Drie Harten

Part 2

Chapter 23,937 wordsPublic domain

„Met groote inspanning en na jarenlang onderzoek, heb ik eindelijk de aanwijzing gevonden van het zeerooversgoud van Sir Henry Morgan,” was zijn inleiding. „Natuurlijk ligt het op de Mosquito-Kust. Ik zal u nu vertellen, dat het geen duizend mijlen verwijderd is van de Chiriqui-Lagune en dat Bocas del Toro, met recht, de dichtstbijgelegen stad genoemd mag worden. Ik werd daar geboren—maar in Parijs opgevoed—en ken de omgeving daar op mijn duimpje. Een kleine schoener—de uitrusting is goedkoop, heel goedkoop—maar de uitkomst, de belooning—de schat!”

Senor Torres pauseerde om goed te kennen te geven, dat hij niet in staat was een nadere omschrijving te geven en Thomas Regan, een hard man, gewoon om met harde menschen om te gaan, ging voort om meer van hem en zijn gegevens te weten te komen met al de strikvragen van een rechtsgeleerde.

„Ja,” stemde Senor Torres al spoedig toe, „ik ben een beetje in moeilijkheden—hoe zal ik het zeggen?—behoefte aan gereed kapitaal.”

„Je hebt geld noodig,” verzekerde de beursman hem brutaalweg en hij boog, verlegen toestemmend.

En hij vertelde nog meer onder het snelvuur van vragen. Het was waar, hij had eerst onlangs Bocas del Toro verlaten, maar hij hoopte er nooit terug te keeren. En toch was hij bereid om terug te gaan, wanneer misschien de een of andere schikking...

Maar Regan stopte hem den mond op de afdoende wijze van den heerscher, die tegenover minderwaardige medeschepselen staat. Hij schreef een chèque, ten name van Alvarez Torres en toen dat heer er een oog op wierp, zag hij de cijfers van duizend dollars.

„Ziehier nu mijn plan,” zei Regan. „Ik hecht niet het minste geloof aan je verhaal. Maar ik heb een jongen vriend—ik houd veel van den jongen, maar hij houdt te veel van het stadsleven, fuiven, dames en de rest—je begrijpt?” En Senor Alvarez Torres boog, zooals de eene man van de wereld tegenover den ander doen zou. „Welnu, terwille van zijn gezondheid, zoowel als van zijn geld en zijn ziel, zou het beste, wat hem kon overkomen, een uitstapje zijn om den schat te gaan zoeken, avontuur, inspanning, en... ik ben overtuigd, dat je me al begrepen hebt.”

Weer boog Alvarez Torres.

„Je hebt geld noodig,” vervolgde Regan. „Tracht hem er voor te interesseeren. Die duizend dollar is voor je moeite. Wanneer je er in slaagt hem zooveel belangstelling in te boezemen, dat hij op reis gaat om het goud van den ouden Morgan te zoeken, krijg je er nog tweeduizend. En wanneer je hem drie maanden daar weet te houden, nog tweeduizend—zes maanden, vijfduizend. O, geloof mij, ik heb zijn vader gekend. Wij waren kameraden, deelgenooten, ik—ik zou willen zeggen, bijna broeders. Ik zou er alles voor over hebben, om zijn zoon terug te brengen op het pad der echte mannelijkheid. Wat zeg je ervan? Die duizend dollars zijn voor jou om mee te beginnen. Welnu?”

Met bevende vingers vouwde Senor Alvarez Torres de chèque dicht en weer open.

„Ik... ik neem het aan,” stamelde hij, stotterend van hebzucht. „Ik... ik... Hoe zal ik het zeggen?... U hebt maar over mij te beschikken.”

Vijf minuten later, toen hij opstond om heen te gaan. volledig ingelicht omtrent de rol, die hij moest spelen en het verhaal van Morgan’s schat herzien en nog overtuigender gemaakt door het sluwe zakelijk doorzicht van den beursman, flapte hij er, bijna schertsend, maar niet minder pathetisch uit:

„En het grappigste is nog, mijnheer Regan, dat het werkelijk waar is. De veranderingen, die u aangaf, doen mijn verhaal nog aannemelijker klinken, maar waar is het ondanks alles. Ik heb het geld noodig. U is zeer vrijgevig, en ik zal mijn best doen... Ik... ik vlei mij, dat ik een artist ben, maar de echte en werkelijke waarheid is, dat de aanwijzing van Morgan’s begraven buit onvervalscht is. Ik had de beschikking over bronnen, die niet toegankelijk waren voor het publiek, die niet maar te hooi en te gras gevonden worden, want de mannen van mijn eigen familie—het zijn familie-overleveringen—hadden reeds dergelijke bronnen en hebben hun leven besteed aan het vruchtelooze onderzoek. En toch waren ze op het rechte spoor—behalve dat hun vernuft hen tot op twintig mijlen van de plek bracht. Dit was de schuld van de bronnen. Zij slaagden er niet in, ik vermoed door een voorbedachte truc, een woordspeling, een puzzel, een vermomming, een doolhof, die ik, en ik alleen, heb ontdekt en opgelost. De vroegere zeelui haalden allemaal zoo’n kunstje uit met de kaarten, die zij teekenden. Zoo verplaatsten mijn Spaansche voorouders de Hawaii-Eilanden op vijf lengtegraden.”

Dit alles was weer Grieksch voor Thomas Regan, die glimlachend toeluisterde en tegelijkertijd daarmede op verdraagzame wijze, het ongeloof van den, door drukke zaken in beslag genomen zakenman te kennen gaf.

Nauwelijks was Senor Torres verdwenen of Francis Morgan werd binnengelaten.

„Mij dacht, dat ik eens een beetje raad moest zien in te winnen,” zei hij, toen zij elkander begroet hadden. „En bij wien zou ik dit beter kunnen doen dan bij u, die zoo op de hoogte waart van de zaken van mijn vader? Ik weet, dat u en hij partners waren in enkele der grootste ondernemingen. Hij zei mij altijd, dat ik op uw oordeel kon vertrouwen. En, welnu, hier ben ik en van plan om te gaan visschen. Maar wat is er toch aan de hand met Tampico-Petroleum?”

„Wat is er aan de hand?” was Regan’s herhaling, fijntjes simuleerend niets van de zaak af te weten, op het oogenblik zelf, waarop hij de aansprakelijke persoon was voor de opdrijving.

„Tampico-Petroleum?”

Francis knikte, liet zich in een stoel vallen en stak een cigaret aan, terwijl Regan den koersaanwijzer raadpleegde.

„Tampico-Petroleum is gestegen—twee procent—dat geeft te denken,” was zijn meening.

„Juist, wat ik zeg,” bevestigde Francis. „Het geeft te denken. Maar hoe het zij, vermoed u dat er iets uitgelekt kan zijn over de werkelijke waarde er van—en die is groot—ik spreek onder de roos, weet u, ik bedoel absoluut vertrouwelijk?” Regan knikte. „Het is groot. Het is waar. Het is je zaak. Het is wettig. En nu deze belangstelling—zou u denken dat iemand, of de een of andere groep medezeggingschap tracht te krijgen?”

De compagnon van zijn vader, met den eerbiedwaardigen grijzen haardos boven zijn sluwe hersenen, schudde het hoofd.

„Wel,” overdreef hij, „het kan een oogenblikkelijke opwinding zijn of het beurspubliek heeft het vermoeden gekregen, dat het werkelijk solied is. Wat denk jij ervan?”

„Natuurlijk is het soliede,” antwoordde Francis met vuur. „De rapporten, die ik gekregen heb, Regan, zijn zoo goed, dat je haren ervan te berge zouden rijzen. Zooals ik al mijn vrienden gezegd heb, dit is werkelijk echt. Het is vervloekt jammer, dat ik het publiek er in moest betrekken. Het was zoo groot, dat ik wel moest. Zelfs al het geld, dat mijn vader mij naliet, was niet toereikend—ik bedoel, mijn los kapitaal, dat niet belegd was—het geld om mee te handelen.”

„Ben je kort bij kas?” vroeg de oudere man.

„O, ik heb nog een aardig beetje om mee te werken,” was het luchtige antwoord van den jongeman.

„Je bedoelt?...”

„Zeker. Niet anders dan dat. Als ze dalen, ga ik koopen. Het is gevonden geld.”

„Hoe ver wil je gaan met koopen?” was de volgende vorschende vraag, gemaskeerd door een schijnbare opgewektheid en goedkeuring.

„Zoo ver ik kan,” antwoordde Francis onmiddellijk. „Ik zeg je, Regan, ’t is reusachtig.”

„Ik heb er niet genoeg op gelet om er een oordeel over te vellen, Francis, maar ik moet zeggen, het weinige, dat ik ervan gehoord heb, klinkt goed.”

„Goed klinken! Ik zeg je, Regan, het is zuivere waar, echt en recht en het is een schande, dat het in de fondsenlijst opgenomen moest worden. Ik hoef niemand te gronde te richten en heb niets noodig om ze er door te halen. De wereld zal er beter van worden, wanneer ik, ik durf niet te zeggen hoeveel honderden millioenen tonnen zuivere olie over haar leegstort—laten we aannemen, dat ik enkel één bron in de Huasteca-velden bezit, die zeven maanden lang zevenentwintig duizend tonnen per dag oplevert. En zij gaat er nog steeds mee voort. Dat is een druppel aan den emmer, dien wij tot nu toe aan de markt gebracht hebben. Het soortelijk gewicht is twee en twintig en ze bevat nog geen twee tiende procent droesem. En er is een bron—waarvoor we zestig mijlen pijpen moeten aanleggen, waardoor we haar nog maar ternauwernood beveiligen, die per dag zeventig duizend ton olie over het landschap uitstort.—Natuurlijk is dit alles strikt vertrouwelijk, weet u. We zijn er netjes mee bezig, en ik heb geen zin om Tampico-Petroleum als een vuurpijl omhoog te zien vliegen.”

„Maak je daar maar niet ongerust over, mijn jongen. Zorg maar, dat je je olie in de leidingen krijgt en de Mexicaansche revolutie wacht tot Tampico-Petroleum opstijgt. Ga maar visschen en denk er niet meer aan.” Regan pauseerde en met goed gesimuleerde plotselinge herinnering nam hij het kaartje van Alvarez Torres met de potloodaanteekening op. „Kijk eens, wien ik net bij mij gehad heb.” Blijkbaar plotseling op een idee komend, hield Regan het kaartje nog een oogenblik vast. „Waarom zou je alleen maar op forellen gaan visschen? Goed beschouwd, is het toch enkel maar om de ontspanning te doen. Hier heb je iets om naar te gaan visschen, wat echt een ontspanning zou zijn, de ontspanning van een volwassen man en niet de ontspanning in een Perzisch paleis van een Adirondack-kamp, met ijs en bedienden en electrische drukknoppen. Je vader was altijd niet weinig trotsch op dat oude familielid—zeeroover. Hij beweerde, dat hij op hem leek en jij lijkt sprekend op je vader.”

„Sir Henry,” lachte Francis, naar het kaartje grijpend. „Ook ik ben wel een beetje trotsch op dien ouden schurk.”

Hij keek op met vragenden blik, toen hij het kaartje gelezen had.

„’t Is een geloofwaardige kerel,” verklaarde Regan. „Beweert, dat hij daar in de buurt op de Mosquito-Kust geboren is en de aanwijzing verkregen heeft uit zijn familiepapieren. Niet, dat ik hier een woord van geloof. Ik heb geen tijd noch belang er bij, om me met iets te bemoeien, dat buiten mijn eigen terrein ligt.”

„Hoe het zij, Sir Henry stierf, practisch gesproken, als een arm man,” verzekerde Francis, terwijl de koppigheid der Morgans zich voor een oogenblik op zijn gelaat vertoonde. „En men heeft nooit iets gevonden van zijn begraven schatten.”

„Goede vischvangst,” spotte Regan vroolijk.

„Ik zou dien Alvarez Torres toch wel eens willen ontmoeten,” antwoordde de jongeman.

„Goud der dwazen,” vervolgde Regan. „Hoewel ik moet erkennen, dat de kerel zich buitengewoon geloofwaardig voordoet. Wel, wanneer ik jonger was—maar o, duivels, mijn werk ligt hier op me te wachten.”

„Weet u ook waar ik hem kan vinden?” vroeg Francis een oogenblik later, volkomen onbewust zijn hoofd stekend in het net der beproevingen, dat het Noodlot, in de zichtbare gedaante van Thomas Regan, uitwierp om hem te vangen.

Den volgenden morgen ontmoetten zij elkander op Regan’s kantoor. Senor Alvarez Torres schrok en herstelde zich oogenblikkelijk, toen hij den eersten blik sloeg op het gelaat van Francis. Dit ontging Regan niet, die grinnikend vroeg:

„Hij lijkt sprekend op den ouden zeerover, niet?”

„Ja, de gelijkenis is zeer treffend.” Torres loog of loog gedeeltelijk, want hij herkende de gelijkenis naar de portretten, die hij gezien had van Sir Henry Morgan; ofschoon hij terzelfdertijd in den geest het gelaat zag van een ander, nog in leven zijnde man, die niet minder dan Francis en Sir Henry, op deze beiden geleek, dan zij op elkander geleken.

Francis was nog jong, dat kon niet ontkend worden. Moderne atlassen en oude kaarten werden bestudeerd, zoowel als oude documenten, geschreven met verbleekte inkt op vergeeld papier, en na verloop van een half uur verklaarde hij, dat de eerste visch die hij zou vangen, òf op den Stier òf op het Kalf gevonden zou worden—de beide eilandjes in de Lagune van Chiriqui, waar, volgens Torres, op een van beide, de schat begraven lag.

„Ik zal den nachttrein nemen naar New-Orleans,” verkondigde Francis. „Dan zal ik juist de aansluiting hebben met een der booten van de United Fruit Company, bestemd naar Colon—o, ik heb dit alles juist nagekeken, voor ik gisterenavond ging slapen.”

„Waarom zou u geen schoener charteren voor Colon?” raadde Torres aan. „Doe de reis overland naar Belen te paard. Dat is de beste plaats om te charteren, met onvervalschte inboorlingen als matrozen en al het andere onvervalscht.”

„Dat laat zich hooren!” stemde Francis toe. „Ik heb altijd verlangd om dat land eens te zien. Zult u gereed zijn om den nachttrein te nemen, Senor Torres?... Natuurlijk begrijpt u wel, dat ik, onder de gegeven omstandigheden, de minister van financiën ben en de onkosten betaal.”

Maar op een wenk van Regan, loog Alvarez Torres, snel begrijpend:

„Tot mijn spijt, kan ik mij eerst later bij u voegen, mijnheer Morgan. Een kleine, dringende aangelegenheid—hoe zal ik het noemen?—een onbeteekenende, kleine rechtzaak, die eerst afgedaan moet worden. Niet, dat de uitslag van het proces zoo gewichtig is. Maar het is een familie-kwestie en daardoor voor mij van het grootste belang. Wij, Torressen, zijn trotsch, wat, ik moet het bekennen, in dit land eigenlijk een dwaasheid is, maar bij ons wordt dit zeer hoog opgenomen.”

„Hij kan later bij je komen en je den weg wijzen, wanneer je het spoor kwijtgeraakt bent,” verzekerde Regan Francis. „En, voor je het vergeet, zou het niet goed zijn om met Senor Torres een schikking te maken over een eventueele verdeeling van den buit... wanneer je die ooit mocht vinden.”

„Wat zou u er van zeggen?” vroeg Francis.

„Gelijk deelen, ieder de helft,” antwoordde Regan, op schitterende wijze de verdeeling regelend tusschen de beide mannen, van iets waarvan hij overtuigd was, dat het niet bestond.

„En u zult mij zoo spoedig mogelijk volgen?” vroeg Francis den Latijnsch-Amerikaan. „Regan, wees zoo goed om uw best te doen voor die kleine rechtzaak en deze te bespoedigen?”

„Zeker, mijn jongen,” was het antwoord. „En, wanneer het noodig mocht zijn, zal ik dan Senor Alvarez maar crediet geven?”

„Prachtig!” Francis drukte hun handen in de zijne. „Dan heb ik er geen moeite mee. En ik moet me haasten om te gaan pakken, eenige uitnoodigingen af te zeggen en dien trein te halen. Tot ziens, Regan. Goedendag, Senor Torres, totdat we elkander weerzien in de buurt van Bocas del Toro, of in een klein hol in den grond op de Stier of het Kalf—gij zegt, dat het, volgens uwe meening, het Kalf moet zijn? Mooi, tot dan—adios!”

En Senor Alvarez Torres bleef nog een poosje bij Regan, ontving nadere instructies omtrent de rol die hij moest spelen, beginnende met het tegenwerken en ophouden van Francis’ expeditie en steeds doorgaande met deze tegen te werken en op te houden.

„Kortom,” besloot Regan, „het zou mij niet veel kunnen schelen, wanneer hij nooit terugkeert—als je hem daarginds zoolang kunt houden terwille van zijn gezondheid.”

HOOFDSTUK II.

Geld laat zich evenmin verloochenen als jeugd en Francis Morgan, die de wettige en natuurlijke vertegenwoordiger was zoowel van jeugd als van geld, bevond zich op een namiddag, drie weken nadat hij afscheid genomen had van Regan, aan boord van zijn schoener, de Angélique, in een windstilte vlak voor het land. Het water was doorschijnend, de zachte deining nauwelijks merkbaar, en, uit louter verveling en overvloed van kracht, die evenmin zich laat verloochenen, vroeg hij den kapitein, een kleurling, half Jamaïca-neger en half Indiaan, om een klein bootje naar den wal te zenden.

„Het ziet er naar uit of ik wel een papegaai of een aap of zooiets zou kunnen schieten,” beweerde hij, met een twaalfmaal vergrootenden Zeiss-kijker den, met jungle begroeiden, op een halve mijl afstand liggenden oever afzoekend.

„Zeer waarschijnlijk, mijnheer, dat u gebeten wordt door een labarri, die in deze streken een giftige adder is,” grinnikte de kleurling-kapitein en eigenaar van de Angélique, die van zijn Jamaïca-vader de gave geërfd had om vele talen te spreken. Maar Francis was niet van zijn voornemen af te brengen; want op hetzelfde oogenblik ontdekte hij door den kijker: ten eerste, wat verder op een witte haciënda en ten tweede, op den oever een, in het wit gekleede vrouwelijke gedaante en verder, dat ze hem en den schoener door een verrekijker opnam.

„Laat een boot naar wal gaan, kapitein,” beval hij. „Wie wonen hier in de buurt?—blanken?”

„De familie Enrico Solano, mijnheer,” was het antwoord. „Op mijn woord, het zijn deftige edellieden, van oud-Spaansche afkomst en het geheele land van de zee tot de Cordilleras is hun eigendom, evenals de helft der Chiriqui-Lagune. Ze zijn zeer arm, en zeer rijk... in land—en ze zijn trotsch en vurig als cayenne-peper.”

Toen Francis in de kleine boot naar den oever roeide, merkte het waakzaam oog van den kapitein, dat hij verzuimd had om geweer of buks mee te nemen voor de bewuste papegaai of aap. En vervolgens kreeg de kapitein de, in het wit gekleede vrouwenfiguur in het oog, die zich afteekende tegen den donkeren junglerand.

Francis roeide regelrecht naar den witten oever van koraalzand, zonder dat hij over zijn schouder durfde kijken of de jonge vrouw er nog stond of verdwenen was. Zijn geest koesterde enkel de gezonde gedachte van een jongeman, dat hij een landelijke jongedame, of een half-wilde blanke vrouw zou ontmoeten, of op zijn best een zeer boersche, waarmee hij enkele oogenblikken van de windstilte, die de Angélique tot werkeloosheid doemde, prettig kon doorbrengen. Toen de boot over den bodem schuurde, stapte hij uit, en beurde met krachtigen arm den kop hoog genoeg op het zand, om daar door haar eigen gewicht de boot vast te houden. Toen keerde hij zich om. Het strand tot aan de jungle was verlaten. Vol vertrouwen stapte hij voorwaarts. Iedere vreemdeling, op zoo’n vreemd strand, had het recht om naar bewoners te zoeken en inlichtingen te vragen—dit was de gedachte, waarnaar hij handelde.

En hij, die slechts enkele minuten van afleiding verwacht had, zag zich in zijn schoonste verwachtingen overtroffen. Als een duiveltje uit een doosje, sprong de vrouw, die hem, in den korten blik, dien hij op haar sloeg, tot de overtuiging bracht, dat zij een kind-vrouw was, rijp in jaren en toch nog grootendeels een kind, uit den groenen junglemuur te voorschijn en greep met beide handen zijn arm vast. Het stevige gewicht van dezen greep verraste hem. Met zijn vrije hand nam hij zijn hoed af en boog voor de vreemde vrouw met al de onverstoorbaarheid van een Morgan, die in New-York getraind is en gewend om zich over niets te verwonderen, en ontving nu een nieuwe verrassing of vele verrassingen tegelijk. Niet alleen kwam hij onder den indruk van haar brunette-schoonheid, die hem trof alsof hij een klap ontving, maar het was vooral haar blik, die in zijn binnenste doordrong en een en al gestrengheid was. Hij kreeg haast den indruk, dat hij haar moest kennen. Voor zoover hij wist, keken vreemdelingen elkander nooit zoo aan.

De dubbele greep op zijn arm veranderde in een trekken, toen ze, op strakken toon, fluisterde:

„Vlug! Volg mij!”

Een oogenblik aarzelde hij. Zij schudde hem heen en weer in haar dringend verlangen en trachtte hem naar zich toe en mee te trekken. Met het gevoel, dat het een ongewone intrige was, zooals iemand alleen kon overkomen op de kust van Centraal-Amerika, gaf hij glimlachend toe, nauwelijks wetend of hij vrijwillig volgde of door haar heftigheid werd meegesleept de jungle in.

„Doe net zooals ik,” riep zij hem over haar schouder heen toe, terwijl zij hem aan de hand verder leidde.

Hij glimlachte en gehoorzaamde, neerhurkend wanneer zij neerhurkte, vooroverbuigend wanneer zij vooroverboog, terwijl herinneringen aan John Smith en Pocahontas in hem oprezen.

Plotseling hield zij hem tegen en ging zitten, met haar hand hem beduidend om naast haar te komen zitten eer ze hem losliet, en deze toen tegen haar hart drukkend, terwijl zij hijgde:

„God zij dank! O, barmhartige Maagd!”

In navolging van haar, zooals zij van hem gevraagd had en daar dit in het spel scheen te pas te komen, drukte hij ook glimlachend zijn hand tegen zijn hart, ofschoon hij hierbij noch God, noch de Heilige Maagd aanriep.

„Kan je dan nooit ernstig zijn?” riep ze plotseling uit, toen ze zijn handeling opmerkte.

En Francis was natuurlijk onmiddellijk zoo ernstig mogelijk.

„Mijn waarde dame...” begon hij.

Maar met een plotseling gebaar hield zij hem tegen; en, met toenemende verwondering, zag hij haar vooroverbuigen om te luisteren, en hoorde de beweging van lichamen, die op verscheidene meters afstand zachtjes langs een sluippaadje liepen.

Een zachte, warme hand drukte zich vast op de zijne om hem te waarschuwen stil te zijn en zij verliet hem met de snelheid, die hij reeds als een gewoonte van haar beschouwde, om weg te sluipen naar het verborgen paadje. Hij floot bijna van verwondering. Misschien zou hij dit wel gedaan hebben, wanneer hij niet vlakbij haar stem gehoord had, die in het Spaansch op scherpen toon mannen ondervroeg, wier Spaansche stemmen, half-nederig, half-dringend en half-weerspannig, antwoord gaven.

Hij hoorde hen verder gaan, nog altijd pratend en, na vijf minuten van doodsche stilte, hoorde hij, hoe zij hem op bevelenden toon toeriep om te voorschijn te komen.

„Hola! Ik zou wel eens willen weten, wat Regan onder dergelijke omstandigheden zou doen!” zei hij glimlachend tot zich zelf, terwijl hij gehoorzaamde.

Hij volgde haar, nu niet langer hand in hand, door de jungle naar den oever. Toen zij stilstond, kwam hij naast haar en keek haar aan, nog altijd onder den indruk, dien hij gekregen had, dat het een spelletje was.

„Tik!” lachte hij, haar op den schouder tikkend. „Tik!” herhaalde hij. „Jij bent de Ware!”

De boosheid, die hem uit haar vurige donkere oogen tegenstraalde, deed hem schrikken.

„Dwaas!” riep ze, haar vinger, met wat hij beschouwde als een ongeoorloofde intimiteit aan zijn schoenborstel-kneveltje brengend. „Alsof dat je onkenbaar zou kunnen maken.”

„Maar mijn waarde dame...” begon hij zijn protest, om haar duidelijk te maken, dat hij haar heelemaal niet kende.

Haar antwoord, dat een einde maakte aan zijn redevoering, was even ongewoon en bizar als al het andere, wat er aan voorafgegaan was. Het kwam zoo snel, dat hij niet eens zien kon, waarvandaan zij den kleinen, zilveren revolver te voorschijn haalde, wiens loop niet alleen op zijn buik gericht, maar er stevig tegenaangedrukt werd.

„Mijn waarde dame...” begon hij weer.

„Ik wil niet met je praten,” viel ze hem in de rede. „Ga terug naar je schoener en maak, dat je wegkomt...” Hij raadde de onhoorbare snik, die oorzaak was van de pauze, eer ze besloot, „voor altijd”.

Ditmaal bleven de woorden, die hij wilde spreken, op zijn lippen steken, doordat de loop van het wapen nog steviger tegen zijn buik gedrukt werd.

„Als je ooit weer terugkomt—de Madonna moge het mij vergeven—dan schiet ik mijzelf dood.”

„Ik geloof, dat ik dan maar liever zal weggaan,” sprak hij luchtig, terwijl hij zich naar de boot keerde, waar hij deftig en met zijn houding verlegen heenwandelde, half-stikkend van het lachen over zichzelf en het belachelijk en onbegrijpelijk figuur, dat hij sloeg.

Om tenminste nog eenigszins zijn waardigheid op te houden, deed hij alsof hij niet merkte, dat zij hem volgde. Toen hij den kop der boot uit het zand losmaakte, werd hij gewaar, dat een zacht windje de palmbladeren in beweging bracht. Een frissche bries kleurde het water vlakbij donker, terwijl verweg over het spiegelende water de vooruitspringende klippen van de Chiriqui-Lagune als een fata morgana boven het donkere, golvende water uitstaken.