Part 9
Maar Tante Lina scheen met het werk van haar zoon niet zoo ingenomen te zijn als dit jongemensch zelf, en verwijtend vroeg ze aan Piet en Eduard: "Waarom hebben jullie daar dan toch ook niet eens op gelet?"
Met groote oogen keek Eduard naar 't onregelmatige rijtje spijkers in 't karpet, en Piet mompelde iets dat klonk als: "kon ik toch niet ruiken!"
"Nu, kom jij nu maar eens van de speelgoedkast af," vervolgde Tante Lina op ontevreden toon tegen Piet, "en haal dan eens gauw 't kookkacheltje van boven. Lineke is Hannie gaan halen en dan gaan de meisjes koken."
Kleine Bep was een en al verrukking over dit nieuwe plan; "mag ik ook meedoen, Maatje?" vroeg ze dadelijk.
"Zeker, als je tenminste oppast dat je je vingers niet brandt. Edu, als je werken moet zou je dan niet liever ergens anders gaan zitten?"
"Och nee, Tante," antwoordde Eduard, die niets geen zin had om weg te gaan nu 't juist een beetje leuk begon te worden, "ik kan best hier blijven, dan kan ik misschien ook nog wel wat helpen als 't noodig is."
"Nu, jij moet 't weten," zei Tante Lina. "Begin dan maar eens met dat kleine tafeltje bij de kachel te zetten;" en tegen Bep, die al voor 't open speelgoedkastje op den grond zat, "ja, dat is goed, krijg jij de pannetjes maar vast, en dan mag Tom ze op tafel zetten. Nee Edu, nog een beetje dichter bij, anders past de pijp van 't kleine kacheltje niet in de groote kachelpijp."
Langzaam kwam Piet met zijn vracht naar beneden stommelen, en heel handig zette hij alles in elkaar. Toen ging hij wat hout en turf uit de keuken halen, om de kachel vast aan te maken. Tegelijk met Hannie en Lineke kwam hij terug, en Hannie verklaarde dadelijk dat ze koken 't zaligste vond van alles.
"Zoo, dat treft goed!" lachte Tante Lina, "dan zal ik maar gauw naar beneden gaan en wat ingrediënten voor jullie inpakken. De boodschappenjongen zal 't straks wel komen brengen. --
"Moeten we krenten koken?" vroeg Bep, toen Tante Lina de kamer uit was.
"Welnee," zei Lineke. "Kun jij de kachel aanmaken, Piet?"
"Nou of ik," beweerde Piet. "Kijk nu allemaal maar goed, dan kun je het een volgende keer zelf."
Ze kwamen er allemaal om heen staan, en Piet begon met zwierige gebaren, en legde uit: "_Men_ neemt een lucifer; _men_ strijkt die af; _men_ neemt een vuurmaker; _men_ steekt die aan; _men_ legt die in de kachel; _men_ zorgt dat men zich niet brandt. -- Zoo." -- Helder vlamde de vuurmaker op, en Piet vervolgde: "_Men_ legt er een stukje hout op; _men_ legt er nog een stukje hout op; _men_ legt er een stukje turf op; _men_ doet het deurtje dicht." -- Triomfantelijk keek Piet de anderen aan.
"_Men_ kijkt voldaan rond," zei Eduard, en Hannie merkte op, dat _men_ een ideaal keukenjongen was.
"Wat keukenjongen?" vroeg Piet minachtend, "opperkok bedoel je! Geef me nu de pook eens aan, Tom!" En toen Tommy's zoeken hem te lang duurde: "Gauw nou, uilskuiken, anders gaat hij immers weer uit!"
Bep herhaalde haar vraag wat ze dan toch met die krenten moesten doen, en "wat zanik je toch over krenten," snauwde Lineke, "geen sterveling heeft 't woord krenten in zijn mond gehad."
"Ze bedoelt ingrediënten," bedacht Eduard, "Tante Lina zou ingrediënten sturen."
"Wat zijn ingrediënten?" vroeg Tommy, maar ze gaven geen van allen antwoord.
"Piet, wat zijn ingrediënten?" herhaalde Bep.
"Dat zijn de dingen die je noodig hebt," verduidelijkte Piet, en hij blies zoo hard mogelijk in 't kacheltje, "Ma bedoelde eetwaren en zoo. Lam ding, brand dan toch!"
"Ik ben benieuwd wat voor dingen we krijgen," zei Hannie, en de meisjes verdiepten zich in allerlei gissingen wat er zou zijn en wat niet.
Piet tobde nog wat met de kachel en verklaarde eindelijk: "Nou doet ie 't;" daarna vloog hij met zijn vuile handen zwaaiend op de anderen af, zoodat het een algemeene holpartij werd, die pas eindigde toen Broertje, de boodschappenjongen, met een mandje waarover heel geheimzinnig een servet lag uitgespreid de kamer kwam binnenstappen. Hij werd opeens bestormd, en kreten van verrukking gingen op toen al de heerlijkheden op tafel werden uitgestald en achtereenvolgens een paar aardappels, een klein potje boter, een snee wittebrood, een zakje suiker, een paar balletjes gehakt, wat sucade, griesmeel, rozijnen, vermecelli, en ten slotte ook krenten uit het mandje te voorschijn kwamen.
"We kunnen alles maken!" juichte Lineke, "zeg jullie maar wat je lekker vindt, dan koken wij het wel, he Han? Zeg nu eens waar je veel van houdt, Ee!"
"Van koffiepudding," zei Eduard in alle onschuld. De twee meisjes keken elkaar aan, zagen nog eens even naar de verrukkelijkheden op de tafel, fluisterden samen een beetje, en verklaarden toen eenstemmig dat dat niet kon. "Wel griesmeelpudding." --
"Pruimentaart dan!" vroeg Piet, die zich weer op de kast had geheschen om een goed overzicht van de werkzaamheden te hebben, en toen Hannie zei dat er geen pruimen waren en 't daarom niet kon, vervolgde hij: "Garnalencroquetjes." --
"Kan ook niet."
"Ossenhaas met perziken in 't zuur."
Lineke knikte van nee.
"Haringsla met geslagen room."
"Flauwerd!" zei Lineke verontwaardigd, kwaad omdat ze voor de gek gehouden werd.
"Nou, ik dacht dat je zei dat je alles maken kon," merkte Piet nuchter op, en een hevige kibbelpartij zou gevolgd zijn als niet juist op dit oogenblik Tante Lina was binnengekomen met een kannetje melk; "dat vertrouwde ik den boodschappenjongen nog niet goed toe," vertelde ze lachend.
"Mogen we nu beginnen Ma?" vroeg Lineke, en Hannie voegde er bij: "Wat mag ik doen, Mevrouw?"
"Ik wil pannekoeken bakken!" riep Tommy. "Ik koekjes voor de poppen!" "Ik rozijnentaart!" gilde Broertje. "Och jongen, daar krijg je een rozijnen-baard van!" "Haringsla Ma!"
"Stil jongens!" zei Tante Lina, "als je zoo begint maken we heelemaal niets! We zullen eerst soep en aardappelen koken en een broodpudding maken, en verder zullen we dan wel zien." --Een kwartier later waren ze allemaal druk bezig; Broertje was aan 't beschuit stampen, Bep waschte de krenten, Tommy stond brood fijn te maken, Hannie schilde de aardappelen, en Lineke liep bedrijvig heen en weer, telkens kijkend of er geen hout op 't vuur moest, of de oven al warm was, of 't water voor de soep al begon te koken en of 't gehakt al een heel klein beetje bruin zag. -- Tante Lina was weer naar beneden gegaan en had beloofd straks nog eens te zullen komen kijken.
Alleen Piet, die nog altijd op de kast zat, voerde heelemaal niets uit, en Eduard deed niet veel méér; hij was weer aan zijn sommen begonnen, maar er viel zooveel te kijken en te luisteren dat er niet veel op 't papier kwam te staan.
"Kijk Broertje eens!" riep Piet, die van zijn verheven zitplaats steeds op- en aanmerkingen ten beste gaf, "bollewangen hapsnoet, hoor!" en even later klonk het: "Bep steekt telkens een krent in haar mond!"
"Als je kookt mag je proeven," vond Bep.
Ze kregen 't hoe langer hoe drukker. De broodpudding moest in den oven, en Hannie haastte zich om de sucade en krenten er door te doen, want de boter was al gesmolten en Tommy riep maar "gauw, gauw!" -- En toen kookte opeens de melk voor de griesmeelpudding over, en Lineke bedacht dat ze 't zout in 't gehakt vergeten had, en wilde 't er toch nog maar overheen strooien, en je kon toch ook niet alles door de kleintjes laten doen!
"'t Zal lekker worden!" plaagde Piet, "'k zal maar vast eens komen proeven!"
"Nee hoor, afblijven!" gilde Lineke, "toe Broer, geef eens gauw die vork aan!"
"'t Begint al echt lekker te ruiken!" zei Eduard, "ik krijg toch zoo'n vreeselijke honger!"
"Ik ook!" en Piet snoof eens. "Kom jongens, wie heeft er vast eens wat te eten, heeft er niet iemand nog wat chocola of zoo, in afwachting van 't diner?"
De anderen hoorden zijn vraag niet, verdiept als ze waren in de kokerij; alleen Bep keek op, en zei plotseling: "Eetje heeft chocola." Ze had er nooit over gepraat, dat ze dien avond chocola van Eduard had gekregen, maar nu vertelde ze 't opeens.
"Heb jij chocola?" vroeg Piet verbaasd. "Kom, haal ze dan eens gauw, ouwe jongen, ik verga van de honger!"
Eduard aarzelde even. Al een paar keer had hij zelf de doos mee naar beneden willen nemen, maar telkens had hij ze toch nog maar wat langer willen bewaren, en 't kwam hem nu eigenlijk een beetje overvallen. Heel veel zin had hij niet om de doos te gaan halen, maar toen de kleintjes ook begonnen te bedelen en beweerden dat ze zoo vreeselijk veel trek in een heel klein stukje chocola hadden, stond hij toch op om naar boven te gaan.
Hij had er wel voldoening van, want de flikken werden met veel smaak verorberd, en ze vroegen dadelijk: "krijgen we er nog een?"
Bep presenteerde, en Piet hield de doos bij zich toen ze hem die aangaf. -- "Hij staat hier heel veilig!" antwoordde hij op een ongerusten blik van Eduard.
"Geef hem toch maar hier!" vond Eduard, maar Piet zei: "Dank je wel, dan krijgen we niks meer! Wees maar niet benauwd, hoor, we zullen eerlijk deelen!" En toen Eduard nog bleef protesteeren: "Kerel, ben je gek! He, je lijkt wel zoo'n ouwe theetante! Maak toch niet zoo'n herrie om niks!"
Stijf kneep Eduard zijn lippen op elkaar en hij bleef zwijgen, ook toen Piet aan het uitdeelen ging; "vang Hannie!" klonk het van de kast, "vang Tom!" De flikken vlogen door de kamer, en telkens ging er een luid gelach op als er een mis ving en de flik ergens op den grond terecht kwam. -- Vies waren ze er toch niet van.
"Vang, Eduardje!"
Eduard deed alsof hij 't niet hoorde. Even bleef 't stil in de kamer, toen zei Lineke half hard: "Hij is kwaad."
"Da's niks," oordeelde Piet, "moet ie maar weer goed worden ook. -- We zullen er een voor hem bewaren." Hij legde een flik naast zich op de kast. "Nou jongens, hier is de laatste! Die is voor Broer, omdat hij de jongste is. Vang Broer!"
Strak bleef Eduard in zijn boek kijken, maar van wat er in stond bleven zijn gedachten oneindig ver verwijderd. Een machtelooze woede voelde hij in zich opkomen tegen Piet, die daar van zijn chocola zat uit te deelen, uit de doos die hij van Vader had gekregen. O, hij zou hem tusschen zijn vingers willen hebben om hem fijn te knijpen, die Piet, die daar lachend en bluffend op de kast zat, en die door de anderen nog toegejuicht werd ook! Eduard nam zijn potlood op en kneep daar zoo hard in dat het bijna tusschen zijn vingers uitglipte en zijn nagels wit werden. Hij wilde, hij moest zich goed houden!
Opeens keek hij weer naar de kast. Waar was de doos? Die wilde hij tenminste terug hebben!
Piet zat er mee te ballen, gooide het ding telkens tegen 't plafond en ving het dan weer op.
"Geef hier m'n doos!" klonk het schor.
Piet keek even op, lachte eens, gooide de doos nog een paar keer in de hoogte, hield toen op, haalde zijn mes uit zijn zak, en zei: "We zullen er een mooie inscriptie opzetten. 'Wie geeft wat hij heeft is waard dat hij leeft', of zoo iets, of weten jullie soms iets mooiers? Dat wordt dan een blijvende herinnering aan deze groote dag!" en Piet zette de punt van zijn mes in het deksel.
Op dit oogenblik voelde Eduard zich razend worden. Zijn gezicht was bleek van woede toen hij driftig opstond, naar de kast ging, en uit alle macht in Piets been begon te knijpen. "Blijf er af!" schreeuwde hij, "geef nou op!"
Piet schopte terug. "Ben je dol!" gilde hij, "schei uit zeg! Laat m'n been los!"
Maar toen Eduard door bleef knijpen, aldoor roepend dat hij zijn doos terug wilde hebben, smeet Piet opeens het ongeluksding naar het andere eind van de kamer; toen liet hij zich van de kast glijden en gaf Eduard een klap in zijn gezicht. -- Even later rolden de jongens vechtend over den grond, overal stompend waar ze den ander maar raken konden en telkens worstelend om los te komen; bijna had Piet zijn neefje al onder gehad, maar doldriftig en hijgend wrong Eduard zijn arm los en weer stompte hij Piet zoo hard mogelijk.
Angstig en verschrikt stonden de anderen er om heen. De heele kokerij was vergeten, met groote oogen keken ze naar de vechtende jongens op den grond, en half huilend vroeg Lineke om nu toch alsjeblieft op te houden; de kleintjes gilden, en met een stemmetje dat trilde van angst riep Bep: "Paatje! Kom toch gauw! Ze vechten zoo vreeselijk! Pa! Maatje!"
En opeens stond de Kapitein, die in zijn studeerkamer 't lawaai al gehoord had, naast ze. Haastig duwde hij Bep en Broertje op zij. -- "Onmiddellijk ophouden!" commandeerde hij, en plotseling voelden de vechtende jongens zich stevig beetgepakt en van elkaar getrokken. De Kapitein zag rood van verontwaardiging, en de twee vechtersbazen ieder bij een arm vasthoudend schudde hij ze hevig door elkaar.
"Ellendige jongens!" riep hij, "dat gezanik altijd! Allo, de kamer uit! Jij naar mijn kamer en jij kunt naar je slaapkamer gaan! Ingerukt marsch!"
"M'n doos!" huilde Eduard, "ik moet m'n doos hebben!"
"Wat doos! Vooruit, opgemarcheerd! En gauw een beetje!"
En Eduard voelde hoe hij weer bij zijn arm gepakt en de kamer uitgezet werd; hij liep de trap op, naar zijn kamertje, en met een harden slag gooide hij de deur achter zich dicht; toen liet hij zich voorover op zijn bed vallen en huilde, alsof hij nooit weer zou kunnen ophouden.
"'k Wou dat ik dood was!" snikte hij, "'k wou dat ik dood was! Niemand houdt van me!" En aldoor kwamen er maar weer nieuwe tranen, zoodat zijn kussen heelemaal nat werd en zijn oogen pijn deden en zijn voorhoofd gloeide.
En heel zacht, heel droevig klonk het: "Vader!"
Fluitend kwam iemand de trap op. Eduard hoorde de voetstappen zijn deur langs komen en naar de kamer van Hugo en Piet gaan. Hij lichtte zijn hoofd op en luisterde. Zeker was 't Hugo, die na de cricketvergadering naar boven ging. Als hij maar niet hier kwam! Eduard voelde 't in zijn keel kloppen. Zou hij weten van 't vechten?
Maar wat kon 't hem ook eigenlijk schelen? Ze wisten 't verder immers toch allemaal! Och, was hij maar dood! En weer duwde hij zijn gezicht in 't kussen. -- Maar toch hoorde hij hoe Hugo op de andere kamer bleef rondscharrelen, aldoor fluitend, hoe hij eindelijk iets liet vallen, -- toen hield het fluiten op, Eduard hoorde iets mompelen, en duidelijk verstaanbaar klonk het: "Zeg Ee, ben jij daar soms? Heb jij onze lucifers?" -- Eduard hield zich stil; met ingehouden adem bleef hij luisteren. Weer hoorde hij de voetstappen over 't portaaltje gaan en de knop van de deur werd omgedraaid; -- Hugo kwam binnen.
Hevig verschrikt zat Eduard opeens overeind en keek zijn neef aan. -- Hugo was blijven staan, zijn hand nog aan de deurknop, en staarde in stomme verbazing naar Eduards behuild gezicht.
"Wat heb jij?" vroeg hij toen.
Maar Eduard gaf geen antwoord en drukte alleen zijn mouw tegen zijn oogen.
Hugo deed de deur dicht, en een beetje ongerust begon hij weer: "Wat is er in vredesnaam gebeurd?"
"Och niks," barstte Eduard opeens los -- "ga maar weg -- we hebben gevochten --" hij snikte het weer uit.
"Wie hebben gevochten?"
"Piet en ik." --
"En huil je daarom zoo?"
Er kwam geen antwoord meer.
"Kom, daar moet je je niet zoo dik over maken, ben je mal! Wie huilt er nou om een beetje vechten? Kom, sta op, en drink eens wat, en wasch je gezicht een beetje, dat zal je opfrisschen! Zoo meteen gaan we koffiedrinken -- je moet net doen of er niks gebeurd is!"
En Hugo schonk water in de kom en trok zijn neefje bij zijn arm naar de waschtafel toe. "Vooruit," zei hij, "wasch je nou en begin nou niet weer!"
Toen nam hij de lucifers van de tafel en ging naar zijn eigen kamer. --
XV.
"Hup jongens! naar het hol van de Manahawaas!" riep van Merlen, een van Piets vrienden. -- De lange beraadslagingen begonnen hem te vervelen, en midden in een fraaie toespraak van Wouters had hij er opeens genoeg van gekregen; zonder naar het slot te luisteren stoof hij door de openstaande tuindeur naar buiten. -- Joelend en schreeuwend holde de heele jongensbende hem achterna, naar het verste gedeelte van den tuin, waar de Manahawaas kampeerden. --
Het hol was een groote kuil, zoowat twee meter lang en breed, en zoo diep dat Tommy er juist in kon staan zonder dat zijn hoofd boven de rand uitstak. Maar dit was pas 't begin, 't moest nog veel dieper worden, en daarom hadden de Manahawaas zich op dezen zonnigen Zaterdagmiddag in 't midden van Mei al om één uur vereenigd bij de Verheys, met het plan nu eens hard aan 't werk te gaan.
De club van de Manahawaas bestond uit negen leden. Hugo was president, maar omdat hij 's Zaterdagmiddags altijd gymnastiekles had, was Wouters nu met het oppertoezicht belast. De andere leden waren van Merlen, Tersteeg, Piet, Eduard, Tommy met zijn vrind Holdert en Broertje, die ook al dapper zijn best deed. Hij had zoo verschrikkelijk graag met de groote jongens mee willen spelen en hij had er zóó om gebedeld dat ze hem eindelijk maar als jongste lid hadden aangenomen. Hij mocht nu 's morgens als ze allemaal naar school waren het hol bewaken.
Van Merlen en Tersteeg zaten allebei in Piets klas.
"Schreeuw jullie nou zoo niet!" riep Wouters eindelijk, toen ze om het hol heenstonden en weer allemaal tegelijk aan 't beweren waren, "laten we nou liever aan 't werk gaan!" en tegen Tommy: "kleine Verhey, haal jij nou eens gauw de schoppen!"
Tommy ging naar 't schuurtje, en Wouters vervolgde: "We zullen om de beurt een half uur werken; eerst Tersteeg en ik, en dan kunnen kleine Verhey en Holdert helpen, en dan kun jullie drieën straks een half uur graven."
Ze hadden natuurlijk niet geluisterd, en Wouters moest zijn voorstel nog een paar keer herhalen voordat ze er allemaal achter waren.
Toen daalde de eerste ploeg langs het laddertje in den kuil af en het werk begon. --
Wouters en Tersteeg waren aan 't uitdiepen, en Tommy en kleine Holdert hielden zich bezig met telkens het uitgegraven zand in emmers naar boven te dragen.
"Nu jij de wacht houden en 'werda' roepen als er iemand aankomt!" zei van Merlen tegen Broertje, knipoogend tegen Eduard en Piet.
"Wat moet ik roepen?" vroeg Broer, die van 't woord "werda" nooit gehoord had, en innerlijk doodsbenauwd was dat hij iets niet goed zou doen, en dat ze hem dan in den kuil zouden stoppen en 't laddertje wegnemen.
"Werda!" herhaalde van Merlen lachend, en toen met groote oogen: "Pas op als je 't vergeet, hoor!"
Broer knikte, en bleef met een ernstig gezichtje den tuin inkijken; van Merlen slungelde weg en ging een eindje van den kuil af languit in 't gras liggen, zijn armen onder zijn hoofd.
Eduard en Piet hadden 't zich er ook al gemakkelijk gemaakt en lagen zoo lui mogelijk van hun rust te genieten.
"'t Is warm!" merkte van Merlen op.
"Wat je zegt!" zei Piet gapend, en Eduard zuchtte: "Straks zullen we 't nog wel warmer krijgen!"
Even zwegen de drie jongens. Toen ging Piet opeens overeind zitten, sloeg zijn handen om zijn knieën en zei: "Lui, ik heb een fijn plan!"
"Vertel op!" verzocht Eduard.
En Piet ging vol vuur door: "Een eindje van dien kuil af, een meter of vier, aan de andere kant bij de schutting maken we nog een kuil, zoowat even groot als deze en even diep, en die twee kuilen verbinden we door een onderaardsche gang."
"Dan mogen we wel aardig diep graven," vond van Merlen, "anders zakt het heele zaakje in."
"Nou, dan gráven we diep!" zei Piet, op een toon alsof hij dat in 't minst geen bezwaar vond.
"Ik weet nog wat leuks," zei Eduard, "we timmeren allerlei planken aan elkaar, en die leggen we over de kuil heen, en dan bedekken we alles met graszoden, dan kan geen mensch ons hol vinden. Fijn, man!"
"Maar waar halen we graszoden vandaan?" vroeg van Merlen, "hier in de tuin is zooveel gras niet."
"Nou, dan halen we ze uit het bosch!" bedacht Eduard.
"Dat kan," stemde van Merlen toe; "nou, 't lijkt me wel moppig."
En Piet vroeg: "Hoe diep zouden we eigenlijk kunnen graven voor we water vinden? Weet jij dat, van Merlen?"
"'k Denk een meter of zes," zei van Merlen, die er eigenlijk niet het minste begrip van had. "Of misschien wel tien, de grond is hier nogal droog."
"Werda!" riep Broer, en toen ze naar hem keken zagen ze dat de kleine jongen naar de schutting wees, waar 't lachende gezicht van Kees Beekman bovenuit kwam kijken.
"Goeiemiddag!" riep Piet.
"Ook goeiemiddag!" antwoordde Kees, "mag ik meespelen, zeg?"
"Zeker!" vond Piet, "als je je zuster tenminste niet meebrengt!" En van Merlen vroeg zachtjes aan Eduard, die 't dichtst bij hem zat: "zeg Kerner, hoe heet dat joch?"
"Kees Beekman," antwoordde Eduard even zacht, en harder tegen Kees: "Waar sta je op, zeg?"
"Op m'n stelten," zei Kees, "en Hannie heeft pianoles dus die komt niet. Wat voeren jullie eigenlijk uit?"
"O," lachte van Merlen, "ik doe niks en Verhey helpt me en Kerner kijkt er naar."
Kees gaf geen antwoord, bleef kijken en lachte.
"Kom," zei Eduard opstaande en zich uitrekkend, "we zullen je eens over de schutting hijschen. Werk je nou eerst maar naar boven, dan zullen we je aan deze kant naar beneden trekken."
Piet en van Merlen bleven er lachend naar kijken hoe Kees zich inspande om zichzelf op te hijschen. Eindelijk zat hij bovenop de schutting en zwaaide zijn beenen er overheen.
"Ziezoo!" riep van Merlen opstaande, "nu ieder aan een been trekken, Kerner, dan zul je eens zien hoe gauw hij beneden is!"
Lachend en gillend trok Kees zijn beenen weer op, en proestend bleven van Merlen en Eduard beneden staan om telkens weer naar Kees z'n schoenen te grijpen zoodra die in hun bereik kwamen. Krampachtig klemde Kees zich aan de schutting vast, telkens schoppend naar de twee jongens, die dolle pret hadden om zijn benauwd gezicht.
"Blijf af nou!" riep Kees, en "kom dan toch ook!" moedigde van Merlen aan terwijl Eduard weer naar de schoen greep; maar 't kwam deze keer anders uit dan hij gedacht had, want Kees had ongemerkt het riempje van zijn schoen losgemaakt en Eduard duikelde achterover, de schoen in zijn hand houdend. Een oogenblik keken de jongens verbluft rond, en Kees zag kans, zich haastig naar beneden te laten glijden. Maar 't ging niet zoo gauw of Eduard was weer opgestaan en holde met den schoen den tuin door. Onmiddellijk zette Kees 't ook op een loopen, Eduard achterna, en telkens roepend: "M'n schoen! Geef op nou!"
Eindelijk liet Eduard zich hijgend in 't gras vallen en gooide Kees den schoen toe. "Daar heb je 'm!" riep hij, "ik stik!"
"Ik ook!" zei Kees, en lachend stak hij zijn voet vooruit om te laten zien hoe aardig zijn teen door zijn kous kwam kijken.
"Moet je mijne zien!" blufte Tommy, -- want de vier anderen hadden het werk gestaakt, -- en hij bukte zich om zijn schoen uit te trekken.
"Nou ja, we gelooven 't wel, laat maar zitten!" zei Piet haastig.
Tersteeg was de laatste die weer aan de oppervlakte der aarde verscheen. Langzaam liep hij naar de anderen toe, gooide de schop op den grond, veegde zijn voorhoofd af, en zuchtte: "Ziezoo, de tijd van luieren is voor jullie voorbij, gaan jullie nu maar eens een beetje graven, hoor!"
"Da's goed," antwoordde van Merlen, "Kees of hoe heet je, nou mag je helpen! 't Is hier hard werken, snap je?"
"Zeker, ik snap 't heel goed!" zei Kees, "en dan ben jij zeker de generaal, he?"
"Welnee!" zei van Merlen lachend, en met een geheimzinnig gezicht: "Ik ben de Manahawa Snelvoet!"
De tweede ploeg daalde in het hol af en Piet inspecteerde de kuil. "Jullie denkt ook 'liever lui dan moe,' er is zoowat niks aan gedaan!" riep hij tegen de anderen, die zich op hun beurt in 't gras hadden uitgestrekt.
"Wel ja! als je soms nog wat hebt?" riep Wouters terug; "geneer je niet!" en "Compliment aan je kippen!" voegde Tersteeg er bij; nog even hoorden de jongens in den kuil ze samen namopperen. "Hoor ze schelden!" lachte Eduard.
Onder 't graven werd Kees ingelicht wat de club van de Manahawaas eigenlijk beteekende, en natuurlijk was hij zóó verrukt over 't idee van de geheimzinnige kelders en de toekomstige strooptochten dat hij dadelijk ook lid wilde worden. "Mag ik?" vroeg hij.
"Wel ja, van mijn part wel!" antwoordde Piet onverschillig, en van Merlen zei dat hij 't ook goed vond, dat 't nieuwe lid straks dan maar gedoopt moest worden. Dat hoorde er bij, en 't was meteen lekker koel in die warmte. --