Part 8
"Heb je school moeten blijven, Ee?" vroeg Lineke opeens; "waarom kijk je zoo boos? Heb je gehuild?"
Hij had niet gehuild, heelemaal niet, verbeeld je dat hij zou huilen om dat malle schoolblijven! En hij keek Lineke aan en probeerde te lachen. "Welnee!" antwoordde hij luchtig, "hoe kom je er bij?" en haastig over het fietsen doorpratend: "In de Paaschvacantie zal ik mijn fiets gaan halen en dan zal ik het je wel leeren hoor!"
De uitdrukking van Linekes gezichtje veranderde onmiddellijk. "Zalig dol-leuk!" riep ze, en toen sloeg ze in haar verrukking opeens een arm om Eduards hals en gaf hem een zoen. "Je bent een snoes!" verklaarde ze.
Eduard duwde haar lachend op zij.
"Toe, schei uit!" zei hij, "gaan we nog niet koffiedrinken?"
"Ze zijn al lang bezig!"
Eduard wilde naar binnen gaan, maar Lineke hield hem bij zijn mouw vast. "Wacht nog even," riep ze, "ik weet nog wat!"
"'t Zal wat zijn!"
"Nee, heusch!"
"Nou, wat dan?"
"Er is een brief!"
"Een brief? Wat voor brief?"
"Nou, voor jou, van Oom Eduard, en ...." Maar Eduard had zich al losgetrokken en liep de huiskamer in.
"Edu zal 't me leeren!" vertelde Lineke aan de anderen, toen ze weer op haar stoel schoof, en ze keek met voldoening rond.
"Daar ben je vet mee!" zei Hugo, en Piet reciteerde half hard:
"Ik heb een aardig neefje Dat op zijn fiets óók rent! En als je vraagt 'hoe rijd je toch?' Dan zegt hij 'Wel, patent!'"
Dit vers was een blijvende aardigheid geworden en werd bij alle mogelijke en onmogelijke gelegenheden en met alle denkbare variaties te pas gebracht. Maar de geestigheid ging voor Eduard deze keer verloren; haastig had hij het couvert met de Indische postzegel opengescheurd, en met alle aandacht was hij verdiept in wat Vader schreef:
"Mijn beste jongen!
Daar zit ik nu in de leeskamer van de groote mailboot te schrijven; we zijn nu al een heel eind; overmorgen zullen we waarschijnlijk in Batavia aankomen, en ik kan je vertellen dat ik er al naar verlang om mijn voeten weer op vasten grond te zetten! We hebben een prettige reis gehad, en ik ben gelukkig maar heel weinig zeeziek geweest. De warmte maakt me erg lui, en eigenlijk zit ik maar 't liefst in een gemakkelijke stoel op 't dek te lezen of te rooken of een praatje te maken met een van de andere passagiers. Zoo nu en dan komt mijn vriendje Pim mij een bezoek brengen, een grappig klein jongetje van vier jaar; hij heet eigenlijk William, maar hij wordt altijd Pim genoemd. 's Morgens begint hij al met mij te komen 'verras.' -- Als ik na 't ontbijt een prettig plaatsje op 't dek heb uitgezocht komt hij heel zachtjes naar mij toe, op zijn teenen; meestal hoor ik dan al wat schuifelen, maar ik doe natuurlijk net of ik niets merk. En dan voel ik opeens twee kleine handjes voor mijn oogen, en met een lage bromstem vraagt hij: "Wie ben ik?" En dan heeft hij dolle pret als ik 't maar niet raden kan! Hij heeft ook een zusje, dat heet Nelly en is zeven jaar. Ze vindt het erg jammer dat ik jou niet meegenomen heb en ze heeft me verteld dat ze bij ons komt logeeren als ze weer naar Holland gaat. Maar dat zal nog wel een poosje duren, want haar vader en moeder gaan in Batavia wonen, en als je daar eenmaal bent kom je maar niet zoo eens eventjes in Holland logeeren! Ik ben toch maar blij dat ik niet in Indië ga wonen, en weer gauw terug kom, jij ook niet? Of moet ik maar liever wegblijven? Als je dezen brief krijgt duurt het nog maar twee maanden, en dan ben ik weer bij je. Je moet maar eens iets prettigs bedenken om mijn terugkomst te vieren! Je maakt zeker veel plezier met de neefjes en nichtjes; ik wed dat je zoo aan al dat gezelschap gewend raakt dat je niet eens meer met me mee naar huis wilt! Je maakt het Tante toch niet al te lastig, zeg? En hoe gaat het op school? Worden de cijfers mooi? En is Mijnheer Hofman tevreden over 't vioolspelen? De Paasch-vacantie zal nu zeker wel gauw beginnen, en dan kun je eens uitrusten van het "harde werken!" Ik verlang er naar om eens iets van je te hooren; je zult zeker ook wel heel wat te vertellen hebben! Ziezoo Pepi, nu ga ik de brief dicht doen, hoor! Mijn groeten aan Oom en Tante, en zeg ook de neven en 't verdere kleine grut maar voor me goeiendag! Een kus van Vader. --
"Goed nieuws, jongen?" vroeg Oom Tom, toen zijn neefje den brief weer in 't couvert stak. Met een blij gezicht keek Eduard op.
"Ja, een echte leuke brief! Vader schrijft altijd zoo echt gezellig," zei hij opgewonden, "'t is net of je het Vader zelf hoort zeggen!"
Tante Lina knikte hem eens toe. "Schrijft Vader nog wat bizonders?" vroeg ze.
"Och nee Tante, bizonders eigenlijk niet. Over de zeereis een beetje, en u en Oom moet de groeten hebben en jullie allemaal ook."
"Wanneer komt Oom Eduard nu eigenlijk terug?" informeerde Hugo.
"Over twee maanden," zei Eduard. "Mag ik een boterham, Tante?"
XIII.
Om zes uur was Eduard al wakker geworden door 't gebons op den tusschenmuur, en met zijn kussen onder zijn arm en een deken achter zich aan sleepend was hij naar de kamer van de neven getrokken. Een woest spiegelgevecht volgde, waarbij kussens, kousen, pantoffels en verdere projectielen in het rond vlogen, tot groot plezier van de drie jongens en tot groot ongenoegen van Keetje, die boven op de zolderverdieping het lawaai duidelijk kon hooren en daar al een visioen kreeg van een wanhopig slordige kamer waarin geen stuk op zijn plaats stond.
Daarna had het edele drietal, met behulp van hockeystokken, hengels en lakens, Hugo's bed in een tent herschapen, en zelfs Hugo, die zich gewoonlijk te groot vond voor zulke spelletjes, had met zooveel plezier meegedaan, dat hij evenmin als de twee anderen tot aankleeden te bewegen was geweest, toen de juffrouw om acht uur riep dat het hoog tijd was om op te staan. -- Oom Tom, wien de voortdurende herrie boven zijn hoofd al lang verveeld had, was eindelijk zelf de trap opgekomen, maar nauwelijks hadden de jongens zijn stap gehoord of plotseling was de rust in de slaapkamer teruggekeerd. -- 't Tooneel dat de Kapitein te zien kreeg toen hij de deur geopend had was wel bizonder. In artistieke bevalligheid lagen de verschillende eigendommen van zijn zoons door de kamer verspreid; op een vreemdsoortige verzameling van allerlei artikelen in Hugo's bed lag dit jongmensch met zijn gezicht naar den muur gekeerd kalm te slapen; op het andere bed lag Piet, het tafelkleed half over zich heen getrokken en zijn handen onder zijn hoofd; een luid gesnurk moest verkondigen dat ook hij in diepe rust was. En ten slotte zag de Kapitein zijn neef, die in een deken gerold op den grond lag, zijn oogen dicht en de punt van een kussen in zijn mond.
Een halve minuut lang bleef Oom Tom staan kijken, toen barstte hij in lachen uit, welk oogenblik Piet zeer geschikt oordeelde om zich geeuwend uit te rekken en wakker te worden.
"He, he!" zuchtte Piet, en toen doodnuchter Eduard aanziende: "Wat doe jij hier?"
Eduard proestte 't opeens uit, en ook Hugo's rug maakte een verdacht schuddende beweging.
"Nou," zei de Kapitein eindelijk, "nu moet het uit zijn, hoor jongens! 't Is veel te mooi weer om zoo lang in je bed te liggen! Kijk de zon eens mooi schijnen!" En daarmee was hij naar beneden gegaan.
Zoo hadden ze de Paaschvacantie ingewijd. En ook onder 't aankleeden waren ze in de vacantie-stemming gebleven. Telkens begon Eduard in zijn eentje te lachen als hij dacht aan de malle vertooning van straks, en met 't heerlijke gevoel van geen haast te hebben teutte hij bij alles wat hij deed. Geen haar op zijn hoofd dacht meer aan 't goede voornemen van den vorigen avond, om geregeld iederen morgen van negen tot tien uur sommen te maken. --Mijnheer Snijders had hem gelegenheid willen geven zijn cijfer voor rekenen wat te verbeteren voor het Juli-rapport, en daarom had hij Eduard voor de vacantie twintig sommen opgegeven. "Meer dan een uur per dag hoef je er niet aan te werken!" had Mijnheer Snijders er bij gezegd, en al had Eduard niet veel zin in de taak, hij wist zelf toch heel goed dat het hoognoodig was om eindelijk eens iets te gaan uitvoeren.
Toen Eduard naar beneden ging om te ontbijten was 't kwart over negen. -- Ze waren er allemaal al, en Tante Lina bromde omdat 't zoo laat geworden was. -- Eduard zei maar niks en begon te lachen om een verhaal van Oom Tom, die juist beneden was gekomen toen er gebeld werd, en bij het opendoen de een of andere kleine krent op de stoep gevonden had die vroeg: "Is Verhey thuis?" En de Kapitein stelde heel aanschouwelijk voor hoe hij eerst op het punt gestaan had de kleine krent een draai om zijn ooren te geven voor zijn brutaliteit, maar op het juiste moment nog tot de conclusie gekomen was dat Tommy bedoeld werd.
Tommy vertelde dat hij 't niets bizonder aardig vond. "We noemen elkaar altijd bij onze achternaam," zei hij, "als 'k Holdert zie zeg ik ook 'zoo Holdert, ga je mee?'"
"Nou, vraag jij dan maar aan Holdert of hij vanmorgen hier in de tuin komt spelen," lachte Tante Lina, en Tommy holde weg om zijn vriend, die door den Kapitein zoo oneerbiedig met den naam "krent" betiteld was, te gaan halen. -- Ook de kleintjes liepen naar den tuin om in den zandhoop te spelen, en Lineke verdween met een boek.
Oom Tom stak een sigaar op en ging naar de kazerne.
"Ziezoo," zei Piet, zich eens flink uitrekkende, "en nu ga ik in de vacantie eens lekker niks doen. Ma, weet u waar de hangmat gebleven is?"
"'k Geloof boven in jullie kast," antwoordde Tante Lina.
Een kwartier later amuseerde Piet zich met op de zolder zijn hangmat vast te maken, was Hugo met een paar vrienden op weg naar 't voetbalveld en zat Eduard in de leerkamer met een nieuw schrift en 't sommenboek open voor zich, verdiept in de wandeling van A en B uit P naar Q en omgekeerd. Deze soort sommen vond Eduard altijd nog zoowat het gemakkelijkst, maar met de tweede, een kranen-som, begon de ellende al, en een heele poos bleef hij aan 't probeeren zonder dat het hem lukte de goede manier te pakken te krijgen. 't Maakte hem ongeduldiger en ongeduldiger. Die lamme dingen ook! Daar kon je nu je vacantie aan opofferen! Prettig!
Nog even werkte hij door, mopperend en scheldend op de sommen, toen verveelde 't hem zóó en had 't hem zóó uit zijn humeur gebracht, dat hij met een harden klap zijn schrift dichtsloeg en 't met zoo'n vaart over de tafel keilde dat 't aan den anderen kant open op den grond terecht kwam. 't Vloeitje dwarrelde achteraan.
Met zijn handen in zijn zakken liep Eduard de gang in, waar hij bijna tegen Lineke aanbonsde.
"Waar zit je toch?" vroeg ze, "ik zoek je overal! Weet je nog wel wat je beloofd hebt, zeg?"
"Nou, wat dan?"
"Je zou me leeren fietsen!"
"O ja, da's waar," herinnerde Eduard zich, "moet dat juist vandaag?"
"Moeten niet natuurlijk, maar 't is nou mooi weer, enne ...."
"Maar m'n fiets is nog thuis!"
"Nou, ga 'm dan halen!"
Eduard trok zijn neus op. "'t Is zoo'n eind!"
"Maar je kunt bijna heelemaal met de tram gaan Toe, doe 't maar, dan ben je over een half uur weer terug en dan kunnen we dadelijk beginnen!"
Eduard was al half voor 't plan gewonnen. Fietsen was toch ook eigenlijk wel erg aanlokkelijk, en hij wist toch ook niet wat hij anders zou gaan uitvoeren, Hij grabbelde even in zijn zak en vischte onder allerlei rommel een dubbeltje op voor de tram. Toen ging hij naar de eetkamer om aan Tante Lina te vragen of hij de huissleutel mocht hebben.
"Als je 't huis goed weer sluit, ja!" zei Tante Lina, en met de sleutel in zijn zak verdween Eduard.
"Moet je geen jas aan?" riep Tante Lina hem nog na, maar dit vond haar neefje heelemaal niet noodig, en hij riep terug dat hij toch al stikte.
"Kom je vooral gauw terug?" vroeg Lineke nog eens, en "ja zeker!" beloofde Eduard. Daarmee trok hij de voordeur dicht.
Op de zolderverdieping hing Piet uit 't raam.
"Zeg Eduardje!"
"Nou?"
"Wat dee je daarnet toch met die zak?"
"Met welke zak?" vroeg Eduard, onmiddellijk spijt voelend over zijn vraag, waarop hij het antwoord al wist. En hoonend klonk 't van boven: "Die zak waar de duvel z'n kop in stak!"
Eduard wilde nog iets antwoorden, maar Piet had zijn hoofd al weer naar binnen getrokken en in de verte belde de tram. Haastig holde hij de gracht af om nog net op tijd bij de halte op de brug te staan. Vlug stapte hij op toen de tram stil hield.
't Was frisch achterop, maar Eduard had niets geen zin om binnen te gaan zitten, en lustig liet hij zijn dasje wapperen in de wind. Je kon nu toch al echt merken dat het voorjaar werd! De boomen begonnen ook al zoo leuk groen te worden, en dan dat achter op de tram staan in een sportblouse! --Toch eens even opletten hoe de school er uitzag nu 't vacantie was! En toen ze 't gebouw voorbij-reden dacht Eduard er opeens weer aan hoe heerlijk 't toch was vacantie te hebben en hoe plezierig hij 't vond tien dagen lang niet in dat vervelende hok te moeten.
In zijn zak liet hij 't van den conducteur teruggekregen 2.5 centstuk rammelen met den huissleutel en zijn mes. Toen haalde hij de sleutel te voorschijn, stak zijn pink door het oogje en liet hem heen en weer bengelen. Hij zag hoe twee groote meisjes tegenover hem er naar keken en toen tegen elkaar fluisterden en lachten; zeker hadden ze 't over _hem_, en met zooveel aandacht was hij aan 't luisteren of hij ook iets kon opvangen dat hij bijna vergeten had af te stappen. Hij bedacht 't opeens, toen de tram al haast stilstond, en even daarna was hij er afgesprongen en liep hij naar 't huis toe.
Hoe vreemd zag 't er uit! 't Was net of het hun huis niet was, zoo raar en ongezellig leek het nu! En voor de deur bleef Eduard even staan kijken, als wachtte hij ergens op. Toen stak hij de sleutel in het slot, en bij 't omdraaien maakte het een knarsend geluid. En dadelijk toen de deur open was kwam een muffe lucht van lang gesloten zijn hem tegemoet. Vreemd stil en half donker was 't opeens toen hij de voordeur achter zich dicht had gedaan, 't was of de drukke straatgeluiden plotseling hadden opgehouden. Maar hier binnen bleef 't heel stil; geen stemmen, geen voetstappen, en ook de groote hangklok tik-takte niet.
Eduard liep de gang in en opende de deur van de kast; hij schrikte van het gepiep, maar dadelijk bedacht hij, dat deze deur altijd piepte, en gerustgesteld tilde hij zijn fiets uit den standaard en zette hem in de gang neer. Toen begon hij de pomp te zoeken, die ook in de kast moest liggen, en die hij eindelijk stoffig en wel in een hoek vond. En nadat hij de banden had opgepompt en de kast weer dichtgedaan had liep hij voor hij wegging nog even naar Vaders kamer, half nieuwsgierig hoe 't er daar uit zou zien.
De deur stond half open, en Eduard ging naar binnen. Vlak bij Vaders groote schrijftafel bleef hij staan. Daar was het weer, die vreeselijke stilte. En opeens was 't, alsof hij hier niet hoorde nu. Hij had hier niets te maken, bij die tafel en de stoelen en al de andere dingen, en toen hij langzaam zijn hand van de schrijftafel nam, zag hij, dat de afdrukken van zijn vingers duidelijk zichtbaar bleven in de grijsgrauwe stoflaag; en zijn hand aan zijn broek afvegend speet het hem opeens dat die vingerafdrukken daar stonden, want 't was of hij daarmee iets had weggenomen van 't geheimzinnige iets, dat over de kamer hing. 't Was of hij al die voorwerpen gestoord had, niet in hun rust, maar in iets anders; of ze eigenlijk ergens anders hadden gestaan, en gauw weer naar hun plaats waren gegaan toen ze Eduard hoorden aankomen ....
En toch was alles nog net zooals die laatste keer, toen hij hier met Vader gestaan had. Hier had Vader hem zijn jas helpen aantrekken, hier had Vader hem goeiendag gezegd, en nadat ze toen samen de kamer waren uitgegaan was hier niemand meer geweest; dat was nu al langer dan twee maanden. En straks, als hij weg was, dan zou diezelfde grauw-sombere rust weer terugkomen, en zwijgend en stil zou alles hier weer staan, nog veel weken lang, en aldoor zou de stoflaag dikker en grijzer worden.
En met een plotselinge rilling draaide Eduard zich om; hij liep de kamer uit, en hij zette de voordeur wijd open, zoodat het zonlicht de halfdonkere gang opeens helder verlichtte. Toen reed hij zijn fiets naar buiten, met een gevoel van nu maar zoo gauw mogelijk weg te willen. Daar waren ze weer, de straatgeluiden: het rammelen van karren over de keien, 't geschuifel van voetstappen, gepraat en gelach, en in de verte 't schelle gefluit van een stoomboot. Met een ruk trok Eduard de voordeur dicht; hij liet de sleutel een, tweemaal omdraaien in 't slot, en sprong op zijn fiets, dadelijk flink doortrappend, zonder nog eens om te kijken. Hij nam de kortste weg terug, door de stad, hard rijdend door de drukke straten, telkens uitwijkend voor wagens en menschen en auto's.
Lineke liep voor 't huis al te wachten, ongeduldig uitkijkend.
"Wat ben je lang weggebleven!" riep ze, toen hij er eindelijk aankwam.
"'k Heb me toch heusch gehaast!" riep Eduard terug, en 't laatste eindje liet hij zich gaan, zonder te trappen, tot hij voor 't huis plotseling remde, met een zwaai van de fiets afsprong en buigend voor Lineke stond.
"Wat ken jij 't heerlijk goed!" bewonderde 't kleine meisje, en een stem die uit hooger sferen scheen te komen voegde er bij: "Dat kun je ook niet anders verwachten van zoo'n sportsman als hij is, dat weten we van 't schaatsenrijden, he Eduardje?"
"St, 't is Piet," fluisterde Lineke haastig, "geen antwoord geven, dan heeft hij er geen plezier van." En hardop vervolgde ze, 't stuur van de fiets vastgrijpend: "Moet ik er aan deze kant opklimmen, zeg?"
Met eenige moeite lukte het Eduard zijn nichtje op 't zadel te helpen, en daarmee begon Linekes eerste fietsles.
"Nu trappen!" commandeerde Eduard, "wees maar niet bang dat je valt, flink doortrappen maar! Zoo .... durven maar, ik zal je wel vasthouden!.... Trappen!"
Hijgend viel Lineke aan 't eind van de gracht tegen hem aan. "Ik kan niet meer!"
"Da's niks, dan wachten we even," zei Eduard, en na een paar minuten, waarin hij zich met zijn zakdoek koelte had staan toewuiven: "Nu weer omkeeren, zeg?"
En weer ging het de gracht af, Eduard met één hand aan 't zadel en één aan 't stuur naast de fiets hollend, en telkens klonk het hijgend: "Trappen! Toe dan! Flink doortrappen! Vooruit!"
[Illustratie - 17_fietsles.jpg]
En iedere keer werd aan het eind van de gracht even gewacht; dan rustten ze uit, lachend en warm, en dan zette Lineke die lastige hoed weer goed, die telkens afwoei en dan in haar hals bleef hangen.
Dan ging 't weer terug, trappend en hollend, en telkens vielen ze half als Lineke haar evenwicht weer verloor.
Zoo vond Oom Tom ze, toen hij tegen half een thuis kwam.
"Jongens, wat zijn jullie warm!" zei hij hoofdschuddend, maar hij had er toch pret in, en bleef voor de deur staan kijken; en toen ze even daarna vlak voor hem stilhielden en Lineke met Eduards hulp van de fiets stapte vroeg hij dadelijk: "Is ze nogal een goede leerling?"
"Zeker Oom, dat gaat best!" lachte Eduard, en Lineke riep: "Vind u niet dat 't al goed gaat, Pa?"
"Ja prachtig!" vond de Kapitein, "maar komen jullie nu in huis; voor vandaag heeft de les lang genoeg geduurd, dat zie ik aan jullie gezichten!"
XIV.
"Zeg nu toch eens, wat voor kleur zal ik het haar van dat kleinste meisje geven?" vroeg Bep, haar penseeltje uitspoelend.
"Kan mij wat schelen, maak 't voor mijn part pimpelpaars," antwoordde Eduard, en Piet zei dat hij oranjezeegroen altijd zoo mooi vond. --
"Wat is dat voor een kleur?" vroeg Bep nieuwsgierig.
"Och, hij plaagt je maar wat," zei Eduard, die dadelijk spijt had over zijn onvriendelijk antwoord van zooeven. "Maak het bruin, Bep, en het strikje rood."
Met een tevreden gezichtje ging Beppie weer aan 't kleuren.
't Was een van de laatste vacantiedagen en 't regende; reden genoeg voor de jongens om uit hun humeur te zijn. Bovendien had Hugo met een paar vrinden de leerkamer in gebruik genomen voor een vergadering van de cricketclub, waardoor de anderen genoodzaakt waren geweest, hun heil in de speelkamer te zoeken. Piet was met een boek op 't kastje gaan zitten, zijn voeten op de leuning van een stoel, en Eduard had met een zucht zijn rekenboek opgezocht en was gaan zitten rekenen. -- Hij had de heele vacantie eigenlijk niet meer aan die taak gedacht, en van het plan om iederen morgen wat te werken was niets gekomen. Wél hadden ze heel veel andere dingen gedaan; de fietslessen waren 's morgens geregeld voortgezet, en Eduard had de voldoening dat zijn leerling al heel handig in haar eentje vooruit kon komen; één dag, toen 't heel mooi weer was, waren ze allemaal naar 't strand gegaan met Tante Lina en de juffrouw; dan was Tommy jarig geweest, en met de vrindjes die op visite kwamen hadden ze verstoppertje gespeeld door 't heele huis, en Oom Tom had ze allemaal meegenomen naar de bioscope; één middag had Hugo gevraagd of Eduard meeging naar het voetbalveld, waar hij in de geheimen van het edele voetbalspel was ingewijd, en gisteren was hij den heelen dag bij Theo geweest; toen hadden ze eerst spelletjes gedaan met Theo's kleine broertjes, en later was er viool gespeeld, waarbij Mevrouw de Beer ze op de piano accompagneerde. Maar bij al die pret was voor de sommen geen tijd overgebleven, en áf moesten ze toch. Enfin, nu maar niet al te lang over een som zaniken, als 't niet gauw ging maar overslaan en aan de volgende beginnen.
"Houd nu toch op met dat vervelende getik!" viel hij opeens uit tegen Tommy, toen hij een som over twee soorten wijn die vermengd moesten worden al driemaal had overgelezen zonder er iets van te snappen.
Maar Tommy, die op de een of andere onbewaakte plaats een zakje spijkers gevonden had en nu met veel ijver 't karpet aan den grond zat te hameren, was in deze bezigheid zoo verdiept dat hij 't niet eens hoorde. --
"'t Orakel zegt dat je uit moet scheiden, Tom!" waarschuwde Piet.
"Stik!" zei Tommy, en kalm hamerde hij verder.
Met verbaasde groote oogen keek kleine Bep de drie jongens om de beurt aan. -- Eduard kreeg een kleur, maar zei niets, en strak bleef hij in zijn boek kijken, ook toen Piet een erwt naar hem toeknipte, die rakelings voorbij vloog en op de vensterbank bleef liggen.
"Dat gaat je neus voorbij, Eduardje!" merkte Piet op, en tegen Bep, met een gezicht alsof iets heel bizonders te zien was: "O Bep, kijk eens naar de deur!"
Half ongeloovig draaide Bep haar snoetje naar de deur, en "Twee oogen bedrogen!" besloot Piet; en daar hij op dit moment niet meer geestigheden tot zijn beschikking had, nam hij lachend zijn boek op en begon weer te lezen.
Een half uurtje bleef 't stil in de speelkamer; alleen klonk telkens, met onregelmatige tusschenpoozen, 't gehamer van Tommy, die met een kleur van inspanning zijn arbeid voortzette.
Eduard had al eenige malen gegaapt en zich uitgerekt, gooide nu en dan voor de afwisseling inktmoppen op zijn vloeitje, begon dan opeens weer haastig te schrijven om even later zijn aandacht te wijden aan het zoo netjes mogelijk oprollen van een smal reepje papier.
[Illustratie - 18_tapijt.jpg]
Met een duidelijk hoorbare geeuw klapte Piet eindelijk zijn boek dicht. "'n Saaie geschiedenis, hoor!" verkondigde hij, en tegen Eduard: "Amuseer jij je nogal?"
"Lamme dingen!" mopperde Eduard.
"Smijt ze in een hoek!" raadde Piet aan, "doe ik ook als me iets verveelt!" en om aan deze philosophische beschouwing kracht bij te zetten nam hij het boek, dat hij "'n saaie geschiedenis" vond, en deed het met een forschen zwaai in den tegenovergestelden hoek van de kamer terechtkomen. --
Toen rekte hij zich nog eens uit en vroeg: "Wat zullen we nu eens gaan doen, jongens?"
"Niet de verf van mijn kast schoppen alsjeblieft!" was het antwoord van Tante Lina, die juist binnenkwam; "en als je nu eens even naar beneden komt, dan .... maar Tommy, wat doe je?"
"Kleed lag los; maak ik vast!" zei Tommy laconiek, en met een gezicht, dat van veel zelfvoldaanheid getuigde, nam hij een nieuwen spijker uit het zakje.