Drie Harten

Part 3

Chapter 33,882 wordsPublic domain

Een snik weerhield hem om in de boot te stappen en deed hem het hoofd omwenden. De vreemde jonge vrouw, die nu de revolver aan haar zijde had hangen, schreide. Onmiddellijk liep hij naar haar terug en de aanraking van zijn hand op haar arm, was tegelijkertijd een betuiging van sympathie en een vraag. Zij huiverde onder deze aanraking, trad terug en keek hem door haar tranen heen verwijtend aan. Zijn schouders optrekkend over haar telkens veranderde gemoedsstemming, berustende in het onbegrijpelijke der situatie, wilde hij zich weer naar de boot wenden, toen zij hem tegenhield.

„Je kon tenminste...” begon ze, stotterde toen en moest een keer slikken, „je kon me wel een afscheidskus geven.”

Zij naderde hem impulsief, met uitgestrekte armen, terwijl de revolver, al heel ongepast, in haar rechterhand bengelde. Francis aarzelde een oogenblik heel verbaasd, ving haar toen op en voelde een hartstochtelijke kus op zijn lippen eer zij, in tranen uitbarstend, haar hoofd op zijn schouder liet rusten. Ondanks zijn verbazing, was hij zich bewust, dat de revolver plat tegen zijn rug lag, tusschen de schouders. Zij hief haar betraand gelaat op en kuste hem telkens en telkens weer en hij vroeg zich verwonderd af, of hij een schurk was omdat hij haar kussen met bijna gelijke en even geheimzinnige hartstocht beantwoordde.

Uit het gevoel, alsof het hem in het minst niet kon schelen, hoe lang deze teedere episode mocht duren, werd hij opgeschrikt, doordat zij zich plotseling van hem terugtrok, terwijl toorn en verachting uit haar oogen straalden en zij hem, met den revolver dreigend, naar de boot dreef.

Hij haalde zijn schouders op, als om te kennen te geven, dat hij geen neen kon zeggen tegen een knappe jongedame en gehoorzaamde, de riemen opnemend en haar aankijkend, terwijl hij weg begon te roeien.

„De Heilige Maagd verlosse mij van mijn verdorven hart,” riep zij uit, met haar vrije hand een medaillon tusschen haar kleeren uithalend en dit versiersel, in een stortvloed van gouden kraaltjes in het water werpend, halverwege tusschen hen beiden in.

Van den zoom der jungle zag hij hoe drie mannen, met geweren gewapend, naar de plek kwamen loopen, waar zij in het zand neergezonken was. Terwijl zij bezig waren om haar op te beuren, kregen zij Francis in het oog, die met krachtigen slag wegroeide. Over zijn schouder kijkend, zag hij hoe de Angélique, bij den wind halend en licht overleggend, het water doorploegend, naar hem toekwam. Het volgend oogenblik, richtte een van het drietal op den oever, een oudere man met grooten baard, den verrekijker van het meisje op hem. En het daarop volgend oogenblik, den kijker neerwerpend, richtte hij zijn geweer op hem.

De kogel spatte in het water op nog geen meter afstand van de boot en Francis zag hoe het meisje overeind sprong en het geweer omhoogsloeg, zoodat het tweede schot zijn doel miste. Vervolgens zag hij hoe de mannen met geweld zich van haar losrukten, om hun geweren op hem te richten, terwijl zij hen met haar revolver zocht te dwingen om hun wapens te laten zakken.

De Angélique, die in den wind gebracht werd om haar te doen stoppen, kwam schuimend langszijde en met een behendigen sprong was Francis aan boord, terwijl de kapitein het stuurrad wendde en de schoener langzaam wegzeilde. Op een jongensachtige manier wierp Francis ten afscheid een kushand toe aan het meisje, dat hem nastaarde en zag haar neerzinken op de schouders van den ouderen man met den langen baard.

„Cayenne-peper, niet—deze vervloekte, verschrikkelijke, onzinnig trotsche Solanos,” zei de kleurling-kapitein lachend tegen Francis, terwijl hij zijn blanke tanden liet zien.

„Echte bullebakken—volslagen krankzinnig, niemand uitgezonderd,” lachte Francis terug, terwijl hij naar de verschansing sprong, om het zonderlinge dametje nog meer kushandjes toe te wuiven.

Voortgedreven door den landwind, bereikte de Angélique den buitensten rand der Chiriqui-Lagune en de Stier en het Kalf te middernacht, waarop de kapitein bijdraaide om het daglicht af te wachten. Na het ontbijt, liet Francis zich door een der matrozen, een neger uit Jamaïca, aan wal roeien om de Stier te gaan verkennen, het grootste der beide eilanden en dat hij, volgens den kapitein, om dezen tijd van het jaar hoogstwaarschijnlijk bezet zou vinden door Indianen van het vasteland, die hier schildpadden kwamen vangen.

En Francis ontdekte haast onmiddellijk, dat hij niet maar dertig breedtegraden van New-York verwijderd was, maar veeleer drieduizend jaar, of nog beter eeuwen, dat hij van het laatste woord der beschaving overgeplaatst was naar het eerste woord der aloudheid. Naakt, op lendedoeken na van Bengaalsch linnen, gewapend met wreedaardige, zware kapmessen, bewezen de schildpad-vangers spoedig, dat ze aartsbedelaars en gevaarlijke moordenaars waren. De Stier was hun eigendom, brachten zij hem aan het verstand door middel van zijn Jamaïca-matroos; maar het Kalf, dat in het schildpadden-seizoen ook altijd hun eigendom geweest was, was nu in bezit genomen door een kwaadaardigen, onmogelijken Gringo, wiens roekeloos, heerschzuchtig optreden hen een eerbiedig respect had ingeboezemd voor een tweebeenig menschelijk schepsel, dat veel geduchter was dan zijzelf.

Terwijl Francis voor een zilver-dollar gedaan kreeg, dat een hunner een boodschap van hem overbracht aan den geheimzinnigen Gringo, dat hij hem wenschte te bezoeken, verzamelden de overigen zich rondom de boot van Francis, jammerend om geld, hem aanstarend en zelfs, zoo onbeschaamd mogelijk, zijn pijp stelend, die hij, nog warm van zijn lippen, naast zich op de roertalie had neergelegd. Oogenblikkelijk had hij den dief een klap om zijn ooren gegeven, en ook den volgenden dief, die er naar greep en maakte zich weer meester van de pijp. De hakmessen kwamen te voorschijn en glinsterden hem dreigend tegen, maar Francis verdedigde zich en hield de bende in bedwang met zijn automatisch pistool; terwijl zij zich in een groep terugtrokken en dreigend fluisterden, kwam hij tot de ontdekking, dat zijn eenige matroos-tolk nu juist geen held was, waarna hij zijn teruggekeerden boodschapper te woord stond.

De neger liep naar de schildpad-jagers toe en sprak zoo vriendelijk en onderdanig met hen, dat het Francis niet aanstond. De boodschaplooper overhandigde hem zijn briefje, waarop met potlood gekrabbeld stond:

„Vamos.”

„Ik geloof, dat ik er zelf maar eens heen moet gaan,” zei Francis tegen den neger, dien hij gewenkt had om terug te komen.

„U zoudt beter doen met op uw hoede en uiterst voorzichtig te zijn, mijnheer,” waarschuwde de neger hem. „Deze onredelijke beesten zijn hoogstwaarschijnlijk van zins om zeer onredelijk te handelen, mijnheer.”

„Ga in de boot en roei me er heen,” beval Francis kortaf.

„Neen, mijnheer; het spijt me zeer, dat ik het zeggen moet, mijnheer,” was het antwoord van den zwarten matroos. „Ik heb mij aan laten werven als matroos van Kapitein Trefethen, mijnheer, maar ik heb mij niet laten aanwerven om iemand te helpen om zelfmoord te plegen, en ik zie niet in, dat het mijn plicht is om u daarheen te roeien om een wissen dood te vinden. Het beste wat we doen kunnen, is deze warme Plaats te verlaten, die beslist en zonder twijfel nog veel heeter voor ons zal worden, als we hier blijven.”

Zeer misnoegd en toornig stak Francis zijn automatisch pistool in den zak, draaide de, met een lendedoek bekleede wilden den rug toe en wandelde weg tusschen de palmen. Waar groote blokken koraalrots opgeworpen waren door een vroegere beroering van den aardbodem, kwam hij weer op het strand uit. Op het strand van het Kalf aan de overzijde van het smalle kanaal, zag hij een, op den oever getrokken Indiaansch bootje. Aan den kant, waar hij zich bevond, lag een ranke en oogenschijnlijk lekke kano. Toen hij het water eruit hoosde, merkte hij, dat de schildpad-jagers hem gevolgd waren en naar hem keken van tusschen de cocospalmen, ofschoon zijn lafhartige matroos niet te zien was.

Om het kanaal over te pagaaien was slechts het werk van een oogenblik, maar nauwelijks bevond hij zich op den oever van het Kalf, of hij werd met nieuwe ongastvrijheid begroet door een lange jongeman op bloote voeten, die achter een palmboom te voorschijn kwam, met een automatisch pistool in de hand en schreeuwde:

„Vamos! Maak dat je wegkomt! Vooruit!”

„Alle goden en kleine visschen!” grinnikte Francis, half-spottend, half-ernstig. „Een mensch kan zich in deze streken niet bewegen, zonder dat er een geweer onder zijn neus geduwd wordt. En iedereen zegt, maak dat je wegkomt.”

„Niemand heeft je uitgenoodigd om hier te komen,” antwoordde de vreemdeling. „Je bent een indringer. Maak dat je wegkomt van mijn eiland. Ik geef je een halve minuut tijd.”

„Het spijt me zeer, vriend,” verzekerde Francis hem trouwhartig, tegelijkertijd met een schuin oog den afstand metend naar den naasten palmboom. „Iedereen, die ik hier in de buurt ontmoet is krankzinnig en onhoffeliik, en angstvallig bezorgd om zich van mijn tegenwoordigheid te ontslaan en ze beginnen te maken, dat ik er ook zoo over ga denken. Bovendien, omdat gij mij zegt, dat dit uw eiland is, is dit nog geen bewijs...”

De snelheid, waarmee hij de dekking van den palmboom opzocht, maakte dat zijn zin onvoltooid bleef. Hij bereikte den stam tegelijk met een kogel, die tegen den anderen kant aansloeg.

„Welnu, leer om leer!” riep hij uit, toen hij een kogel in den stam van den anderen boom joeg.

De volgende minuten schoten zij aldoor of wachtten op een welberekend schot, en toen Francis achtste en laatste patroon verschoten was, was hij, op minder aangename wijze ervan verzekerd, dat hij slechts zeven schoten van den vreemdeling geteld had. Voorzichtig bracht hij een gedeelte van zijn zonnehelm, die hij in de hand hield, te voorschijn en oogenblikkelijk werd deze doorboord.

„Wat voor een revolver gebruik je?” vroeg hij met ijskoude beleefdheid.

„Een Colt,” was het antwoord.

Francis stapte brutaalweg te voorschijn, zeggend: „Dan zijn je patronen op. Ik heb ze geteld. Acht stuks. Nu kunnen we praten.”

De vreemdeling kwam ook naar voren en Francis kon niet nalaten om zijn prachtige gestalte te bewonderen, ondanks het feit, dat zijn kleeding bestond uit een smerige pantalon van zeildoek, een katoenen hemd en een slappe sombrero. Bovendien kwam het hem voor alsof hij hem vroeger gekend had, ofschoon het niet tot hem doordrong, dat hij op zijn eigen evenbeeld staarde.

„Spreek!” snauwde de vreemdeling, zijn revolver wegwerpend en een mes trekkend. „Nu ga ik je ooren afsnijden en je misschien nog wel scalpeeren ook.”

„Hola! Jelui zijn hier in deze bosschen zachtmoedige en vriendelijke beestjes,” antwoordde Francis, met steeds toenemende boosheid en afkeer. Hij trok zijn eigen jachtmes, fonkelnieuw en zoo uit den winkel. „Zeg, laten we er om worstelen en zoo dat messenzaakje uitmaken.”

„Ik moet je ooren hebben,” antwoordde de vreemdeling vroolijk en naderde langzaam.

„Zeker. Wie het sterkste is en de man, die wint, krijgt de ooren van den ander.”

„Top.” De jongeman met de broek van zeildoek, stak zijn mes weg.

„’t Is jammer, dat er geen camera hier is, om een filmopname te doen,” spotte Francis, ook zijn mes wegstekend. „Ik kook. Ik voel me als een bende kwaadaardige Indianen. Wees op je hoede. Daar kom ik aan! Wie het eerst onder ligt!”

Handeling en woorden vergezelden elkaar, en zijn dappere aanval had een schandelijk resultaat, want de sterkere, die oogenschijnlijk den schok wilde opvangen, liet zich, op het oogenblik, dat hun lichamen met elkander in aanraking kwamen, achterover op zijn rug vallen, tegelijkertijd zijn voet in Francis’ buik plantend en veranderde Francis’ aanval in een woesten, voorwaartschen luchtsprong.

De smak, waarmee hij op het zand terechtkwam, benam Francis bijna den adem en het vallende lichaam van zijn tegenstander, die zich nu op hem stortte, het laatste restje wat hem nog overbleef. Toen hij zoo sprakeloos op zijn rug lag, merkte hij dat de man, die boven op hem lag, hem plotseling nieuwsgierig aankeek.

„Waarom draag je een knevel?” mopperde de vreemdeling.

„Zou je die ook maar niet afsnijden,” hijgde Francis, zoodra hij weer een beetje op adem kwam. „De ooren zijn voor jou, maar de knevel is mijn eigendom. Die is niet in het contract begrepen. Bovendien, deze handgreep was zuiver jiu-jitsu.”

„Je zei, wie het eerst onder ligt,” beweerde de ander lachend. „Wat je ooren betreft, je moogt ze houden. Ik was nooit van plan om ze af te snijden en nu ik ze van dichtbij bekijk, verlang ik er nog minder naar. Sta op en maak, dat je wegkomt. Ik heb je laten zien, dat ik de baas ben. Vamos! En kom hier niet weer in de buurt rondsluipen! Begrepen! Zwijg!”

Met nog meer walging dan eerst, waarbij nu nog het vernederende van zijn nederlaag kwam, liep Francis weer terug naar den oever naar zijn kano.

„Zeg eens, Kleine Vreemdeling, zou je je visitekaartje niet achter willen laten?” riep de overwinnaar hem na.

„Visitekaartjes en een moordenaar hooren niet bij elkaar,” kaatste Francis over zijn schouder heen terug, toen hij in de kano neerhurkte en zijn pagaai inlegde. „Ik heet Morgan.”

Verwondering en verbazing waren het deel van den vreemdeling, toen hij zijn mond opende om te spreken, van gedachte veranderde en zachtjes mompelde: „Van denzelfden stam—geen wonder, dat we op elkander lijken.”

Nog altijd vol afkeer, bereikte Francis weer den oever van de Stier, ging op den rand der kano zitten, stopte zijn pijp, stak die aan en ging droomerig zitten nadenken. Allemaal krankzinnig, was zijn idee. Niemand, die redelijk handelt. Ik zou den ouden Regan wel eens zaken willen zien doen met deze menschen. Ze zouden zijn ooren gauw te pakken hebben.

Wanneer hij op dit oogenblik, de jonge man met de broek van zeildoek en die zoozeer op hem geleek, had kunnen zien, zou hij er zeker van geweest zijn, dat er in Latijnsch-Amerika niets anders heerschte dan krankzinnigheid; want de jongeman in kwestie, in een met gras bedekte hut in het hartje van het eiland, grinnikte voor zich heen, toen hij hardop sprak:

„Ik geloof, dat ik de vreeze Gods gelegd heb in het hart van dat lid der familie Morgan,” en had juist zijn oogen gevestigd op een fotografische reproductie van een olieverfschilderij aan den muur, die Sir Henry Morgan voorstelde.

„Wel, Ouwe Zeeroover,” vervolgde hij grinnikend, „twee van je jongste afstammelingen hadden elkander bijna om hals gebracht met hun automatische pistolen, waarbij vergeleken jouw antidiluviaansche proppeschieters niet veel meer zijn dan speelgoed uit een dertig-cents-bazaar.”

Hij boog zich over een verweerde en vol wormgaatjes zittende scheepskist, beurde het deksel op, dat het monogram „M.” droeg en richtte zich weer tot het portret:

„Wel, ouwe Wallische zeeroover en voorvader, alles wat je mij nagelaten hebt, zijn die oude vodden en een gezicht, dat sprekend op je lijkt. En mij dunkt, als ik werkelijk nijdig werd, kon ik je Port-au-Prince-rol net zoo goed spelen, als je zelf.”

Een oogenblik later begon hij zich te kleeden in de versleten en door de motten verteerde kleedingstukken uit de scheepskist en voegde er aan toe:

„Wel, nu heb ik de oude vodden aan mijn lijf. Kom nu maar eens uit je lijst, Mijnheer de Voorvader, en zie maar eens in welke opzicht wij van elkander verschillen.”

Gekleed in Sir Henry’s oude kleedingstukken, een ponjaard om het middel hangend en twee reusachtigen zware vuursteen-pistolen in zijn gordel gestoken, was de gelijkenis tusschen den levenden man en het geschilderde beeld van den ouden boekanier, die reeds lang tot het stof was weergekeerd, werkelijk sprekend.

„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet.”

Toen de jongeman, de snaren tokkelend van een guitaar, het oude boekanierslied begon te zingen, was het hem alsof het beeld van zijn voorvader veranderde in een ander beeld en dat hij zag:

Zijn ouden voorvader zelf, met den rug tegen den scheepsmast, een flikkerende ponjaard zwaaiend tegenover een halven cirkel fantastisch gekleede matrozen—moordenaars, terwijl achter hem, aan den anderen kant der mast, een andere, net eender uitgeruste man, eveneens met flikkerende ponjaard tegenover den tweeden halven cirkel moordenaars stond, die den kring rondom den mast voltooiden.

Deze levendige fantasie werd verbroken door het springen van een snaar, die hij al te hartstochtelijk beroerd had. En in de plotselinge stilte, was het hem alsof hij een nieuw visioen zag van Sir Henry, die uit zijn lijst stapte en naast hem kwam staan, alles heel werkelijk, en hem aan zijn mouw trok om hem mee te voeren buiten de hut en een spookachtige herhaling fluisterend van:

„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet.”

De jongeman gehoorzaamde zijn spookachtige leidsman of een aanwijzing van zijn eigen innerlijke intuïtie en liep naar buiten en naar den oever, waar hij aan de overzijde van het kanaal, op den oever van de Stier, zijn vroegere tegenstander zag, met zijn rug tegen het stuk koraalrots staande en zich verdedigend tegen een aanval der Indianen, hun zwaaiende hakmessen afwerend door krachtig in het rond te slaan met een stuk drijfhout.

En Francis, op het punt te bezwijken, duizelig heen en weer zwaaiend door den slag van een rotsblok tegen zijn hoofd, zag de verschijning, die hem bijna tot de overtuiging bracht, dat hij reeds dood en in het schimmenrijk aangeland was, Sir Henry Morgan zelf, die, de ponjaard in de hand, het strand opsnelde om hem te hulp te komen. Bovendien schreeuwde de verschijning, de ponjaard zwaaiend en rechts en links de Indianen buiten gevecht stellend:

„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet.”

Terwijl Francis’ knieën hem begaven en hij langzaam neerzonk, zag hij hoe de Indianen zich verspreidden en vluchtten voor den aanval der geheimzinnige zeerooversgedaante en hoorde hen roepen:

„De Hemel zij ons genadig!” „Heilige Maagd, bescherm ons!” „Het is de geest van den ouden Morgan!”

Toen Francis zijn oogen weer opsloeg, lag hij in de grashut, op het middelpunt van het Kalf gelegen. Het eerste wat hij zag, toen zijn bewustzijn een beetje terugkeerde, waren de gelaatstrekken van Sir Henry Morgan, die hem van het portret aan den muur aanstaarde. Vervolgens zag hij diens jongere editie, die op drieërlei wijze bewees een levend wezen te zijn; door zich te bewegen, een kroes met brandewijn aan zijn lippen te houden en hem te verzoeken om te drinken. Francis was op de been eer hij zijn lippen aan den kroes zette; en zoowel hij als de vreemdeling, gedreven door dezelfde ingeving, keken elkander recht in de oogen, toen naar het portret aan den muur en klonken met hun kroesen als een saluut aan het portret en aan elkander, eer zij dronken.

„Je zei me, dat je Morgan heette,” sprak de vreemdeling. „Ik ben ook een Morgan. Die man daar aan den muur was de stamvader van mijn geslacht. En jouw geslacht?”

„Dat van den ouden boekanier,” antwoordde Francis. „Mijn voornaam is Francis. En die van jou?”

„Henry—rechtstreeks naar den ouden man. Wij moeten verre neven of zooiets zijn. Ik ben op zoek naar den buit van dien sluwen, ouden, vrekkigen Welshman.”

„Net als ik,” zei Francis, zijn hand uitstekend. „Maar ik bedank ervoor om te deelen.”

„Dat is het oude bloed, dat uit je spreekt,” lachte Henry goedkeurend. „Dus voor den gelukkigen vinder. Ik heb in de laatste zes maanden het grootste gedeelte van dit eiland het ondersteboven gezet, en het eenige, wat ik vond, waren deze oude vodden. Ik blijf bij je om je een vlieg af te vangen als ik kan, maar ook om met jou rug aan rug tegen den scheepsmast te leunen zoodra de nood aan den man komt.”

„Dat lied is een tooverlied,” beweerde Francis. „Ik moet het ook leeren. Zing het nog eens.”

En tezamen, met hun kroesen klinkend, zongen zij:

„—Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet...”

HOOFDSTUK III.

Maar een barstende hoofdpijn maakte een einde aan het zingen van Francis en hij was dankbaar, toen hij door Henry in een frissche hangmat gestopt werd, waarop deze naar de Angélique roeide met bevel van zijn bezoeker aan den kapitein om voor anker te blijven liggen, maar geen enkele van zijn matrozen toe te staan om op het Kalf aan land te gaan. Eerst laat in den morgen van den volgenden dag, na uren lang vast geslapen te hebben, kwam Francis weer op de been en verklaarde, dat zijn hoofd weer geheel in orde was.

„Ik weet wat het is—ben eens van een paard geworpen,” was de sympathieke betuiging van zijn vreemde bloedverwant, toen hij hem een grooten kop welriekende koffie inschonk. „Drink dit maar eens uit. Dat zal een ander mensch van je maken. Kan je niet veel anders voor ontbijt aanbieden dan spek, scheepsbeschuit en eenige bij elkander gegrabbelde schildpadeieren. Ze zijn versch. Daar sta ik voor in, want ik heb ze dezen morgen opgegraven terwijl je sliep.”

„Die koffie is op zich zelf al een maaltijd,” prees Francis, onderwijl zijn bloedverwant opnemend en steeds weer naar het portret van hun beider voorvader kijkend.

„Je lijkt precies op hem en niet alleen maar naar het uiterlijk,” lachte Henry, toen hij hem bij dit onderzoek verraste. „Toen je gisteren weigerde om te deelen, was dit de oude Sir Henry in levenden lijve. Hij had een diepgewortelden afkeer tegen deelen, zelfs met zijn eigen bemanning. Dat was de oorzaak van zijn meeste moeilijkheden. En hij heeft beslist nooit een stuiver van zijn schatten meegedeeld aan zijn nakomelingen. Nu denk ik er anders over. Niet alleen wil ik het Kalf met je deelen; maar ik zal je ook van alles de helft geven, erf, provisie, drank, deze hut, al deze mooie meubels, gronden, erfstukken en zoo meer, en het overschot der schildpadeieren. Wanneer wil je je intrek nemen?”

„Je bedoelt?...” vroeg Francis.

„Precies wat ik zeg. Er is hier niets te vinden. Ik heb het eiland nu zoowat heelemaal omgewroet en niets gevonden, dan deze kist vol oude kleeren.”

„Dat moet je toch moed gegeven hebben.”

„Buitengewoon. Ik dacht, dat het heel wat was. Maar hoe het zij, het bewijst, dat ik op het rechte spoor ben.”

„Wat dunkt je ervan om het eens met de Stier te probeeren?” vroeg Francis.

„Dat was ook mijn idee,” was het antwoord, „ofschoon ik ook een aanwijzing gekregen heb op het vasteland. Deze oudgedienden hadden de gewoonte om hun lengte- en breedtegraden heele einden te verplaatsen.”

„Tien Noordelijk en negentig Oostelijk op de kaart kan evengoed twaalf Noordelijk en twee en negentig ten Oosten beteekenen,” beweerde Francis. „En het kan ook acht Noordelijk en acht en tachtig Oostelijk beteekenen. Zij hadden de verandering goed in het hoofd en wanneer ze onverwacht stierven, zooals meestal hun gewoonte was, schijnt het, dat het geheim met hen ten grave daalde.”

„Ik denk er half en half over om naar de Stier te gaan en deze schildpadjagers terug te drijven naar het vasteland,” vervolgde Henry. „En dan weer zou ik er haast toe komen, om eerst die aanwijzing op het vasteland af te werken. Ik vermoed, dat jij ook voorzien bent van een massa aanwijzingen?”

„Natuurlijk,” bevestigde Francis. „Maar zeg, ik zou mijn woorden over het samen deelen willen intrekken.”

„Ga je gang,” moedigde de ander aan.

„Dan doe ik het bij deze.”

Hun handen werden uitgestrekt en een handdruk bezegelde deze rectificatie.

„Morgan en Morgan, commanditaire vennootschap,” lachte Francis. „Activa, de heele Caraïbische Zee, het Spaansche schiereiland, het grootste gedeelte van Centraal-Afrika, een kistvol volslagen onbruikbare oude kleedingstukken en een massa gaten in den grond.”

Henry werd aangestoken door de vroolijkheid van den ander. „Passiva, slangenbeten, diefachtige Indianen, malaria, gele koorts...”