemden bodem nimmer geheel verlaten, doch leefde, zonderling, het sterkst in hem op, wanneer hij vroolijkheid zag en veel licht en lachende, feestende menschen. Was het omdat hij eigenlijk in hun vreugde niet geloofde en in elkeen eenzelfde heimwee en vreemde verlatenheid vermoedde, als die hij zelf in zich omdroeg en hij daardoor ’t eigene honderdvoud vergroot gevoelde?