Een Indisch huwelijk

Part 6

Chapter 63,582 wordsPublic domain

Begeerde hij nu waarlijk Truusje tot zijn vrouw? Hij sloot de oogen. Hij had haar gekust en gearmd met haar omgedwaald, in zoeten schemer, onder bloeiende, weekruischende lindeboomen, langs stille grachtjes, waar ’t laatste licht in droomerige spiegeling vergleed, onder de hooge klokketoren, die wachter trouw en sterk... ze waren, goddank, geen vreemden meer... ze hadden, beiden in hun laatste brieven, dat verleden beroerd, die kussen herdacht, o ja, ze waren verloofd, ze waren verloofd,—stelde hij zich nu nog een terugtreden voor dan voelde hijzelf daarvan het onmogelijke, het onherroepelijke van wat hij had gedaan.

En het was immers goed, hij wilde het en had geen spijt... toch was het woord nog niet gesproken.

Wilde hij haar tot vrouw? Kon hij zich het samenleven met haar denken? Was het toch niet beter, nu nog enkele jaren meer te wachten, nu hij al zoo lang gewacht had en elkander vooral te leeren kennen? Maar de gedachte aan lang wachten maakte hem opstandig... en dat ongeduld-zelf schonk hem het streelende gevoel, dat hij toch wel echt verliefd was...

Het grint knerpte, langzaam reed de wagen voor, de bruine blootvoetige jongen klom de trapjes op, wilde wat zeggen, maar hield zich in, denkend dat zijn meester sliep.

Feenstra raadde het, schoon hij hem niet zag, hij gaf den man een handwenk om hem te beduiden, dat hij wakker was en van zijn aanwezigheid op de hoogte, bleef nog even met de oogen gesloten, stond dan langzaam op en ging het huis uit.

XI.

In de halfdonkere winkelruimte, tusschen de smalle toonbankjes, in den geur van langzaam vervluchtigend reukwerk, zijden stoffen en welriekend hout, waar hij tevreden drentelend wachtte tot er iemand zou komen om hem te bedienen, hoorde hij plotseling naast zich fluisteren en gedempt lachen, als werd daar achter dat kastje op hooge pooten, waar kostbare voorwerpjes van ivoor en zilver door glas beveiligd stonden, gestoeid en gefleemd om een kusje.

Verbaasd staakte hij zijn drentelen en keek dien kant uit,—een wit kort rokje, een paar witte voetjes, die nu stribbelend bewogen, twee grootere witte schoenen, onder witte broekspijpen uit—en voordat hij tijd en besef had gehad te laten merken dat hij er was, ving hij hun beurtelings plagend en afwerend fluisteren op.

„Een dan toch... een enkel kusje, voordat die grijnzende Japansche trekpot weer terugkomt...”

En opnieuw het stribbelend terugschuifelen van de kleine witte schoentjes en een bestraffend, maar o zoo verteederd:

„Malle jongen, malle jongen, malle jongen dan toch...”

De dokter en Lientje! En „jongen” zei ze tegen dien man, die diep in de veertig was en niets van een jongen meer had, en niet mooi was... „jongen”, zei ze en het klonk niet eens belachelijk... Het was charmant... maar mocht hij, waar hij stond, blijven staan en verder luisteren... en zou ze... zou ze hem het kusje toestaan... of zou nu juist te onpas de Japanner terugkomen?

„Raad me maar liever, wat ik kiezen moet”, hoorde hij Lientje nu weer zeggen, „ik wankel al een half menschenleven tusschen die kleine knoopjes en die groote gesp...”

Moest hij nu niet weggaan, was het luisteren, dat hij deed, niet onbehoorlijk en onbescheiden? Maar hij luisterde immers niet en als hij nu doorliep, dan zouden zij juist zijn schoenen hooren en hem opmerken en begrijpen dat hij daar al langer gestaan had en hen bespied.

Want ze waren nu juist heel stil,—en onder het hoogpootige kastje zag hij hun witte voeten dicht bijeen, Lientje op haar teenen roerloos,—ademloos waren ze... ademloos wachtte ook hij... hij voelde hoe ze teeder overgegeven, elkander kusten... en Lientjes stem klonk nu anders, warmer, voller, zooals hij ze nog niet eenmaal had gehoord, nu ze nog weer zei „malle, malle jongen” en eigenlijk nauwelijks scheen te weten wat ze zei.

Feenstra voelde een golf door zich heen slaan, een diepe, zoete ontroering, zóó sterk, zóó intens had hij die korte oogenblikken als getuige tegen wil en dank met hen beiden medegeleefd,—maar tegelijkertijd werd hij zich van het benauwde dezer positie bewust en hij was blij, nu hij uit de achterdeur den breed-grijnzenden Japanner zag binnenkomen, armen en handen behangen met bonte doeken en lappen kleurige zij. Kinderlijk opgetogen liep hem Lientje tegemoet, den dokter meetrekkend, ze hadden hem den rug toegekeerd en hij kon nu ongemerkt naar de winkeldeur terugsluipen en hen van daar af, als was hij juist binnengekomen, gaan begroeten. Want hij wilde hen in elk geval even spreken, als ’t kon zich bij hen aansluiten.

Ze stonden, de hoofden dicht bijeen, over de onder soepele glansen en zachte kleuren schuilgaande toonbank, naast hen in afwachting de Japanner, uit gewoonte vriendelijk grijnzend, maar de oogen elders, over hen heen, en ze betrokken hem dadelijk, na vluchtig begroeten, in hun kiezen en overleggen, Lientje kinderlijk-opgetogen tegenover schatten, zooals ze zich, arm kind uit groot gezin, nimmer had gedroomd,—en de dokter met een laatsten zweem van zijn spottenden glimlach, bij voorbaat Feenstra’s plagen afwerend, maar zich toch veilig wetend in de aanvoeling van zijn sympathie en onverschillig in het besef van eigen geluk.

Middelerwijl bedacht Feenstra hoe hij nu doen moest met zijn eigen inkoopen en zijn lust was groot, zich tegenover hen te ontlasten van zijn geheim en uit hun woorden, hun blikken en glimlach te verstaan dat hijzelf ook gelukkig was.

Was de dokter er alleen geweest, hij zou niet langer geaarzeld, maar zich uitgesproken hebben,—doch tegenover het meisje voelde hij zich bleu, weinig gewend als hij was aan vertrouwelijkheid met vrouwen, vreezend dat ze hem flauw zou vinden of misschien zelfs wel onkiesch tegenover het meisje in Holland.

Dit alles soesde hem door ’t hoofd, terwijl hij Lientje hielp bij het kiezen van een zijden japonnetje en andere dingen en hij benijdde den dokter, die met zijn geld, waar hij zelf niet om gaf, het aanhankelijk kind zoo gelukkig maken kon. Deze liet hem met beide handen ’t overleggen over en knikte lachend zijn volle instemming, toen Lientje pruilend verzekerde, dat Feenstra veel meer smaak had dan hij. De Japanner, onverstoorbaar geduldig, altijd door grijnzend, keek vaag van den een naar den ander. Feenstra besloot in zichzelf, dat hij nog niets zeggen zou en zijn inkoopen uitstellen, tot de anderen weg waren.

„Ga je met ons mee déjeuneeren, Feenstra”, vroeg ineens echter de dokter, „ik heb een tafeltje in ’t hotel besproken, ’t zal er vol zijn, zie je, en dan breng ik daarna Lientje even terug en ga tegen half vijf weer op huis af.”

Feenstra stemde toe, het werd een gezellig déjeuner, zooals hem in jaren niet was overkomen, meer dan eens in die ongewone sfeer van vertrouwelijkheid, waarin hij, naar zijn natuur, zich geheel en al voelde opgaan, stond hij op het punt zijn eigen hartsgeheimen aan te roeren, doch Lientje’s tegenwoordigheid weerhield hem.

Later in den middag, met den dokter alleen, sprak hij toen over Truusje, over hun verleden, het vreemde toeval dat haar weer in zijn leven had teruggebracht en hun hernieuwde vertrouwelijkheid.

„Zie je, het is niet om je raad te vragen, dat ik erover begin, want ik weet wel dat eigenlijk niemand raad begeert en dat niemand ook raad geven kan in zulke dingen,—en het is ook niet omdat ik er mijn mond niet over houden kan,—het is maar, zie je... er is geen realiteit aan, zoolang ik het alleen weet... ik weet niet of ik het goed zeg... het wordt soms ineens zoo onwezenlijk... zoo vaag... ik kan het niet tasten... en dan geloof ik er soms zelf niet meer in... in mijn eigen gevoel, in de heele verhouding... en als nu een ander het weet... zoodat ik het gevoel ook heb, dat anderen het weten en dat anderen mij beschouwen als verbonden met haar, dat ze ons aanmerken als verloofden... dan wordt het ook voor mij werkelijker, dan kan ik zelf ook gemakkelijker gelooven, dat ik inderdaad... gelukkig ben... Ja, zeg maar niets... nu ik het uitspreek, voel ik zelf wel hoe gek of het klinkt... en toch is het zoo... en toch moet een ander mij zeggen dat ik verloofd ben en dat ik gelukkig ben en dat dit alles „werkelijkheid” is... om mij te helpen het zoo te vatten... Vin-je ’t idioot?”

„Wel neen,” zei de dokter, „’t zou veel gekker zijn als ’t anders was. Stel je voor een mensch in de maatschappij, niewaar?—in ’t gemeenschappelijk leven met anderen geboren en getogen, van geslacht tot geslacht... met anderen saamgegroeid, van anderen afhankelijk, in gezelschap van anderen voelend en denkend,—en dan tegelijk zoo maar ineens in staat het toekijken en goedvinden van de anderen te missen en zich staande te houden met zijn gevoelens en daar altijd in te gelooven, buiten de suggestie van een kring, die hem als het ware opneemt en draagt? Neen mijn waarde vrind, dat kunnen we geen van allen. Een mensch-alleen is maar iets heel ijls en vluchtigs en vervloeiends—valt voortdurend uit elkaar als een bos asperges zonder zoo’n strootje van dat goed... hoe heet het... raffia er om heen... en de gemeenschap met de anderen werkt nu juist als dat fameuse strootje, dat houdt zijn zaakjes bij elkaar, begrijp je. Een mensch is den eenen dag verliefd en den volgenden dag zou hij zijn gevoel misschien totaal niet meer terugvinden als hij er naar zoeken ging... maar de overige lui behandelen hem alle dagen ’t zelfde, en dan zoekt hij niet eens, wel, dan denkt hij er niet eens over; dan tobt hij niet en die realiteit, waar jij over spreekt en die hij misschien niet op alle momenten voelt, die suggereeren ze hem dan van buiten af. Stel je voor, verloofde lui, of sterker nog, getrouwde lui, alle dagen tastend, zooals je ’t uitdrukt, naar hun gevoel! Dat is juist ’t goede van ’t huwelijk, dat de menschen dan niet meer alleen op hun eigen natuur aangewezen zijn...”

„En vrije liefde dan?”

„Maar vrije liefde... dat is toch al lang een maatschappelijke instelling... een „conventioneel-onconventioneele” instelling. Overigens trouwen er naderhand genoeg om allerlei redenen, die ze zeggen en om de eene reden, die ze niet zeggen of misschien niet weten, dat ze trouwen eigenlijk veel „echter” vinden.”

„Dus jij gelooft, dat iedereen...?”

„Heb je „Gyges und sein Ring” van Hebbel wel eens gelezen? Niet? Die Lydische koning, die Kandaules, die is precies als jij... och ja, of je nu in Lydië woont en koning bent, dat doet er al weinig toe... en die gelooft ook niet dat hij gelukkig is met zijn vrouw, met Rhodope—niemand mag haar ooit zien, begrijp je, dat is pas met recht een liefde zonder getuigen!—en dat zij de mooiste vrouw is en al zoo meer, die gelooft dat allemaal ook niet, totdat een ander ’t hem bevestigt. Gyges, dat is zijn vriend, die moet en die zal ze dan samen bespieden—die ring is de fameuse ring, waardoor je onzichtbaar wordt,—de man is er absoluut niet nieuwsgierig naar, hij is een Griek, en ik denk dat hij zijn koninklijken vriend nogal een barbaar vindt... daar dacht ik dadelijk aan, zooeven, toen je zei van dat verlangen naar realiteit...”

„Maar er zijn er toch ook, die juist hun gevoel verstoppen voor de heele wereld.”

„Ja, als je heel jong bent, en dan nog maar een tijdlang. Later komt toch het verlangen om door je omgeving erkend en daarin opgenomen te worden... hoe ze ’t dan ook noemen „de wereld zijn geluk te willen toonen” of zoo iets, ’t komt vrijwel op ’t zelfde neer. Maar nu je engagement dan door mijn getuigenis een werkelijkheid is geworden,—wanneer denk je haar te laten uitkomen?”

„Gauw,” zei Feenstra ineens, terwijl hij zijn gezicht warm voelde worden. De dokter had gelijk en ondanks den wat drogen, analyseerenden toon van hun gesprek, bijna tegen wil en dank, voelde hij toch plotseling zijn verhouding veel werkelijker, zijn besluit veel vaster in zich staan. Het was toch ook wel veilig en aangenaam, na zooveel moeitevol alleen-zijn, alleen-staan en alleen-handelen, te verglijden in de gemeenschap en met allen te zamen te deelen, wat hij tot dusver alleen gedragen had.

XII.

Opgenomen in het koortsig gewoel der brandend-heete havenstad, wachtte Feenstra den dag door het eene uur na het andere. In den vroegen morgen had hem de kleine boot hier aan wal gezet, tegen den avond zou uit de ruime, verre zeeën het groote vaartuig binnenglijden, met haar aan boord, met Truusje, nu zijn vrouw.

Zij waren getrouwd. Eenige dagen na zijn gesprek met den dokter had hij den beslissenden brief geschreven—en haar een telegrafisch antwoord gevraagd. Tot een telegrafisch aanzoek had hij niet kunnen komen,—het scheen hem al te nuchter, hij wist er geen woorden voor te kiezen,—maar een eenvoudig „ja” kon niets stuitends bevatten.

De emoties waren uitgebleven na het schrijven, maar, vreemd, hij tobde daar nu niet langer over. Het „ja” kwam stipt op tijd, geheel verwacht en roerde hem bij lange niet zoo sterk als het haar eerste brief had gedaan.

Hij gevoelde een zeker leedwezen zooals een kind dat van een spannend boek, na hijgend doorjachten, den afloop weet en nu zou willen dat het niets wist en nog eens weer in angst en spanning zitten mocht.

Het spannende hoofdstuk was er geweest en het overige liet zich nu raden.

Toen had de ongedacht-warme, de bijna hartstochtelijk-verlangende toon van den brief, die haar „ja” bevestigde, toch weer een blijden gloed in hem aangejaagd, ze hadden eerst telegrafisch den dag vastgesteld, de boot waarmee ze varen zou en dan in uitvoerige brieven al het vele te zamen verhandeld en overlegd.

Intusschen was de dokter getrouwd en met Lientjes hulp had hij zijn huis verfraaid, aangenaam en frisch gemaakt om haar te ontvangen,—het mevrouwtje Van Till had volijverig meegedaan.

Zijn eigen gedrag had hij bij voorbaat vastgesteld, geen intimiteit wilde hij Truusje opdringen, geen zweem van „recht” op haar laten gelden,—alles moest geleidelijk voortvloeien uit de vertrouwelijkheid van het samenzijn, indien blijken mocht dat de levende werkelijkheid voor haar iets anders nog beduidde dan de voorstellingen en verwachtingen in hun wederzijdsche brieven uitgedrukt.

Nu wachtte hij, in een vreemde rust, waarin maar bij vlagen de verwachting aanjoeg als een beklemming, bijna een angst. Telkens trachtte hij zich voor te stellen, hoe dat eerste oogenblik zou wezen,—wat hij voelen zou, wanneer daar straks, na al die lange uren, die zoo traag versmolten in de stille hitte,—wanneer daar tegen den avond, na den langen morgen, na de eindelooze rijsttafel in het hotel, na de middagrust, die hij niet smaken zou,—de loopers van de haven kwamen berichten dat de boot in aantocht was. Wat hij dan voelen zou! En als hij, aan de reede gekomen, over de mat-verduisterende zee het dan zelf zag naderen, groot en spokig uit de verte,—wat zou hij dan wel gevoelen? En op het moment dat ze sprakeloos tegenover elkander zouden staan,—o God, als hij er dan de realiteit maar van besefte, als er dan maar niet dat bleeke, leege gevoel in hem was, als indertijd, toen hij voet aan wal in dat vurig-omdroomde Indië zette en de heftig begeerde emotie was uitgebleven en hij op onnoozele kleine dingen had gelet,—op het pokdalig gelaat van den koetsier, op de kleeding van de menschen, die hem afhaalden, terwijl de kostbare oogenblikken, die hem versche, felle indrukken hadden moeten bereiden, ongenoten teloor gingen.

Dat eerste oogenblik, dat ze tegenover elkander zouden staan!

Slenterend over de passar, te midden van het roezig gewoel en de scherpe geuren, vagelijk hoorend en ziend en ruikend, peinsde hij over het oogenblik, dat dien dag, dien eigen dag plaats grijpen zou... vanavond voor het geheel duister was... zou ’t al voorbij wezen... morgenochtend, als hier weer, na den stillen, bleeken maanlichtnacht, het kleurig woelen, het verwarde roepen, het scherpe geuren aan den gang zou zijn gelijk nu... dan ... dan had zijn leven voorgoed een andere wending genomen.

Dat eerste oogenblik!

Hoe duurden de uren.

Hij wilde nu naar zijn hotel gaan, in de groote zaal deelnemen aan de rijsttafel-ceremonie, had hij bijna gezegd, want daar geleek het naar, wist hij van vroeger, in dit wereldreis-toeristen-hotel, op een ceremonie, het harmonisch-wiegelend opvolgen der stille, fijne bedienden, de schotels hoog boven hun peinzende oogen, in soepelen, onhoorbaren stoet van meer dan tien, wel twaalf, wel bijna twintig, bochtend van gast tot gast, de lange tafel langs, elkeen geduldig keusgevend uit de overdadige weelde van veelzijdig bereide rijst en vreemde gerechten.

Ja, ’t zou den dag korten, zoo hij wat eten en vooral, zoo hij zijn gedachten even op het omringende, op het oogenblik zelf overstellen kon. Dan daarna in de drukkende stilte van tropischen namiddag alleen op bed, zou vanzelf het zich in zichzelf aldoor verliezende peinzen wel weer komen.

Zoo versmolt de dag en de avond naderde. En nu kon hij weer niet gelooven dat de boodschapper inderdaad komen ging en dat het langgewachte stond waar te worden,—velen wachtten er nu met hem in de hall van ’t hotel,—een zenuwachtige moeder, die stellig haar kinderen uit Holland terugkrijgen ging en nu niet op een boodschap wachten, maar volstrekt naar de haven wilde, met moeite weerhouden door haar schijnbaar kalmen, maar van zielsverwachting trillenden man. Dan een vroolijk jong echtpaar, die hun moeder en een jonger zusje te logeeren kregen, ook wel wat jachtig maar opgewekt, vrienden om vrienden in te halen, rustig bij thee of whiskey-soda het komen van den looper verbeidend.

Nu eindelijk drong wat koelte door in de open hall, bloemengeur en een frisch windje van den havenkant, als een blij verlucht zuchten van de zee, dat ’t ergste zonnesteken over was voor heden,—de lange dag bijna voorbij.

En ’t algemeen wachten nu op den looper.

De spanning begon te trillen,—de wachtende moeder wrong de handen, bij vlagen uitbarstend in een droog snikken, dat ze dan snel weer verbeet. Maar niemand lette er op, allen te zeer met hun eigen gedachten bezig,—de groep vrienden om de thee- en whiskey-tafel lieten langzaam hun rumoerige vroolijkheid afdruipen, werden stil, gaapten, haalden horloges uit.

Feenstra was opgestaan en liep de hall op en neer, telkens naar den uitgang,—en ineens wuifde hem een bleeke rilling langs de slapen—de looper kwam daar aan, op rappe voeten, hij had de linnen uniform, de letters op den kraag herkend.

Ineens brak de groep uiteen, zenuwachtig zich reppend, schoon er tijd genoeg was, haastte iedereen zich voort, de nu gansch ontdane moeder in prangende snikken uitbarstend tegen haar mans arm, als blind strompelend naast hem voort, het echtpaar dat moeder en jong zusje wachtte met opgewekten stap vooruit, de vriendengroep, wat eenzame heeren, die, doodkalm, blijkbaar alleen maar goede kennissen verwachtten, drie jonge officieren bijeen, en tusschen hen in Feenstra, stil en bleek, met benauwd kloppend hart, zich nog even weer afvragend hoe dat hand over hand nader-ijlende eerste oogenblik wezen zou...

Het was nog geheel licht aan zee, maar toch zweefde daar al de rotte, zoete reuk, die hij zoo wel kende, en voer in een allereerst koeltje over zijn heet gezicht. Even trok zijn gespannen wachten uit hem weg,—hij keek naar het gouden sluitringetje van het colliertje der dame vlak voor hem, hoe het zich schurend warde in haar nekhaartjes, doch snel onttrok hij zich weer aan de afleiding en liet gretig zoekend zijn blik den horizon afweiden.

Daar kwam het schip, daar kwam het statig en als zelfbewust, met vlaggen in top, nu nader... nader... en niemand in hun groep zag nu den ander meer, en elkeen stond stokstijf stil met open mond... elk gansch alleen met zijn eigen verwachting, aan die der anderen vreemd... maar alle blikken te zamen trokken, trokken over de rimpellooze, gladde zee, het sterke schip naderbij als aan gespannen koorden.

’t Naderde, ’t gaf zijn breede baan van opgewoeld water en schuim reeds duidelijk te zien, ’t stootte, ten groet, korte stooten van zijn stoeren schoorsteen uit...

Aan dek hoopten de menschen tezamen... kijkers kwamen uit... mijn God, dacht Feenstra in een plotselinge verslagenheid... dat hij nu geen kijker had meegebracht... ’t ging toch niet aan, een ander den zijne af te leenen.

’t Hoefde al niet. ’t Oogenblik was er. ’t Oogenblik is er nu,—zei hij zich nog, zonder dat hij ’t wist de handen ineenklampend, ’t oogenblik is er nu,—zei hij zich nog weer... en snoerde zich te zamen, om oplettend te zijn, om niet in de beslissende seconde uiteen te vallen.

Waar was ze nu?

Dáár, daar aan dek... twee meisjes... vlak bijeen... elkaar gelijkend. Eén lang en rank, vooraan, scherp kijkend, de kin geheven... er vlak achter een ander, kleiner, voller, onrustig wiebelend om achter de eerste langs te komen.

Hij wist het dadelijk... zij stond daar... zij was een van die twee..., maar wat hij niet wist, wat hij niet wist... wie van die twee Truusje was, wie van die twee zijn vrouw was...

En ’t beet hem heet in ’t hoofd: hier ben ik, gekomen om mijn vrouw te halen, en het eerste oogenblik is dit, dat ik haar niet herken.

En toen, zijn oogen scherp borend opslaand naar die twee op het schip dat nu aanlei, zijn ziel onbewaakt, wenschte hij, voordat hij het zichzelf beletten kon... wenschte hij het, minder dan een seconde lang, maar hij had het toch gewenscht... dat van die twee, die elkaar geleken op ’t eerste zien, die voorste, die ranke, Truusje wezen zou...

Doch een tweede blik schonk hem zekerheid.

Het was de andere.