Drie Harten

Part 4

Chapter 44,095 wordsPublic domain

„En mooie meisjes, die de gewoonte hebben om volslagen vreemdelingen het eene oogenblik te kussen en bedoelde vreemdelingen het volgend oogenblik met glinsterende, zilveren revolvers te bedreigen,” voerde Francis aan. „Dat moet ik je toch eens vertellen. Eergisteren roeide ik daarginds op het vasteland aan wal. Op het oogenblik, dat ik aan wal stapte, wierp het mooiste meisje ter wereld zich op mij en sleepte mij mee de jungle in. Ik dacht, dat ze me op wilde eten of met me trouwen. Ik snapte er niets van. En voor ik er achter kon komen, maakt het aardige dametje enkel zeer oncomplimenteuze opmerkingen over mijn knevel en jaagt me met een revolver terug naar de boot. Zei me om weg te gaan en nooit weer terug te komen, of iets dergelijks.”

„Waar op het vasteland was dat ergens?” vroeg Henry gespannen, wat Francis, die zich nog altijd vroolijk maakte bij de herinnering aan het avontuur, niet opmerkte.

„Daarginds aan het andere einde der Chiriqui-Lagune,” antwoordde hij. „Ik vernam, dat het gebied behoorde aan de familie Solano; en het is een opvliegende familie, zooals ik ondervond. Maar ik heb je alles nog niet verteld. Luister. Eerst sleepte ze me mee in het groen en beleedigde mijn knevel; vervolgens joeg ze me met getrokken revolver naar de boot; en toen vroeg ze mij, waarom ik haar niet kuste. Snap je daar iets van?”

„En heb je dat gedaan?” vroeg Henry, zijn hand onwillekeurig naar zijn zijde brengend.

„Wat kon een arme vreemdeling in een vreemd land doen? Het was een mooi meisje om in den arm te nemen...”

Het volgend oogenblik was Francis overeind gesprongen en beschermde zijn kaken voor een verpletterenden slag van Henry’s vuist.

„Ik... ik vraag vergiffenis,” stamelde Henry, en zonk neer op de oude scheepskist. „Ik ben een dwaas, dat weet ik, maar ik laat me hangen, als ik er iets aan doen kan...”

„Daar heb je het weer,” viel Francis hem verwijtend in de rede. „Je bent net zoo krankzinnig als iedereen in dit onzinnige land. Het eene oogenblik verbindt je mijn verbrijzeld hoofd en het volgend oogenblik wil je datzelfde hoofd van mijn romp slaan. Net als het meisje, dat mij om beurten kust en een revolver in mijn middenrif duwt.”

„Je hebt gelijk, ga maar voort, ik verdien het,” stemde Henry berouwvol toe, maar onwillekeurig wond hij zich weer op, toen hij vervolgde: „De duivel hale je, dat was Leoncia.”

„En wat zou dat, wanneer het Leoncia was? Of Mercedes? Of Dolores? Kan een jonge kerel dan geen aardig meisje kussen, onder bedreiging van een revolver, zonder dat de eerste wildeman de beste met een broek van zeildoek aan, dien hij ontmoet op een beruchte zandhoop van een eiland, hem het hoofd af wil slaan?”

„Wanneer dat aardige meisje nu echter verloofd is met dien wildeman in zijn broek van zeildoek...”

„Je wilt toch niet zeggen...” viel de ander hem opgewonden in de rede.

„Het is minder aangenaam voor dien wildeman, om te hooren, dat zijn beminde een wildeman gekust heeft, dien zij nimmer zag voor hij van den schoener van een beruchten Jamaïca-nikker aan wal kwam,” voltooide Henry zijn zin.

„En zij zag mij voor jou aan,” mompelde Francis, plotseling de heele situatie begrijpend. „Ik neem je niet kwalijk, dat je boos werdt, ofschoon je zult moeten erkennen, dat je een opvliegend karakter hebt. Gisteren wou je mijn ooren afsnijden, is het niet?”

„Je bent zelf even erg, Francis, mijn jongen. De manier, waarop je er op aandrong, dat ik ze zou afsnijden, toen ik je onder had—ha! ha!”

Beide jongemannen lachten, nu als zeer goede vrienden.

„Het is het karakter van den ouden Morgan,” zei Henry. „Volgens hetgeen men van hem hoort, was hij een vurige, ouwe kerel.”

„Niets erger dan die Solanos, je aanstaande familie. Wel, het grootste gedeelte van hen kwam naar den oever en bepeperden mij met hun geweren, toen ik terugroeide. En je Leoncia richtte haar poppen-revolvertje op een ouwe kerel met een langen baard, die haar vader had kunnen zijn en bracht hem aan het verstand, dat ze hem vol kogels zou schieten, wanneer hij niet ophield met mij onder vuur te nemen.”

„Ik wil wedden, dat het haar vader was, de oude Enrico zelf,” riep Henry uit. „En die andere kerels waren haar broeders.”

„Aardige snuiters,” beweerde Francis. „Zeg, denk je niet, dat je leven een beetje eentonig zal worden, wanneer je in zoo’n vredelievende tortelduivenfamilie trouwt?” Hij hield op, getroffen door een nieuwe gedachte. „Maar Henry, wanneer ze allemaal dachten, dat jij het waart, waarom voor den donder wilden ze jou dan dooden? Heeft een ander scherp kantje van je Morgans temperament de verwanten van je aanstaande vrouw geprikkeld?”

Henry keek hem een oogenblik aan, alsof hij met zich zelf te rade ging en antwoordde toen:

„Ik wil het je wel vertellen. Het is een netelige kwestie en ik geloof wel, dat mijn temperament er schuld aan heeft. Ik had ongenoegen met haar oom. Hij was de jongste broer van haar vader...”

„Was?” viel Francis hem in de rede, nadruk leggend op den verleden tijd.

„Was, zooals ik zei,” bevestigde Henry. „Hij is niet meer. Zijn naam was Alfaro Solano en hij had zelf ook het noodige temperament. Zij beweren, dat ze afstammen van de Spaansche conquistadores, en ze zijn buitengewoon trotsch. Hij had zijn fortuin gemaakt in den houthandel, en hij had juist een groote plantage aangelegd, verder op de kust. En toen kregen we ruzie. Dat gebeurde daarginds in dat stadje—San Antonio. Het kan een misverstand geweest zijn, maar ik houd nog altijd vol, dat hij ongelijk had. Hij zocht altijd ongenoegen met mij—had het land aan mijn huwelijk met Leoncia, begrijp je?

„Welnu, het was een warme tijd. Ik kwam in een pulqueria, waar Alfaro zat, die meer gebruikt had, dan goed voor hem was. Hij beleedigde mij. Ze moesten ons scheiden en onze revolvers wegnemen, en wij gingen heen, elkander dood en verderf toezwerend. Dat was de moeilijkheid—onze strijd en onze dreigementen hadden een twintigtal getuigen gehad.

„Nog geen twee uur later vonden de Comisario en twee politie-agenten mij, gebogen over Alfaro’s lijk in een achterstraat der stad. Hij had een messteek in den rug, en ik was over hem gestruikeld op mijn weg naar den oever. De verklaring? Niet te geven. Daar was de strijd en de dreigementen om wraak te nemen en daar stond ik, slechts twee uur later, gevonden ter zijde van zijn nog warme lichaam. Ik ben na dien tijd niet meer teruggeweest in San Antonio en liet geen tijd verloren gaan om me uit de voeten te maken. Alfaro was zeer populair—je kent dat onstuimige type ook wel, dat zoo in den smaak valt van het gepeupel. Wel, ze waren zelfs niet over te halen, om ook maar voor den vorm een gerechtelijk onderzoek in te stellen. Daar en op datzelfde oogenblik eischten zij mijn bloed, en ik vertrok met groote snelheid.

„Vervolgens bracht een bode van Leoncia mij te Bocas del Toro den verlovingsring terug. Ziedaar alles. Ik kreeg een afkeer van alles en daar ik niet terug durfde gaan, terwijl al de Solanos en de overige bevolking naar mijn bloed dorstte, kwam ik hier om een poosje voor kluizenaar te spelen en te gaan graven naar Morgan’s schat... Hoe het zij, ik vraag me af, wie dat mes in Alfaro’s lichaam gestoken heeft. Wanneer ik hem mocht ontdekken, dan zal ik wel weer in het reine komen met Leoncia en de overige Solanos en er valt niet aan te twijfelen, of dit zal gevolgd worden door een trouwpartij. En nu ik dit alles gezegd heb, wil ik er wel aan toevoegen, dat Alfaro een goede kerel was, al was hij even opvliegend als buskruit.”

„Alles is zoo klaar als de dag,” mompelde Francis. „Geen wonder, dat haar vader en broers mij eventjes wilden perforeeren.—Wel, hoe meer ik je aankijk, hoe meer ik zie, dat we op elkander gelijken als twee druppels water, behalve mijn knevel...”

„En dit...” Henry stroopte zijn mouw op en liet op den linker arm een lang, dun, wit litteeken zien. „Dat kreeg ik toen ik nog een jongen was. Viel van een windmolen en door het glazen dak van een broeikas.”

„Luister nu eens naar mij,” zei Francis, terwijl zijn gelaat begon te stralen door het plan, dat zich in zijn geest begon te vormen. „Iemand heeft op zich genomen om je uit deze ongelegenheid te redden en die kerel is Francis, deelgenoot der firma Morgan en Morgan. Jij blijft hier aan het werk of steekt over en begint het onderzoek op de Stier, terwijl ik terugga en alles uitleg aan Leoncia en haar familie...”

„Als ze je maar niet doodschieten, voor je hun kunt uitleggen, wie je bent,” mompelde Henry droevig. „Dat is juist het ongeluk met deze Solanos. Zij schieten eerst en praten dan. Zij willen niet naar rede luisteren, of het moest zijn post mortem.”

„Ik zal het er maar op wagen, ouwe kerel,” verzekerde Francis den ander, zelf heelemaal in vuur geraakt door zijn voornemen om het misverstand tusschen Henry en het meisje op te helderen.

Maar de gedachte aan haar bracht hem in verwarring. Hij ondervond meer dan een lichte spijt, dat het mooie schepseltje van rechtswege toebehoorde aan den man, die zoo zeer op hem leek, en hij zag haar weer in den geest op den oever, waar ze met tegenstrijdige gevoelens, hem afwisselend bemind en naar hem verlangd had en hem haar toorn en verachting in het gezicht geslingerd. Onwillekeurig zuchtte hij.

„Wat moet dat?” vroeg Henry spottend.

„Leoncia is een buitengewoon mooi meisje,” antwoordde Francis zeer oprecht. „Maar het doet er niet toe, ze is van jou, en ik zal mijn best doen, dat je haar krijgt. Waar heb je dien ring, dien ze je terugzond? Als ik dien niet, voor jou, weer aan haar vinger steek en hier niet over een week terug ben met het goede nieuws, dan mag je mijn knevel, gelijk met mijn ooren, afsnijden.”

Een uur later, toen Kapitein Trefethen, in antwoord op het teeken, een boot van de Angélique naar den wal had gezonden, zeiden de beiden jongelui elkander vaarwel.

„Maar nu nog twee dingen, Francis. Ten eerste, vergat ik je te zeggen, dat Leoncia heelemaal geen Solano is, ofschoon zij zelf denkt van wel. Alfaro heeft mij dit zelf verteld. Zij is een aangenomen kind, en de oude Enrico aanbidt haar, ofschoon zij noch van zijn bloed, noch van zijn geslacht is. Alfaro vertelde mij nooit de bijzonderheden, ofschoon hij wel zei, dat ze zelfs geen Spaansche was. Ik weet zelfs niet of ze een Engelsche of een Amerikaansche is. Zij spreekt uitstekend Engelsch, ofschoon zij dit door het gebruik geleerd heeft. Zie je, ze werd als kind door hem aangenomen, toen ze nog maar een heel klein ding was, en zij heeft nooit beter geweten of Enrico was haar vader.”

„En geen wonder, dat ze boos op mij was en mij haatte in jouw plaats,” lachte Francis, „geloovende, zooals zij deed en nog doet, dat je haar volbloed-oom een mes in den rug stak.”

Henry knikte en vervolgde:

„Het andere is van meer belang. En dat is de wet. Of liever, het ontbreken eener wet. In dit afgelegen land maken ze ervan, wat ze zelf willen. Panama ligt ver weg, en de gouverneur van dezen staat, of dit district, of hoe ze het noemen, is een slaperige, oude Silenno. De Chef van Politie te San Antonio is de man, dien je in het oog moet houden. Hij is de kleine Tsaar van dien uithoek der bosschen, en hij is een rare schutter, neem dit van mij aan. Inpeperen is een te zwak woord voor sommige zijner handelingen en hij is even wreed en bloeddorstig als een wezel. En zijn grootste genot is een executie. Hij is verzot op een ophangpartijtje. Houd hem in de gaten, wat je ook doet... En, welnu, zie zelf maar. En de helft van wat ik op de Stier vind, is voor jou: ...en zie, dat je dien ring weer aan Leoncia’s vinger krijgt.”

Twee dagen daarna, nadat de kleurling-kapitein eerst het strand verkend had en de tijding terugbracht, dat al de mannelijke leden van Leoncia’s familie weg waren, roeide Francis naar wal op dezelfde plek, waar hij haar het eerst ontmoet had. Geen meisjes met zilveren revolvers of mannen met geweren vertoonden zich. Alles was rustig, en het eenige levende wezen op den oever was een havelooze, kleine Indianenjongen, die voor een geldstuk bereidwillig toestemde om een briefje naar de jonge senorita der groote haciënda te brengen. Terwijl Francis op een stukje papier uit zijn notitieboek de woorden krabbelde: „Ik ben de man, dien gij bij vergissing aanzaagt voor Henry Morgan en ik heb een boodschap voor u van hem,” kon hij niet droomen, dat ongelukkige gebeurtenissen met even groote snelheid en in even groote menigte in aantocht waren, als op zijn eerste bezoek.

Wat dat betreft, zou hij, wanneer hij over de rotspunt, waartegen hij met zijn rug leunde, terwijl hij het briefje aan Leoncia schreef, had kunnen kijken, verrast zijn geworden door het zien van de jongedame in kwestie, die als een godin der zee na een verfrisschend bad uit het water opsteeg. Maar hij schreef kalm door, de Indianenjongen zelfs nog meer verdiept in het werk dan hij, zoodat Leoncia, die om de rots heenliep, hem het eerst in het oog kreeg. Een uitroep smorend, keerde zij zich om en vluchtte blindelings weg in het groene loover der jungle.

Hij werd het eerst haar tegenwoordigheid gewaar, toen hij opgeschrikt werd door een plotselingen angstkreet. Papier en potlood vlogen in het zand, terwijl hij wegsprong in de richting der kreet en in botsing kwam met een natte en sober gekleede jonge vrouw, die achteruitdeinsde voor hetgeen haar dezen kreet ontlokt had. Deze onverwachte botsing was oorzaak van een tweeden plotselingen kreet voor zij zich kon omkeeren en zich overtuigen, dat dit geen nieuwe aanval, maar enkel een redder in den nood was. Zij vloog langs hem heen, haar gelaat doodsbleek van schrik, struikelde over den Indianenjongen en stond niet stil voor ze op het open zand was.

„Wat is er?” vroeg Francis. „Zijt gij gewond? Wat is er gebeurd?” Zij wees op haar bloote knie, waar twee kleine bloeddruppeltjes naast elkander te voorschijn kwamen uit twee, nauwelijks zichtbare wondjes.

„Het was een adder,” zei ze. „Een vergiftige adder. Over vijf minuten ben ik dood en ik ben er blij om, blij, want dan kan je mij niet langer kwellen.”

Zij hief een beschuldigende vinger tegen hem op, hijgde een paar onverstaanbare woorden en viel bewusteloos neer.

Francis kende de slangen van Centraal-Amerika enkel van hooren zeggen, maar hetgeen hij ervan gehoord had, was vreeselijk genoeg. Men vertelde, hoe muilezels en honden, na een ontzettenden doodsstrijd, stierven, vijf of tien minuten nadat zij gebeten waren door kleine reptielen van veertig tot vijftig centimeter lang. Geen wonder, dat ze flauwgevallen was, dacht hij, nu zoo’n vreeselijk gif ongetwijfeld reeds zijn werk begonnen was. Hij kende de behandeling van slangenbeten ook enkel van hooren zeggen, maar toch vloog door zijn hersenen de herinnering aan een tourniquet om den bloedsomloop boven de wond af te klemmen en te voorkomen, dat het gif het hart bereikte.

Hij haalde zijn zakdoek uit zijn zak en bond dien los om haar been boven de knie, stak er een kort stukje drijfhout in, en draaide den zakdoek buitengewoon stevig aan. Vervolgens opende hij, alles volgens hooren zeggen en vliegensvlug te werk gaande, zijn zakmes, verhitte dit met verscheidene lucifers om het steriel te maken, en sneed voorzichtig, maar meedoogenloos in de beide wondjes, die de gifttanden der slang gemaakt hadden. Hij was zelf doodsbenauwd, en werkte met koortsachtige haast, ieder oogenblik verwachtend, dat de doodsstrijd zich meester zou maken van die heerlijke gestalte daar voor hem. Zooals hij altijd gehoord had, begon het lichaam der slachtoffers van een slangenbeet spoedig en vreeselijk te zwellen. Zelfs terwijl hij voortging met het openen der wondjes, was zijn geest bezig met de beide volgende behandelingen. Eerst zou hij zooveel mogelijk het gif uitzuigen en vervolgens een sigaret aansteken en met het brandend gedeelte de wonden cauteriseeren.

Maar terwijl hij nog bezig was om met de punt van zijn mes kris en kras kleine sneedjes te maken, begon zij zich onrustig te bewegen.

„Blijf liggen,” beval hij, toen zij overeind ging zitten juist op het oogenblik, waarop hij zich gereed maakte om de wond te gaan uitzuigen.

Als antwoord ontving hij van haar kleine hand een klinkende klap op zijn wang. Terzelfdertijd kwam de Indianenjongen de jungle uitgedanst, een dood slangetje bij den staart heen en weer zwaaiend en riep juichend:

„Labarri! Labarri!”

Deze woorden deden Francis het ergste vreezen.

„Ga liggen en houd u stil!” herhaalde hij met barsche stem. „Er is geen seconde te verliezen.”

Maar zij had enkel oogen voor de doode slang. Het was duidelijk merkbaar, dat een groote verlichting zich van haar meester maakte; maar Francis merkte dit niet, daar hij zich weer vooroverboog om de vastgestelde behandeling van slangenbeten voort te zetten.

„Hoe durf je!” voegde ze hem dreigend toe. „Het is maar een kleine labarri en haar beet is onschadelijk. Ik dacht, dat het een adder was. Ze zien er net eender uit, zoolang de labarri nog klein is.”

De stremming der bloedsomloop door het tourniquet deed haar pijn en ze keek naar beneden, om te zien, dat zijn zakdoek om haar been geknoopt was.

„O, wat heb je gedaan?”

Een warme blos verspreidde zich over haar gelaat.

„Maar het was slechts een kleine labarri,” verweet zij hem.

„U zei, dat het een adder was,” antwoordde hij.

Zij verborg haar gelaat in haar handen, ofschoon zij bloosde tot achter haar ooren. Toch zou hij er een eed op gedaan hebben, dat zij lachte, of het moest een zenuwlach zijn; en voor de eerste maal drong het tot hem door, welk een zware taak hij op zich genomen had om den ring van een ander man aan haar vinger te steken. Hij verhardde dus vastberaden zijn hart tegen haar schoonheid en de bekoring, die van haar uitging en sprak op bitteren toon:

„En nu veronderstel ik, dat de een of ander van uw familieleden mij als schietschijf zal gebruiken, omdat ik geen labarri van een adder kan onderscheiden. Je kunt ook iemand van het personeel roepen om het te doen. Of misschien wil je zelf wel een schot op mij wagen.”

Maar zij scheen zijn woorden niet gehoord te hebben, want zij was opgestaan met al de vlugheid en lenigheid, die men van zoo’n prachtig gevormd schepseltje mocht verwachten en stampte met haar voet op het zand.

„Hij slaapt—mijn voet,” verklaarde zij met een lachje, dat ditmaal niet achter haar handen schuil ging.

„Je gedraagt je al heel onbehoorlijk,” beweerde hij schalksch, „in aanmerking nemend, dat ik de moordenaar van je oom ben.”

Bij deze herinnering staakte zij haar lachen en de kleur verdween van haar gezicht. Zij gaf geen antwoord, maar boog zich voorover en trachtte met vingers, die trilden van boosheid, den zakdoek los te maken, alsof dit voorwerp haar diepen afkeer inboezemde.

„Laat mij je liever helpen,” opperde hij vroolijk.

„Beest!” snauwde zij hem toe. „Ga op zij. Zie je niet, dat je schaduw op mij valt.”

„Je bent verrukkelijk, bekoorlijk,” spotte hij, weerstand biedend aan het verlangen, dat hem drong om haar in de armen te sluiten. „Je beantwoordt volkomen aan mijn laatste herinnering van je hier op het strand, toen je mij het eene oogenblik verweet, dat ik je niet kuste, het volgende oogenblik mij kuste—ja, dat deedt je—en nog weer een seconde later dreigde om mijn spijsvertering in de war te brengen, door dat kleine speelgoed-pistooltje van je. Neen, je bent na dien tijd nog in het minst niet veranderd. Je bent nog dezelfde driftkop van een Leoncia. Je zoudt wijzer doen, als je mij dat los liet maken. Zie je niet, dat de knoop geklemd zit? Dat speel je nooit klaar met je kleine vingertjes.”

Zij stampte met haar voet, niet in staat om een woord uit te brengen van woede.

„Ik bof er bij, dat het je gewoonte niet is, om dat blikken speelgoed-pistooltje mee te nemen, als je gaat zwemmen,” plaagde hij verder, „want anders zou er hier op het strand heel gauw een beslist aardig jongmensch begraven worden, die toch enkel de beste bedoelingen met je heeft.”

Op dit oogenblik kwam de Indianenjongen aanloopen met haar badmantel, dien zij hem uit de handen rukte en snel omsloeg. Vervolgens viel zij, met behulp van den jongen, weer op den knoop aan. Toen de zakdoek los was, slingerde zij dien van zich, alsof dit in werkelijkheid een adder was.

„Vooruit, met dat smerige ding,” snauwde zij, aan zijn adres. Maar Francis, die nog altijd zijn hart jegens haar verhardde, schudde langzaam zijn hoofd en sprak:

„Het helpt je niets, Leoncia. Ik heb mijn stempel op je achtergelaten en dat kan je nooit meer afwisschen.”

Hij wees naar de insnijdingen, die hij in haar knie gemaakt had en lachte.

„Het stempel van het beest,” was haar antwoord, terwijl zij zich omkeerde om heen te gaan. „Ik waarschuw je, dat je maakt, dat je wegkomt, mijnheer Henry Morgan.”

Maar hij versperde haar den weg.

„En nu zullen we eerst eens over zaken spreken, mejuffrouw Solano,” zei hij, op een heel anderen toon. „En gij zult naar mij luisteren. Ge moogt met uw oogen vonken schieten zooveel ge wilt, maar val me niet in de rede.” Hij bukte zich en raapte het briefje op, dat hij juist had zitten schrijven. „Ik wilde je dit juist zenden door tusschenkomst van den jongen, toen je dien gil gaaft. Neem het. Lees het. Het zal je niet bijten. ’t Is geen adder.”

Ofschoon zij het niet wilde aannemen, vielen haar oogen onwillekeurig op den eersten regel:

Ik ben de man, dien gij aanzaagt voor Henry Morgan...

Zij keek hem aan met verschrikte oogen, die niets begrepen, maar veel vermoedden.

„Op mijn eerewoord,” zei hij ernstig.

„Gij... zijt... Henry... niet?” hijgde zij.

„Neen, dat ben ik niet. Zou je dit briefje niet willen aannemen en lezen?”

Ditmaal voldeed zij aan zijn verzoek, terwijl zijn blik bleef rusten op den gouden zonnegloed op haar, slechts weinig gebruind, blank gelaat, rose gekleurd door het doorschemerend bloed.

Als in een droom kwam hij tot de ontdekking, dat haar verbaasde, vragende, bruin fluweelen oogen op hem gericht waren.

„En wie zou dit dan geschreven hebben?” begon ze weer.

Hij kwam tot zichzelf en boog.

„Maar de naam?—uw naam?”

„Morgan, Francis Morgan. Zooals ik daarin reeds verklaarde, zijn Henry en ik verre bloedverwanten—neven in den vijfenveertigsten graad of iets dergelijks.”

Tot zijn groote verbazing, stond er plotseling groote twijfel in haar oogen te lezen en de oude, bekende toorn vlamde weer op.

„Henry!” verweet ze hem. „Dit is een list, een duivelachtige streek, die je mij wilt spelen. Natuurlijk ben je Henry.”

Francis wees op zijn knevel.

„Dien heb je sinds dien tijd laten staan,” beweerde ze.

Hij stroopte zijn mouw op en toonde haar zijn linkerarm van de pols tot den elleboog. Maar ze gaf alleen te kennen, dat ze niet begreep, wat deze handeling beteekende.

„Herinner je je het litteeken?” vroeg hij.

Zij knikte.

„Zoek het dan.”

Zij boog haar hoofd om snel een vruchteloos onderzoek in te stellen, en schudde het toen langzaam, terwijl zij stamelde:

„Ik... ik vraag vergiffenis. Ik heb me vreeselijk vergist, en als ik denk aan de wijze, waarop ik... ik je behandelde...”

„Die kus was verrukkelijk,” bekende hij stout.

Zij herinnerde zich nog meer directe voorvallen, keek omlaag naar haar knie en onderdrukte iets, wat hij voor een zeer verrukkelijk lachje aanzag.

„Je zegt, dat je een boodschap van Henry hebt,” veranderde zij plotseling van onderwerp. „En dat hij onschuldig is?... Kan dit waar zijn? O, ik zou je zoo gaarne gelooven!”

„Ik ben moreel overtuigd, dat Henry evenmin je oom doodde, als ik het deed...”

„Zeg dan geen woord meer, tenminste nu niet,” viel ze hem opgewekt in de rede. „In de eerste plaats moet ik je mijn verontschuldigingen aanbieden, ofschoon je zult moeten erkennen, dat een en ander, wat je gedaan en gezegd hebt, afschuwelijk was. Je hadt het recht niet om mij te kussen.” „Wees zoo goed je te herinneren, dat ik dit deed, terwijl de loop van een pistool op mij gericht was,” beweerde hij. „Het was de vraag, of ik niet doodgeschoten zou zijn, wanneer ik het niet gedaan had.”