Eduard Kerner

Part 4

Chapter 44,304 wordsPublic domain

"Dat is de oppasser. Die heeft precies zoo'n neus en hij steekt altijd net zoo mal z'n duimen vooruit; je moet morgenochtend maar eens opletten!" Piet wees op een ander poppetje. "En weet je wie dat is?"

"Nou?"

"Dat is 'Laat ze maar' als hij aan 't schaatsen-rijden is."

"Wie?"

"'Laat ze maar.' Dat is de concierge, hij heet Metselaar, maar van Leeuwen .... weet je wie van Leeuwen is?"

"Ja, de directeur, is 't niet?"

"Ja, nou, we noemen hem altijd 'Leeuw' natuurlijk, en die praat zoo gemaakt, en dan roept hij door de gang 'Máatselaar,' en dan draaien wij het om, 'Laatsemaar' of 'Láat ze máar.' Geestig he?" en zonder op antwoord te wachten: "Nou, hij laat ons ook altijd maar, als hij ziet dat je er aankomt wacht hij altijd met bellen."

"Bij ons niet," zei Eduard, "Beek is een echt mispunt en als hij ziet dat je er aankomt doet hij gauw de deur voor je neus dicht en dan holt hij hard naar de bel, en dan ben je natuurlijk te laat, en ...."

"Houden jullie nu toch je monden!" viel Hugo nijdig uit, "die algebrasommen zijn toch al zoo ellendig lastig, en dan dat gezanik van jullie nog!"

Eduard zweeg verschrikt, en keek strak in zijn boek, maar Piet liet zich door zoo'n kleinigheid niet van de wijs brengen. Hij was aan dergelijke terechtwijzingen van zijn broer gewoon. "Nou, heb maar zoo'n lèf niet!" zei hij, en na een minuut of vijf half fluisterend: "Zeg Eduardje!"

Eduard keek hem aan.

"Is die ijsbaan hier nogal leuk?"

Eduard haalde zijn schouders op.

"Weet je 't niet? Ben je er nooit geweest?"

"Nee."

"Waar heb je dan schaatsen gereden?"

"Nou, op slootjes en zoo."

"O;" Piet keek even minachtend; "vervelend zeker?"

"Nee, juist erg leuk, met Vader!"

"In Amsterdam was 't moppig, 'n prachtige groote ijsbaan, tien minuten van ons huis af; fijn man!"

Hugo stampte even op den grond. "Stil nou!"

Eduard probeerde verder te leeren. Hij had zich zóó voorgenomen dat al zijn werk uitstekend in orde moest zijn zoolang Vader weg was, maar hoe kon hij nu opschieten op die manier? En nu had hij vanavond nog aan een brief aan Vader willen beginnen ook, maar daar kwam hij nu zeker niet aan toe. Nu eerst de les maar. En zacht bewoog hij zijn lippen bij het telkens herhalen van de Fransche woordjes.

Opeens merkte hij dat Piet grinnekend naar hem keek.

"Waarom lach je?"

"Och, zoo maar; je zit zeker altijd alleen te werken?"

"Alleen? Ja, meestal wel; of bij Vader als Vader thuis is."

"Prettig voor Oom Eduard!"

"Waarom?"

"Nou, omdat je aldoor hardop leert."

"Ik leer niet hardop!"

"Wel waar, je doet aldoor zóó!" En zijn mond bewegend maakte hij een zacht zoemend geluid.

Eduard was vuurrood geworden; met een "klets niet" begon hij weer aan zijn les, en hij drukte zijn lippen stijf op elkaar.

Een poosje bleef 't stil in de kamer. Toen vond Piet 't weer lang genoeg.

"Zeg!"

Eduard gaf geen antwoord.

"Ben je benauwd geworden voor dien schoolmeester daar?" met zijn duim wees Piet naar zijn broer.

Half onwillig keek Eduard hem aan. "Wat wou je vertellen?"

"Katje poesje nelle."

"Hè, wat flauw!"

"Doe er dan een beetje zout bij!" Lachend klapte Piet zijn schoolboeken op elkaar, en met zijn ellebogen op de tafel ging hij zitten lezen.

Eduard keek op de klok; 't was half negen. Eigenlijk tijd om naar bed te gaan, hij had Vader beloofd nooit veel later dan gewoonlijk te gaan! En zouden die jongens hier altijd den heelen avond blijven zitten? Nu nog maar even leeren; dat afschuwelijke Fransch ook!

Een kwartier later deed hij zijn boek dicht.

"Zeg, hoe lang blijven jullie hier altijd?" vroeg hij aarzelend.

't Was deze keer Hugo, die opkeek.

"Waar?"

"Nou, hier. Ik bedoel, zitten jullie 's avonds nooit in de huiskamer?" --

"O ja, soms wel, maar vanavond niet, want Pa en Ma hebben visite."

"En hoe laat gaan jullie dan naar bed?"

"Om half tien zoowat."

Hugo werkte weer door.

Eduard bleef nog even niets zitten doen en zei toen: "Ik wou nou maar gaan."

"Hè?" vroeg Hugo, die weer een en al som was.

"Ik wou maar naar bed gaan."

"Zoo, nou, ga je gang, dank je voor de mededeeling."

Terwijl Eduard zijn tasch dichtgespte kwam in Hugo toch 't gevoel van gastheer zijn op. -- "Je kunt alles boven toch wel vinden?" vroeg hij.

"Ja, best." En zijn tasch naast de deur tegen den muur zettend: "Nou, goeie nacht dan!"

"Slaap lekker, nacht Eduardje!" En Piet herhaalde werktuigelijk, zonder van zijn boek op te zien: "Nacht Eduardje!"

Eduard sloot de deur en liep naar de huiskamer toe. Zou hij Oom en Tante nog goeienacht zeggen? In de gang hoorde hij ze binnen al hard praten en lachen, en toen hij door de kier van de deur keek zag hij in de voorkamer allerlei vreemde menschen zitten. Liever maar niet doen. --

En met een zucht ging hij de trap op.

't Was donker boven op 't portaaltje, en met vooruitgestoken handen liep Eduard in zijn kamertje op 't tafeltje af, half struikelend over den rommel op den grond. Toen scharrelde hij in 't donker de lucifers op.

Even knipte hij met zijn oogen tegen 't felle vlammetje, en ongeduldig streek hij een tweede lucifer af toen de nieuwe kaars niet dadelijk wilde branden.

Eindelijk!

Eduard keek rond en wreef zijn handen. Wat was 't hier vreeselijk koud! De bloemen stonden op de glazen! En wat een akelig vreemd kamertje! Heel wat anders dan die gezellige slaapkamer thuis, en daar was 't altijd dadelijk lekker als je maar even de gaskachel aanstak! Eduard wond zijn horloge op en begon zich uit te kleeden. Zou Vader nu al in Bazel zijn? Zeker wel. Nu was Vader net twaalf uur weg. Gek, 't was net of 't veel langer was; er was ook zooveel gebeurd vandaag! Even langer dan twaalf uur was 't; wat zei Vader ook weer? "Dag Pepi, houd je taai!" Och, hij wou 't wel, zich taai houden, maar wat wás 't hier akelig!

En een warme druppel viel op zijn hand toen hij zich klappertandend bukte om met zijn koude vingers de sleutel in 't slot van 't koffertje te steken.

"Houd je taai!" fluisterde hij, maar 't maakte hem opeens nog veel ellendiger dan hij al was, en 't gaf niets meer of hij op zijn lippen beet en zijn oogen met zijn mouw afveegde.

Als Vader hem zoo nu eens zag! Och, maar wat hinderde het ook! Zag Vader het maar, kwam Vader nu maar ineens binnen, even maar, dan was alles tenminste niet meer zoo vreeselijk! Maar Vader was ver weg, en dit was nu pas de eerste avond! Had Vader hem toch maar meegenomen!

Eduard pakte Vaders doos uit en stak een flik in zijn mond, maar 't hielp ook al niets, en telkens moest hij nog zijn zakdoek nemen, tot hij eindelijk klaar was om in bed te kruipen.

Hij zette de kandelaar op den stoel en bleef nog even met opgetrokken beenen in bed zitten, zijn hoofd op zijn knieën en zijn handen onder zijn armen om ze wat te warmen.

Toen blies hij de kaars uit en kroop onder de dekens.

VII.

Dof klonk het geluid van de voetstappen op den hard bevroren grond, en bij iederen stap klikten de schaatsenijzers tegen elkaar. -- Uit de kleine zakjes keken vroolijk de gele ijskaarten met de roode koordjes, met opzet maar half weggestoken door de jongens, om aan iedereen te laten zien dat ze naar de ijsbaan gingen.

Zoo vlug mogelijk hadden Piet en Eduard aan de koffie hun boterhammen naar binnen gewerkt, en daarna waren ze er met hun tweeën van door gegaan, de schaatsen in de eene hand en de andere hand in hun zak, flink doorstappend, en telkens glijdend over de bevroren plassen. -- Tom en Lineke hadden hen verlangend nagekeken, teleurgesteld omdat ze niet mee mochten, en Tommy had er nog half een scène om gemaakt, maar Tante Lina had het te koud voor ze gevonden, en had ten slotte met een "morgen mogen jullie, als 't niet zoo waait," een eind aan 't gezeur gemaakt.

En 't wás koud. -- Een ijzige wind blies door alles heen, en Eduard twijfelde er eigenlijk aan of zijn Vader hem zou hebben laten gaan; maar Tante Lina had het goed gevonden dat hij en Piet gingen en daarom dacht hij er verder maar niet over.

"'t Zal een fijne Zaterdagmiddag worden," zei Piet, en hij bukte zich om een steen op te rapen.

"Nou! En we zijn zoo lekker vroeg!" Eduard bleef staan om te zien hoe Piet met een fermen zwaai de steen op het ijs in den singel gooide, en met innig vergenoegde gezichten keken ze er samen naar hoe de steen even voortschoof over 't ijs en toen bleef liggen.

Een eindje verder vloog een bonte kraai krassend op.

Bij de brug zag Piet opeens een van de jongens uit zijn klas, die voor hen uitliep, de schaatsen onder den arm, en met een: "Daar heb je Wouters, even hollen, dan gaan we met hem mee," zette hij het op een loopen.

Wouters, een groote, forsche jongen, keek om toen hij het gehol achter zich hoorde, en bleef toen staan wachten tot de jongens hem ingehaald hadden.

"Zoo Verhey, ga je ook naar 't ijs?" begon hij, "gaat je broer niet?"

"Die had les," bracht Piet hijgend uit.

"En is dát ook een broertje van je?"

"Nee, een neefje," zei Piet, en Wouters vervolgde, Eduard aanziende: "Zeg jongen, hoe heet je?"

"Kerner," antwoordde Eduard kortaf.

"En waar ga je op school?"

"Bij Van Eerde."

"'n Rot school," merkte Wouters aan, en Eduard vroeg op zijn beurt: "Waar ga jij op school?"

"Ik op de Burger. 'n Fijn hok! Zeg Verhey, heb je al van die scène met Bakker in de tweede gehoord?"

"Ja, hij had zijn werk vergeten of zoo iets, is 't niet? Huug vertelde er wat van; weet jij 't goed?"

"Nou, of ik! Holm, dat is die jongen, die bij ons in huis is, zit naast Bakker, nou, en die deed 't verhaal natuurlijk in kleuren en geuren! Holm is een leuke vent, en die Bakker is ook een echt type, en dan zitten ze met hun tweeën op de achterste bank, dus je snapt dat ze den heelen dag zitten te grinneken en geen steek uitvoeren."

"Ja natuurlijk."

"Nou is Holm nogal vlug, dus die rolt er meestal toch wel door, maar Bakker is een uil, en gewoon fabelachtig lui, en daarom had hij zijn Duitsche werk dan ook maar doodkalm niet gemaakt, met het plan, het dan later wel eens van Holm over te schrijven, en toen de Mopneus het werk ophaalde zei hij heel leuk dat hij zijn schrift vergeten had."

"En toen?" vroeg Piet ongeduldig, toen Wouters even ophield en bleef staan om de veters van zijn laarzen in te stoppen.

"Nou, Holm en Bakker zaten verder den heelen morgen op hun gewone manier te grinneken, en daar gaat opeens om kwart over elf de deur open. 'St, hou je mond,' zegt Holm bijwijze van mop, 'daar heb je van Leeuwen, die komt vragen waar je Duitsche werk is!' Bakker proestte het uit, maar plotseling verstomde hij toen van Leeuwen, die echt binnengekomen was, opeens naast hem stond en bedaard vroeg: 'Bakker, heb je je huiswerk vergeten?' Bakker was opeens zoo tam als wat, en fluisterde dood verschrikt: 'Ja, meneer!' en van Leeuwen commandeerde heel plechtig: 'Ga 't dan halen!'"

Piet was een en al belangstelling, en ook Eduard luisterde met groote oogen.

"Nou, Bakker keek in wanhoop naar Holm, en die schoof hem ongemerkt over de bank het Duitsche boek toe, en dat heeft Bakker toen, hoe snap je niet, maar op de een of andere manier nog in zijn zak weten te moffelen, en toen is hij naar huis gegaan, hollend natuurlijk, en heeft daar in een nieuw schrift zijn thema opgeknoeid, zonder uitgangen in te vullen, en juist toen de bel van twaalf uur ging was hij terug."

"En wat zei van Leeuwen?"

"Niks nog, want Bakker gaf 't schrift stiekum aan Laatsemaar en is er toen zoo gauw mogelijk van door gegaan. 'k Ben wel benieuwd hoe 't af zal loopen!"

"Ik ook, hij zal wel op zijn kop krijgen, denk je niet?"

"Nou, of-ie!"

Eduard had met steeds stijgende verbazing het verhaal aangehoord, en zijn verwondering werd er niet minder op, toen een tweede en derde geschiedenis van 't zelfde gehalte, die vroeger eens gebeurd heetten te zijn, volgden, en toen Piet een paar Amsterdamsche schoolmoppen opdischte, die aan 't ongeloofelijke grensden.

"Hé, jongens, wat schieten jullie met spek!" hoorden ze opeens achter zich zeggen, en alle drie keken ze verschrikt om. 't Was Brust, een lange jongen uit de vijfde klas Burgerschool, die al een poosje achter ze had geloopen en ze nu lachend voorbijging. -- De jongens hadden in 't vuur van hun gesprek zoo hard gepraat, dat 't zelfs op een eerbiedigen afstand duidelijk te verstaan was.

"Och, hou je mond," riep Wouters, die 't eerst van de schrik bekomen was en Brust wel kende.

"Zeker," zei Brust omkijkend, "'k zal 'm ten minste niet aan jou geven, jij schettert al hard genoeg!"

Eduard begon te lachen, en Wouters snauwde nijdig: "Toe, kuiken, bemoei je er niet mee!"

"'k Hoef jou toch niet te vragen of 'k mag lachen!" antwoordde Eduard, en Piet vroeg knorrig, kwaad omdat hij midden in zijn laatste verhaal gestoord was: "Waar is die ijsbaan nou eigenlijk?"

"Dat poortje daar moeten we door, en dan zijn we er dadelijk."

Achter elkaar liepen ze het poortje door en het smalle bruggetje over, Wouters voorop, dan Piet, dan Eduard, en toen stonden ze op een smal wegje tusschen grauw-witte weilanden, in de verte nevelig samenvloeiend met de grijze winterlucht.

"Daar is de ijsbaan," zei Wouters, "achter den spoorweg."

Vol verwachting gingen de jongens onder de viaduct door; het glijden van de schaatsenijzers over het gladde ijs was hier al duidelijk te hooren.

Aan den ingang liet de controleur ze met een: "Kaarten zichtbaar, jongeheeren!" doorgaan, toen volgde nog een rijtje lage boompjes, en daar lag de ijsbaan voor ze.

Eduard bleef staan. -- Er waren nog maar weinig menschen, maar toch was 't een leuk gezicht om ze daar met zoo'n gemak te zien rondzwieren. Heerlijk, om het zoo goed te kunnen! Nu gauw aanbinden en dan vlug, ineens wegrijden!

En hij holde Wouters en Piet achterna, die doorgeloopen waren, en nu op de lange bank hun schaatsen zaten aan te binden.

Even keek hij er naar hoe Piet die dingen ook weer vastmaakte, want hij was half vergeten hoe 't moest, toen plofte hij op de bank neer, boog zich voorover en ging aan 't werk, de banden zoo stevig mogelijk aantrekkend. -- De twee anderen waren al klaar toen hij nog aan zijn eerste schaats bezig was, en hij keek er naar hoe ze druk pratend en lachend samen wegreden, eerst even langzaam voortschuivend, toen vlugger, met flinke lange slagen.

En toen eindelijk zijn tweede schaats was aangebonden stond ook hij op, voorzichtig, om niet uit te glijden; wat een vreemd, raar gevoel, om weer op schaatsen te staan! Nu durven en flink uitslaan! Maar 't "flink uitslaan" bracht hem van de wijs; er volgden een paar vergeefsche pogingen om te blijven staan, en toen maakte Eduard zijn eerste buiteling. Maar dadelijk werkte hij zich weer overeind en krabbelde verder; nu ging 't beter, al kwam hij nog maar langzaam vooruit, en zonder verdere ongelukken schoof hij tusschen de menschen voor de groote tent door. -- Nu de heele baan om rijden! Moedig begon hij en dapper hield hij vol, en hij deed zijn best niet te denken aan de akelige pijn, die hij al heel gauw in zijn enkels voelde. Telkens bleef hij even staan om uit te rusten of om een van zijn schaatsen recht te duwen, en dan probeerde hij weer om vooruit te komen en uit te slaan.

Al een paar keer waren Wouters en Piet hem voorbij gereden, en Eduard had ze nagekeken, alsof hij daarmee te weten kon komen hoe ze 't toch aanlegden om zulke lange slagen te maken.

"Dat Kernertje kent er nog niet veel van," hoorde hij Wouters zeggen, die hem weer met een sierlijken zwaai voorbij gleed.

Eduard was voor 't laatste gedeelte van de baan blijven staan, rondkijkend, en niet goed wetend wat te beginnen, want de wind stond pal op dit laatste eind, en zijn schaatsen zaten ellendig los.

"Dat zegt hij zeker expres zoo hard," dacht Eduard kwaad, en hij bukte zich om de schaatsen-banden wat stijver aan te halen. 't Ging erg lastig, staande, en daarom ging hij maar even op het ijs zitten; 't was wel een minder gemakkelijke houding, maar dat moest je er voor over hebben, en toen hij weer stond tobde hij nog wel lang met den harden wind maar hij bereikte toch het eind van de baan.

Nu even uitrusten, en dan weer verder rijden!

Eduard was blij, toen hij een poosje later Theo de Beer ontdekte, die nu ook niet bepaald een held op de schaatsen was, en juist met een kleur van inspanning de vreemdste bewegingen maakte.

"Theo!" riep hij.

Theo, een donkere krullebol, keek zoekend rond, tot hij eindelijk Eduard in het oog kreeg, die zoo gauw mogelijk naar hem toekwam.

"Wat leuk dat je hier ook bent!" zei Eduard, toen hij naast Theo stond. "Ben je hier alleen?"

"Ja, maar Moeder zou me straks komen halen. -- Ben jij hier alleen?"

"Nee, met Piet, m'n neefje, maar die rijdt al zoo vreeselijk goed!"

"O. -- Moppig dat je me zag, 't is veel gezelliger met je tweeën dan in je eentje, en nu kunnen we verder den heelen middag bij elkaar blijven!"

"Ik zie verder bijna niemand van onze school, jij? Ik begrijp niet waar ze allemaal zitten!"

"Een paar heb ik straks toch gezien, Groeneveld en Van der Wege en Wim Reinders, maar 't is ook zoo bar koud!" zei Theo, tegen zijn handen blazend.

"Nou! Laten we doorrijden, zeg, anders bevriezen we!"

En verder gingen ze, om 't hardst met hun armen zwaaiend en hun oogen half dichtgeknepen tegen den fellen wind, en luid klonken telkens hun heldere, hooge stemmen als ze elkaar iets toeriepen.

"Zeg Eduard! 't vriest nog acht graden!"

"Wat?"

"Dat 't nog acht graden vriest!"

"Hoe weet je dat?"

"Op de thermometer, daar tegen de tent aan, bij de kleine baan!"

"Is 't daar leuk, op die kleine baan?"

"Welnee, sloom! 'k Heb er daarnet ook nog even gereden, maar daar is 't zulk gemeen ijs, daar ga ik niet weer naar toe!"

"'k Had je vanmorgen nog willen vragen of je ook naar 't ijs ging, maar onze afdeeling was zoo akelig laat uit, en toen zag 'k je nergens meer!"

"Nee, 'k was dadelijk naar huis gegaan om gauw te vragen of 'k mocht gaan rijden, en eerst vond Pa 't maar half goed, en toen heeft Moeder bedacht, dat Moeder hier in de buurt een visite kon gaan maken, en toen mocht 't!"

"Hoe laat komt je Moeder je halen?"

"Om half vier zoowat, geloof ik, hoe laat moet jij weg?"

"Om half vijf moeten we thuis zijn, en om even over vier ...."

Hij hield op want Theo viel plotseling, en toen Eduard hem helpen wilde met opstaan, haakten hun schaatsen in elkaar en hij kwam naast Theo op 't ijs te land.

[Illustratie - 11_schaatsen.jpg]

Lachend krabbelden ze weer op, en duidelijk waren de sporen van hun val te zien. -- Bij de tent bonden ze hun schaatsen weer wat vaster, en opnieuw reden ze de baan op; wel gleden ze nog telkens uit, maar ze waren over de eerste moeheid heen en 't ging heusch al wat beter dan straks.

"Theo!"

"Nou?"

"'k Heb vanmorgen een briefkaart van Vader gekregen."

"Leuk, zeg! Waar vandaan?"

"Uit Bazel;" en toen Theo verder zweeg: "Wil je eens zien?"

"Heb je hem bij je?" vroeg Theo verwonderd.

Eduard haalde uit zijn zak de briefkaart te voorschijn; Theo kwam naast hem staan, en aandachtig kijkend bogen de jongenshoofden zich over het Bazelsche stadsgezichtje.

"Aardig, zeg!"

"Ja." -- En zonder verder iets te zeggen stak Eduard de briefkaart weer in zijn zak.

Theo stootte hem aan. -- "Kijk eens!" 't Was een heele sliert groote jongens achter elkaar, die met veel gejoel voorbij gleed, en Eduard zag dat Piet en Wouters er ook bij waren.

"Wat gaat dat dol," zei hij, en terwijl hij ze nakeek dacht hij er over hoe leuk 't zou zijn als hij 't eenmaal zóó kende!

Theo was met zijn gedachten al weer bij een ander onderwerp.

"Waarom komt Meertens niet?"

"Meertens? O, die mocht niet omdat hij zoo vreeselijk verkouden was. -- Er zijn wel tien jongens uit onze klas verkouden, bij jullie ook?"

"Bij ons wel vijftien!"

't Speet Eduard toen Theo's Moeder om kwart voor vier op de ijsbaan verscheen om Theo te halen. Mevrouw de Beer vroeg nog of Eduard meeging, maar de de Beers woonden eigenlijk toch den anderen kant uit, en hij vond het dus maar beter te wachten tot Piet straks meeging.

Hij reed nog wat alleen rond, maar 't was nu niet half zoo leuk meer, en 't werd nog veel kouder ook.

Om vijf minuten over vier bond hij af. Wat deden zijn voeten pijn toen hij weer stond! Voorzichtig bleef hij op 't ijs heen en weer loopen om Piet aan te klampen, en toen hij hem eindelijk zag liep hij op een sukkeldrafje naar hem toe. "Ga je mee, zeg?" vroeg hij.

Piet, die in een echte pret-stemming was, keek Eduard ontevreden aan. "Al mee?" herhaalde hij, "dank je feestelijk, hoor, 't wordt hier nou juist leuk!"

"Maar we moesten om half vijf thuis zijn!"

"Nou, wat kan mij dat bommen?"

"En ik heb al afgebonden!"

"Wat geeft dat? Dan bind je maar weer aan!" en lachend reed Piet door.

Eduard had geen zin om weer aan te binden. Bij iederen stap die hij deed voelde hij de tintelende pijn in zijn voeten, en rillend bleef hij op 't houten platform voor de tent staan, rammelend met zijn schaatsen en telkens op de klok kijkend.

Aldoor gingen er menschen weg, en telkens zag hij Piet weer voorbijrijden, pratend en lachend met de andere jongens. -- Wanneer zou hij nu toch eindelijk mee willen! Ze kwamen natuurlijk veel te laat thuis! Zou hij maar vast weggaan?

Toen Piet weer langs de tent reed riep Eduard hem.

"Ik ga naar huis."

"Doe wat je niet laten kunt, maar ik ga nu anders dadelijk mee, nog één baantje!"

Eduard wachtte op 't eene baantje, waar Piet blijkbaar drie maal rond mee bedoelde. Maar toen had hij dan ook met ongelooflijke vlugheid zijn schaatsen afgebonden.

"Nou hollen!" zei hij met een haastigen blik op de klok. -- 't Was over half vijf.

En Eduard holde mee.

"Laten we toch wat lángzamer loopen," riep hij eindelijk, toen ze 't nauwe poortje weer door waren, "mijn voeten doen zoo'n pijn."

Piet vond dat je juist lekker warm werd van hollen, en dat die pijn straks wel zou overgaan, maar toch matigde hij het tempo wat.

't Was bijna donker toen ze thuis kwamen, maar niemand maakte er aanmerking op. Tante Lina was uit, en kwam pas een kwartier later thuis, Oom Tom zat in zijn kamer, de juffrouw was boven met de kleintjes en ook Hugo was onzichtbaar. --

Aan 't eten deed Piet opgewonden verhalen over 't prachtige ijs.

"Zoo, je hebt dus plezier gehad," zei Oom Tom eindelijk, "en mijn buurman, vond die 't ook prettig? Wel jongen, je hebt er een kleur van!"

Eduard lachte. Zijn wangen gloeiden nu. "Ja Oom, het was heerlijk!" verklaarde hij.

"Mooi zoo! En ben je dikwijls gevallen?"

"Twee keer!"

"Och," viel Piet in, "dat komt omdat hij niet durft! Verbeeld je dat je er nog niets van kent en dat je dan maar twee keer valt! Twintig of dertig keer moet je vallen, dan leer je het tenminste!"

"'t Vallen zeker!" zei Eduard verontwaardigd. -- Dat hij niet zou durven was natuurlijk groote onzin. Net of 't hem iets kon schelen om te vallen! Daar gaf hij nou geen cent om! Maar in ieder geval: leeren moest en zou hij het, en liefst zoo gauw mogelijk! -- Wat zou Vader 't ook leuk vinden als zijn jongen 't volgend jaar goed kon schaatsenrijden!

VIII.

"Eetje, doe je na 't eten weer een spelletje met me?"

Geen antwoord.

Eduard zat of liever hing op den stoel naast de kachel, en hield zijn doornatte laarzen tegen 't gloeiende ijzer aan. 't Maakte een hard sissend geluid. Een minuut of vijf geleden was hij met Hugo en Piet thuisgekomen, moe en nat, want ze waren den heelen Woensdagmiddag op de ijsbaan geweest, en 't dooide nu hard. 't IJs leek wel borstplaat, en voor de groote tent was 't op 't laatst één groote waterplas, een meer bijna, waar je telkens doorheen moest waden en dat hoe langer hoe dieper werd, want op verschillende plaatsen borrelde 't water naar boven. -- Van half vier af had 't gemotregend, maar toch hadden de jongens voor 't laatst nog maar geprofiteerd, en ze waren gebleven totdat eindelijk om vijf uur de ijsbaan gesloten werd. -- Eigenlijk hadden ze om kwart voor vijf thuis moeten zijn, maar ze waren nu al drie keer te laat gekomen, en geen enkele maal had iemand er iets van gezegd, en toen Hugo en Piet kalm door bleven rijden had Eduard 't ook niets noodig gevonden om ze te waarschuwen. -- Al was 't ijs niet mooi meer, toch was 't nog niet zoo goed gegaan als juist vandaag.

"Eetje!"

"Wat is er?"