Part 1
DRIE HARTEN
DOOR JACK LONDON
AMSTERDAM BOEKHANDEL EN UITGEVERSMAATSCHAPPIJ JOHANNES MÜLLER
VOORWOORD.
Ik hoop, dat de lezer mij niet kwalijk zal nemen, dat ik dit voorwoord inleid met een snoeverij. Werkelijk, dit verhaal is een heugelijke gebeurtenis. Wanneer het voltooid is, vier ik mijn veertigsten verjaardag; het is mijn vijftigste boek; het zestiende jaar van mijn schrijversloopbaan en een nieuw begin. „Drie harten”, is een nieuw begin. Nooit tevoren heb ik iets dergelijks gedaan; ik ben er vrij zeker van, dat ik nooit weer iets dergelijks doen zal. En ik durf er gerust voor uitkomen, dat ik er trots op ben het gedaan te hebben. En nu, wanneer de lezer van actie houdt, dan raad ik hem aan om de rest van deze snoeverij en dit voorwoord over te slaan en zich hals over kop, op het verhaal te storten en mij te vertellen of het zich niet goed laat lezen.
Voor den meer nieuwsgierigen lezer wil ik het nog wat nader verklaren. Nu de bioscoop verreweg de meest populaire vorm van ontspanning geworden is over de geheele wereld, begon de voorraad van intriges en verhalen der menschelijke verdichting snel uitgeput te raken. In een jaar tijd is één enkele maatschappij met een twintigtal directeuren, in staat om alle werken van Shakespeare, Balzac, Dickens, Scott, Zola, Tolstoï en een dozijn, minder vruchtbare schrijvers te verfilmen. En aangezien er honderden bioscoop-maatschappijen zijn, is het gemakkelijk te begrijpen hoe snel zij tegenover een tekort stonden aan ruw materiaal, waaruit bioscoopbeelden vervaardigd worden. Het film-recht van alle novellen, korte verhalen en tooneelstukken, die al beschermd waren door auteursrecht, werd gekocht of gecontracteerd, terwijl al het ruwe materiaal, waarvan het auteursrecht verloopen was, even snel op het doek gebracht werd, als zeelieden op een goudkust de korreltjes goud zouden oppikken. Duizenden filmroman-schrijvers—of beter gezegd, tienduizenden, want er was geen man, vrouw of kind, die niet in staat ware om een filmroman te schrijven—tienduizenden filmroman-schrijvers maakten strooptochten door alle literatuur (met en zonder auteursrecht) en grepen de tijdschriften weg, nog nat van de pers, om zich meester te maken van de een of andere nieuwe scène, intrige of geschiedenis, voortgebracht door hun schrijvende medebroederen. Terloops moet er echter op gewezen worden, dat dit geschiedde in de dagen, al is zulks nog niet lang geleden, vóór de filmroman-schrijvers achtenswaardige menschen werden, in de dagen, toen zij overwerk verrichtten voor hondsche directeuren voor vijftien en twintig dollars per week of hun producten te koop aanboden voor tien tot twintig dollars per stuk en den halven tijd niet eens het geld ontvingen, dat hun toekwam, of toen hun gestolen goederen hun eveneens ontstolen werden door even onbarmhartige en schaamtelooze individuen, die bij de week slaafden. Maar heden, al is dit slechts een dag later, ken ik filmroman-schrijvers, die drie auto’s hebben, twee chauffeurs, hun kinderen naar de deftigste scholen zenden en wier solvabiliteit niet te betwijfelen valt. Het was voornamelijk te danken aan dit tekort aan ruw materiaal, dat de filmroman-schrijvers zoo in waarde en aanzien stegen. Er kwam vraag naar, ze werden met meer achting behandeld, beter betaald en, wederkeerig, verwachtte men, dat ze op een hooger peil zouden komen te staan. Een phase van deze nieuwe vraag naar materiaal was de poging om bekende schrijvers voor dit werk te winnen. Maar al heeft iemand een twintigtal novellen geschreven, dan is dit nog geen bewijs, dat hij een goede filmroman kan schrijven. Integendeel, men kwam spoedig tot de ontdekking, dat een vroeger succes als novellist de beste garantie was voor een mislukking als filmroman-schrijver.
Maar de film-maatschappijen gaven den moed niet op. Verdeeling van het werk, dat was de zaak. In verbinding tredend met invloedrijke dagblad-organisaties of juist het tegenovergestelde, zooals met „Drie harten” het geval was, lieten ze de bekwaamste filmroman-schrijvers (die, met den besten wil van de wereld, geen novelle konden vervaardigen) filmromans schrijven, die dan weer door novelle-schrijvers (die, met den besten wil van de wereld, geen filmroman konden vervaardigen) werden omgewerkt in novelles.
Zoo kwam Mr. Charles Goddard bij den schrijver, Jack London, zeggende: „Tijd, plaats en menschen zijn gereed; de film-maatschappijen, de dagbladen en het kapitaal, alles is klaar; laten we nu een overeenkomst sluiten.” En wij deden het. Resultaat: „Drie harten.” Wanneer ik beweer, dat Mr. Goddard aansprakelijk is voor „De gevaren van Pauline”, „De heldendaden van Elaine”, „De Godin”, de „Maak dat je rijk wordt, Wallingford”-series enz., dan kan er niet de minste twijfel bestaan aan zijn bekwaamheid. Ook de naam der heldin van dit boek, Leoncia, is zijn eigen vinding.
Op de rancho in de Maanvallei schreef hij de eerste episodes. Maar hij schreef vlugger dan ik en had zijn vijftien episodes af, weken vóór ik gereed was. Laat u niet misleiden door het woord „episode”. De eerste episode beslaat drieduizend voet film. De volgende veertien ieder tweeduizend voet. En iedere episode omvat negentig bedrijven, wat een totaal maakt van ongeveer dertienhonderd bedrijven. Maar desniettegenstaande werkten wij gelijktijdig aan onze respectieve opdracht. Ik kon geen rekening houden met hetgeen er in het volgende of twaalf hoofdstukken verder gebeurde, omdat ik dit niet wist. Evenmin wist Mr. Goddard dit. Het onvermijdelijk gevolg was dat „Drie harten” misschien niet erg logisch kon worden opgebouwd, ofschoon er toch zeker een leidende draad in is op te merken.
Stel u mijn verrassing voor, toen ik daar in Hawaii en zwoegend onder het novelliseeren der tiende episode, met de mail van Mr. Goddard uit New-York de veertiende episode ontving en deze doorlezend, ontdekte, dat mijn held getrouwd was met de verkeerde vrouw!—en dan nog maar één episode te hebben, om die verkeerde vrouw kwijt te worden en mijn held op waardige wijze te vereenigen met de echte en eenige vrouw. Zie voor dit alles, alsjeblieft het laatste hoofdstuk der vijftiende episode. Maar Mr. Goddard zal me wel aangeven, hoe dit moet geschieden.
Want Mr. Goddard is een meester in actie en snelheid. Actie kan hem in het minst niet verontrusten. „Speel”, zegt hij kalm in een film-aanwijzing voor den film-acteur. Blijkbaar doet de acteur dit, want Mr. Goddard gaat onmiddellijk voort. „Vertolk verdriet”, beveelt hij, of „zorg”, of „toorn”, of „teedere sympathie”, of „moorddadige bedoelingen”, of „neiging tot zelfmoord”. Dat is al. En dat moet het zijn, want hoe zou hij anders ooit al die dertienhonderd bedrijven kunnen voltooien.
Maar stel u nu mij, arme duivel, voor, die het tooverwoord „Speel” niet kan gebruiken, maar die, toch eenigszins uitvoerig, deze gemoedsstemmingen en manieren moet beschrijven, zoo vluchtig in het voorbijgaan door Mr. Goddard in het leven geroepen! Wel, Dickens zag er niets in om een duizend woorden of zoo te besteden aan de beschrijving en karakteriseering van een zeker verdriet van een zeker persoon. Maar Mr. Goddard zegt: „Speel”, en de slaven der camera gehoorzamen.
En actie! Ik heb in mijn leven enkele avontuurlijke verhalen geschreven, maar nog nooit heb ik, in al die werken, zooveel actie kunnen leggen, als samengevat is in „Drie harten”.
Maar nu weet ik, waarom de bioscoop zoo populair is. Ik weet nu waarom de heeren „Barnes van New-York” en „Potter van Texas”, millioenen copieën verkoopen. Ik weet nu, waarom een hoogdravend stukje redevoering meer stemmen verwerft dan de schoonste of edelste daad of gedachte van staatsbeleid. Het is een interessante onderneming geweest, dit novelliseeren van Mr. Goddards filmroman, en het was zeer leerzaam. Het ouderwetsche beeld, dat ik mij over de samenleving gevormd had, ontving daar door een andere belichting, een ander voetstuk en andere steunsels. Ik heb, door dit avontuur in mijn schrijversloopbaan, de zienswijze der groote menigte beter leeren begrijpen, dan ik ooit tevoren deed en beter dan ooit gevoeld, hoe de volksmenner zijn gehoor, welks toejuichingen hij verwierf, door zijn geestelijk meesterschap weet te boeien. Het zou mij verwonderen, als dit boek geen opgang maakte. („Speel verwondering”, zou Mr. Goddard zeggen, of „Vertolk opgang”.)
Wanneer het avontuurlijke van „Drie Harten” toegeschreven moet worden aan samenwerking, dan ben ik er door in vervoering gebracht. Maar helaas!—ik vrees, dat Mr. Goddard dan een medewerker is, zooals er slechts één op een millioen te vinden is. We hebben elkander nooit gesproken, noch van gedachte gewisseld of verschil van inzicht gehuldigd. Maar dan moet ik zelf ook een juweel van een medewerker zijn. Heb ik hem niet zonder fluisteren, klagen of morren, laten „spelen”, door vijftien filmepisodes, dertienhonderd bedrijven en eenendertigduizend voet film, door honderdelfduizend woorden novelle heen? Maar hoe het zij, nu het werk af is, wenschte ik, dat ik het nimmer geschreven had—en wel om reden, dat ik het zelf zou willen lezen om te zien, of het goed leest. Daar ben ik nieuwsgierig naar. Ik ben er erg nieuwsgierig naar.
Waikiki, Hawaii. 23 Maart 1916.
Jack London.
RUG AAN RUG, DOOR DEN GROOTMAST GESCHEIDEN.
Wilt ge avonturen en schatten? Luistert, Kapers, trekt met me mee! Zoekt ze op de oceanen. Op de golvende, rollende zee.
Refrein.
Woedende storm en de bruisende golven! Wij zijn de duivels, wier vroolijke moed, —Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet.
Grijpt de dolken, grijpt pistolen! Ons is de zege na bloedigen strijd! Laat de zwaarden het werk voltooien, Door de kanonnen voorbereid.
Refrein.
Woedende storm en de bruisende golven! Wij zijn de duivels, wier vroolijke moed, —Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet.
Hoezee voor de rhum! hoezee voor de buit! Voor d’ orkaan met ’n dond’rende kracht! Laat de zeeman genade smeeken, Als de stuurlui zijn omgebracht.
Refrein.
Woedende storm en de bruisende golven! Wij zijn de duivels, wier vroolijke moed, —Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet.
Driewerf hoezee! het schip is genomen! Makkers hoezee! Gij waart het best! Neemt de maagden, neemt de lading! Naar de haaien met de rest!
Refrein.
Woedende storm en de bruisende golven! Wij zijn de duivels, wier vroolijke moed, —Rug aan rug, door den grootmast gescheiden— De gansche bemanning wijken doet.
Naar het Engelsch van George Sterling.
HOOFDSTUK I.
De gebeurtenissen volgden elkander met groote snelheid op in het leven van Francis Morgan op dien laten lentemorgen. Wanneer ooit een man met groote sprongen het ruwe, bloedige drama en de tragedie der oudheid en het middeleeuwsche melodrama van gevoel en hartstocht der Nieuwe Wereld tegemoet snelde, dan was Francis Morgan bestemd om deze man te zijn en het Noodlot zat hem dicht op de hielen. Toch was hij zich nauwelijks bewust, dat er eenige beweging was in de wereld en hij bewoog zich zelf ternauwernood. Een groot gedeelte van den nacht, aan de bridge-tafel doorgebracht, was oorzaak van zijn laat opstaan. Na een laat ontbijt, bestaande uit vruchten en plantaardig voedsel, was hij naar de bibliotheek gegaan—de deftige, weelderige kamer, van waaruit zijn vader, tot het laatste oogenblik toe, zijn uitgebreide en veelzijdige zaken had geleid.
„Parker,” sprak hij tot zijn knecht, die vroeger reeds in dienst was geweest van zijn vader, „heb je ooit een spoor van vet gezien aan R. H. M., in de laatste dagen van zijn leven?”
„O, neen, mijnheer,” was het antwoord, dat gegeven werd met al den verschuldigden eerbied van een geroutineerd bediende, maar dat tevens vergezeld ging van een onwillekeurigen onderzoekenden blik, die op de prachtige vormen van den jongen man bleef rusten. „Uw vader behield tot het einde toe zijn slanke figuur, mijnheer. Hij bleef altijd dezelfde, breedgeschouderd, met breede borst, en zwaar gebouwd, maar zijn middel bleef slank, altijd slank, mijnheer. Wanneer hij zich uitkleedde om te baden, mijnheer, dan zou zijn figuur de meeste jongemannen in de stad beschaamd hebben. Maar hij verzorgde zijn lichaam ook goed; die lichaamsoefeningen in bed deden het hem, mijnheer. Iederen morgen een half uur. Daar ging niets van af. Hij noemde dit zijn godsdienstoefening.”
„Ja, hij was een pracht-man,” antwoordde de jongeman luchtig, naar den koersaanwijzer en de verschillende telefonen kijkend, die zijn vader had laten aanleggen.
„Dat was hij,” stemde Parker geestdriftig toe. „Hij was slank en aristocratisch, ondanks zijn schouders, beenderen en borst. En dat hebt u van hem geërfd, mijnheer, alleen maar in een beetje weelderiger vorm.”
De jonge Francis Morgan, die vele millioenen en krachtige spieren geërfd had, leunde behagelijk achterover in een groote clubfauteuil, zijn beenen uitstrekkend als een krachtige menagerieleeuw, die overvloeit van levenskracht en keek naar een bericht in het ochtendblad, dat hem op de hoogte bracht van een nieuwe ertsader in de Culebra-Cut in Panama.
„Als ik niet wist, dat wij, Morgans, daar geen aanleg voor hebben,” geeuwde hij, „zou ik alleen door dit bestaan al dik worden... Niet, Parker?”
De bejaarde dienstknecht, die verzuimd had om onmiddellijk antwoord te geven, schrok plotseling op, toen de pauze door deze vraag onderbroken werd.
„O, zeker, mijnheer,” sprak hij haastig. „Ik bedoel, neen, mijnheer. U verkeert in de schitterendste conditie.”
„Om den drommel niet,” verzekerde de jongeman hem. „Ik mag dan al niet dik worden, slap word ik beslist... Niet, Parker?”
„Ja mijnheer. Neen, mijnheer; neen, ik bedoel neen, mijnheer. U is nog precies dezelfde als toen u drie jaar geleden van de academie terugkwam.”
„En mijn beroep maakte van ledigloopen,” lachte Francis. „Parker!” Parker was een en al aandacht. Zijn meester ging aandachtig met zich zelf te rade, alsof hij zich met een zeer gewichtig vraagstuk bezighield, onderwijl het borstelige kneveltje opstrijkend, dat veel geleek op een kleinen tandenborstel en dat hij sedert eenigen tijd op zijn bovenlip aankweekte.
„Parker, ik ga visschen.”
„Ja, mijnheer!”
„Ik heb last gegeven om eenige hengelroeden klaar te maken. Wees zoo goed die bij elkaar te binden, dan zal ik ze eens probeeren. Ik heb zoo’n idee, dat een week of twee in de bosschen juist is, wat ik noodig heb. Als ik het niet doe, zal ik beslist dik gaan worden en den heelen familie-stamboom schande aandoen. Je herinnert je toch Sir Henry?—de oude, origineele Sir Henry, de oude boekanier en ijzervreter?”
„Ja, mijnheer; ik heb over hem gelezen, mijnheer.”
Parker was in de deuropening blijven staan om te wachten op het oogenblik, waarop de woordenvloed van zijn jongen meester tot stilstand zou komen, zoodat hij zijn boodschap kon gaan doen.
„Niets geen reden om trotsch op te zijn, die ouwe zeeroover.”
„Zeg dat niet, mijnheer,” protesteerde Parker. „Hij was Gouverneur van Jamaïca. Hij stierf als een zeer achtenswaardig man.”
„Hij mocht van geluk spreken, dat hij niet aan de galg stierf,” lachte Francis. „Zooals de zaken nu staan, is hij de eenige schandvlek der familie, die hij stichtte. Maar wat ik zeggen wil is, dat ik zeer zorgvuldig zijn leven nagegaan heb. Hij behield zijn goed figuur en stierf met een slanke taille, Goddank. Het is een goede erfenis, die hij aan zijn nakomelingen naliet. Wij, Morgans, vonden nimmer zijn schat; maar van grooter waarde dan robijnen is de slanke taille, die hij ons, als zijn erfdeel, naliet. Dat is wat men noemt een kenmerk van het ras—tenminste dat leerden de profs mij in de biologische lessen.”
Parker verdween uit de kamer in de nu volgende stilte, terwijl Francis Morgan zich verdiepte in de berichten uit Panama en vernam, dat het kanaal waarschijnlijk de eerste drie weken nog niet geopend zou worden.
Een telefoon rinkelde en door de electrische draden eener volmaakte beschaving, strekte het Noodlot voor het eerst zijn voelhorens uit en kwam in contact met Francis Morgan in de bibliotheek der villa, die zijn vader op Riverside Drive had laten bouwen.
„Maar mijn beste, mevrouw Carrothers,” was zijn protest In de spreekbuis. „Hoe het ook zij, ’t is niets dan een plaatselijke storm. Tampico-Petroleum is secuur. ’t Is geen speculatief fonds. Het is een secure belegging. Blijf er bij. Houd ze vast... Wat doet het er toe of ze twee procent stijgen? Verkoop ze niet. Tampico-Petroleum is geen loterij of een hazardspel. Het is echte, zuivere industrie. Ik wilde, dat het niet zoo’n allemachtig groote zaak geweest was, dan had ik het geheel aan mijzelf gehouden... Geloof me, alstublieft, het is geen speculatie. Onze tegenwoordige contracten voor tanks loopen over meer dan een millioen. Onze spoorlijn en onze drie buisleidingen kosten ruim vijf millioen. Wel, we hebben op het oogenblik voor een honderd millioen bronnen en het groote probleem is om de olie uit het land naar de booten te krijgen. Dit is de beste tijd om te koopen. Over een of twee jaar zullen uw aandeelen de rijksleeningen te niet doen...”
„Ja, Ja, alstublieft. Het doet er niet toe, hoe de markt loopt. En bedenk wel, ik heb u niet aangeraden om er als een der eersten in deel te nemen. Dat zou ik nooit een vriend aanraden. Maar nu ze er eenmaal in zijn, houd ze vast. Ze zijn even solide als de Engelsche Bank... Ja, Dicky en ik verdeelden gisterenavond den buit. Een gezellig partijtje, ofschoon Dicky te veel temperament bezit voor het bridge-spel... Ja, een helsch geluk... Ha! ha! Mijn temperament? Ha! ha!... Ja?... Zeg aan Harry, dat ik er voor een paar weken tusschenuittrek... Visschen, forelletjes, zie je, lente en de stroomen, het opstijgen der sappen, het uitbotten, de bloesems en al het andere... Ja, gegroet, en houd vast aan Tampico-Petroleum. Wanneer ze zakken, na die speculatie van dien farmer uit Minnesota, koop er dan nog wat bij. Ik doe het ook. Het geld ligt voor het oprapen... Ja... Ja, zeker... Het is te secuur, om nu op een los gerucht te gaan verkoopen, omdat ze niet doorloopend zullen zakken... Natuurlijk weet ik wat ik zeg, ik heb net acht uur geslapen en nog niets gedronken... Ja, ja... Gegroet.”
Hij haalde het telegraflint naar zich toe en, gemakkelijk in zijn stoel zittend, las hij het traag over, met iets toenemende belangstelling kennis nemend van den inhoud.
Parker keerde terug met verscheidene dunne hengels, waarvan elk een schitterende proeve van handwerk en kunst was. Francis sprong op van zijn stoel, het lint werd terzijde geslingerd en als een opgewonden jongen onderzocht hij het speeltuig, het eene na het andere, probeerde ze, liet ze door de lucht zwiepen tot ze een geluid maakten als een scherpen zweepslag en bewoog ze zachtjes, voorzichtig en zorgvuldig langs het hooge plafond om ze op den vloer te doen zinken, alsof dit een denkbeeldige poel was vol geheimzinnige forellen.
Een telefoon rinkelde. Oogenblikkelijk verscheen er een trek van misnoegen op zijn gezicht.
„Om ’s hemelswil, geef jij maar antwoord, Parker,” beval hij. „En als het weer zoo’n stom, speculeerend vrouwelijk wezen is, zeg haar dat ik dood ben, of dronken, of typhus heb, of net ga trouwen, of een ander ongeluk.”
Nadat Parker een oogenblik gesproken had, in de bescheiden en gemoduleerde tonen, die volkomen in overeenstemming waren met de koude, ingetogen, groote deftigheid van het vertrek, bedekte hij met een „Een oogenblik, mijnheer,” den spreekhoorn met de hand en sprak:
„’t Is mijnheer Bascom, mijnheer. Hij wil u spreken.”
„Zeg mijnheer Bascom, dat hij naar den duivel kan loopen,” zei Francis, zoo’n lange zwaai simuleerend, dat hij, wanneer hij werkelijk had willen inleggen en de angel den weg gevolgd had, door zijn strakken blik aangewezen, deze waarschijnlijk het raam uitgevlogen zou zijn en den tuinman getroffen hebben, die daar buiten geknield zat bij een rozenstruik, welke hij juist bezig was te planten.
„Mijnheer Bascom zegt, dat het over beurszaken gaat en hij u gaarne één enkel oogenblik zou spreken,” drong Parker aan, maar zoo bescheiden en onderdanig, dat het enkel scheen alsof hij een onbelangrijke en niet dringende boodschap herhaalde.
„Vooruit dan maar.” Voorzichtig zette Francis den hengel tegen een tafel en ging naar de telefoon.
„Hallo,” riep hij in den hoorn. „Ja, ik ben het, Morgan. Zeg op. Wat is er?”
Hij luisterde een oogenblik, en viel den spreker toen ongeduldig in de rede: „Verkoopen—alle duivels. Niets ervan... Natuurlijk ben ik blij, dat ik het weet. Zelfs al loopen ze tien procent op, wat ze niet doen zullen, houd alles vast, wat je hebt. ’t Kan een gewettigde stijging zijn en ’t kan best zijn, dat ze nooit meer terugloopen. Ze zijn soliede. Ze zijn heel wat meer waard, dan ze genoteerd staan. Ik weet het, wanneer het publiek ’t soms niet doet. Over een jaar zullen ze aan tweehonderd staan... dat wil zeggen, wanneer Mexico de revolutie kan tegenhouden... Wanneer ze mochten dalen, krijg je kooporders van me... Onzin. Wie verlangt medezeggingschap? ’t Is zuiver sporadisch... wat? Pardon. Ik bedoel ’t is zuiver tijdelijk. Nu ga ik een veertien dagen visschen. Wanneer ze vijf procent zakken, koop dan. Koop alles op, wat aangeboden wordt. Zeg, wanneer een kerel werkelijk een betrouwbaar eigendom verworven heeft en de speculanten maken zich er van meester, is dit haast even erg als door beren vervolgd te worden... ja... Zeker... ja. Saluut.”
En terwijl Francis welgemoed terugkeerde tot zijn vischhengels, was het Noodlot, in het privé-kantoor van Thomas Regan in de benedenstad, druk aan het werk. Nadat hij zijn talrijke makelaars opdracht gegeven had om te koopen en, door zijn menigvuldige kanalen voor geheime publiciteit, de geheimzinnige tip had laten verspreiden, dat er iets niet in den haak was met de Tampico-Petroleum-concessies van de Mexicaansche Regeering, bestudeerde Thomas Regan een rapport van zijn eigen olie-expert, dien hij uitgezonden had en die twee maanden op de plaats zelf gespionneerd had om te ontdekken, wat de werkelijke vooruitzichten en verwachtingen waren van Tampico-Petroleum.
Een bediende bracht een kaartje binnen met het bericht, dat de bezoeker er op aandrong om ontvangen te worden en een vreemdeling was. Regan luisterde, keek op het kaartje en zei:
„Zeg aan dien heer Senor Alvarez Torres uit Ciodad de Colon, dat ik hem niet kan ontvangen.”
Vijf minuten later kwam de bediende terug, nu met een boodschap, die op het kaartje geschreven was. Regan grinnikte toen hij las:
„Waarde mijnheer Regan, Hooggeachte Heer:—
Ik heb de eer u te berichten, dat ik een aanwijzing heb van de plaats, waar de schat ligt, die Sir Henry Morgan in de dagen der vroegere zeeroovers begroef.
Alvarez Torres.”
Regan schudde het hoofd en de bediende was al bijna de kamer uit, toen zijn chef hem plotseling terug riep.
„Breng hem binnen—dadelijk.”
In het oogenblik, dat hij alleen bleef, lachte Regan heimelijk, toen hij in den geest zijn nieuw plan naging. „Dat nuchter jong!” mompelde hij, tusschen de rookwolkjes door van een sigaar, die hij juist aanstak. „Dat denkt, dat hij de rol kan spelen van den ouden R. H. M. Hij heeft een lesje noodig en de oude Grijskop, Thomas R. zal zien, dat hij dit ontvangt.”
Senor Alvarez Torres’ Engelsch was even correct als zijn modieus voorjaars-costuum en ofschoon zijn bleek-gele huid zijn Latijnsch-Amerikaansche afkomst verried en zijn zwarte oogen getuigden van een langdurige samensmelting van het Spaansche en Indiaansche ras, was hij toch zoo door en door New-Yorksch, als Thomas Regan maar zou kunnen wenschen.