Eduard Kerner

Part 10

Chapter 104,229 wordsPublic domain

"Ja, dat hoort erbij!" herhaalde Piet, en hard riep hij: "Zeg, halen jullie eens een emmer water, we moeten er een doopen!"

"Da's goed, dat wil ik wel doen!" antwoordde een hooge stem. Vier hoofden kwamen nieuwsgierig boven den kuil uitkijken.

't Was Lineke, die met Bep aan was komen loopen. "Waar heb je den emmer?" vroeg ze.

Eduard gaf een emmer aan en Lineke liep er mee naar de keuken.

De jongens hadden hun schoppen neergegooid en waren naar boven geklommen om de doopplechtigheid te doen beginnen. "Vind je 't niet griezelig?" vroeg Tommy aan Kees, maar Kees antwoordde dat de heele dooperij hem zoo koud als een kip liet.

"Wat 'n branie!" lachte Wouters, "wacht maar, jongetje, straks zul je wel anders piepen!"

Lineke kwam met den emmer aansjouwen. 't Was zwaar, ze hijgde er van, en van Merlen sprong ineens op en liep naar haar toe om 't vrachtje van haar over te nemen. Eduard keek er verbaasd naar; dat was nou iets waarover hij nooit gedacht zou hebben, en toch vond hij 't erg aardig. --

"Nu mogen we verder toch wel mee blijven doen, he?" vroeg Lineke onvoorzichtig.

"Dat kun je begrijpen!" antwoordde Wouters, "we zijn al met meer dan genoeg!" en Piet voegde er bij, met zijn hoofd naar 't huis wijzend: "Gaan jullie maar stil weer weg, we willen er geen kleine meisjes bij hebben!"

"Ze zouden voor krijgsgevangenen kunnen dienen!" stelde Tersteeg voor.

"Da's wat anders!" zei Wouters, "da's goed, dan stoppen we ze in den kuil en nemen 't laddertje weg!" en met groote passen liep hij naar Bep toe, die bij de rand van den kuil stond en aandachtig naar beneden keek. Maar Lineke pakte haar zusje bij de hand. "Kom mee, Bep!" zei ze met een minachtenden blik naar de jongens, "ze willen niet met ons spelen, we zullen wat gaan schommelen!"

Zwijgend keken de Manahawaas de twee meisjes na, die zonder om te kijken naar den schommel gingen, toen zei Eduard met een kleur: "Wat 'n flauwe kerels zijn jullie, waarom mogen ze nou niet meedoen?"

"Hoor hem!" hoonde Tersteeg, en Wouters snauwde kwaad: "Hou je er buiten, jong kalf! Als je wat aan te merken hebt ruk je maar uit!" en tegen de anderen: "Ziezoo, nu zullen we met doopen beginnen, kleine Verhey, haal jij eens een glas!"

Eduard stopte zijn handen in zijn zakken, en tegen een boom leunend bleef hij er naar kijken hoe ze Kees een glas water in zijn gezicht gooiden en toen onder veel gelach het water gingen "opdoopen" en elkaar kletsnat smeten. Even verder stond van Merlen zijn fiets op te pompen.

Langzaam slenterde Eduard naar den schommel toe, waar de nichtjes aan 't spelen waren, maar ze waren nog niet in de rechte stemming, en Eduard was te veel uit zijn humeur om gezellig mee te doen.

"Waar ga jij naar toe?" riep hij even later tegen van Merlen, die met zijn fiets den tuin doorliep.

"Naar huis!" riep van Merlen terug, "'k heb om halfvier les!"

"Welke kant ga je?"

"Door 't bosch!"

"Wacht even, dan ga 'k mee!" van Merlen bleef staan, en Eduard vervolgde haastig: "zet jullie ook je hoed op, in 't bosch kunnen we veel leuker spelen dan hier bij dien vervelenden schommel!"

Tante Lina hoorde 't viertal de gang doorloopen en de voordeur dichttrekken, maar ze liet ze maar stilletjes gaan, blij met haar rustigen Zaterdagmiddag.

"Vond jij 't nou ook niet flauw?" vroeg Eduard aan van Merlen, toen de meisjes even voor een winkel bleven staan.

Van Merlen haalde zijn schouders op. "Och, voor mijn part hadden ze wel mee kunnen doen," zei hij, "maar als Wouters eenmaal zoo iets in zijn hoofd haalt geeft het je toch niks om er wat tegen in te brengen. Je bederft je eigen plezier en je wordt nog uitgescholden op den koop toe. Hugo is een veel leukere president dan hij."

"Hij heeft praats voor zes en 'n hoop lèf!" vulde Eduard aan, blij dat hij eens op Wouters kon schelden.

"Nou!" van Merlen knikte veelbeteekenend, "en Piet en Tersteeg doen hem alles na!"

In 't bosch zei van Merlen dat hij geen tijd meer had en door moest trappen.

"Saluut!" riep hij, en Lineke haalde een bal uit haar zak en vroeg of ze nu wat wilden gaan ballen.

"Hoedjebal!" zei Eduard, en met zijn hak trok hij een streep in 't zand voor de lijn. --

Pas om halfvijf gingen ze naar huis toe, rood en warm van het harde loopen, en Lineke legde de bloemen die ze geplukt had even in 't gras om haar hoed op te zetten. --

"Komen jullie eens hier!" riep Bep, die al vooruit geloopen was, en toen Eduard en Lineke bij haar stonden: "Kijk, een vogeltje!"

Ze bogen zich er alle drie over heen, en Eduard ging er bij op zijn knie liggen en nam 't voorzichtig op. "'t Is dood!" zei hij.

Nieuwsgierig keken Bep en Lineke er naar. "Nee," riep Lineke, "'t is niet dood, kijk maar, 't beweegt zijn pootje!"

Opeens begon 't vogeltje angstig te piepen.

"'t Is zeker uit 't nest gevallen," zei Eduard, "'t is nog een jong vogeltje, zie je wel?" en zacht streek hij met zijn vinger over 't kopje.

"'t Piept zeker zoo om zijn vader en moeder," fluisterde Bep; "arm klein vogeltje!" en Lineke vroeg: "Toe Edu, laten we 't mee naar huis nemen, dan kunnen we 't frisch water en eten geven, hier gaat het zeker dood!"

[Illustratie - 19_vogeltje.jpg]

Eduard was opgestaan; nog steeds hield hij 't vogeltje zijn in zijn hand. "Ik vind 't natuurlijk goed om 't mee te nemen," zei hij, "maar hoe krijgen we 't thuis?" en tegen Lineke: "wil jij 't dragen, zeg?"

Lineke strekte haar hand uit, maar trok die haastig terug. "Doe jij 't maar liever," vroeg ze, "je houdt het nu óók zoo voorzichtig vast!"

Eduard ging naar 't pad terug en Bep en Lineke kwamen ieder aan een kant naast hem loopen, telkens naar 't vogeltje kijkend. 't Piepte nu niet meer, stil lag 't in Eduards hand, en met angstige, verschrikte oogjes keek het rond.

"Zielig klein dier!" zei Lineke medelijdend, en Bep vroeg nog eens: "Knijp je 't vooral niet, Eetje?"

Eduard schudde van nee, en langzaam ging het naar huis. --

"Kinderen, waar hebben jullie toch gezeten?" vroeg Tante Lina, toen ze eindelijk thuis waren.

"In 't bosch, Tante!" antwoordde Eduard, en Lineke legde uit: "We hebben een klein vogeltje gevonden, Ma, en nu wilden we het in een sigarenkistje met gras leggen en dan wat brood en melk om het te voeren, en ...."

"Ja, 't is goed," viel Tante Lina in de rede, "ga je gang, maar niet in de huiskamer alsjeblieft, breng 't maar in 't schuurtje."

XVI.

Met een voldaan gevoel legde Eduard zijn viool in de vioolkist. Heerlijk vroeg was 't, nog geen acht uur, en hij had al drie kwartier gestudeerd. De etude ging goed, en 't menuet speelde hij ook bijna zonder fouten.

Eduard was 't eerst van allemaal naar beneden gegaan vanmorgen; terwijl hij aan 't studeeren was had hij de anderen langzamerhand ook hooren komen, maar ze hadden hem niet gestoord, en vlijtig had hij doorgespeeld, drie kwartier lang. Nu naar de huiskamer, en kijken waar ze allemaal zaten!

Maar hij vond er niemand; 't ontbijt stond klaar en 't theewater suisde gezellig, en hij wilde juist den tuin inloopen om eens te kijken of ze daar soms waren toen Tante Lina en Hugo binnen kwamen.

"Wel Edu, wat ben jij matineus!" zei Tante Lina, "'k wist niet wat ons overkwam toen we daar met vioolspel gewekt werden!"

"'k Was zoo vroeg wakker," vertelde Eduard, "en toen ben 'k maar opgestaan ook!"

Tante Lina begon boterhammen te snijden, en Hugo plaagde: "Ja, ja, als luie menschen vlug worden ...."

"Nou, ik vind me zelf gewoonlijk toch niet zoo heel erg lui," merkte Eduard op; "vindt u wel, Tante?"

"Nee, niet zoo héél erg," lachte Tante Lina, de thee opschenkend; "kijk eens wat op je bord ligt, Edu!"

Eduard keek nieuwsgierig naar zijn bord en nam de briefkaart op.

"Van Vader," zei hij, toen hij Vaders bekende letters op het adres ontdekte, en dadelijk draaide hij de kaart om en begon te lezen.

"Beste jongen,

Als je deze kaart krijgt zit ik alweer midden op zee en duurt het niet lang meer of ik ben weer bij je. In 't eind van de volgende week ga ik weer aan boord, en ik begin er erg naar te verlangen om weer thuis te zijn. Wat zullen we elkaar veel te vertellen hebben, he Pepi? Gisteren heb ik je brief gekregen waarin je schreef over 't comediespelen op zolder. Je kunt gezellig vertellen, hoor! Veel groeten van Vader. --

"Vader schrijft dat Vader gauw thuiskomt!" zei Eduard opkijkend, en tegen Oom Tom, die ook beneden gekomen was: "Weet u, wanneer Vader nu precies hier kan zijn, Oom?"

"Precies weet ik 't niet," antwoordde de Kapitein, "de aankomst van de booten verschilt wel eens een paar dagen, maar als 't een beetje wil zullen we je Vader over een week of twee wel zien verschijnen, denk ik."

"Vandaag over twee weken? Dus op een Donderdag?"

"Ja hoor, ik kan er geen eed op doen," lachte Oom Tom, "ik ben geen orakel!" en 't ochtendblad opnemend: "als je nu nog wilt dat je Vader in Genua een brief vindt moet je met schrijven niet al te lang meer wachten!"

Eduard knikte, en Tante Lina vroeg: "Heeft Vader nog iets nieuws te vertellen, Edu?"

"Nee Tante, niets nieuws." Even keek hij nog naar wat Vader geschreven had, toen gaf hij de briefkaart aan Tante Lina en zei: "U mag 't wel lezen als u wilt." En strak bleef hij Tante Lina aankijken tot zij de briefkaart gelezen had en hem zonder iets te zeggen aan Eduard teruggaf. --

"We zullen Edu missen," merkte ze even later op. --

"Komen jullie ontbijten?" riep Hugo tegen de kleintjes, en toen ze 't niet schenen te hooren liep hij zelf ook den tuin in en herhaalde, wat harder nu "Komen jullie ontbijten, zeg?"

Nu kreeg hij antwoord, en langzaam kwamen ze opdagen. Alleen Broertje sprong en kraaide even vroolijk als gewoonlijk, de andere drie keken stil voor zich uit, en 't eerste wat Lineke zei toen ze binnenkwam was: "O Edu, Hansje is dood!"

Eduards prettige stemming verdween opeens; "wat?" vroeg hij verschrikt, en Tommy zei nog eens na wat zijn zusje zooeven gezegd had: "Hansje is dood."

Hansje was 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag in 't bosch gevonden hadden. Vier dagen lang was 't nog blijven leven, ze hadden 't in een leeg sigarenkistje gezet met wat frisch gras en 't mooiste dekentje uit Beps poppenwieltje, en ze hadden 't gevoerd met in melk geweekt wittebrood. Maar toen ze vanmorgen kwamen kijken had Hansje niet gepiept of zijn bekje open gedaan; heel stil was hij op 't gras in 't kistje blijven liggen, zonder zich te bewegen, en toen Lineke hem opnam was hij al heelemaal stijf.

Lineke deed 't heele verhaal met een treurig gezichtje.

"'t Is jammer," vond Tante Lina; "jullie hadt het ook maar liever in 't bosch moeten laten, dan waren de oude vogels het misschien wel komen voeren; melk en wittebrood is geen geschikt eten voor een vogeltje."

"Denkt u dat 't dan niet dood gegaan zou zijn?" vroeg Tommy.

"Lieve jongen, dat weet ik toch niet!" antwoordde zijn Moeder.

De deur ging open en Piet kwam binnen. Hij had zich verslapen vanmorgen, en Oom Tom keek van zijn courant op en zei: "'k Zou nog een beetje later beneden komen als 'k jou was!"

"'k Werd zoo laat wakker," verontschuldigde Piet zich, en hij begon aan zijn boterhammen; "wat zetten jullie allemaal tragische gezichten, wat is er voor narigheid gebeurd?"

"Hansje is dood," vertelde Bep.

Piet begon te lachen. "Zoo, is dat halfdooie beest eindelijk gecrepeerd," zei hij, "da's wel de moeite waard om zoo'n doodgraverssmoel ...."

Een hevige vuistslag op de tafel deed de kopjes rinkelen en verschrikt knipte Bep met haar oogen.

Piet zweeg plotseling.

"Alsjeblieft!!" barstte de Kapitein nijdig uit, "zulke taal kun je voor je houden, begrijp je! Die verkies ik hier niet te hooren, van jou niet en van niemand anders!"

Onverschillig haalde Piet zijn schouders op, maar hij zei niets meer, en op de klok kijkend begon hij te eten met een haast alsof hij minstens uitgehongerd was. Toen dronk hij zijn glas melk leeg, stond op, riep bij de deur "saluut!" dat voor iedereen bestemd scheen die er naar wilde luisteren, en vertrok. De Kapitein riep hem terug, maar Piet hoorde 't niet of deed alsof hij 't niet hoorde, en juist op het oogenblik dat Oom Tom de huiskamerdeur opende werd de voordeur door zijn zoon dichtgetrokken.

Met een gezicht dat niet veel goeds voorspelde ging de Kapitein weer in de courant zitten kijken.

Hugo begon zijn boeken bij elkaar te zoeken en ook de anderen maakten aanstalten om naar school te gaan.

"Moet Hansje daar nu maar zoo in dat kistje blijven liggen?" vroeg Bep, en Lineke antwoordde: "We zullen hem begraven, tusschen twaalf en twee, dan help je immers, Edu?"

"Ja goed," beloofde Eduard, en Tommy zei dat hij om twaalf uur hard naar huis zou hollen om een kuil te graven.

"Dan zal ík vanmorgen bloemetjes plukken," bedacht Bep, "in een mandje, als we met Juf gaan wandelen."

Eduard knikte, sjorde in de gang zijn tasch om, zette zijn pet op, stopte zijn handen in zijn zakken, en ging naar school.

Mal toch, dat hij het nu naar vond, dat 't vogeltje dood was. De kleintjes vonden 't ook wel akelig, maar die waren ook allemaal zooveel jonger dan hij. Piet lachte er om, had ze er al mee geplaagd sedert ze met Hansje thuis waren gekomen, en Hugo --nou, die vond zichzelf er natuurlijk veel te groot voor. En de andere jongens? Meertens of Theo? Och, natuurlijk zouden ze hem ook uitlachen; hij durfde ze 't immers niet eens te vertellen! Of durven wel, hij durfde 't best te vertellen, natuurlijk, maar hij deed 't niet, hij wilde 't niet eens vertellen, 't kon hem niks schelen of ze lachten of niet, ze hadden er niks mee noodig. Hij mocht denken wat hij wilde, dat hoefde hij aan niemand te vragen, en je kon er ook niets aan doen hoe je over iets dacht, of je iets naar vondt of niet, dat was nu eenmaal zoo. Zou hij nu heusch kinderachtiger zijn dan de andere jongens? Of zouden ze allemaal wel eens zooiets náár vinden zonder dat ze 't aan iemand wilden zeggen? Piet zeker wel niet, die lachte altijd maar om alles, maar Theo bijvoorbeeld, dat was nu weer een heel andere jongen ...

"Hei, Kerner, wacht even!"

Eduard keek om en bleef staan. 't Was van Hamel, die achter hem aan kwam hollen: "Heb je je sommen af?" hijgde hij al op een afstand.

"Ja," zei Eduard, die ze wonder boven wonder eens alle drie had kunnen maken, "'k vond ze nogal makkelijk."

"Wat heb je eruit?"

"Weet ik 't, denk je dat ik dat zoo lang onthoud?"

"Nou, kijk dan eens, dan kunnen we zien of we ze goed hebben!"

Maar Eduard liet zijn schrift kalm in zijn tasch zitten. "Zooveel kan 't me niet schelen, hoor, zal 'k wel zien als ik 't schrift terugkrijg," zei hij, "hebben jullie gisteren lang moeten blijven?"

"Tot halfvijf," vertelde van Hamel, "we hebben ons dood gelachen, we moesten regels schrijven, en Snijders ging de klas uit; nou, die regels waren in twintig minuten klaar, en Snijders arriveerde nog steeds niet, en toen heeft Wim Reinders allerlei moppen zitten vertellen, we waren gewoon slap, en Groeneveld schreef onder zijn regels: 'Dag mijnheer Snijders, ik ga maar vast weg. Tot morgen.'"

"En ging hij echt weg?" vroeg Eduard.

"Welnee, dat durfde hij met al z'n branie natuurlijk niet, hij liet 't staan tot Snijders eindelijk weer binnenkwam, en toen veegde hij 't gauw uit; maar Snijders zag 't net nog, en Groeneveld wou niet zeggen wat er gestaan had, en Wim Reinders en ik zaten maar te lachen."

"Nou en toen?"

"Nou, toen niks meer, Snijders was woedend, maar daar gaven we natuurlijk geen cent om, en ..."

"Zeg, laten we een beetje doorloopen," viel Eduard, die op de torenklok gekeken had, hem in de rede; "'t is twee minuten!"

En samen zetten ze 't op een hollen, tot ze eindelijk buiten adem bij school waren en Beek de deur voor hun neus dicht deed.

Eduard belde aan. "Zoo'n mispunt," zei hij.

"Ga nu gauw mee, Eetje!" vroeg Bep, toen 't koffiedrinken afgeloopen was, "ik heb een heeleboel bloemetjes geplukt!"

"En ik heb gehelpt!" voegde Broertje er bij, "en Tommy heeft een kuil gegraafd!"

"Wat gaan jullie in vredesnaam uitvoeren?" vroeg Piet, en toen, alsof hem opeens een licht opging: "Groote goedheid, daar gaan ze me nou die dooie vogel begraven! Daar moet je toch ook wel niet goed je weet wel voor zijn!" en veelbeteekenend wees Piet naar zijn voorhoofd. "Waarom keilen jullie dat dooie beest niet over de heining?"

"Omdat we 't begraven gaan," zei Eduard kort.

Piet begon te grinniken. "Heel aardig maar toch niet erg!" plaagde hij.

"Piet, denk er om wat Papa vanmorgen gezegd heeft!" waarschuwde Tante Lina.

"'k Druk me nu anders heel betamelijk uit!" mopperde Piet.

De vier kleintjes waren al naar 't schuurtje toegegaan, en ook Eduard liep den tuin in, maar Tante Lina riep hem terug.

"Heb jij vanmorgen de karaf op je waschtafel gebroken, Edu?"

"O, ja, da's waar ook!" zei Eduard; hij had aan de heele karaf niet meer gedacht.

"Jullie zijn toch ook altijd zoo vreeselijk onvoorzichtig," bromde Tante Lina, "'t is altijd smijt maar toe, om de haverklap breekt er iets ..."

"Zoo, is die ook al ter ziele," plaagde Piet, "nou, je gaat toch aan 't begraven, nou kun je de treurige overblijfselen van die karaf meteen een plechtige uitvaart bereiden!"

Eduard gaf geen antwoord meer en liep naar de kleintjes toe. Alles verveelde hem opeens gruwelijk, en Piet was nog 't vervelendste van de heele boel.

"Kijk eens!" riep Lineke. --

Daar lag 't vogeltje, op een bedje van gras en bloemen. "Ligt hij zoo niet lief?" vroeg Lineke, terwijl Eduard keek, "nu willen we het kistje verder heelemaal met bloemen opvullen, en moeten we dan de deksel er los opleggen of vasttimmeren?"

"Laten we er maar liever een paar spijkers inslaan," vond Eduard; "is de hamer hier?"

Lineke begon bloemen in het kistje te leggen en Tommy haalde den hamer en wat kleine spijkertjes.

"Er blijven nog een heeleboel bloemen over!" zei Bep, en "nou, die kunnen we dan straks over de kuil strooien," antwoordde Lineke, terwijl ze de deksel op 't kistje hield en op Eduard wachtte.

En Eduard nam den hamer en begon het eerste spijkertje er in te slaan. "Doe je 't voorzichtig, Eetje?" vroeg Beppie, met tranen in haar groote blauwe oogen.

Eduard knikte, en zwijgend keken ze er alle vier naar hoe hij de spijkers eén voor eén opnam en in het kistje sloeg.

"Nou is 't klaar," zei hij eindelijk, en hij legde den hamer neer. --

Toen nam Lineke het kistje op en bracht het naar den kuil toe.

"'t Is hier een mooi zonnig plekje, he?" vroeg Tommy, en "arm klein vogeltie," zei Broertje zacht.

En Lineke zette het kistje in den kuil en Tommy schepte de aarde er overheen; op 't kleine heuveltje liet Bep al de bloemen uit haar schortje vallen. --

"Kinderen, zijn jullie nog niet naar school? 't Is kwart voor twee!" riep Tante Lina uit de huiskamer.

"Ja Ma, we gaan al," riep Lineke terug, en ze nam Bep en Broertje elk bij een hand en bracht ze op een sukkeldrafje naar de zandhoop toe.

[Illustratie - 20_begraven.jpg]

"Gaan jullie wat zandtaartjes bakken," zei ze, "maak er maar een heeleboel, en erge mooie, dan komen we om vier uur bij jullie koopen! Dag!"

Tommy was al weggehold, doodsbenauwd voor te laat komen.

Eduard ging zijn fiets uit de gang halen; je hoefde hier nooit te vragen of je mocht fietsen of niet, je deedt altijd maar waar je zelf zin in hadt.

Aldoor nog moest hij denken aan 't vogeltje, dat ze Zaterdagmiddag uit het bosch hadden meegebracht; in zijn hand had hij 't mee naar huis genomen, een klein, warm, beweeglijk diertje; nu was het dood, en koud, en stijf; ze hadden het begraven, en nooit zouden ze 't weer terugzien. Zou het zijn warme nestje en het bosch hebben gemist? Zou het naar de oude vogeltjes terugverlangd hebben? Zeker had het zich hier wel heel eenzaam en verlaten gevoeld; en nu was het dood gegaan.

Eduard opende de voordeur om zijn fiets naar buiten te rijden. En opeens dacht hij aan zijn Moeder; aan die laatste vreeselijke dagen, toen Moeder zoo heel erg ziek was geweest, en aan dien ochtend, toen hij wakker werd en Vader bij zijn bed stond, die hem vertelde, dat Moeder niet meer leefde ....

Eduard wipte op zijn fiets en reed naar school. Eerste uur rekenen en tweede uur geschiedenis; ba, stom-vervelende middag!

XVII.

"Dag Pa! Dag Maatje! Dag! Dag!" en telkens keken ze nog eens om, de vier kleintjes, en dan wuifden ze tegen Oom Tom en Tante Lina, die op de stoep de kinderen stonden na te kijken. 't Was een grappig gezicht om ze daar met hun vieren zoo deftig te zien wegstappen naar de verjaarpartij, waar ze zich al de heele week op verheugd hadden, Lineke en Bep in de nieuwe lichtblauwe jurken en de twee kleine jongens in de schoone witte matrozenpakjes; bij den hoek bleven ze nog even staan om nog eens allemaal tegelijk te wuiven -- toen waren ze verdwenen.

Lachend gingen Oom Tom en Tante Lina weer naar binnen. In de gang waren de jongens bezig zich klaar te maken voor een fietstocht. --

"Waar hebben jullie mijn portemonnaie toch gelaten?" vroeg Piet; "ik weet zeker dat er nog drie maffies en een paar centen in zaten, en we moeten toch geld bij ons hebben!"

"Die zul je zelf wel ergens gelaten hebben!" antwoordde Eduard; "zeg, hebben jullie de zuurtjes soms gezien?"

"Ja, die heb ík soms gezien," zei Hugo, "de zak tenminste, die ligt binnen op den schoorsteenmantel, maar stop ze niet in je blouse of zoo, want dan kleeft het heele partijtje aan elkaar."

"'k Zal ze in mijn fietstaschje douwen," bedacht Eduard, "neem jij nog een jas of zoo iets mee?"

"Ja, 'k zal gek zijn," zei Hugo, stevig op 't zadel van zijn fiets drukkend om 't wat lager te zetten, "er is notabene geen wolkje aan de lucht!"

"Nou heb ik nog altijd m'n portemonnaie niet!" mopperde Piet.

"Daar kan ík toch niks aan doen!" merkte Eduard op, en Hugo adviseerde zijn broer om nu eens met zijn oogen inplaats van met zijn neus te kijken.

"Hij zal in den zak van je andere broek zitten!" zei Tante Lina, "ga boven maar eens kijken, en trek dan meteen je laarzen aan, met die oude fietsschoenen kun je niet uit, de lappen hangen er bij!"

"Nee dàt doe 'k niet," verklaarde Piet kwaad, "met laarzen kun je niet fietsen!"

Maar de Kapitein, die zwijgend had staan toekijken, was 't niet met zijn zoon eens. "Nonsens!" beweerde hij, "je doet het wél, dat eeuwige tegenspreken van jullie!"

"Ik heb ook geen tijd meer, we moeten weg," bromde Piet, maar zijn Vader viel hem in de rede: "Je hebt gehoord wat Mama gezegd heeft, he? En anders kun je thuis blijven! Alsjeblieft!" En mopperend ging Piet naar boven; 't was toch te mal om je door dat gezeur je heele prettige Woensdagmiddag te laten bederven!

"Nou, ik ben klaar!" zei Eduard, de fietspomp neerleggend, en hij draaide 't ventieldopje van 't achterwiel weer vast; toen bracht hij zijn fiets naar buiten. "Moeten jouw banden ook nog opgepompt, Huug?"

"Nou, een ietsje mogen ze nog wel hebben. Wil jij 't even doen, zeg? Dan kom ik ook dadelijk."

Tante Lina en Oom Tom waren weer naar de huiskamer gegaan, en Eduard begon de banden van Hugo's fiets op te pompen. Terwijl hij bezig was hoorde hij de andere jongens al aan komen rijden, hard tegen elkaar roepend en lachend; daar sprongen ze alle vier van hun fietsen af, en "komen jullie?" galmde 't door de gang.

"Ja, we zijn klaar!" riep Hugo terug, en haastig kwam hij aanhollen; even drukte hij zijn duim op de fietsbanden; "nou, ze zijn kei, hoor!" zei hij tegen Eduard, "'t is prachtig zoo!" en met zijn fiets de voordeur uitgaande: "Dag Pa, dag Ma!"

"Dag Oom, dag Tante!" riep Eduard.--

"Zeg, waar blijft dat lieve broertje van je?" vroeg Wouters aan Hugo.

"Nou, die zal direct wel arriveeren," antwoordde Hugo; "de liefheid kun je anders van me cadeau krijgen!" --

"Zoo Kernertje! Ga jij ook mee?" vroeg Tersteeg, en: "Ja, als jij 't goed vindt tenminste," lachte Eduard, die al op zijn fiets was gewipt en zich aan de lantaarnpaal vasthield om op de anderen te wachten.

"Nou, dat is maar zoo-zoo," zei Tersteeg met een ernstig gezicht, "dan mag je wel heel zoet zijn, hoor!"

"En doen wat jij zegt zeker!" voegde van Merlen er bij. "Laat je niet voor de gek houden, Kerner!"