Drie Harten

Part 6

Chapter 64,046 wordsPublic domain

„Ik kende je al toen je nog klein was, Leoncia, zoo heel, heel klein en lief, en ik heb je altijd liefgehad.—Luister nu alsjeblieft. Ik moet mijn hart uitspreken. Luister naar mij, tot ik alles gezegd heb. Ik heb je altijd liefgehad. Maar toen je van het klooster terugkwam, van je kostschool in het buitenland, vrouw geworden, een volwassen en deftige jongedame, volkomen in staat om het huis der Solanos te besturen, toen werd ik verteerd door je schoonheid. Ik ben geduldig geweest. Ik wachtte met spreken. Maar je zult het wel geraden hebben. Je hebt het zeker geraden. Na dien tijd was ik dol verliefd op je. Ik werd verteerd door de stralende schoonheid, door je vurige persoonlijkheid, zelfs nog meer dan door je schoonheid.”

Hij was niet tegen te houden, dit wist ze maar al te goed, en ze luisterde geduldig, neerziende op zijn gebogen hoofd en zich afvragend, waarom zijn haar toch zoo leelijk geknipt was en of dit het laatst gedaan zou zijn te New-York of te San Antonio.

„Weet je, wat je altijd voor mij geweest bent sedert je terugkomst?” Zij antwoordde niet en deed evenmin een poging om haar hand terug te trekken, ofschoon de zijne haar vleesch drukte en kneusde tegen Henry Morgan’s ring. Zij vergat naar hem te luisteren, afgeleid door een gedachtenketen, die zich ver uitstrekte. Het begin der keten was, dat Henry Morgan haar niet met zoo’n woordenvloed bemind en voor zich gewonnen had. Waarom moesten die menschen, met Spaansch bloed in de aderen, toch altijd zooveel woorden gebruiken om hun gevoelens uit te drukken? Henry was zoo geheel anders geweest. Hij had nauwelijks één woord gesproken. Hij had gehandeld. Betooverd door haar blik, haarzelf met zijn oogen betooverend, had hij haar zonder waarschuwing, zoo zeker was hij ervan haar niet te zullen verrassen of verschrikken, in zijn armen genomen en zijn lippen op de hare gedrukt. En de hare waren niet al te verbaasd en volstrekt niet onwillig geweest om te antwoorden. Eerst na dien eersten kus en met zijn armen nog om haar heen geslagen, was Henry beginnen te spreken.

En welk plan werd daarginds nu door haar mannelijke familieleden en Francis Morgan uitgebroed? peinsde haar geest verder, doof voor den bewonderaar aan haar voeten. Francis! O, zij zuchtte bijna en vroeg zich verwonderd af, waarom deze vreemde Gringo haar hart toch zoo in beroering bracht, terwijl ze toch heel goed wist, dat ze Henry liefhad. Was zij wispelturig? Was het deze man? Of een ander? Of onverschillig welke man? Neen! Neen! Zij was niet wuft of ontrouw. En toch?... Misschien kwam het omdat Francis en Henry zoo veel op elkander geleken, en haar arm, dwaas, liefhebbend vrouwenhart niet voldoende onderscheid tusschen hen kon maken. En toch—terwijl zij altijd gedacht had, dat zij Henry overal ter wereld zou willen volgen, in alle voor- of tegenspoed, nu scheen het haar toe, dat zij Francis zelfs nog verder zou willen volgen. Zij had Henry lief, verklaarde haar hart plechtig. Maar ze had Francis ook lief, en zij kon haast zeker raden, dat Francis haar ook liefhad—zij kon zich niet vergissen in den warmen druk zijner lippen op de hare in de gevangeniscel; en er was een verschil in haar liefde voor de beide mannen, dat zij niet vermocht te verklaren en haar bijna tot de beschamende conclusie bracht, dat zij, de laatste en eenigste vrouwelijke afstammelinge van het huis Solano, wispelturig was.

De sterke druk van haar vleesch tegen Henry’s ring, veroorzaakt door den hartstochtelijker greep van Torres, bracht haar gedachten tot hem terug, zoodat zij weer den stortvloed van zijn woorden hoorden, die steeds voortgolfde:

„Je waart de verrukkelijke doorn in mijn vleesch, het getande raadje van de spoor, dat de zoetste en scherpste liefdewonden in mijn borst maakte. Ik droomde van jou... en voor jou. En ik heb mijn eigen benaming voor je. Altijd weer de eene naam, die ik voor je had: de Koningin mijner Droomen. En je zult mijn vrouw worden, mijn Leoncia. Wij zullen dezen dwazen Gringo vergeten, die al zoo goed als dood is. Ik zal goed voor je zijn, en vriendelijk. Ik zal je altijd liefhebben. En nooit zal zijn schim zich tusschen ons stellen. Wat mij betreft, ik zal dit niet toestaan. Wat jou... Ik zal je zoo liefhebben, dat zijn schim de kans niet zal hebben om zich tusschen ons te stellen en je ook maar één oogenblik zielesmart te veroorzaken.”

Leoncia overlegde langen tijd zwijgend, wat nieuw voedsel gaf aan Torres’ hoop. Zij voelde behoefte om tijd te winnen. Als Henry eens gered kon worden... en had Torres zijn diensten niet aangeboden? Het viel haar niet gemakkelijk om hem weg te zenden, wanneer een menschenleven mogelijk van hem afhing.

„Spreek!—ik verteer!” drong Torres met bevende stem aan.

„Stil! Stil!” zei ze zacht „Hoe kan ik luisteren naar de liefdesverklaring van een man, terwijl de man, dien ik liefhad, nog in leven is?”

Liefhad! De verleden tijd gaf haar een schok. Eveneens verraste het Torres en deed zijn hoop hooger opvlammen. Zij was reeds bijna de zijne. Zij had gezegd: liefhad. Zij had Henry niet meer lief. Zij had hem bemind, maar dit was nu voorbij. En zij, een teeder en fijngevoelig meisje en vrouw, kon natuurlijk haar liefde voor hem niet bekennen, terwijl de andere man nog in leven was. Dit was edel van haar. Hij was trotsch op zijn eigen edele gedachten en vleide zich met het denkbeeld, dat hij haar heimelijke gedachten zoo goed geraden had. En... wel besloot hij, hij zou er wel voor zorgen, dat de man, die den volgenden morgen om tien uur moest sterven, geen uitstel of hulp kreeg. Het eenige, wat vaststond was dat, wilde hij Leoncia spoedig voor zich winnen, Henry Morgan spoedig moest sterven.

„Wij zullen er niet verder over spreken... op het oogenblik,” zei hij hoffelijk en vriendelijk, terwijl hij zachtjes haar hand drukte, opstond en op haar neerkeek.

Zij gaf hem een zachten, dankbaren handdruk, voor zij haar hand losmaakte en stond op.

„Kom,” zei ze. „We zullen ons bij de anderen voegen. Zij bedenken nu, of trachten een plan te bedenken, om Henry Morgan te redden.”

Het gesprek van het groepje menschen verflauwde toen zij zich bij hen voegden, alsof men Torres maar half vertrouwde.

„Hebben jelui al iets bedacht?” vroeg Leoncia.

De oude Enrico, even rechtop, slank en sierlijk gebouwd als zijn zoons, schudde het hoofd.

„Ik heb een plan, als u het mij niet kwalijkneemt,” begon Torres, maar hield op, toen hij een waarschuwenden blik opving van Alesandro, den oudsten zoon.

Op den weg, beneden het plein gelegen, waren twee vogelverschrikkers van bedeljongens verschenen. Hoewel ze, naar hun grootte te oordeelen, niet ouder waren dan tien jaren, toonden zij door de listige uitdrukking in hun oogen en op hun gelaat, veel ouder. Ieder droeg één enkel prachtig kleedingstuk, zoodat men kon zeggen, dat ze samen een hemd en een broek deelden. Maar welk een hemd! En welk een broek! Deze laatste, gemaakt voor een volwassen man en van grof zeildoek, was vastgemaakt om den hals van den jongen, terwijl de band ingehaald was met een vastgeknoopt touw, zoodat het kleedingstuk niet van de schouders kon glijden. Zijn armen waren door de gaten gestoken, waar eens de zakken hadden gezeten. De pijpen der broek waren met een mes afgesneden om ze meer in overeenstemming te maken met de lengte van zijn eigen ledematen. De slippen van het manshemd, dat de andere jongen aan had, sleepten over den grond.

„Vamos!” riep Alesandro hen barsch toe, om ze weg te jagen. Maar de jongen met de broek nam deftig een steen weg, die hij boven op zijn bloote hoofd gedragen had en liet nu een brief zien, dien hij daaronder meegedragen had. Alesandro boog zich voorover, nam den brief en gaf dien, na een blik op het opschrift geworpen te hebben, aan Leoncia, terwijl de jongens op huilerigen toon om geld begonnen te vragen. Francis, die ondanks zich zelf om hen moest lachen, wierp hen een paar stukjes zilvergeld toe, waarop het hemd en de broek verdwenen langs het pad.

De brief was van Henry en Leoncia las hem snel door. Het was niet bepaald een afscheidsbrief, want hij schreef in den toon van een man, die alleen door een onbegrijpelijk toeval verwacht te sterven. Maar, met het oog op de mogelijkheid van een dergelijk onbegrijpelijk toeval, wilde Henry toch afscheid nemen en er de schertsende aanbeveling voor Leoncia aan toevoegen om Francis niet te vergeten, die wel waard was, dat men zich zijner herinnerde, omdat hij zooveel op hem, Henry, geleek.

Leoncia’s eerste opwelling was om de anderen den brief te laten lezen, maar de opmerking omtrent Francis hield haar hiervan terug.

„Hij is van Henry,” zei ze, het briefje in haar japon stekend. „Er staat niets bijzonders in. Hij schijnt er geen oogenblik aan te twijfelen, dat hij op de een of andere manier zal ontsnappen.”

„Daar zullen we voor zorgen,” verklaarde Francis beslist.

Met een dankbaar glimlachje aan zijn adres en een vragend aan Torres, zei Leoncia:

„U sprak over een plan, Senor Torres?”

Torres glimlachte, draaide zijn knevel op en nam een gewichtige houding aan.

„Er is één manier, de Gringo-, Angel-Saksische manier en die is eenvoudig, recht op het doel afgaande. Dat is het in één woord, recht op het doel afgaande. Wij zullen heengaan en Henry op de regelrechte, brutale en juiste Gringo-manier uit de gevangenis halen. Dat is het eenige, wat ze niet van ons zullen verwachten. Daarom zal het gelukken. Er zijn genoeg ongehangen schurken hier aan wal te vinden, waarmee we de gevangenis kunnen bestormen. Huur ze, betaal ze goed, maar geef ze slechts een gedeelte van het geld vooruit en de zaak is gezond.”

Leoncia knikte gretig en toestemmend. De oogen van den ouden Enrico schoten vuur en zijn neusgaten verwijdden zich alsof hij reeds kruitdamp rook. De jongelui werden aangewakkerd door zijn voorbeeld. En allen keken Francis aan om zijn meening te hooren en zijn toestemming te ontvangen. Maar hij schudde langzaam het hoofd en Leoncia slaakte een scherpen kreet van teleurstelling.

„Dat is een hopelooze onderneming,” zei hij. „Waarom zoudt gij allen uw hals wagen in zoo’n dolzinnige onderneming, die in het minst geen kans van slagen heeft?” Onder het spreken liep hij van Leoncia’s zijde naar de omheining om een oogenblik tusschen Torres en de andere mannen te komen, en slaagde er tegelijkertijd in om Enrico en zijn zoons een waarschuwenden blik toe te werpen. „Wat Henry betreft, het ziet er naar uit, alsof het met hem gedaan is...”

„Je bedoelt, dat je mij wantrouwt?” stoof Torres op.

„Hemel, man,” protesteerde Francis.

Maar Torres draafde door: „Je bedoelt, dat ik door jou, een man, dien ik ternauwernood ken, uitgesloten word van de vergadering der Solanos, die mijn oudste en meest vereerde vrienden zijn.”

De oude Enrico, wien de opstijgende toorn tegen Francis in Leoncia’s gelaat niet ontgaan was, slaagde er in haar een waarschuwing te doen toekomen, eer hij met een hoffelijk gebaar Torres tot zwijgen bracht en begon te spreken.

„Er zijn geen vergaderingen der Solanos, waarvan gij uitgesloten wordt, Senor Torres. Gij zijt werkelijk een oud vriend van onze familie. Wijlen uw vader en ik waren vrienden, bijna broeders. Maar dat—en gij zult het oordeel van een oud man niet kwalijk nemen—neemt niet weg, dat Senor Morgan gelijk heeft, wanneer hij zegt, dat uw plan hopeloos is. Om de gevangenis te bestormen zou werkelijk een dwaasheid zijn. Denk maar eens aan die dikke muren. Zij zouden weerstand bieden aan een wekenlang beleg. En toch, ik beken het, kwam ik ook bijna in de verzoeking om het te wagen, toen gij het plan opperdet. Toen ik nog jong was, en de Indianen bestreed hoog in de Cordilleras, hebben we iets dergelijks bij de hand gehad. Kom, laten we op ons gemak gaan zitten, dan zal ik het jelui vertellen...”

Maar Torres, die vele dingen in zijn hoofd had, weigerde langer te blijven en schudde met een beetje vriendelijker gevoelens allen de hand, verontschuldigde zich kort tegen Francis en vertrok op zijn, met zilverbeslag opgetuigd paard naar San Antonio. Een der onderwerpen, die zijn gedachten in beslag namen, was de telegrafische verbinding, waarin hij stond met het kantoor van Thomas Regan in Wall Street. Heimelijk toegang hebbend tot het draadloos Rijkstelefoonstation van Panama in San Antonio, was hij in de gelegenheid om berichten te verzenden naar het station te Vera Cruz. Niet alleen was zijn connectie met Regan zeer winstgevend, maar het was ook in overeenstemming met zijn persoonlijke plannen met Leoncia en de Morgans.

„Wat heb je tegen Senor Torres, dat je zijn plan moest verwerpen en hem boos maken?” vroeg Leoncia aan Francis.

„Niets,” was het antwoord, „behalve, dat we hem niet noodig hebben en dat ik niet bijzonder met hem ingenomen ben. Hij is een dwaas en zou ieder plan in de war sturen. Denk maar eens, hoe hij struikelde bij het verhoor van mij. Mogelijk is hij ook niet te vertrouwen. Ik weet het niet. Maar in ieder geval, waarom zouden we hem vertrouwen als we hem niet noodig hebben? Maar zijn plan is goed. We zullen regelrecht naar de gevangenis gaan en Henry er uit halen, wanneer jelui allemaal van de partij zijn. En we hoeven ons vertrouwen niet te stellen in een bende ongehangen schurken en strandslijpers. Wanneer wij met ons zessen het niet klaarspelen, kunnen we er gerust van afzien.”

„Er moeten altijd minstens een dozijn schildwachten op post staan rondom de gevangenis,” voerde Ricardo, Leoncia’s jongste broer, een jongen van achttien jaar, aan.

Leoncia, wier toorn weer opgewekt werd, fronste de wenkbrauwen tegen hem; maar Francis trok partij voor hem.

„Goed,” zei hij. „Maar we zullen die wachters wel wegjagen.”

„De muren zijn vijf voet dik,” zei Martinez Solano, tweelingbroeder van Alvarado.

„Breek er door heen,” antwoordde Francis.

„Maar hoe?” riep Leoncia uit.

„Dat ga ik je juist uitleggen. Gij, Senor Solano, hebt voldoende rijpaarden? Mooi. En gij, Alesandro, zie je misschien kans om me een paar stukken dynamiet ergens van de plantage te bezorgen? Mooi, meer dan mooi. En gij, Leoncia, moet als huisvrouw van de haciënda weten of je in de provisiekamer voldoende voorraad hebt van die whisky, merk drie sterren?”

„O, de zaak wordt al ingewikkelder,” lachte hij, toen hij haar toestemmend antwoord ontving. „Wij bezitten al de eigenschappen voor een avontuurlijk verhaal van Rider Haggard of Rex Bach. Luister nu. Maar wacht. Ik moet met jou nog overleggen, Leoncia, omtrent enkele bijzondere tooneelvoorstellingen...”

HOOFDSTUK V.

De namiddag was half om, toen Henry, voor zijn getralied celraam, de straat inkeek en zich verwonderd afvroeg of er nooit een briesje zou komen van de Chiriqui-Lagune en de onbeweeglijke lucht afkoelen. De straat was stoffig en vuil—vuil, omdat de eenige straatvegers, die men ooit gekend had sedert de stad eeuwen geleden werd gesticht, de straathonden en de onheilspellende buizerds waren, die zelfs nu op roof uit waren en door den afval dansten. Lage, gewitte steenen gebouwen en huisjes maakten de straat tot een oven.

Al dit wit en het stof was ondraaglijk en pijnlijk voor de oogen, en Henry zou den blik afgewend hebben, wanneer niet de talrijke havelooze mosos, die in een tegenoverliggend portaal zaten te dommelen, plotseling wakker geworden waren, en aandachtig de straat ingekeken hadden. Henry kon niets zien, maar hij kon het rammelen hooren van het een of andere voertuig, dat met spoed naderde. Plotseling kwam het in gezicht, een, op een rattenval gelijkend, licht wagentje, dat getrokken werd door een, op hol zijnd paard. Op de bank zat een oude man, met grijs haar en baard, die tevergeefs het paard tot stilstand trachtte te brengen.

Henry glimlachte en verwonderde zich erover, dat het bouwvallige wagentje niet uit elkander viel, zoo hobbelde en danste het in de diepe wagensporen. Elk wiel, half-los en dreigend heelemaal los te gaan, hobbelde en ontweek het spoor van het andere wiel. En zoo het wagentje al heel bleef, dan was het een wonder, dacht Henry, dat het rare tuig niet in stukken vloog. Vlak voor het raam gekomen, deed de oude man een laatste poging, door zich half van zijn zitplaats te verheffen en aan de teugels te trekken. De eene was verteerd en brak. Toen de koetsier achterover op zijn bankje terugviel, rustte zijn volle gewicht op den eenen, overgebleven teugel, wat het paard met een scherpe wending naar rechts deed keeren. Wat er toen gebeurde—of er een wiel bezweek of dat er een wiel losraakte en daarna bezweek—Henry zou het niet kunnen zeggen. Het eenige, wat te constateeren viel, dat de heele wagen verongelukte. De oude man, meegesleept door het stof en zich hardnekkig vastklemmend aan den overgebleven teugel, dwong het paard een cirkel te beschrijven tot het bleef staan, hem aankeek en tegen hem snoof.

Toen hij opstond, verzamelden zich een menigte mosos rondom hem. Deze werden rechts en links ruw terzijde geschoven door de gendarmes, die uit de gevangenis kwamen toeloopen. Henry bleef aan het venster staan en was, voor een man, die nog slechts enkele uren te leven had, een zeer geanimeerd toeschouwer en toehoorder van hetgeen nu volgde.

Zijn paard aan een gendarme gevend om het vast te houden, niet stilstaande om zich een beetje van het vuil te ontdoen, hinkte de oude man snel naar den wagen en begon de talrijke kisten, groot en klein, die de lading uitmaakten, aan een onderzoek te onderwerpen. Voor één kist was hij buitengewoon bezorgd, beproefde zelfs om deze op te beuren en scheen te luisteren, terwijl hij ze opbeurde. Hij richtte zich op, toen hij door een der gendarmes aangesproken werd en gaf, rad van tong, antwoord.

„Ik? Helaas, senors, ik ben een oude man en ver van huis. Ik ben Leopoldo Narvaez. Het is waar, mijn moeder was een Duitsche, moge de Heiligen haar genadig zijn; maar mijn vader was Baltazar de Jesus y Cervallos è Narvaez, zoon van Generaal Narvaez met een roemrijk verleden, die nog onder den grooten Bolivar zelf streed. En nu ben ik half geruïneerd en ver van huis.”

Aangespoord door verdere vragen, doorspekt met de beleefde uitroepen van medelijden, waarmee zelfs de nederigste moso niet karig is, slaagde hij er in om, beleefd en dankbaar, voort te gaan met zijn verhaal.

„Ik ben van Bocas del Toro komen rijden. Die reis kostte mij vijf dagen en ik heb weinig zaken gedaan. Ik woon in Colon, en ik wou, dat ik er was. Maar zelfs een waardige Narvaez kan venter worden en ook een venter moet leven, nietwaar, senors, is het niet zoo? Maar zeg me, woont er in dit aardige stadje San Antonio geen Tomas Romero?”

„Er zijn een massa Tomas Romeros over heel Panama verspreid,” lachte Pedro Zurita, de assistent-cipier. „Je mag wel een nadere beschrijving van hem geven.”

„Hij is de neef van mijn tweede vrouw,” antwoordde de oude vol verwachting en scheen zeer verbaasd over het bulderend gelach der omringende menigte.

„En er wonen een dozijn Tomas Romeros in en om San Antonio,” vervolgde de assistent-cipier, „die allemaal wel de neef van je tweede vrouw kunnen zijn, senor. Daar heb je Tomas Romero, de dronkaard. Je hebt Tomas Romero, de dief. Dan heb je Tomas Romero—maar neen, die werd een maand geleden opgehangen voor moord en diefstal. Dan heb je nog de rijke Tomas Romero, die veel vee in de heuvels heeft loopen. En...”

Bij elken naam, die genoemd werd, had Leopoldo Narvaez droevig het hoofd geschud, totdat de veehouder genoemd werd. Nu kreeg hij meer hoop en viel den spreker in de rede:

„Pardon, senor, dat moet hij zijn, of iemand anders zooals hij. Ik zal hem wel vinden. Als mijn kostbare voorraad handelswaren veilig opgeborgen kan worden, ga ik hem dadelijk opzoeken. Het is goed, dat het ongeluk mij op deze plaats trof. Nu kan ik ze aan u toevertrouwen, die, dat kan men met een half oog zien, een eerlijk en achtenswaardig man zijt.” Onder het spreken haalde hij uit zijn zak twee zilveren pesos te voorschijn en gaf die aan den cipier. „Ziedaar, ik wil dat gij en uw mannen ook een pleiziertje hebt voor de hulp, mij bewezen.”

Henry grinnikte heimelijk, toen hij de toenemende belangstelling in den ouden man en het medelijden met hem zag, van de zijde van Pedro Zurita en de gendarmes, veroorzaakt door het geschenk der geldstukken. Zij duwden de nieuwsgierigste toeschouwers ruw terug van den verongelukten wagen en begonnen de kisten de gevangenis in te dragen.

„Voorzichtig, senors, voorzichtig,” smeekte de oude, zeer bezorgd, toen ze de groote kist opnamen. „Wees er niet ruw mee. De inhoud is kostbaar en breekbaar, zeer breekbaar.”

Terwijl de lading van den wagen in de gevangenis gedragen werd, verwijderde de oude man zich en droeg het tuig van het paard, op den teugel na, in den wagen.

Pedro Zurita beval, dat ook het tuig naar binnen gebracht moest worden en verklaarde, met een blik op de armzalige menigte: „Er zou geen stukje of gespje meer te vinden zijn een seconde nadat wij ons omgedraaid hadden.”

Het overschot van den wagen als opstap gebruikend en met een handig zetje van den cipier en zijn manschappen, slaagde de kramer er in om op zijn paard te komen.

„In orde,” zei hij en voegde er dankbaar aan toe: „Duizendmaal dank, senors. Gelukkig heb ik eerlijke menschen ontmoet, aan wie ik mijn goederen gerust kan toevertrouwen—al zijn het maar schamele goederen, koopmansgoederen, zie je; maar voor mij maken ze mijn kostwinning uit. Het doet mij pleizier, dat ik u ontmoet heb. Morgen kom ik terug met mijn bloedverwant, dien ik ongetwijfeld zal vinden, en zal u ontslaan van den last om mijn onaanzienlijke bezittingen te bewaren.” Hij nam zijn hoed af. „Adios, senors, adios!”

Hij reed weg op een sukkeldrafje, bang voor het dier, dat hij bereed en dat het ongeval veroorzaakt had. Hij hield stil en keerde zijn hoofd om, toen Pedro Zurita hem iets toeriep.

„Je doet het best, als je naar het kerkhof gaat, Senor Narvaez,” raadde de cipier. „Daar liggen een groote honderd Tomas Romeros.”

„En ik smeek u, senor, dat ge goed op de groote kist past,” riep de kramer terug.

Henry zag, hoe de straat weer eenzaam en verlaten werd, toen de gendarmes en de inwoners vluchtten voor de verzengende zonnestralen. Geen wonder, dacht hij heimelijk, dat de stem van den ouden kramer hem een beetje bekend voorgekomen was. Dit kwam omdat zijn spraak slechts gedeeltelijk een Spaanschen tongval bezat—en gedeeltelijk den Duitschen tongval van zijn moeder. Bovendien sprak hij ook als een inboorling en hij zou even goed beroofd worden als een inboorling, wanneer er iets van waarde zat in de zware kist, die hij bij de cipiers gedeponeerd had, was Henry’s gevolgtrekking, eer hij het voorval uit zijn geest verbande.

In de kamer der bewakers, nauwelijks vijftig voet van Henry’s cel verwijderd, was men bezig om Leopoldo Narvaez te berooven. Het was begonnen toen Pedro Zurita een nauwkeurig en begeerig onderzoek instelde van de groote kist. Hij beurde het eene einde op om het gewicht te schatten, en snuffelde als een hond aan de spleten of zijn neus hem ook op de hoogte zou stellen van den inhoud.

„Laat haar met rust, Pedro,” sprak een der gendarmes lachend tot hem. „Je hebt twee pesos gekregen, om eerlijk te zijn.”

De assistent-cipier zuchtte, liep weg en ging zitten, keek nog eens naar de kist en zuchtte weer. Het gesprek wilde niet vlotten. Voortdurend dwaalden de oogen der mannen naar de kist. Een vettig spel kaarten kon hen ook niet boeien. Het spel wilde niet vlotten. De gendarme, die Pedro geplaagd had, liep nu zelf naar de kist en snuffelde eraan.

„Ik ruik niets,” beweerde hij. „Blijkbaar is er niets in de kist, wat ruikt. Maar wat kan er in zitten? De caballero zei, dat het iets van waarde was!”

„Caballero!” snoof een andere gendarme. „De vader van den ouden man was waarschijnlijk een venter van bedorven visch in de straten van Colon, evenals diens vader voor hem. Iedere leugenachtige bedelaar beweert, dat hij van de conquistadores afstamt.”

„En waarom niet, Rafaël?” antwoordde Pedro Zurita. „Stammen wij daar ook niet van af?”

„Ongetwijfeld,” stemde Rafaël gereedelijk toe. „De conquistadores versloegen menigeen...”