Eduard Kerner

Part 7

Chapter 74,253 wordsPublic domain

Alles liep best van stapel, en directeur Hugo kon tevreden zijn. Piet streek zijn Bengaalsche lucifers af, en na ieder tableau kwam een luid applaus; juist had Hugo voor de laatste voorstelling 't gordijn opengeschoven toen ze een zachten stap op de trap hoorden. 't Was Tante Lina, die naar boven kwam. "Hallo!" riep Piet, en even holden ze allemaal door elkaar om plaats te maken.

't Kleine Roodkapje, dat voor 't kamerscherm stond, wachtte tot ze allemaal weer zaten. Toen, na een "toe maar!" van Hugo, begon ze te vertellen; duidelijk klonk het hooge stemmetje over de zolder.

"Ik ga naar Grootmoeder toe, om haar te brengen wat ik hier in mijn mandje heb.

[Illustratie - 14_roodkapje.jpg]

Het zijn wafels, maar die kunnen jullie niet zien omdat ze onderin zitten, en een leege wijnflesch, maar we doen net of die vol is." Even keek Bep met een heel ernstig gezicht naar de lachende toeschouwers, toen vervolgde ze: "Ik ben ook heelemaal niet bang voor de wolf, want die is er niet, en o ja, deze bloemen zijn eigenlijk ook voor Grootmoeder, maar die wou ik nu maar aan Maatje geven!" En toen holde ze naar haar Moeder toe en klom op haar schoot.

"Dat 's ook wat!" zei Hugo, die dit niets geen gepast slot vond, maar de andere kinderen klapten zoo hard dat er verder geen woord tusschen te krijgen was.

Tante Lina vond dit slot mooier dan ze het hadden kunnen bedenken.

"En gaan jullie nu mee naar beneden om een glaasje limonade te drinken?" vroeg ze, Bep op den grond zettend.

In vliegende haast werden de mooie pakjes uitgeschopt, want ze verlangden nu opeens allemaal weg te komen van de rommelige zolder, waar een benauwde lucht van afgebrande Bengaalsche lucifers hing. --

"Vond u 't mooi?" vroeg Eduard, toen ze de trap afgingen.

"Zeker," zei Tante Lina, "wat ik gezien heb vond ik heel aardig!"

En de Kapitein verklaarde dat hij zich bepaald dol geamuseerd had.

XI.

"Heb je nu eigenlijk gestudeerd of niet?" vroeg Mijnheer Hofman ontevreden, want Eduard stond op een geweldige manier te knoeien en hakkelde nu al voor de derde maal in een etude die hij de vorige week al had moeten kennen.

Eduard keek van Mijnheer Hofman naar Theo, en van Theo naar zijn viool.

"Jawel meneer!" zei hij toen.

"Hoeveel keer?"

Eduard zweeg.

"Nu, hoeveel keer heb je gestudeerd?"

"Drie keer!" klonk het zachtjes.

"Zoo, en dat vond je zeker voldoende, he? Verbeeldde je je nu heusch dat je die etude kende? Ik wil je dan wel vertellen dat 't naar niets lijkt! Vroeger kon ik tenminste merken dat je behoorlijk gestudeerd hadt, maar 't is de laatste keeren al heel treurig! Je staat te knoeien of je nog nooit een viool in je handen hebt gehad, en dat is nu een jongen die bijna drie jaar les heeft!"

"Er was zoo weinig tijd!"

"Ja natuurlijk, dat kennen we! Zwijg nu alsjeblieft maar en speel de sonatine!"

De jongens verwisselden de muziek en Eduard begon te spelen. Vanmorgen voor hij naar school ging had hij de sonatine nog gauw even een paar keer geprobeerd, maar hij wist heel goed dat hij er niet veel van kende.

De eerste regels vielen hem mee, 't ging vrij goed, maar verderop waren een paar moeilijke loopjes, en daarna raakte hij zoo in de war, dat Mijnheer Hofman het al gauw mooi genoeg vond en hem vertelde dat hij wel kon ophouden. "Berg je viool nu maar weg," zei hij boos, "en dan zullen we zien of je er de volgende week meer van kent. -- Theo, wil jij de sonatine spelen alsjeblieft?"

Theo bracht het er nogal goed af, maar Eduard wilde er niet naar luisteren. Vervelend gezanik ook, om hem zijn viool te laten wegbergen; Theo maakte ook wel fouten; je moest het ook altijd even prachtig kennen, en hij kon 't toch niet helpen dat Hofman vandaag uit zijn humeur was. -- Zoo vreeselijk slecht was 't niet eens gegaan, maar omdat hij nu had verteld dat hij maar driemaal gestudeerd had moest Hofman ook op alles vitten. Maar als die malle vent soms dacht dat 't hem schelen kon, had hij het toch glad mis!

En Eduard probeerde zoo onverschillig mogelijk te kijken en staarde strak naar buiten, steeds met zijn knokkels op de vioolkist tikkend, totdat Theo eindelijk klaar was met spelen en Mijnheer Hofman opgaf wat ze voor de volgende week te doen hadden. Toen konden ze hun jassen aantrekken en naar school gaan.

[Illustratie - 15_vioolkisten.jpg]

"Flauwe aardigheid," was 't eerste wat Eduard mopperde, nadat de voordeur achter ze dichtgevallen was.

"Wat flauwe aardigheid?" vroeg Theo.

"Nou, van Hofman natuurlijk!"

Theo keek Eduard eens even schuins aan en begon te lachen. "Nou, je kende er dan toch ook eigenlijk wel een bar schijntje van, als ik 't zeggen mag!" beweerde hij.

"Zeker mag je 't zeggen!" zei Eduard kwaad, "als jij Hofman geweest was had je me zeker dadelijk naar huis gestuurd!"

"Wees nou niet zoo, flauw!"

"Flauw? 'k Ben niet flauw, jij bent flauw!"

"Nou ja, maar heel veel gestudeerd had je toch ook niet!"

"Dat zei 'k immers al!"

"Jawel. -- Maar 't was toch zeker geen drie keer?"

"Waarom niet?"

"Zoo maar. Je zei 't net of je dacht: drie keer vind ik wel zoowat het minste dat ik zeggen kan!"

Eduard zweeg even. "Maandag heb ik een kwartiertje gestudeerd," zei hij toen, "en Woensdag had ik juist mijn viool gekregen en toen was er net iets anders, 'k weet niet meer wat, nou, en vanmorgen voor 'k naar school ging heb ik de sonatine nog eens gespeeld."

Theo antwoordde niet.

"Jij moest maar eens bij een Oom en Tante en zes nichtjes en neefjes logeeren, dan zou je eens zien hoe hard je werken kon!" vervolgde Eduard, verwoed tegen een steentje schoppend, en Theo aanziende: "Zeg nou eens, wat zou jij tegen Hofman gezegd hebben?"

"Dat weet ik niet," zei Theo, nadat hij even gefloten had, "ik zou 't misschien ook wel gezegd hebben, hoor!"

"Vind je 't erg gemeen?"

"Gemeen? Och ja, natuurlijk is 't gemeen, maar dat bedenk je meestal pas achteraf."

"Ja, dat is lam genoeg!" Eduard zuchtte. "'t Is net of 't me nu niets meer zou kunnen schelen om te zeggen dat ik maar ééns gestudeerd had. Hij was toch al woedend, en een beetje meer of minder is dan toch zoo erg niet!"

"Als je nu maar maakt dat je 't de volgende week kent," besloot Theo. "Wanneer 't sonatineboek uit is krijg ik als 'k twaalf word een fiets, heeft Pa beloofd!"

"Krijg je ook een fiets? Wat moppig!" riep Eduard, want door dit nieuwtje was hij opeens de narigheid van de vioolles vergeten. "Wat zullen we dan van de zomer leuk samen kunnen rijden, zeg!"

"Nou, fijn!" vond Theo, "een Fongers, leuk he?"

"Ja, mijne is een Humber, hij staat nog thuis, maar zoo gauw als het mooi weer wordt mag ik hem gaan halen!"

En ze hadden 't nog druk over de fietsen toen ze eindelijk de school inliepen en Theo met een "Nou dag!" naar zijn eigen klas ging.

Fransche themaschriften terug! Eduard schoof in zijn bank en sloeg 't schrift open. Met schrik keek hij naar de elf fouten en naar het "slecht, overmaken", dat in groote blauwe letters onder aan de bladzijde stond. Afschuwelijke thema ook! 't Was een echte ongeluksdag vandaag, eerst die ellendige vioolles, en nu dit weer!

En ongeduldig stopte hij 't schrift in zijn lessenaar toen om twee uur de bel luidde.

"Ziezoo, dat hebben we alweer gehad!" en Tante Lina leunde achterover in haar stoel. 't Was een roezemoezig half uurtje geweest na 't eten, maar zooeven waren de twee jongsten door de juffrouw mee naar boven genomen, en een oogenblikje genoot Tante van de rust, nu de twee schel en helder boven alles uit klinkende kinderstemmetjes niet meer gehoord werden.

Broertje had voor 't eerst ook mee mogen spelen vanavond, en met gesloten oogen dacht Tante Lina nog even aan het opgewonden gezichtje en de drukke bewegingen van 't kleine ventje. Maar toen viel haar iets in, en glimlachend keek ze Oom Tom aan en zei: "Die jongste zoon van jou zal anders een beste worden!"

"Hoezoo?" vroeg de Kapitein, die 't zich in een groote leuningstoel gemakkelijk gemaakt had, en juist een sigaar aanstak.

"Wel, vanmiddag nam ik hem mee uit, 't was mooi weer, en voor we naar huis gingen liep ik nog even 't plantsoen door. Opeens zag ik Kolonel Durand naar mij toekomen; hij maakte een praatje en begon toen notitie te nemen van Broer, die hem met zijn groote blauwe oogen strak stond aan te staren. 'Hoe heet je wel, vent?' vroeg hij, en Broer verklaarde heel ernstig dat hij Willem Cornelis Verhey heette, maar verder verkoos hij heelemaal geen antwoord meer te geven, en toen Kolonel Durand eindelijk wegging en vroeg of hij een hand kreeg hield Broer stijf zijn handen op zijn rug en zei niets anders dan 'Ik doet het niet!'"

De Kapitein lachte. "Dan legde je met dat jongemensch meer eer in!" merkte hij op, naar Piet wijzend, en Tante Lina vertelde nog aan Eduard en Lineke hoe Piet als jongetje van een jaar of vier met alle officieren beste maatjes was, en als ze hem vroegen wat hij worden moest, altijd antwoordde "Generaal!" "Och, 't was zoo'n lieve jongen, he?" besloot ze, op één na haar oudsten zoon op den schouder kloppend.

"Je zou 't nu niet meer van hem gelooven!" zei de Kapitein droogjes, en Lineke zong zachtjes:

"Zeg eens, ken je onze Piet? Och, da 's jammer, ken je 'm niet, Och, hij was zoo'n lieve jo...."

Een harde klap op haar wang van Tommy deed haar plotseling ophouden, en half verbaasd, half verschrikt vloog Lineke van haar stoel, om de beleediging met de rente terug te betalen. Maar haar Moeder hield haar tegen, en de Kapitein vroeg streng: "Tommy, waarom sla je Lineke?"

Tommy gaf geen antwoord, en schopte met zijn laars tegen de tafelpoot, maar toen zijn Vader opstond en naar hem toe kwam, schoof hij haastig naar den anderen kant van de kamer.

"Tommy, kom onmiddellijk hier!"

Maar Tommy, die zich, zoolang hij buiten 't bereik van den Kapitein was, nog veilig voelde, zei met een ondeugend gezicht: "Ik doet het niet!"

"Doe je het niet?"

"Nee!"

Zonder verder nog iets te zeggen ging de Kapitein op hem af; nog eenige oogenblikken deed Tommy vergeefsche moeite om te ontkomen, toen voelde hij zich stevig bij den kraag gepakt. "Waarom heb je Lineke geslagen?"

"Omdat ze zoo gemeen deed!" riep Tommy half huilend.

"Gemeen?" vroeg zijn Vader, zich even bedenkend wat Lineke gedaan had, dat de boosheid van haar broertje zoo had opgewekt: "Wat deed ze dan?"

"Ze zong over Piet!"

"Was dat alles? Maak je daar nu zoo'n scène om? Begreep je nu niet eens dat dat gekheid was?"

Tommy zweeg.

"Zeg nu maar dadelijk tegen je zusje: 'Het spijt me dat ik je geslagen heb,' en laat het dan uit zijn alsjeblieft."

Maar Tommy verroerde zich niet en herhaalde alleen zijn ondeugend: "Ik doet het niet!"

Tante Lina wenkte Oom Tom, den kleinen jongen verder aan zijn lot over te laten, en stuurde de andere kinderen de kamer uit. "Neem de kaarten maar mee en ga in de leerkamer een spelletje doen!"

Langzaam verdween het drietal, om even later in de leerkamer te gaan "banken", tot groot ongenoegen van Hugo, die zat te werken, en met 't gezelschap dat hij kreeg alles behalve ingenomen was; zuchtend besloot hij, dan maar liever mee te doen; de fiches werden verdeeld, en Eduard, die de bank hield, schoof ze ieder een kaart toe, met een luid "opzetten!"

"'k Ga nog lang niet naar bed!" verklaarde Lineke met een kleur van plezier, toen haar bakje met fiches steeds voller werd.

Aan Tommy dachten ze niet meer, totdat ze hem om kwart voor acht weer in de gang hoorden, hard gillend, en steeds herhalend: "Ik doet het niet!"

"Ma zal wel spijt hebben dat ze dat verhaal over Broertje verteld heeft!" merkte Piet lachend op.

Een kwartier daarna kwam Tante Lina de leerkamer binnen om Eduard en Lineke naar bed te sturen. 't Was Linekes tijd, en Eduard moest ook maar eens vroeg gaan slapen, 't was al een paar avonden achter elkaar erg laat geworden, en hij was vanmiddag aan tafel zoo stil geweest, zeker een beetje moe.

"He Ma, nog even! 'k Heb nu juist zoo'n mooie kaart!" zeurde Lineke, en Eduard zei dat hij juist heelemaal niet moe was; maar Tante Lina's geduld was door 't gezanik met Tommy vrijwel uitgeput, en met een "'t Is nu mooi geweest!" konden ze gaan opruimen. Langzaam werden de fiches weer in de doosjes gestopt, en na nog wat lachen en onzin praten gingen ze eindelijk naar boven.

't Licht brandde nog in de kamer van de kleine jongens, Tommy scheen nog steeds niet in bed te zijn, en duidelijk hoorde Eduard nog zijn boos: "ik doet 't niet." En toen hij zelf al uitgekleed was hoorde hij de juffrouw pas naar beneden gaan. Even keek hij om de deur; alles was nu donker, ook in de meisjeskamer. Maar stil was 't nog niet geworden, en Eduard lag er in bed naar te luisteren hoe Tommy nog maar steeds bleef doorschreeuwen en eindelijk zelfs 't portaal opkwam om over de trapleuning hangend nog eens hard naar beneden te roepen dat hij 't niet deed.

Wat zou hij nu toch eigenlijk niet willen doen? Hield die vervelende jongen zijn mond nu toch maar! Net of je zoo kon slapen!

Daar ging opeens beneden haastig de deur open en dicht, en een driftige stap kwam naar boven; Eduard hoorde duidelijk dat het Oom Tom was --wat zou er nu gebeuren? Een zacht geritsel op 't portaal -- Tommy was zoodra hij zijn Vader hoorde aankomen naar zijn bed gevlucht.

Eduard voelde zijn hart kloppen en met wijd open oogen bleef hij liggen luisteren. Oom Tom liep langs zijn deur naar de kamer van de kleine jongens, en begon daar heel kwaad tegen Tommy te praten --Eduard verstond het niet, maar wel kon hij duidelijk de klappen hooren, die toen volgden, en Tommy's huilend geroep: "Ik zal wel gaan slapen!"

Arme Tommy! Hij was wel vreeselijk ondeugend en vervelend geweest, maar hij riep nu toch al dat hij zou gaan slapen en 't duurde zoo lang! Oom Tom was toch ook wel vreeselijk streng; Vader was ook wel streng, maar héél anders, en zóó zou Vader nooit gedaan hebben! Tenminste .... ja, toen! 't Was nu al meer dan een jaar geleden, ze waren samen aan 't koffiedrinken en weer hoorde hij Vaders stem vragen: "Wel, hoe was 't vanmorgen? Ging 't uit 't hoofd rekenen goed? Hoeveel sommen had je?" En weer hoorde hij zichzelf haastig antwoorden: "vijf Vader." -- Dadelijk kreeg hij spijt toen hij 't gezegd had: 't waren er maar vier geweest, maar hij had de laatste keeren al altijd moeten vertellen dat 't onvoldoende was, en dan had Vader altijd zoo teleurgesteld gekeken, want ja, 't was dikwijls zijn eigen schuld als hij een som fout had, als hij middenin vergat verder te rekenen of zoo -- maar vier of vijf maakte toch niet zoo'n groot verschil -- hij had 't eerst nog willen vertellen voor hij naar school ging, maar Vader had verder aldoor over andere dingen gepraat en was toen al heel gauw naar de fabriek gegaan .... Dien middag was Vader hem 's middags van school komen halen, zooals hij wel meer deed, en Vader had met Mijnheer Snijders staan praten -- en duidelijk herinnerde Eduard zich hoe Vader toen naar hem gekeken had, hoe Vader toen met hem naar huis gegaan was, hard loopend en steeds zwijgend, hoe hij zelf Vader telkens even schuins aangezien had, zonder iets te durven zeggen ....

En ook wist hij nog heel goed wat er gebeurd was toen ze eindelijk thuiskwamen; hoe Vader hem heel kortaf vertelde dat hij mee moest gaan, naar Vaders eigen kamer, en wat Vader hem daar vroeg: of hij dan heelemaal vergeten was hoe vreeselijk boos Vader werd als hem iets verteld werd dat niet waar was; of hij er dan heelemaal niet aan gedacht had hoe naar Vader het zou vinden, om te merken dat zijn eigen jongen hem voorgelogen had, en of hij wel wist wat hij nu verdiende?

Dát was de eenige keer geweest.

En nu? Wat had hij vanmiddag gedaan? Wat had hij tegen Mijnheer Hofman gezegd? Hoeveel keer had hij er wel bij gelogen dat hij gestudeerd had? Dit was véél erger dan die ééne som! Wat zou Vader wel zeggen als hij dát wist! Als Vader hem gehoord had vanmiddag, hoe zou hij Vader tegengevallen zijn! Een gemeene jongen was hij, en veel meer dan Tommy had hij verdiend wat zijn kleine neefje zooeven gekregen had --

Maar niet van Oom Tom -- dat mocht alleen Vader zelf doen!

En Eduard draaide zich om en drukte zijn gezicht zoo stijf in 't kussen dat hij bijna geen adem kon halen -- och, kwam Vader maar!

XII.

"Zeg Kerner!" klonk het zachtjes.

"Nou?"

"Wacht even, hij kijkt!"

Mijnheer Snijders zag zoekend de klas rond. "Van Hamel, wil jij de gebergten Van Zwitserland eens komen aanwijzen?" En Van Hamel schoof zijn bank uit om langzaam naar voren te komen.

"Zeg Kerner!" herhaalde dezelfde fluisterende stem. Eduard leunde zoo ver als hij durfde achterover en draaide zijn hoofd half opzij, om geen woord te verliezen van wat zijn achterbuurman te zeggen had.

"Wil je een stukje drop hebben?"

"Jawel."

"Nou, steek je hand dan uit. -- Voorzichtig, doe nou niet zoo sloom, straks ziet hij het!"

Een kleverig stukje drop werd tusschen Eduards vingers geduwd.

"Ik heb niks geen zin om op te letten!" ging de stem achter hem voort.

Eduard maakte van een oogenblik dat Mijnheer Snijders naar 't bord keek gebruik om 't stukje drop in zijn mond te stoppen.

"Ik ook niet; 'k verveel me dood."

"Dat taaie Zwitserland ook."

"Net zoo taai als die drop van jou."

"Wat?"

"Ik zeg dat 't net zoo taai is als die drop van jou, je tanden blijven er in kleven!"

"Kerner, je zit aldoor te praten, je hebt een aanteekening! Wilkens, kom jij de rivieren aanwijzen!"

"Natuurlijk doe ik 't weer," mopperde Eduard. "Net of je in je eentje kan praten!" en Meertens fluisterde hem in dat dat zijn straf was, omdat hij zijn drop voor taai had uitgescholden. "Wil je soms nog een stukje?"

"Nee, dank je feestelijk!"

"Nou, niet of graag!"

"Meertens, houd nu onmiddellijk op met dat gepraat!" viel Mijnheer Snijders uit, die aldoor in dezelfden hoek hoorde fluisteren; "Kerner, kom jij voor de kaart en wijs de rivieren nog eens aan!"

Eduard stond op, zijn handen in zijn zakken, liep tusschen de banken door, en begon voor de klas de verschillende rivieren op te noemen, telkens even wachtend om 't lastige stukje drop achter zijn kiezen te duwen.

"Wat eet je toch eigenlijk?"

Eduard keek verschrikt op. "Een stukje drop," zei hij toen.

"Waarom? Ben je verkouden?" en toen Eduard geen antwoord gaf, nog eens, ongeduldig: "Geef me antwoord, ben je verkouden?"

"Nee meneer."

"Heb je drop meegebracht?"

"Nee meneer."

"Heb je het gekregen?"

't Was doodstil in de klas.

"Heb je het gekregen?"

Alle jongens keken en luisterden, maar Eduard bleef zwijgen.

"Heel goed," besloot Mijnheer Snijders, "je verkiest dus geen anwoord te geven. Ga nu maar naar je plaats, om twaalf uur kun je schoolblijven."

"Daar bof je bij!" fluisterde Meertens, toen Eduard weer in de bank schoof, "'n taaie boel, he?"

Maar Eduard was niet meer in de stemming om door te praten, en schoof met een kwaad gezicht zijn elleboog op de bank.

"Wil je soms een turf hebben?" vervolgde Meertens, en hoe boos Eduard ook wilde kijken, toch kon hij niet laten even te lachen.

"Kerner, doe die elleboog weg!"

"Ook al goed!" mompelde Eduard, en onverschillig langzaam trok hij zijn arm weg en bleef schuin in de bank hangen.

Mijnheer Snijders keek nog even naar hem, maar liet hem verder stil zitten.

"We zullen voortgaan met de les; Van Effen, het het is jouw beurt!" Toen om twaalf uur de bel gegaan was en de andere jongens weg waren liet Mijnheer Snijders Eduard bij zich voor de klas komen.

"Kerner, wilde je deze zomer nog toelatingsexamen voor het gymnasium doen?"

Eduard knikte van ja.

"Zoo, nu, dan wilde ik je eens even het volgende zeggen: ik heb van de week de rapporten opgemaakt, die jullie vóór de Paaschvacantie zult krijgen, en ik heb je voor Fransche taal een 4 en voor rekenen een 3 gegeven. Het werk dat je tegenwoordig inlevert is bepaald slecht, en je huiswerk is eigenlijk gezegd beneden alle critiek; en het ergste is, dat het niets dan luiheid van je is; als je je werkelijk inspant kun je heel goed werken, maar van de fouten die je maakt is het grootste gedeelte slordigheid en onattentie, en ik heb je voor vlijt dan ook niet meer dan een 4 kunnen geven."

Eduard luisterde met zijn handen op zijn rug, en aldoor keek hij naar den grond.

"Je vader zal het zeker wel heel plezierig vinden als je hem dat schrijft!"

Stijf kneep Eduard zijn vingers tegen elkaar.

"Ik waarschuw je nu nog eens voor de laatste keer, 't is vandaag 3 April, je hebt nog ruim drie maanden tijd, maak dat alles zoo gauw mogelijk beter wordt en probeer in de Paaschvacantie de tijd die je verknoeid hebt in te halen. Je begrijpt wel, dat er, als het laatste rapport zoo is als dit, van examen doen niets komt! Ziezoo, denk daar nu maar eens goed over, en nu kun je naar je plaats gaan en voor je gepraat en je koppigheid vanmorgen de aardrijkskundeles nog eens uitschrijven."

Haastig begon Eduard, met een krassende griffel; een 4 voor Fransch en een 4 voor vlijt en een 3 voor rekenen! 't Was ook allemaal zoo ellendig lastig en vervelend! En dan dat toelatingsexamen nog! Vader rekende er vast op dat hij er door zou komen! De Rijn, de Rhône, de Aar, de Reuss, de Limath .... En nu kwam hij natuurlijk weer veel te laat voor de koffie ook! De Sint Gothard, de Simplon .... had hem tenminste best een 4 voor rekenen kunnen geven, 't was op 't vorige rapport ook een 4 geweest! De Jungfrau .... Vooruit, klaar, streep er onder! --

"Zie je wel dat je 't wel weet?" vroeg Mijnheer Snijders, toen hij 't nagekeken had.

"Nou ja, aardrijkskunde!" Eduard haalde zijn schouders op.

"Ja, maar 't andere kun je ook wel! Heusch, span je nu eens in! Begin nu eens met te maken dat er geen enkele fout in de Fransche thema voor morgen zit! En ga nu maar gauw weg, dag Kerner!"

Eduard haastte zich niet om thuis te komen. Even holde hij tot hij de straat uit was, toen bleef hij met aandacht bij den singel staan kijken; een troepje jongens was er aan 't spelen op een vlot, dat met een stevig touw aan den kant vastlag. Telkens klonk een luid gejuich als een van de jongens met een flinke sprong op 't vlot terecht kwam, en geen van 't troepje scheen zich er aan te storen dat bij 't daarop volgende geschommel de klompen vol water liepen. Wat zou 't ze ook kunnen schelen! Zij hoefden geen akelige Fransche thema's te maken, en toelatingsexamen voor 't gymnasium hoefden ze ook niet te doen!

Met een harden schop tegen een kiezelsteentje liep Eduard verder.

Een 4 voor vlijt! Verbeeld je! En een 3 voor rekenen! Nou ja, rekenen kon hij nou ook eenmaal niet, en dat zou hij wel nooit leeren ook! Maar die 4 voor vlijt was onzin! Dat was zeker om vanmorgen; net of je altijd maar hetzelfde uitgestreken gezicht kon zetten! En natuurlijk had hij moeten schoolblijven, en Meertens, die begonnen was, kon stilletjes naar huis gaan. Die kwam er altijd goed af, en hij kreeg er de standjes voor! En die cijfers moest hij nu aan Vader schrijven! Wat zou Vader 't ook lam vinden! Misschien kwam 't rapport ook wel te laat om 't nog te schrijven, Oom Tom had gezegd dat wanneer hij na de volgende week nog schreef Vader de brief toch niet meer zou krijgen. Dan moest hij 't vertellen als Vader terug was!

Eduard liep de stoep op en trok hard aan de schel.

Vervelende boel hier ook al! Was hij maar weer goed en wel thuis!

Trijntje deed de deur open, brommend over 't malle gebel, maar Eduard liep haar zonder iets te zeggen voorbij en hing zijn pet aan de kapstok.

"Edu!" en Lineke kwam de huiskamer uithollen.

"Wat is er?" vroeg Eduard op alles behalve beminnelijke toon.

[Illustratie - 16_humeurig.jpg]

Lineke bleef voor hem staan. "Wat heb je?" vroeg ze.

"Ik? Ik heb niks!" 't Klonk dreigend. "Wat heb jij?"

"Ik wou je alleen maar vragen of je mij wilde leeren fietsen!" zei Lineke verontschuldigend, "maar je zult het zeker ook wel niet doen!"

"Waarom niet?"

"Nou, je kijkt zoo kwaad!"

Eduard draaide zich om en hing zijn jas op. "Vraag 't maar aan Hugo of Piet, hoor!" antwoordde hij, toen Lineke bleef staan wachten.

"Dat heb ik al gedaan, maar die willen juist niet!" klonk het treurig, "en 'k zou het toch zoo vreeselijk graag leeren!"

Eduard keek zijn nichtje even aan, maar hij zei niets.