Part 6
Hoe is 't met u? Ik dacht dat er vanmiddag een brief van u zou zijn, maar er was niets, en Tante Lina zei dat 't nog niet kon. Ik vond het niets leuk en wist heelemaal niet wat ik moest gaan doen, en daarom schrijf ik nu maar. 't Is hier soms nogal erg vervelend. Piet en Hugo vind ik nog niets leuk. U zei dat u 't prettig zou vinden als ik goede vrienden met ze werd en ik probeer soms wel eens om ze aardig te vinden maar dan zijn ze meestal juist vervelend. Hugo is een beetje aardiger dan Piet maar hij doet zoo geleerd. Hij wil electrische schellen maken. Oom Tom lacht er wat om. Hij zou er over slapen. Beppie is aardig. Ik heb haar ook van de chocola gegeven. 't Is erg lekker. Ik was erg blij toen ik de doos vond. We hebben schaatsen gereden op de ijsbaan. Eerst ging 't heelemaal niet maar nu ken ik 't wel zoowat. Oom Tom zei dat 't niet meer mocht want we kwamen te laat thuis. 't Dooide toen ook hard. Ik wou zelf ook juist niet meer want omdat ik me zoo haastte had ik bijna al mijn sommen fout en Bep huilde zoo omdat ik geen spelletjes met haar deed. Theo was er ook. We hadden veel pret samen. Ik vind brieven schrijven een naar werk maar doe 't toch maar omdat 't aan u is. Ik ben erg verkouden geweest maar 't gaat nu weer een beetje over. De briefkaarten waren heel leuk. Is het prettig op zee? Mijn lessen worden hier nooit overhoord. Tante Lina heeft het altijd erg druk. Oom Tom is soms vreeselijk streng. Als Piet je overhoort vraagt hij allerlei gekke dingen. Voor viool studeeren heb ik zoowat heelemaal geen tijd. Ik wou dat u maar weer terug was. U komt toch zoo gauw mogelijk, he Vader? Ik vind vier maanden toch verschr...."
De etensbel luidde, en Eduard hield op met schrijven. 't Papier was bijna vol, en straks zou hij wel even eindigen.
Hij stak de brief in 't couvert, stopte hem in zijn zak en veegde de pen aan zijn kous af.
X.
"Jullie moet je vandaag maar alleen amuseeren, jongens!" zei Oom Tom, toen hij op een regenachtigen Zondagmorgen in Maart beneden kwam om te ontbijten. "Mama heeft erge hoofdpijn en blijft in bed."
"Wat saai!" zuchtte Piet, en Broertje gaf door een knorrig gebrom zijn ontevredenheid te kennen. De kinderjuffrouw was gisterenmiddag voor 't eten uitgegaan en zou vanavond pas laat terugkomen; Lineke had daarom vanmorgen de kleintjes helpen aankleeden, maar heel vlug was 't niet gegaan en er was al heel wat afgekibbeld voor ze eindelijk allemaal beneden waren, en Broertje was dan ook tot het besluit gekomen, dat het veel plezieriger was, door een vertellende en grapjes makende juffrouw aangekleed te worden, dan door een ongeduldig zusje!
"Komt Maatje vandaag heelemaal niet beneden?" vroeg Beppie.
"'k Weet niet, prul, misschien na de koffie als 't dan wat beter is," antwoordde de Kapitein, Bep over haar krullen strijkend, en tegen de anderen: "Komen jullie ontbijten, en wil jij thee schenken, Lineke?"
"Ik moet ook altijd alles doen," mopperde Lineke. 't Gezeur boven had haar al lang uit haar humeur gebracht, maar ze begreep wel dat er nu niet veel aan te veranderen viel.
"Wil Ma ook thee?"
"Dat denk ik wel; ik zou maar een kopje inschenken en naar boven brengen, en dan wilde Mama je meteen iets vragen."
Langzaam begon Lineke de kopjes klaar te zetten.
Eduard, die aan Tommy de moppen van 't scheurkalenderblaadje en een recept tegen zomersproeten had voorgelezen, eindigde met het raadsel, dat er op stond: "Welk water is onthoofd een deugd?" Toen zette hij zijn stoel bij de tafel, en opeens kreeg hij een inval toen hij Linekes ongelukkig gezicht zag.
"Wil ik je eens helpen, zeg?" vroeg hij. "Geef maar hier, ik zal suiker in de kopjes doen. Hoeveel moeten 't er zijn? Vier?"
Lineke keek hem ongeloovig aan, en Eduard begon te lachen. "Ik kan 't heusch wel," verzekerde hij, "ik schenk thuis heel dikwijls thee!"
En zonder zich aan het gegrinnik van Piet te storen hielp hij zijn oudste nichtje heel voorzichtig, totdat eindelijk alle kopjes op tafel stonden en Lineke naar boven ging.
"Jongens," vroeg Oom Tom, toen ze allemaal aan hun boterhammen begonnen waren, "willen jullie nu niet eens iets bedenken waarmee je samen een prettigen Zondag kunt hebben? Mama vertelde me dat Hannie en Kees Beekman zouden komen koffiedrinken, en als al dat kleine grut met elkaar speelt komt er niets van terecht. Kunnen jullie drieën nu niet een beetje de wijsheid bewaren, en zorgen dat ze niet al te luidruchtig worden?"
"Laten we die kinderen maar liever afzeggen," vond Hugo, "Ma zei gisteren dat ze al om elf uur zouden komen en ik geloof dat ze tot 't eten moesten blijven, en 'k was nu juist van plan eens flink aan mijn telefoon te werken."
"Wel ja," voegde Piet er bij, "we kunnen best zeggen dat Ma ziek is, dan zullen ze toch wel snappen dat we geen kindervisite kunnen hebben. Ik had nu juist eens genoegelijk willen lezen vandaag, maar als je met die twee van hiernaast opgescheept bent komt daar natuurlijk niets van."
"Afzeggen kan nu niet meer," zei de Kapitein ongeduldig, "Mijnheer en Mevrouw Beekman zouden den heelen dag uit de stad gaan, en om nu op 't laatste nippertje met de boodschap aan te komen dat Hannie en Kees niet hier kunnen komen is te gek. Heb je dat nu niet eens voor Ma over dat je een beetje met die kinderen speelt? Daar zul je toch heusch niet van bederven!"
"Ik wist toch niet dat 't niet afgezegd kon worden?" bromde Hugo, "nee, natuurlijk zal ik er niet van bederven, 'k vind 't alleen misselijk taai."
"Zijn die kinderen zoo vervelend?" vroeg Eduard.
"Och nee, ze zijn wel aardig," en Piet haalde zijn schouders op. -- "Had jij vanmorgen soms ook iets anders uit willen voeren?"
"Nou, 'k moet noodig eens viool studeeren, maar ik vind ...."
"'t Kan me nu verder niets schelen wat jullie vindt," besloot de Kapitein, "je hebt gehoord wat ik gezegd heb." -- Daarmee verdiepte hij zich in het ochtendblad, en aan zijn gezicht was duidelijk te zien dat het verstandig zou zijn niet langer tegen te pruttelen.
"Wat kijkt Hugo kwaad," merkte Tommy op, nadat Beppie verteld had dat ze Hannie eigenlijk aardiger vond dan Kees, maar dat Kees toch ook heel leuk was.
"Hou je gezicht!" snauwde Hugo tegen zijn broertje.
"Ma voelt zich niets prettig," vertelde Lineke; toen ze weer beneden kwam, "en Ma vraagt of wij de ontbijtboel willen afwasschen, want Trijntje heeft het toch al zoo druk nu de juffrouw en Keetje uit zijn."
"Wij? Wie zijn die wij?" informeerde Piet.
Lineke aarzelde. "Nou, ik dacht: jullie wilt me misschien wel helpen!" zei ze toen. "Als ik alles alleen moet doen kom ik nooit klaar!"
Niemand antwoordde.
"Weet je wat," bedacht Hugo eindelijk, "wasschen jullie nu met elkaar af, dan zal ik in die tijd wat leuks bedenken om te gaan spelen als Hannie en Kees komen, maar dan moet je me tot elf uur ook rustig aan mijn telefoon laten werken."
"Hoe vindingrijk!" merkte de Kapitein van achter zijn courant op, en Beppie vertelde, dat ze best kon wegzetten.
"Dat doe ik voor juf ook altijd!"
"Dat kan ik ook wel!" beweerde Tommy.
Lineke begreep wel dat er van de groote broers niet veel hulp te verwachten was, en daarom probeerde ze 't maar eens bij haar neef. -- "Wil jij dan afdrogen, Ee?"
Eduard keek eens even schuins naar Piet. "Jawel," zei hij toen.
Piet beloofde dat hij 't gezelschap in dien tijd dan wel aangenaam bezig zou houden, en Broer, die ook niet achter wilde blijven, verkondigde dat hij zijn bordje wel zoo schoon af zou likken dat 't niet meer omgewasschen hoefde te worden.
Een luid gelach volgde. --
"Viezerd!" zei Bep verontwaardigd.
Oom Tom was na 't ontbijt naar zijn studeerkamer gegaan, en ook Hugo maakte aanstalten om te verdwijnen.
"Zeg Huug, bedenk je vooral _niet_ iets voor de speelkamer?" riep Lineke hem na.
"Wat vertel je, kind?" vroeg Hugo.
"Laten we maar niet op de speelkamer gaan," herhaalde Lineke, "ik denk dat Ma liever niet zoo'n lawaai naast zich wil hebben."
"'t Is goed, hoor." En Hugo trok af.
Lineke haalde het teiltje warm water uit de keuken en duwde Eduard de theedoeken in zijn handen. Toen begon ze ijverig te wasschen en de kleintjes dribbelden heen en weer om alles aan te geven.
"Welk water is onthoofd een deugd?" herhaalde Piet, die 't scheurkalenderblaadje weer opgenomen had; "afwaschwater", zei Eduard, en Lineke probeerde: "Rivier-ivier."
"Vaart, aart," schreeuwde Tommy.
"Wat 'n onzin!" lachte Eduard.
"Onzin? Niets geen onzin! Aart is echt een woord!"
"Hou je gemak!" kalmeerde Piet hem, "aart is toch geen deugd, he? Nou, wat zanik je dan?" en zelf noemde hij vlug op: "Kanaal, anaal, stroom, troom, plas, las."
"Zee, ee;" riep Lineke.
"He ja, dat 's aardig!" vond Piet, "Ee als een deugd. De deugd, laten we zeggen, die kopjes afdroogt. -- Grappig bedacht van de scheurkalender!"
Eduard trok zijn neus op.
"Flauw!" zei hij, "'k weet al lang wat 't is!"
"Nou, wat dan?"
"Meer, eer, natuurlijk!"
"Niet waar!" riep Lineke, met de afwaschkwast zwaaiend, "eer is geen deugd!"
"Wel waar!"
"'t Is niet!"
Eduard gooide de theedoek op tafel en pakte Lineke de kwast af, en gillend holde Lineke om de tafel heen, doodsbenauwd voor de natte kwast die haar steeds achtervolgde.
Hijgend smeekte ze eindelijk om genade.
"Wil ik je nou eens vertellen wat het antwoord is?" vroeg Tommy, toen Lineke weer bij 't afwasch-teiltje stond.
"Nou?"
Tommy liep naar de scheurkalender toe, trok het bovenste blaadje er af, en las op: "Vijver, ijver."
"Ja, dat 's nogal glad," merkte Piet op, "'k wist het al lang."
"Je jokt 't! Waarom zei je het dan niet?" Met de druipende kwast wuifde Lineke in Piets richting.
"Nou, 'k wou jullie plezier niet bederven!" antwoordde Piet, en tegen Tommy: "Geef hier!" Toen las hij het nieuwe raadsel op: "In welk geval is vier maal drie elf?"
"Zeg 't nu maar ineens als je 't soms weet!" vond Eduard.
"In géén geval natuurlijk!" zei Piet, het volgende kalenderblaadje afscheurend: "Zie je wel, 't staat er, in geen geval!" En hard lachend kwam hij met het nieuwe raadsel aan.
"Zou je nou niet eens ophouden?" vroeg Lineke eindelijk, toen Tommy en Piet samen een veertiental blaadjes afgescheurd hadden. "Pa zal woedend zijn als hij 't ziet!"
"Dat 's niks," zei Piet, "geef me de gom maar eens." En heel netjes plakte hij de blaadjes achtereenvolgens aan het bovenste puntje weer vast. De twintigste Maart ontbrak, want die had Bep gebruikt om een steek van te vouwen voor een van haar kleine poppetjes.
Piet sloeg hem heel leuk over. -- "Pa zal wel denken: dat is een vreemdsoortig schrikkeljaar," merkte hij op. -- En Tommy, die met aandacht naar de opplakkerij stond te kijken, een likje gom op zijn neus gevend: "Dat 's voor jou, omdat je me zoo mooi hebt helpen afscheuren!"
't Sloeg elf uur toen Hannie en Kees de kamer binnenstapten. -- Een blond meisje van tien jaar in een witte jurk en een jongen van negen in een donker fluweelen pakje.
De ontbijtboel was juist opgeruimd, en haastig gooiden de jongens het kleed over de tafel.
"Wat zijn jullie mooi!" zei Lineke, en ze keek naar haar eigen wollen jurk, waarop de waterspatten duidelijk zichtbaar waren.
"We komen ook op visite!" antwoordde Hannie. "We hadden eerst al om halfelf willen komen, maar Moeke zei dat 't niet beleefd was om zoo vroeg te gaan, en 'k moest de groeten aan je Ma doen."
"Ma is ziek," verkondigde Tommy, Hannie strak aanstarend.
"O," zei Hannie, en Kees vroeg: "Wat zullen we gaan spelen?"
"Verstoppertje door 't heele huis," stelde Piet voor, "aftellen wie hem is."
"Welnee, dat maakt immers veel te veel leven voor Ma!" en Lineke keek hem verontwaardigd aan.
"Laten we dan aan Huug vragen wat voor leuks hij bedacht heeft," vond Eduard, "wil ik hem eens gaan halen?" Bep vertelde dat ze meeging om eens te kijken hoe het met Maatje ging, en samen liepen ze de kamer uit.
Na lang zoeken en roepen vond hij Hugo op zolder. "Ze zijn er!" hijgde Eduard, "heb je wat bedacht?"
Hugo hield even op met timmeren. "Zeker, laat ze maar boven komen!"
"Waar, hier?"
"Ja natuurlijk!"
Eduard verdween om de anderen te waarschuwen.
Met veel lawaai stormden ze de trappen op, en lachend en elkaar duwend kwamen ze op de zolder, waar Kees en Tommy dadelijk op de ringen afvlogen en ieder aan een ring bleven hangen.
"Nou, wat had je nou?" vroeg Piet.
"Wel," zei Hugo langzaam, "ik dacht dat het wel leuk zou zijn om comedie te spelen. 'k Heb aan Ma gevraagd of we de koffer met verkleedgoed mochten gebruiken, en nu ben ik bezig hier in 't midden een gordijn op te hangen." En tegen Hannie en Eduard: "Ken jullie charades?"
Eduard had 't wel eens meer gedaan, maar Hannie nooit, en Piet zou 't uitleggen terwijl Hugo met Linekes hulp 't gordijn verder ophing.
Kees moest ook komen luisteren, maar hij had niet veel zin en bleef lustig aan de ringen zwieren. "Is 't niet prachtig?" riep hij, verrukt over de mooie toeren die hij uitvoerde, waar Tommy met bewondering naar stond te kijken.
"Nou!" zei Piet, terwijl hij Broer, die groote kans liep een schop te krijgen, een eindje achteruit trok, "een aap is er maar een beestje bij, maar kom nou even hier, dan kun je 't ook hooren!" En hij legde uit: "Je bent in twee partijen en één partij bedenkt een samengesteld woord en in ieder tooneel moet een deel van 't woord voorkomen en in 't laatste het geheel. De andere partij moet raden en verder zul je 't wel zien."
En daarna werden de twee partijen gekozen, en Piet en Eduard bleven met Hannie en Tom aan de eene kant van 't gordijn, terwijl aan de andere kant het verdere vijftal aan 't bedenken ging.
Hugo's partij zou 't eerst vertoonen, en "taalboek" kozen ze, na heel wat gefluister. 't Eerste tooneel was een troepje "vreemdelingen," allereigenaardigst uitgedost, waarbij alleen de costuums de toeschouwers zoo aan 't lachen maakten dat ze van "de vreemde taal" niet veel verstonden. 't Eindigde met een "Good bye" van Hugo. -- In 't tweede tooneel speelde Linekes boek de hoofdrol, en Lineke zelf stelde een weerspannige dochter voor; ze vond die rol niet bepaald benijdenswaardig, want de hardhandige "Papa" spaarde haar ooren niet. -- Toen deelde Hugo mede, dat het derde tooneel een school voorstelde, en het kijkende viertal kreeg een in lange groen-zijden sleepjapon gekleede schooljuffrouw te zien, die straffen uitdeelde aan een troepje ongelooflijk brutale kinderen. "Kees Beekman" werd eindelijk in de hoek geduwd, omdat hij zijn "taalboek" vergeten had.
"Laten we nu eens wat anders gaan doen," vond Piet, toen allebei de partijen een paar keer aan de beurt waren geweest en 't hem begon te vervelen.
"Ja," vond Hannie, "laten we nu eens echt comedie-spelen, er zijn zulke leuke costuums, en dan met programma's!"
"Maar dan hebben we geen publiek!" bedacht Eduard.
"Welja!" riep Lineke opgewonden, "dan vragen we Pa om te kijken, en misschien is Ma vanmiddag ook wel wat beter, en Trijntje, en Kreek als hij er is!"
"Een uitgelezen publiek!" spotte Hugo; "maar in ieder geval spelen we toch nooit allemaal tegelijk, en dan kunnen de anderen meekijken."
"Mogen wij ook meedoen?" vroeg Bep onvoorzichtig, want Hugo had al een paar keer gedreigd haar en Broertje naar beneden te zullen sturen als ze hun mond niet hielden. "Zoo lang jullie niet lastig zijn wel!" beloofde hij.
En toen bedachten ze dat ze nu ook een beter tooneel moesten hebben en de groote jongens haalden 't kamerschut van beneden. 't Gordijn kon prachtig als scherm dienst doen.
"Wat moeten we nu opvoeren?" vroeg Lineke, en Hannie, die de inhoud van de koffer nog eens onderzocht had, riep: "O, ik weet iets vreeselijk leuks, we moeten 'De schoone slaapster in 't bosch' doen, er zijn zulke prachtige prinsen- en prinsessecostuums bij, en dan nemen we het tooneel waar ze allemaal in slaap vallen, we hebben 't vroeger eens opgevoerd, en dan zingen we achter de schermen, en ...."
"Achter ~het~ scherm," viel Piet in de rede.
"Nou, achter het scherm dan."
"Nou, en verder?" --
"Nou, verder niks," besloot Hannie nuchter.
Ze lachten allemaal, en toen hoorden ze beneden de bel luiden om te komen koffiedrinken.
De Kapitein zat ze al op te wachten, en met opgewonden kreten werd hij begroet.
"Meneer, we hebben zoo'n pret!"
"Zoo, jongen, dat doet me plezier!"
"Pa, we hebben charades gedaan!"
"En we hebben alles geraden!"
"En nu gaan we echt comediespelen!"
"Komt u ook kijken, Oom?"
"We doen 'de schoone ....'" maar een hand werd plotseling op Beppie's mond gelegd. "St, niet zeggen, 't blijft een verrassing!"
Piet beloofde dat hij programma's zou maken met zijn drukpersje, en Hugo wilde strooken papier op 't kamerschut prikken, waarop stond wat 't tooneel voorstelde.
"En nu weet ik nog wat leuks!" riep Kees.
"Wat dan?"
"Dat zal ik straks wel zeggen!"
"Oom, mag ik uw sabel hebben?"
"Mijn sabel? Waarvoor?"
"Ook voor vanmiddag!"
Oom Tom trok een bedenkelijk gezicht. "Daar moet ik eerst nog eens over peinzen, hoor! Zoo'n gevaarlijk moordwerktuig!"
De koffietafel duurde niet heel lang vandaag, want ze wilden allemaal graag weer zoo gauw mogelijk naar boven gaan. Lineke, die aan het spreekwoord van de slapende honden, die je nooit wakker moest maken, dacht, vroeg maar niet of er nog afgewasschen moest worden.
Boven begonnen ze weer druk te beweren, telkens door elkaar pratend. "We moeten 'Asschepoetster' ook doen!" "Ja, en 'Sneeuwitje!'"
"Allemaal tooneelen en voorstellingen uit bekende sprookjes!"
"Ik wil Klein Duimpje zijn!"
Piet trok Hugo op zij.
"Moeten we nu allemaal van die sloome sprookjes doen?" vroeg hij.
Hugo haalde zijn schouders op. "Och, laten we dat nou maar goed vinden!" zei hij, "dit kennen ze tenminste allemaal, en ze vinden 't leuk!" En tegen Lineke en Hannie, die er over kibbelden wie Sneeuwitje moest zijn: "Zeuren jullie nu niet, en laten we nu eerst de costuums voor de schoone slaapster passen. Lineke is natuurlijk de schoone slaapster, want Hannie moet zingen. Ik zal 't gordijn open en dicht schuiven, en moet de rest hof houding zijn?"
"Ja, één koning, en dan verder pages en zoo."
En het gegrabbel in de koffer begon weer, tot ze allemaal in een passend costuum gestoken waren. En toen moest er een troon gemaakt worden, en voor de prinses werd een stoel gehaald. En Hannie zong achter het scherm, nadat koning, prinses en hof houding zich in schilderachtige houding hadden neergevleid, van de "doodstilte, die voortaan in het slot zou heerschen."
"Slot!" grinnikte Piet, en toen begon hij hard te snurken. Alle edellieden schudden opeens van het lachen.
"Laten we nu Sneeuwitje spelen!" riep Kees, toen 't lied uit was, "dan kunnen de dwergen capes omdoen en de puntmutsen opzetten, en wij hebben thuis nog een echt dwergenpakje!"
"Heb je dan een sleutel?" vroeg Eduard.
"Nee, maar dat geeft niet, we kunnen over het plat klimmen!"
Eduard weifelde. "Is dat niet gevaarlijk?"
"Gevaarlijk? Welnee, er is niks aan! Toe, ga nou gauw mee, zij willen toch eerst Asschepoetster doen en dan kunnen wij 't in die tijd halen." En Eduard meetrekkend liep hij de trap af.
"Zouden we die mooie pakjes niet eerst uitdoen?"
"Maar niet doen," vond Kees, "we moeten ze straks toch weer aantrekken."
Op de meisjeskamer schoven ze 't raam op, en in een wip stond Kees op 't glibberige plat. Eduard klom hem achterna. 't Viel hem niet mee; tusschen de twee schuinafloopende platten was een ruimte van zoowat een halve meter, waar Kees overheen moest, en eigenlijk vond Eduard 't een griezelige tocht.
"Je moet me een hand geven," zei Kees, en voorzichtig liep hij langs de muur over 't plat, terwijl Eduard zich met zijn andere hand aan de vensterbank vasthield. Bij 't raam van zijn eigen kamer deed Kees vergeefsche moeite om 't op te schuiven. "Je moet me komen helpen!" riep hij.
"Wacht dan even!" riep Eduard terug. Hij had bedacht dat 't zeker minder gevaarlijk zou zijn als ze wat meer houvast hadden, en van beneden haalde hij Linekes springtouw, dat hij stevig aan een van de bedden vastbond. Toen, met 't eind van het touw in zijn hand liep hij naar Kees toe, en samen schoven ze 't raam in de hoogte.
't Viel Eduard ineens op hoe gek ze daar met hun tweeën stonden, in hun riddercostuums op 't natte plat in de regen, en toen Kees naar binnen geklommen was ging Eduard op de vensterbank zitten, telkens met zijn laarzen tegen den muur schoppend. Wat zou Vader lachen als Vader hem hier zag zitten! Of zou Vader 't gevaarlijk vinden? Och, welnee, wat was hij toch flauw, en hij had Vader immers beloofd moedig te zullen zijn! Maar dit was zeker niet de moed die Vader bedoelde, en hij had Vader óok beloofd voorzichtig te zijn; voorzichtig was 't heelemaal niet! En als die jongen van negen jaar nu een ongeluk kreeg was 't zijn schuld, want hij was al twaalf, en hij had verstandiger moeten zijn!
"'k Heb 't hoor!" riep Kees vanuit de kamer, en hij hield het rolletje in de hoogte.
"Maak dan maar gauw voort!" en Eduard haastte zich zóó, dat hij, toen Kees weer op 't andere plat stond en hij 't rolletje naar hem toe wilde ballen, te ver gooide, en 't heele dwergenpak kwam in den tuin terecht.
"Laat maar," zei Eduard, "'k zal 't straks wel even halen!" en zich vasthoudend aan het touw liep ook hij weer terug. -- Hij was blij toen ze allebei weer in de kamer stonden.
Voor de tweede maal holde hij de trappen af en zocht in den tuin de verschillende kleedingstukken bij elkaar, want 't rolletje was natuurlijk uit elkaar gevallen. En gauw plukte hij een paar primula's en wat grasjes, om Bep in haar handje te geven als ze straks voor Roodkapje speelde.
"Waar zitten jullie toch?" vroeg Lineke ongeduldig, toen ze eindelijk weer boven kwamen, "we wachten al een uur op jullie!" En Broertje vertelde, dat hij Klein Duimpje was geweest, en dat hij Pa's groote kaplaarzen had mogen aanhebben.
"Maar dit is allemaal groote repetitie," zei Hugo, "nu Sneeuwitje en Roodkapje nog, en dan gaan we Pa en zoo roepen."
"Vijf tableaux is ook eigenlijk genoeg," vond Piet. Van 't sabeltooneel hadden ze moeten afzien, want Bep wilde niets van Blauwbaard weten, en tot Roodkapje was ze alleen maar te bewegen geweest als de wolf er niet bij te pas kwam.
Piet hoefde verder niet meer mee te spelen, en terwijl Hugo de anderen commandeerde en vertelde waar ze allemaal zitten moesten, schreef hij de programma's vast en zocht beneden een doosje Bengaalsche lucifers op. -- 't Drukpersje was nergens te vinden geweest. -- Eindelijk riepen ze van de zolder dat alles klaar was, en Piet ging 't publiek halen. -- Alleen de Kapitein kwam mee naar boven; Tante Lina was wel opgestaan, maar had nog niet veel lust om de heele vertooning bij te wonen, en beloofde, straks misschien nog even te komen. --Trijntje beweerde dat ze niet van haar eten af kon, en Kreek was er niet.
"Kinderen, wat is 't hier koud!" zei Oom Tom toen hij op zolder stond. Hugo zette een stoel voor hem neer en gaf hem een programma. "Wacht u nu maar even, zoo meteen zult u 't wel warm krijgen!" zei hij, en zijn hoofd om het gordijn stekend: "Ben je klaar, Piet?"
"Wacht even!" fluisterde Piet, die juist de koningsmantel omgegooid had, en de kroon opzette: "Nou, vooruit maar!"
En met een plechtige beweging schoof Hugo 't gordijn open.
De Kapitein had even moeite niet hardop te lachen, maar toen 't zingen begon keek hij weer ernstig, en heel aandachtig luisterde hij tot 't lied uit was.
"'t Is heel mooi!" verklaarde hij, en de kleinste slapende page werd opeens wakker en vertelde dat er nog meer kwam.
Achter 't dichtgetrokken gordijn volgde een druk gefluister en geschuifel om 't Asschepoetster tableau voor te bereiden, en Oom Tom kreeg gezelschap, want deze keer waren er maar drie spelers, Asschepoetster, de Prins en de Fee, die door Bep, Tom en Hanny voorgesteld werden.