Eduard Kerner

Part 11

Chapter 114,295 wordsPublic domain

"Zoo, is hij weer aan 't opsnijden?" vroeg Ronner, een speciale vriend van Hugo, en plagend trok hij Tersteeg aan zijn dasje.

"Toe, hou je klavieren thuis!" schreeuwde Tersteeg.

Met veel drukte kwam Piet het huis uitstormen; zijn fiets rammelde over de keien, en 't aan de anderen overlatend om de deur dicht te trekken sprong hij op, trapte met veel vaart het troepje bij de lantaarnpaal voorbij, en riep achteromkijkend: "Zie je wel, nou ben ik nog het eerste van allemaal! Wat zijn jullie toch vreeselijk aan 't teuten, zeg!"

Lachend kwamen de jongens hem achterna.

"Nou allemaal naast elkaar!" commandeerde Hugo, "en dan allemaal een hand op den schouder van je buurman!"

Ze vulden bijna de heele breedte van de straat, de zeven fietsen, en telkens keken de menschen, tot groot plezier van de jongens; en iedere keer sloot de rij zich weer aan als ze zich even hadden moeten verdeelen om een rijtuig of een auto door te laten.

"Zeg lui! Bij de Dooi gaan we chocola koopen!" riep Ronner.

Van die naam had Eduard nog nooit gehoord; "wat is dat voor een winkel?" vroeg hij.

"Weet je dát niet eens? Komt zeker omdat je nog niet op de Burger bent," zei van Merlen, "'t is die winkel aan 't eind van de straat, de Vries heet hij, maar we noemen hem altijd de Dooi, de meeste jongens weten geloof ik niet eens dat hij de Vries heet!" en tegen Ronner: "Fuif jij op chocola, zeg?"

"Zeker," antwoordde Ronner. --

"Vooruit lui, allemaal naar binnen," grinnikte Piet, van zijn fiets springend. Met veel gerammel werden de fietsen tegen den muur gezet, en Wouters gooide de winkeldeur open.

Met een beetje dringen konden ze er alle zeven in. "Haring in een ton!" smoesde Piet.

"Nee, sardientjes in een blikje!" proestte Tersteeg.

"Meneer de Dooi, hebt u nog chocola?" informeerde Ronner, over de toonbank hangend.

"Wilt u een tablet hebben?"

"Toe, schei uit," zei Ronner tegen Wouters, die hem tegen zijn arm stond te stompen, "he, wat zegt u? O ja, een tablet."

"Een tablet -- wat een pret," dichtte Piet.

"'n Leuke zet," beweerde van Merlen, en proestend vervolgden de jongens:

"En zoo net!"

"Stop 'm onder je pet!"

"Dan wordt-ie vet!"

"Deze is van vijftien cent," zei de winkelier, de pakken chocola op de toonbank uitstallend en meteen zijn best doende de jongens alle zeven in het oog te houden, "en deze van twintig cent, vijfentwintig cent, dertig cent ..."

"Hoeveel is die?" wees Ronner aan.

"Vijftien cent."

"Wat zegt u?"

"Vijftien cent."

"Da's drie keer," zei Hugo half hard.

Ze stonden allemaal met vuurroode gezichten te stikken, en Ronner vroeg, en hij moest twee keer opnieuw beginnen omdat hij niet verder kon van 't lachen: "Is dat erg gemeen goed?"

De winkelier werd kwaad. "De kwaliteit van de andere is natuurlijk beter," zei hij, "maar die van vijftien cent is ook heel goed."

"Nou, laten we dan die 'ook heel goede kwaliteit' maar nemen," vond Ronner, en hij haalde wat klein geld uit zijn broekzak en begon de vijftien centen op de toonbank uit te tellen.

"Wat heb ik een mooi kalotje op," grinnikte Piet, maar nu had "Meneer de Dooi" er genoeg van, en hij schold het heele partijtje de winkel uit; lachend stoven de jongens naar buiten, en even later trapten ze er weer lustig op los.

"Nou twee aan twee en de rest in troepjes!" schreeuwde Ronner, want de weg werd nu te smal om allemaal naast elkaar te rijden, en zelf gaf hij het voorbeeld door met Hugo vooraan te gaan. "En nou eens een beetje doortrappen, lui, anders komen we nooit bij 't kristallen paleis."

't "Kristallen paleis" was 't doel van de tocht, een open plek ergens in de bosschen, die door de jongens zoo gedoopt was; 't eenige bizondere dat je er zag was een vervallen hoop steenen, als treurig overblijfsel van het kristallen paleis, dat daar in vroeger eeuwen gestaan moest hebben. --

In koor de nieuwste straatdeun fluitend fietsten de jongens verder, langs villa's en groote tuinen en vijvers met overhangende boomen, en daartusschen weilanden met koeien, waarover de zon vroolijk scheen.

Eduard genoot; wat was 't ook een prachtige dag voor een fietstocht! Zoo heerlijk frisch en lekker was 't hier buiten, je voelde je zoo echt vrij, en 't hinderde toch ook eigenlijk niets dat de jongens allemaal ouder waren dan hij, ze waren toch wel leuk, en zulke geestige dingen konden ze zeggen, zooals straks bij de Dooi; 't was toch vreeselijk moppig om zoo met je allen uit te zijn, en dan straks de proviand opeten en spelen bij 't kristallen paleis ...

"Hoe is 't toch met 't hol van de Manahawaas?" vroeg van Merlen naast hem.

"O, best!" zei Eduard lachend, "maar we hebben er niet veel meer aan gedaan, de boel ligt er nog net zoo; we moeten 't op een andere keer maar eens vervolgen, he?"

"Nou, daar zal wel niet veel meer van komen," dacht van Merlen, "laten we liever een fietsclub oprichten, en dan geregeld tochtjes met elkaar maken, dat doen ze in de vierde ook."

"Ja, dat zou fijn zijn!" vond Eduard, en hij philosopheerde er over of ze 't goed zouden vinden dat Theo dan ook meeging; de volgende week zou Theo de beloofde fiets krijgen.

"Die vierde is zoo'n echte leuke klas!" vertelde van Merlen, en hij begon een verhaal te doen over de vierde-klassenaren, hoe die laatst mokkataartjes besteld hadden en ze op school hadden laten bezorgen met het adres: "aan de dames en heeren van de vierde klas." -- "Nou was de mop dat ze 't laatste uur een leeraar hadden, die 'mokkataartje' genoemd wordt. Nou, tusschen de uren in bracht Laatsemaar 't zaakje binnen, en toen draaiden de jongens de klas van binnen af, en hielden uitdeeling; één taartje legden ze heel voorzichtig op een wit papiertje, en zoo zetten ze het op de tafel waaraan 'mokkataartje' zitten moest. Die had in die tusschentijd al aan de buitenkant tegen de deur staan trommelen, ze dachten tenminste dat 't 'mokkataartje' was, en een van de lui die 't dichtst bij de deur zat draaide de sleutel weer om en vloog toen als een haas in z'n bank. En daar komt me inplaats van 'mokkataartje', van Leeuwen binnen! Ze schrikten zich gewoon dood! 'Waarvoor was die deur op slot?' vroeg van Leeuwen woedend, maar natuurlijk kreeg hij geen antwoord; ze zaten allemaal met hun mond vol tanden of liever vol mokkataartje, want dat durfden ze van schrik niet eens door te slikken. En toen ging van Leeuwen naar de tafel toe, en daar zag hij dat taartje liggen; je hebt er gewoon geen flauw idee van hoe razend hij was! Hij zei niks, maar begon met de les, want 'mokkataartje' was ziek en daarom viel van Leeuwen zelf in, en om vier uur -- toen barstte de bom los! Wel een half uur duurde 't, en 't grapje heeft ze nog een heele Woensdagmiddag gekost ook! Met z'n allen moesten ze terugkomen! Als jij 't volgend jaar op de Burger bent ..."

"Maar ik ga niet naar de Burger," viel Eduard hem in de rede, "ik ga naar 't gymnasium!"

"Da's wat anders," zei van Merlen; "enfin, daar kun je ook wel pret hebben, maar je hebt er nooit zulke groote klassen." --

"Links om!" klonk het commando, en netjes zwenkten de fietsen den hoek om, den duinweg in. Voor ze uit, op zij, zoo ver ze zien konden, overal zonnige duinen, en daarboven de effen, helderblauwe zomerlucht.

Eduard haalde diep adem; wat was 't een prettige, heerlijke dag! En over een week kwam Vader weer thuis, en dan werd alles nog veel plezieriger! Hij bedacht opeens dat hij nog niet naar Genua geschreven had; vanavond, als 't huiswerk af was, wilde hij 't dadelijk doen!

't Was hier hard werken voor de jongens, want aldoor steeg de weg, en ze moesten stevig trappen voor ze eindelijk boven waren. --

"Zeg lui, ik verga van den honger!" riep Tersteeg, "laten we nou eerst eens een stukkie eten!" En hij sprong van zijn fiets en veegde zijn voorhoofd af.

Met hun allen gingen ze op de bank zitten, Eduard met Piet en van Merlen op de leuning, en even bleven ze uitblazen; in de verte schitterde de zee, een smalle strook was hier te zien, en heel ver weg, op zij, waren de vuurtorens, twee kleine, nevelige staafjes.

Ronner verdeelde de chocola en Eduard gaf de zuurtjes door, en met hun allen hadden ze pret om een paar fietsrijders, die hijgend den weg optrapten die ze daarnet zelf gekomen waren.

"Die rekenen zeker ook op 't bankje hier," merkte Eduard op.

"Wie 't eerst komt, 't eerst maalt," lachte Wouters.

Hugo, die aldoor naar de fietsrijders gekeken had, herkende ze opeens. "Hou je gezicht," zei hij, "'t zijn de van Weels," en tegen Ronner: "laten we ze eens even vragen hoe ver zij met hun planten zijn, Ron!"

Eduard had zich van de bank laten glijden om zijn fiets eens even onderhanden te nemen. 't Ding had onderweg aldoor gerammeld, en nu wilde hij toch eens kijken waar dat aan lag. --

Zóó druk was hij er mee bezig, dat hij niet gemerkt had hoe Hugo en Ronner, druk pratend, met de jongens van Weel mee waren geloopen, het steile pad naar beneden, en hoe van Merlen over 't pikkeldraad was geklommen om in de struiken naar een vogelnest te zoeken.

Dit alles drong pas tot hem door toen de drie anderen naar hem toe waren gekomen, en toen Wouters, nadat ze even naar Eduard hadden staan kijken, opeens zei: "Zeg Kerner, we gaan den heuvel af-fietsen, jij bent het eerst aan de beurt, we hebben er om geloot!"

Eduard keek op. "De heuvel af-fietsen?" vroeg hij, "dank je feestelijk, dat is me te gevaarlijk."

"Kom, probeer het maar eens," zei Piet, "wij doen 't ook!"

"Nou, gaan jullie dan maar eerst."

"Welnee, we hebben er eerlijk om geloot, jij bent het eerst aan de beurt," beweerde Tersteeg, en tegen de andere twee: "Zie je nou wel dat hij niet durft?"

"Ik durf best, maar ik doe 't niet," hield Eduard vol.

"Ja, dat snappen we," hoonde Wouters, en hij draaide zich om; "kom lui, dan zullen we met ons drieën wel overloten. He, die Kerner is nou toch ook zoo'n vervelende knul!"

Eduard keek ze na terwijl ze langzaam weer naar de bank toeslenterden. Was hij nou heusch zoo laf? En was er ook eigenlijk wel zoo veel aan te durven? Nou ja, de weg was steil, en hij had een freewheel, maar er zaten toch ook remmen aan z'n fiets, en hij kon 't minstens even goed als de anderen. Vooruit, hij zou ze dan wel eens laten zien dat hij wél durfde, en dat hij 't kón ook, en dat hij geen vervelende knul was!

En met een heel bleek gezicht, maar vastbesloten riep hij tegen de jongens bij de bank: "Houden jullie maar op met je geloot, ik zal 't doen!"

"O, hij bedenkt zich," zei Tersteeg, "nou, gauw dan maar, we zullen tot drie tellen, wie 't in den kortsten tijd doet krijgt een zuurtje." En Wouters haalde zijn horloge te voorschijn en telde hardop: "Een, twee, drie!"

En Eduard sprong op zijn fiets. Of hij 't won kon hem niet schelen, maar doén zóu hij het! Nu remmen, aldoor remmen, zooveel mogelijk! De rem van 't achterwiel werkte niet goed meer, maar die van 't voorwiel ging prachtig, en langzaam gleed de fiets naar beneden, den heuvel af.

Plotseling knapte er iets; Eduard schrikte er van, begreep niet dadelijk wat 't was, voelde alleen maar, dat hij de rem niet meer vast had .... met een vreeselijke vaart ging 't verder; aldoor vlugger -- zoo stevig mogelijk klemde hij zijn handen om het stuur -- vasthouden maar! Daar was de bocht -- opeens zag Eduard niets meer, 't was of alles om hem heen begon te draaien -- waar was de weg? Welke kant moest hij uit? Vaag drong nog een verward gegil tot hem door -- een ontzettende schok volgde -- toen niets meer.

"Nee, hij is niet dood, kijk maar, hij beweegt zijn been!" zei een van de jongens.

Eduard opende zijn oogen even, maar dadelijk deed hij ze weer dicht -- vlak voor zich had hij 't verschrikte gezicht van Piet gezien, en daarachter de andere jongens -- wat was er gebeurd?

Hugo had zich over hem heen gebogen en probeerde voorzichtig hem op te tillen -- Eduard schreeuwde 't opeens uit van pijn: "Mijn arm!" gilde hij.

[Illustratie - 21_ongeluk.jpg]

"Zoo schieten we niet op," zei Hugo, "hij kan wel ik weet niet wát gebroken hebben. Piet, wil jij niet eens even 't dorp infietsen en kijken of je ook ergens een dokter kunt vinden, en willen jullie 't een van allen thuis gaan vertellen? Maar niet zeggen dat hij bijna dood is of zoo iets, zeg maar dat hij zijn voet verstuikt heeft bijvoorbeeld, daar zullen ze wel geen flauwte van krijgen!" En toen Ronner weg wilde rijden: "Nee Ron, blijf jij alsjeblieft hier, laat een van de anderen maar gaan!"

XVIII.

"Heusch Tante, u kunt best allemaal naar bed gaan!" zei Eduard; "er hoeft heusch niemand voor me op te blijven, ik ben alweer bijna beter en morgen kan ik wel weer opstaan ook!"

"Nu, dat zullen we morgenochtend wel eens zien," antwoordde Tante Lina glimlachend. "Maar als je dan met alle geweld alleen wilt blijven zal ik je een nachtlichtje brengen, dan is het hier in ieder geval niet zoo pikdonker als je soms wakker wordt."

"Och, maar dat is heelemaal niet noodig," vond Eduard, "ik slaap immers altijd in 't donker!"

"Ja, je bent nu wel een heele held," lachte Tante Lina, "maar dan zet ik toch op 't portaaltje een lichtje neer, hoor! En dan zullen we de deur half open laten, kijk, zoo! En als je dan iets noodig hebt moet je ze maar een van allen roepen, Edu; roep Hugo maar, die wordt altijd nogal gauw wakker!"

"Ik wou m'n horloge graag nog hebben," zei Eduard, en Tante Lina keek even rond en nam het van de tafel; "waar moet ik het laten?"

"Onder mijn kussen, en dan een glas water bij mij." Tante Lina zette het glas water op het nachttafeltje naast Eduards bed en schoof het horloge voorzichtig onder zijn kussen. Toen ging ze naar beneden. --

Oom Tom kwam ook nog even naar zijn neef kijken. "Hoe is 't met de patient?" vroeg hij.

"Goed Oom!" antwoordde Eduard dadelijk.

"Doet de arm geen pijn meer?"

"Nee, ik voel er nu bijna niks meer van!"

"Mooi zoo! Nu probeeren om gauw te gaan slapen, hoor! Je niet wakker laten houden door de wind!"

"Waait het zoo?" vroeg Eduard verbaasd; "'t was vanmiddag zulk prachtig weer!"

"Ja, maar na vieren is de wind erg opgestoken, je kunt het wel hooren als je even stil bent;" -- Oom Tom zweeg even en Eduard luisterde.

"'t Stormt bijna, geloof ik," zei hij.

"Nou, zoo erg is 't niet," lachte Oom Tom, "'t lijkt meer dan 't is! Maak nu maar dat je gauw slaapt, dan wed ik dat je morgen weer een heele kerel bent!"

Maar Eduard sliep nog lang niet; 't was ook nog veel te roezig in zijn hoofd; zoo'n vreeselijke verwarring was 't opeens geweest, toen hij daar onder aan dien heuvel lag, met die afschuwelijke pijn in zijn arm, en de andere jongens er allemaal omheen met hun verschrikte gezichten -- en 't duurde zoo akelig lang voordat Piet met een dokter terugkwam. -- Maar eindelijk, eindelijk was de dokter toch gekomen, -- o, hij had het uitgegild van pijn toen de dokter in zijn arm gevoeld had, -- 't was vreeselijk geweest! "Gebroken," had de dokter gezegd, "moet dadelijk gezet worden!"

En later, toen hij werkelijk aan 't zetten toe was: "'t Zal wel een beetje pijn doen, maar niet schreeuwen, hoor!"

Verschrikkelijke pijn had 't gedaan, Eduard rilde nog als hij er aan dacht, en heel stijf had hij zijn tanden in zijn lippen gedrukt, en zonder dat hij 't wilde waren telkens groote tranen in zijn oogen gekomen; maar geschreeuwd had hij niet; zouden de andere jongens het dapper van hem vinden, dat hij niet geschreeuwd had? Och, maar ze hadden niet gevoeld hoeveel pijn het deed, en natuurlijk hadden ze gezien dat hij huilde! Maar Vader zou hem toch zeker wel flink gevonden hebben als Vader 't wist; hij had toch ook zijn best gedaan een moedige jongen te zijn. -- Wat was dat ook weer? Wie had dat gezegd? Wanneer zou dat geweest zijn? Even was 't, of hij niet meer kon denken, -- wat beteekende het dan toch? En in zijn gedachte herhaalde hij weer de woorden: "Zul je je best doen een moedige jongen te zijn?" -- Nee, 't was niet "een", 't was iets anders, wát was 't? Eduard voelde weer tranen in zijn oogen komen, en nog eens probeerde hij te denken -- och, wie kon hem dat nu toch zeggen, wie wist 't dan toch? Nee, hier wisten ze 't niet, hier wisten ze niks -- Vader wist 't, Vader begreep zooiets altijd dadelijk -- Vader, wat was dat dan toch, van die moedige jongen?

Eduard deed zijn oogen dicht: ja, daar was Vaders gezicht, daar was hij ook weer in Vaders kamer, daar begon Vader te praten; -- wat zei Vader? Nu goed luisteren -- duidelijk zag hij Vaders lippen bewegen: "Eddy, zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?"

Daar was 't! Nu wist hij 't weer: "Zul je je best doen Vaders moedige jongen te zijn?" -- Heel, heel dikwijls was hij niet moedig geweest, maar dit zou hij dan toch aan Vader kunnen vertellen, dat hij niet geschreeuwd had toen zijn arm gezet werd; -- dat was immers moedig? Wie had gezegd dat het moedig was? Daarnet zei iemand dat toch -- o ja, de dokter had het gezegd, de dokter had het zélf verteld aan Tante Lina -- "hij heeft zich ferm gehouden, nu hebben we het ergste gehad!" -- 't Ergste was nu voorbij; o, een heerlijk gevoel was 't geweest, toen hij eindelijk hier in bed lag, toen hij heel stil, heel rustig kon blijven liggen; -- 't had ook nog zoo vreeselijk lang geduurd voordat hij thuis was, die akelige lange rit in het rijtuig, waar maar geen eind aan kwam, met de dokter en Hugo, toen hij maar aldoor zijn oogen dicht gehouden had; en 't was zoo ongemakkelijk geweest! En toen die drukte hier in huis, ze waren allemaal zoo geschrikt, en ze hadden toch dadelijk gedacht dat 't erg was, al was van Merlen ook gaan zeggen dat 't niets beteekende. Eduard hoorde beneden een deur open en dicht gaan, toen volgde een zacht gestommel op de trap -- er kwam iemand met licht naar boven -- o, dat was 't nachtlichtje waarover Tante Lina al iets gezegd had -- wie kwam 't nu brengen? Was 't Tante Lina zelf? Nee, zeker was 't Juf. -- Eduard hoorde hoe 't nachtlichtje heel zacht op 't portaaltje werd neergezet -- de juffrouw was straks ook zoo stil naar boven gekomen, toen de kleintjes naar bed gingen, en bij 't uitkleeden had hij ze ook bijna niet gehoord; anders maakten ze altijd zoo'n lawaai, maar zeker waren ze ook geschrikt. Wat zouden Lineke en Bep wel gezegd hebben, en de kleine jongens? Zouden Hugo en Piet nog niet naar bed gaan? O nee, 't was pas half negen ... nu niet meer denken, maar slapen; -- waar dacht hij daarnet nu ook weer aan, voordat 't nachtlichtje daar stond -- aan 't rijtuig -- nee, dat was toch niet 't laatste -- o ja, van Merlen die 't was gaan zeggen -- van Merlen was een leuke jongen, hij was er ook niet bij geweest toen ze hadden gezegd van dat naar beneden rijden -- "ik durf best, maar ik doe het niet" -- o, had hij het ook maar niet gedaan, had hij maar volgehouden dat hij niet wilde, dát was moedig geweest, en dat hij gegaan was, was laf! Hij was heelemaal niet Vaders moedige jongen geweest -- had hij toen hij op het punt was om naar beneden te rijden maar aan Vader gedacht, misschien had dat hem wel geholpen, misschien had hij 't dan wel niet gedaan! Of had het vanmorgen nu maar dadelijk zoo gewaaid, dan waren ze heelemaal niet gaan fietsen, en dan was er ook niets gebeurd -- nu woei het, heele vlagen waren 't, maar 't was nu te laat -- waar zou de fiets gebleven zijn? Hadden de jongens hem vergeten? Zeker was hij heelemaal kapot; hij had er nog niet eens aan gedacht om 't te vragen -- straks roepen tegen Hugo en Piet als ze boven kwamen. Nee, alleen Hugo roepen -- als de fiets kapot was moest hij zoo gauw mogelijk gemaakt worden, -- hij kon hem niet missen; -- of ja, nu wel, hij kon nu toch niet rijden -- hoe lang zou 't wel duren? Een dag, twee dagen, drie, vier, vijf, zes .... wat zes? -- O ja, dagen, zes dagen -- zou 't zes dagen duren? Wat? 't Maken van de fiets? Of 't in bed liggen? Wat zei de dokter? Hoeveel dagen? Zes dagen, zeven dagen, acht, negen, tien ....

Onrustig flikkerde 't nachtlichtje, telkens bijna uitwaaiend als een hevige windvlaag langs 't huis streek; hoe laat was 't nu? Waren Hugo en Piet al naar bed? -- Eduard luisterde -- stil, akelig stil was het in 't heele huis -- had hij lang geslapen? 't Kon best midden in den nacht zijn; buiten joeg de wind door de boomen en langs de muren -- 't was nu nog veel erger dan straks, zeker had hij toch nogal lang geslapen -- sloeg er nu maar eens een klok! En zijn lippen waren zoo akelig droog -- o, maar 't glas water stond naast hem; -- even probeerde Eduard zich op te richten, maar dadelijk zakte hij weer in 't kussen terug -- 't deed pijn; was 't hier maar niet zoo donker, dan kon je tenminste op je horloge kijken -- 't nachtlichtje op 't portaaltje gaf haast niets; en hij had zoo'n dorst! Toch nog eens probeeren om te drinken -- voorzichtig haalde hij 't glas naar zich toe; nu ging 't beter -- he, dat was wel heerlijk frisch, maar iedere beweging deed pijn -- nu verder stil blijven liggen. --

Weer loeide een windvlaag langs 't raam, en weer flikkerde 't lichtje. Nu stormde 't dan toch wel --zoo angstig hard was 't aldoor -- en wat zou 't op zee vreeselijk weer zijn! Eens was hij op een stormachtigen dag aan 't strand geweest met Vader; hooge golven met groote witte schuimkoppen, en daarboven die heel donkere, zwarte lucht -- maar dat was nog overdag geweest, nu was 't midden in den nacht, nu was 't heelemaal pikdonker, niets zou je zien, alleen zou je 't hooren, 't slaan van de golven en 't geloei van den wind -- en midden op zee was Vader, heel ver weg was 't schip nog, midden in den storm -- zou Vader ook de golven tegen 't schip hooren slaan en zou Vader ook 't gieren van den wind hooren? Zou Vader ook wakker zijn, en nu, op 't oogenblik, aan hem denken? Zeker zou Vader denken dat hij kalm sliep, en Vader zou zelfs heelemaal niet vermoeden hoe hij hier wakker lag, met een gebroken arm! Wat zou Vader 't akelig vinden als Vader weer thuis kwam -- natuurlijk zou Vader denken dat hij zijn jongen al aan 't station zou vinden; -- maar Vader zou hem niet zien, en dan zou Vader hier komen en hooren dat hij ziek was, en dan zou Vader dadelijk naar boven gaan -- wat kráákte daar op de tráp? --

Nee, 't was niets. --

Dat was zijn straf, dat Vader hem zóó zou moeten vinden, met zijn gebroken arm, en 't was allemaal zijn eigen schuld -- dat had de dokter ook nog gezegd: "Eigen schuld natuurlijk, dat malle woeste rijden ook, en dan zoo'n gevaarlijke helling! 't Is nog wonder dat het zoo is afgeloopen!" -- O, hij had best dood kunnen zijn; -- wat zouden ze hier dan wel gezegd hebben, als hij eens echt dood was? Zou 't ze veel kunnen schelen? Een heel klein beetje misschien? -- Och, ze zouden 't morgen alweer vergeten zijn -- alleen Vader niet, arme Vader! Heel ver weg, midden op zee, was Vader --

"Vader," snikte Eduard zacht en groote tranen druppelden langs zijn wangen op 't kussen, "Vader, ik voel me zoo eenzaam! Vader!"

Maar niemand hoorde hem. --

O, hij kon Vader niet missen, evenmin als Vader hem, waarom was Vader toch weggegaan? -- En als Vader nu terug kwam vond hij zijn jongen met een gebroken arm -- en dat was zijn eigen schuld, zijn eigen onvoorzichtigheid; -- hoe had Vader 't ook weer gezegd toen Vader wegging: "Pepi, zul je maken dat ik een vroolijke, gezonde jongen terugvind?" En toch was hij niet voorzichtig geweest, en als hij nu dood was .... "Nee, hij is niet dood, kijk maar, hij beweegt zijn been!" -- dat had een van de jongens gezegd, maar 't was net of hij 't Linekes stem hoorde herhalen -- hoe kon dat nu? Zijn nichtje was er toch niet bij geweest? Waar kwam Lineke nu opeens vandaan? Lineke had er niets mee te maken, en Bep ook niet -- "Nee, hij is niet dood" -- wie was niet dood? -- Nee, hij was zelf niet dood, als je dood was kon je je niet meer bewegen, dan was je koud en stijf, zooals -- zooals 't kleine vogeltje -- daar was 't, 't kleine vogeltje, dat ze in het bosch gevonden hadden, dat hij voorzichtig opgenomen had -- "nee, 't is niet dood," zei Lineke, "kijk maar, 't beweegt zijn pootje ...." Dat was het! -- Arm klein vogeltje, 't was toch gestorven, ver van zijn warme nestje, alleen ... En zonder ophouden gleden Eduards tranen in 't kussen -- "Vader, Vader, kom toch gauw!"