Part 5
„Och, schei uit,” smeekte ze. „Je moet nu met me mee naar huis gaan. En onderweg kan je me dan van Henry vertellen.” Toevallig vielen haar oogen op den zakdoek, dien zij zoo verachtelijk weggeworpen had. Zij liep er heen en raapte hem op.
„Arme, mishandelde zakdoek,” sprak ze. „Ik mag jou ook wel mijn verontschuldigingen aanbieden. Ik zal je zelf wasschen en...” Zij keek Francis aan, toen ze het woord tot hem richtte. „En hem u teruggeven, mijnheer, schoon en frisch en gewikkeld om een dankbaar hart...”
„En het stempel van het beest?” vroeg hij.
„Het spijt me zoo,” bekende zij boetvaardig.
„En mag ik nu mijn schaduw op u laten rusten?”
„Ja! Ja!” riep ze vroolijk. „Ziezoo! Nu sta ik in uw schaduw. En nu moeten we op weg gaan.”
Francis wierp den grinnikenden Indianenjongen een geldstuk toe en keerde zich toen zeer trotsch om en volgde haar door den tropischen plantengroei langs het pad, dat naar de witte haciënda leidde.
Op de breede piazza der Solano-Haciënda gezeten, zag Alvarez Torres het tweetal langs den, tusschen het tropische struikgewas slingerenden rijweg naderkomen. En hij zag iets wat hem deed tandenknarsen en zeer verkeerde gevolgtrekkingen maken. Hij mompelde heimelijke verwenschingen en vergat zijn sigaret.
Hij zag Leoncia en Francis in zoo’n diep en opgewonden gesprek, dat zij geen oog hadden voor iets anders. Hij zag dat Francis woorden en gebaren zóó dringend waren, dat Leoncia zich plotseling gedwongen voelde om stil te staan en verder naar zijn pleidooi te luisteren. Vervolgens—en Torres kon zijn oogen haast niet gelooven, zag hij hoe Francis een ring te voorschijn haalde en hoe Leoncia, met afgewend gelaat, haar linkerhand uitstak en hoe de ring aan haar derden vinger gestoken werd. Het was een verlovingsring, daar had Torres een eed op willen doen. De werkelijkheid was echter, dat Henry’s verlovingsring weer aan Leoncia’s hand gestoken werd. En Leoncia, zij wist niet waarom, had een vagen tegenzin gevoeld om dien aan te nemen. Torres wierp de uitgedoofde sigaret weg, draaide verwoed aan zijn knevel, alsof hij hierdoor zijn eigen opwinding wilde verdrijven en liep hen toen tegemoet over de piazza. Hij beantwoordde den groet van het meisje niet dadelijk. In plaats daarvan barstte hij, met toornig gelaat, tegen Francis los:
„Men verwacht wel niet, dat een moordenaar zich zal schamen, maar men mag toch tenminste verwachten, dat hij zich fatsoenlijk zal gedragen!”
Francis glimlachte spottend.
„Daar heb je het alweer,” zei hij. „Weer zoo’n gek uit dit krankzinnige land. De laatste maal, dat ik dezen heer zag, Leoncia, was in New-York. Hij was toen erg verlangend om zaken met mij te doen. Nu ontmoet ik hem hier en het eerste, wat hij mij vertelt, is dat ik een onfatsoenlijke, onbeschaamde moordenaar ben.”
„Senor Torres, gij moet uw excuses aanbieden,” verklaarde zij toornig. „Het huis Solano is niet gewoon, dat zijn gasten beleedigd worden.”
„Dan maak ik hieruit op, dat het huis Solano wel gewoon is, om zijn mannen te laten vermoorden door doortrekkende avonturiers,” antwoordde hij. „Geen offer is te groot, wanneer dit geschiedt in den naam der gastvrijheid.”
„Houd je maar kalm, Senor Torres,” raadde Francis goedgeluimd. „Je bent aan het doordraven. Ik begrijp je vergissing. Je denkt, dat ik Henry Morgan ben. Ik ben Francis Morgan en jij en ik onderhandelden, nog niet lang geleden, op Regan’s kantoor in New-York over zaken. Ziehier mijn hand. Onder deze omstandigheden zal een handdruk voldoende excuus zijn.”
Torres, een oogenblik onder den indruk van zijn vergissing, nam de, hem toegestoken hand aan en bood zoowel Francis als Leoncia zijn verontschuldigingen aan.
„En nu,” sprak zij lachend, terwijl zij in haar handen klapte om een bediende te roepen, „moet ik mijnheer Morgan een kamer laten geven en zelf eenige kleeren aan gaan trekken. En daarna zullen wij u van Henry vertellen, wanneer u ons dit niet kwalijk neemt, Senor Torres.”
Terwijl zij vertrok en Francis een jonge, mooie mestiza-vrouw naar zijn kamer volgde, kwam Torres, wiens hersenen weer een beetje normaal werden, tot de ontdekking, dat hij nog nooit zoo verbaasd en zoo boos geweest was. Het was dus een nieuweling en een vreemdeling voor Leoncia, dien hij een ring aan haar ringvinger had zien steken. Zijn hersenen werkten een oogenblik snel en hartstochtelijk. Leoncia, die hij heimelijk altijd de koningin zijner droomen noemde, had, na een kennismaking van een oogenblik, zich verloofd met een vreemden Gringo uit New-York. Het was ongeloofelijk, monsterachtig.
Hij klapte in zijn handen en beval, dat het rijtuig, dat hij in San Antonio gehuurd had, voor moest komen en reed in snelle vaart den rijweg af, toen Francis weer verscheen om nog eens met hem te praten over de verdere bijzonderheden der bergplaats van den schat van den ouden Morgan.
Na de lunch, toen een landwindje opstak, wat hetzelfde beteekende als een gunstige wind en een snelle overtocht over de Chiriqui-Lagune naar de Stier en het Kalf, sloeg Francis, die verlangend was om Henry de goede tijding te brengen, dat zijn ring Leoncia’s vinger weer versierde, de aangeboden gastvrijheid af om den nacht over te blijven en Enrico Solano en zijn groote zoons te ontmoeten. Francis had echter nog een andere reden voor dit overhaast vertrek. Hij kon de tegenwoordigheid van Leoncia niet langer verdragen—en dit was volstrekt niet in onbeleefden zin bedoeld. Zij bekoorde hem, lokte hem aan en wel zóó, dat hij niet langer onder dien invloed mocht blijven, wilde hij trouw blijven aan den man, met zijn pantalon van zeildoek, die op het oogenblik nog kuilen groef in het zand op de Stier. Daarom vertrok Francis, met een brief van Leoncia aan Henry in zijn zak. Het laatste oogenblik, vóór hij vertrok, was zeer kort. Met een zucht, die zóó snel gesmoord werd, dat Leoncia afvroeg of het geen verbeelding was, rukte hij zich los. Zij keek naar zijn, steeds kleiner wordende gedaante op den rijweg, tot ze hem niet meer zien kon en staarde toen, met een eenigszins droeven blik, op den ring aan haar vinger.
Van den oever gaf Francis de Angélique, die voor anker lag, een teeken, om een boot aan wal te zenden om hem te halen. Maar voor de boot gestreken was, reden een half dozijn ruiters met revolvers in den gordel en geweren aan den zadelknop, langs den oever in galop op hem toe. Twee mannen reden vooruit. De andere vier waren gemeene mulatten. Francis herkende een der beide aanvoerders als Torres. Al de geweren werden op Francis aangelegd en hij kon niet anders doen dan gehoorzamen aan het, hem door den onbekenden aanvoerder toegesnauwd bevel, om zijn handen op te steken. En Francis dacht hardop.
„Hoe is het mogelijk! Eens, nog niet lang geleden—of was het een millioen jaren?—dacht ik, dat het bridge-spel, tegen een dollar het punt, al een heele opwinding was. Welnu, heeren, daar op je paarden, dreigend om met je wapens eenige vreemde voorwerpen in mijn arme corpus te laten dringen, zeg me eens, wat er toch eigenlijk aan de hand is. Kan ik dan nimmer dezen oever verlaten zonder eenige buskruit-complicaties? Zijn het mijn ooren, of is het enkel mijn knevel, waarop gij het voorzien hebt?”
„Wij hebben het op u voorzien,” antwoordde de vreemde aanvoerder, wiens knevel even stekelig was als zijn sluwe, zwarte oogen.
„En, in den naam van alles en nog wat, wie ben je?”
„Hij is de Edelachtbare Senor Mariano Vercara è Hyos, Chef van Politie in San Antonio,” antwoordde Torres.
„Wel te rusten,” lachte Francis, zich de beschrijving herinnerend, die Henry hem van dezen man gegeven had. „Ik vermoed, dat ik volgens uwe meening een havenreglement of een sanitair voorschrift overtreden heb door hier te ankeren. Maar u moet dergelijke dingen uitmaken met mijn kapitein, Kapitein Trefethen, een zeer achtenswaardig gentleman. Ik heb dezen schoener slechts gecharterd—ben maar een passagier. Gij zult zien, dat Kapitein Trefethen goed op de hoogte is in der maritieme voorschriften en gebruiken.”
„Wij hebben het op je voorzien, wegens den moord op Alfaro Solano,” was Torres’ antwoord. „Je kon mij niet om den tuin leiden, Henry Morgan, met je vertelseltje daar op de haciënda, dat je een ander was. Ik ken dien ander. Zijn naam is Francis Morgan en ik schroom niet er aan toe te voegen, dat hij geen moordenaar, maar een gentleman is.”
„Wel alle menschen!” riep Francis uit. „En je hebt me toch de hand gedrukt, Senor Torres.”
„Ik liet me beetnemen,” stemde Torres verdrietig toe. „Maar slechts voor een oogenblik. Wil je goedschiks meegaan?”
„Alsof...” Met een welsprekend gebaar naar de zes geweren trok Francis zijn schouders op. „Ik veronderstel, dat gij mij onmiddellijk zult verhooren en met het aanbreken van den dag opknoopen.”
„De gerechtigheid werkt snel in Panama,” antwoordde de Chef van Politie in een eigenaardig geaccentueerd, maar toch verstaanbaar Engelsch. „Maar zóó snel gaat het toch niet. We zullen je niet opknoopen met het aanbreken van den dag. Tien uur in den morgen is in alle opzichten een meer geschikte tijd, vindt je ook niet?”
„O, wel zeker,” antwoordde Francis. „Maak er elf uur van, of twaalf—’t is mij hetzelfde.”
„U wilt dus wel zoo goed zijn ons te volgen, senor,” zei Mariano Vercara è Hyos, waarbij de minzaamheid zijner woorden geenszins zijn ijzeren wil verborg. „Juan! Ignacio!” beval hij in het Spaansch. „Stijg af! Neem hem zijn wapens af. Neen, het is niet noodig om zijn handen te binden. Zet hem achter Gregorio op het paard.”
Francis, in een eerbiedwaardige gewitte gevangeniscel met vijf voet dikke muren gezeten, op wier leemen vloer de gedaanten rustten van een half dozijn medegevangenen, luisterde naar een dof gehamer, dat niet ver verwijderd was en zich het verhoor herinnerend, dat hij juist ondergaan had, floot hij langgerekt en zacht. Het was half negen ’s avonds. Het verhoor had om acht uur een aanvang genomen. Het gehamer beteekende de oprichting der schavotpalen, van welke verheven plek hij veroordeeld was om den volgenden morgen om tien uur de ruimte ingeslingerd en teruggehouden te worden van de aarde door een om zijn hals geknoopt touw. Volgens zijn horloge had het verhoor een half uur geduurd. Twintig minuten zou voldoende geweest zijn, wanneer Leoncia niet naar binnen was komen stormen en het nog tien minuten gerekt had, haar beleefd toegestaan als de voorname dame der familie Solano.
„De Chef had gelijk,” bevestigde Francis in een soort alleenspraak.
„De gerechtigheid werkt snel in Panama.”
Zelfs het bezit van den brief, hem gegeven door Leoncia en geadresseerd aan Henry Morgan, had meegeholpen tot zijn veroordeeling. De rest was gemakkelijk genoeg geweest. Een half dozijn getuigen hadden hun verklaringen afgelegd in de moordzaak en hem aangewezen als den moordenaar. De Chef van Politie had ook een dergelijke getuigenis afgelegd. Het eenige vroolijke intermezzo was de inval van Leoncia geweest, gechaperonneerd door een beverige oude tante der familie Solano. Dat was heerlijk geweest—de strijd van het mooie meisje om zijn leven te redden, niettegenstaande het feit, dat die gedoemd was om zonder succes te blijven. Toen zij Francis zijn mouw op liet stroopen en zijn linkerarm vertoonen, had hij gezien hoe de Chef van Politie minachtend zijn schouders optrok. En hij had gezien hoe Leoncia een stroom van Spaansche woorden, die hij niet kon volgen, naar Torres’ hoofd slingerde. En hij had de gebaren en het rumoer gezien en gehoord van de menigte menschen, die de gerechtszaal vulde, toen Torres in de getuigenbank verscheen.
Maar wat hij niet gezien had, was de gefluisterde samenspraak tusschen Torres en den Chef van Politie, toen de eerste zich door de menigte een weg baande naar de getuigenbank. Hij zag evenmin dit afzonderlijke tusschenspel als hij wist, dat Torres door Regan er voor betaald werd om hem zoo lang mogelijk van New-York verwijderd te houden of vermoedde, dat Torres, zelf verliefd op Leoncia, werd verteerd door een jaloezie, die geen grenzen kende.
Dit alles misleidde Francis, terwijl Torres door Leoncia ondervraagd werd, die hem dwong te verklaren, dat hij nooit een litteeken gezien had op den linkerarm van Francis Morgan. Terwijl Leoncia den kleinen, ouden rechter triomfeerend aankeek, was de Chef van Politie naar voren getreden en had met stentorstem aan Torres gevraagd:
„Kunt gij onder eede verklaren, dat gij wel eens een litteeken gezien hebt op Henry Morgan’s arm?”
Torres was verrast en verslagen geweest, had den rechter verbijsterd en Leoncia smeekend aangezien en ten slotte zonder een woord te zeggen, zijn hoofd geschud om te kennen te geven, dat hij dit niet kon doen.
Een triomfeerend gebrul was opgestegen uit de menigte schoeljes. De rechter had het vonnis uitgesproken, het rumoer was verdubbeld en Francis was, niet geheel zonder weerstand te bieden, weggeleid naar zijn cel door de gendarmes en den Commissaris, die er oogenschijnlijk allen op uit waren om hem te beveiligen voor het gepeupel, dat weinig lust had om tot den volgenden morgen tien uur op zijn dood te wachten.
„Die arme duivel, Torres, die struikelde over dat litteeken bij Henry!” dacht Francis vol sympathie, toen de grendel van zijn cel weggeschoven werd en hij opstond om Leoncia te begroeten.
Maar zij weigerde voor het oogenblik hem zijn groet terug te geven en wendde zich in een snelvuur van Spaansche woorden tot den Commissaris, met bevelende gebaren, waaraan hij gehoorzaamde, door den cipier te gebieden om de gevangenen naar andere cellen te brengen, waarop hijzelf, na een zenuwachtige en verontschuldigende buiging, naar buiten ging en de deur achter zich sloot.
En toen zonk Leoncia snikkend tegen zijn schouder, in zijn armen: „’t Is een vervloekt land, een vervloekt land. Er bestaat hier geen eerlijk spel.”
En terwijl Francis haar gebogen gestalte vasthield, zoo vol vrouwelijke aantrekkingskracht, dacht hij aan Henry, barrevoets, met zijn pantalon van zeildoek en zijn slappe sombrero, die kuilen groef in het zand op de Stier.
Hij deed een poging om zich los te maken van deze armvol bekoorlijkheid, maar slaagde slechts gedeeltelijk hierin. Toch beproefde hij, op dezen iets grooteren afstand, zijn verstand te laten spreken, in plaats van zijn gevoel, dat maar al te zeer dreigde hem mee te slepen.
„Nu weet ik tenminste wat een comedie is,” verzekerde hij haar, heelemaal niet in overeenstemming met de ingeving van zijn hart. „Als deze landgenooten van je wat kalmer nadachten, in plaats van zoo hartstochtelijk te handelen, konden zij spoorwegen aanleggen en den bloei van hun land bevorderen. Dat verhoor was je reinste comedie. Zij wisten, dat ik schuldig was en waren zoo verlangend om mij te straffen, dat ze zich zelfs niet druk konden maken over getuigen, bewijzen of identiteit. Waartoe een uitstel? Zij wisten, dat Henry Morgan Alfaro doodgestoken had. Zij wisten, dat ik Henry Morgan was. Wanneer iemand iets weet, waarom zou hij zich dan druk maken met een onderzoek?”
Doof voor zijn woorden, snikkend en zich steviger aan hem vastklemmend onderwijl hij sprak, had zij zich op het oogenblik, waarop hij ophield, weer diep in zijn armen genesteld, drukte zich tegen hem aan en hief haar lippen tot hem op; en, eer hij het wist, rustten zijn eigen lippen op de hare.
„Ik heb je lief, ik heb je lief,” fluisterde ze gebroken.
„Neen, neen,” ontkende hij zijn liefste wensch. „Henry en ik lijken teveel op elkaar. Je hebt Henry lief en ik ben Henry niet.”
Zij rukte zich plotseling los, trok Henry’s ring van haar vinger en wierp dien op den vloer. Francis was zoo opgewonden, dat hij niet wist, wat er het volgende oogenblik zou gebeuren, en werd enkel voor deze mogelijkheid bewaard door het binnenkomen van den Commissaris, die met het horloge in de hand en afgewend gelaat zijn best deed om niets anders te zien, dan de seconden, door de kleine wijzer op de wijzerplaat aangegeven. Zij richtte zich trotsch op en bezweek bijna toen Francis Henry’s ring weer aan haar vinger schoof en haar hand kuste om afscheid te nemen. Juist vóór zij de deur uitging, keerde zij zich om en met een klanklooze beweging der lippen, fluisterde ze hem toe: „Ik heb je lief.”
Op de minuut af, om tien uur werd Francis de gevangenis uitgeleid naar het plein, waar de galg stond. Heel San Antonio was present, vroolijk en luidruchtig en met hen het grootste gedeelte der naburige bewoners en Leoncia, Enrico Solano en zijn vijf reuzen zoons. Enrico en zijn zoons rookten en stapten deftig rond, maar de Chef van Politie, bijgestaan door den Commissaris en zijn gendarmes, was zoo hard als diamant. Tevergeefs deed Leoncia moeite om tot hem door te dringen, toen Francis naar den voet van het schavot geduwd werd en tevergeefs trachtten haar mannelijke verwanten haar te overreden om het plein te verlaten. Haar vader en broeders protesteerden eveneens tevergeefs, dat Francis de schuldige niet was. De Chef van Politie beval, met een verachtelijk glimlachje, dat de executie voortgang zou hebben. Boven op het schavot gekomen, op de trap staande, wees Francis den bijstand van den priester af, hem in het Spaansch meedeelend, dat een onschuldige geen bemiddeling met de toekomstige wereld van noode had, maar dat zij, die het vonnis gingen voltrekken, behoefte hadden aan deze bemiddeling.
Ze hadden Francis’ beenen gebonden en waren juist bezig om zijn armen te binden en de mannen hielden den strop en de zwarte muts boven zijn hoofd om hem deze aan te doen, toen men de stem van een zanger hoorde naderen, en het lied, dat gezongen werd, was:
„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet.”
Leoncia, die haast in zwijm viel, kwam weer bij op het hooren dezer stem en slaakte een kreet van verrukking, toen ze Henry Morgan zag binnenkomen, die de wachters aan de poort, die hem den weg wilden versperren, terzijde wierp.
De eenige, dien het speet toen hij hem zag naderen, was Torres, wat echter door de opschudding niet gemerkt werd. De toeschouwers waren het eens met den Chef van Politie, die zijn schouders optrok en beweerde, dat de eene man net zoo goed was als de ander, zoolang de executie maar door kon gaan. Maar nu ontstond er een heele woordenstrijd met de mannelijke Solanos, die volhielden, dat Henry evenmin schuldig was aan den moord op Alfaro. Maar het was Francis, die vanaf het schavot, terwijl zijn armen en beenen losgemaakt werden, boven het tumult uit schreeuwde:
„Gij hebt mij verhoord! Maar hem hebt gij niet verhoord! Gij kunt geen man ophangen, die geen verhoor ondergaan heeft! Hij moet verhoord worden!”
En toen Francis van het schavot gekomen was en Henry’s hand in zijn beide handen drukte, arresteerde de Commissaris, bijgestaan door den Chef van Politie, plichtschuldig Henry Morgan voor den moord op Alfaro Solano.
HOOFDSTUK IV.
„Wij moeten snel te werk gaan—dat staat vast,” zei Francis tot de kleine vergadering van Solanos op het voorplein der Solano-haciënda.
„Dat staat vast!” riep Leoncia toornig uit, haar rusteloos heen en weer loopen stakend. „Het staat vast, dat we hem moeten redden.”
Onder het spreken schudde zij hartstochtelijk haar vinger voor Francis’ neus, om haar woorden kracht bij te zetten. Hier niet mee tevreden, schudde zij haar vinger met gelijken nadruk voor de neuzen van haar vader en diverse broeders.
„Snel!” ging zij voort. „Natuurlijk moeten we snel te werk gaan. Dat, of...” Haar stem stierf weg bij het ontzettende schrikbeeld van hetgeen Henry te wachten stond, wanneer ze niet snel handelden.
„Voor den Chef van Politie staan alle Gringos gelijk,” bevestigde Francis deelnemend. Wat was ze schitterend mooi en verrukkelijk, dacht hij. „Hij loopt beslist heel San Antonio af en hij maakt korte metten. Hij zal Henry niet meer tijd gunnen, dan hij ons gaf. We moeten hem vannacht er uit zien te krijgen.”
„Luister nu,” begon Leoncia weer. „Wij, Solanos, kunnen deze... deze terechtstelling niet toelaten. Onze trots... onze eer. Wij kunnen het niet toelaten. Spreek! de een of ander van jelui. Vader—gij. Doe een voorstel...”
En terwijl het gesprek voortgezet werd, werd Francis, die ditmaal zweeg, door smart gefolterd. Leoncia’s ijver was schitterend, maar ze gold een ander man en hij kon zich hier nu niet precies over verblijden. De herinnering aan het gevangenisplein, nadat hij bevrijd en Henry gearresteerd was, stond hem nog duidelijk voor oogen. Hij zag nog, met dezelfde zielesmart, hoe Leoncia in Henry’s armen lag, hoe Henry haar hand zocht om zich te overtuigen of zij zijn ring droeg en de lange kus en omhelzing, die hierop volgden.
Och, het zei zoo, zuchtte hij heimelijk, hij had zijn best gedaan. Had hij Leoncia niet met overtuiging en koelbloedig verteld, nadat Henry weggevoerd was, dat deze haar man en haar minnaar was en dat dit de wijste keuze was, die een dochter der Solanos kon doen?
Maar deze herinnering maakte hem geen greintje gelukkiger. En evenmin de juistheid er van. Want juist was het. Daar twijfelde hij geen oogenblik aan en dit gaf hem kracht om zijn hart jegens haar te verharden. Toch vond hij in zijn geval, deze juistheid de schraalste troost.
En toch, wat kon hij anders verwachten? Het was zijn ongeluk, dat hij te laat in Centraal-Amerika gekomen was, dat was al, en dat hij deze vrouwelijke bloem reeds geannexeerd vond door een, die vroeger gekomen was dan hij—een man, even goed als hijzelf en een man met een beslist even eerlijk hart, ja zelfs nog beter. En zijn eerlijk hart gebood hem om loyaal te zijn jegens Henry—jegens Henry Morgan, van hetzelfde geslacht en bloed; jegens Henry Morgan, de vurige afstammeling van een vurig voorvader, met zijn pantalon van zeildoek en slappe sombrero, met een voorliefde voor de ooren van vreemde jongemannen, die leefde van scheepsbeschuit en schildpadeieren en de Stier en het Kalf omwoelde, zoekend naar den schat van den ouden Sir Henry.
En terwijl Enrico Solano en zijn zoons plannen en ontwerpen maakten op het breede voorplein en Francis slechts met een half oor luisterde, kwam een bediende Leoncia iets in het oor fluisteren en leidde haar om den hoek van het voorplein, waar zich nu een tooneel afspeelde, dat beslist Francis’ lachlust en toorn opgewekt zou hebben.
Leoncia werd begroet door Alvarez Torres, in al de middeleeuwsche Spaansche kleederpracht van een groot haciënda-bezitter, zooals die nog altijd bewaard bleef in Latijnsch-Amerika, die met zijn sombrero in de hand, diep voor haar boog en haar deed plaatsnemen in een rieten ruststoel. Haar eigen begroeting klonk droef, maar toch doorweven met nieuwsgierigheid, alsof zij hoopte, dat hij nog een woord van bemoediging zou spreken.
„Het verhoor is afgeloopen, Leoncia,” sprak hij zacht en meewarig, zooals men over een doode spreekt. „Hij is veroordeeld. Morgen om tien uur is de tijd. Het is alles heel droevig; heel, heel droevig. Maar...” Hij haalde zijn schouders op. „Neen, ik zal niet hard over hem spreken. Hij was een achtenswaardig mensch. Zijn drift was zijn eenige fout. Hij was te opvliegend, te vurig. Dit was zijn ongeluk. Nooit zou hij, in een redelijk, bezonnen oogenblik, Alfaro neergestoken hebben...”
„Hij heeft mijn oom niet gedood!” riep Leoncia uit, haar afgewend gelaat opheffend.
„En het is jammer,” ging Torres meewarig en droef voort, iedere oneenigheid vermijdend. „De rechter, het volk, de Chef van Politie, allen gelooven, helaas, dat hij het gedaan heeft. Wat zeer te betreuren is. Maar dit is niet de reden, waarom ik u opzocht. Ik kwam om u mijn diensten aan te bieden, in welk opzicht u die zoudt kunnen gebruiken. Mijn leven, mijn eer, alles is ter uwer beschikking. Spreek. Ik ben uw slaaf.”
Plotseling en elegant op één knie voor haar neerzinkend, greep hij haar hand van haar schoot en zou oogenblikkelijk voortgegaan zijn met spreken, wanneer zijn oogen niet waren blijven rusten op den ring met den diamant aan haar ringvinger. Hij fronste de wenkbrauwen, maar hield zijn hoofd gebogen om dit te verbergen, tot hij zijn gelaatstrekken weer in zijn macht had en begon toen weer te spreken.