Chapter 9
BERNICK. Waarom zou ik haar zonder eenig nut pijn doen, met haar die dingen te vertellen?
LONA. Zonder eenig nut, zeg je? Ja, ja, je bent een man van zaken; jij moet weten wat nuttig is of niet.... Maar hoor nu eens, Karsten, nu zal ik ook eens koel en kalm spreken. Zeg mij eens ... ben je nu ook heusch gelukkig?
BERNICK. In mijn gezin, bedoel je?
LONA. Ja.
BERNICK. Ja, Lona, dat ben ik. O, je bent niet voor niets zoo'n opofferende vriendin voor mij geweest. Ik durf zeggen dat ik ieder jaar gelukkiger ben geworden. Betty is lief en meegaande. En wat heeft zij in den loop der jaren geleerd zich naar mijn eigenaarigheden te voegen...!
LONA. Hm.
BERNICK. Vroeger had zij een heeleboel overspannen idees over de liefde; zij kon zich maar niet vereenigen met de gedachte dat die zachtjes aan moest overgaan in een kalme vriendschap.
LONA. Maar berust zij nu daarin?
BERNICK. Volkomen. Je kunt begrijpen dat de dagelijksche omgang met mij, haar ook veel heeft gerijpt en niet zonder invloed op haar gebleven is. De menschen moeten leeren van beide kanten wat water in hun wijn te doen, als zij in de maatschappij waarin zij leven waardig hun plaats zullen innemen. Dat heeft Betty later ook leeren inzien, en daarom is ons huis nu een voorbeeld voor onze medeburgers.
LONA. Maar die medeburgers weten niets van de leugen?
BERNICK. Van de leugen?
LONA. Ja, van de leugen waarin je nu al vijftien jaar volhardt.
BERNICK. En dat noem je...?
LONA. Een leugen, noem ik het. Een drievoudige leugen. Eerst tegen mij; toen tegen Betty, en dan de leugen tegen Johan.
BERNICK. Betty heeft nooit verlangd dat ik spreken zou.
LONA. Omdat zij niets wist.
BERNICK. En jij zult het ook niet verlangen ... uit consideratie voor haar.
LONA. Neen, zeker niet. Ik zal hun spot nog wel langer verdragen; ik heb een breeden rug.
BERNICK. En Johan zal het ook niet eischen; dat heeft hij mij beloofd.
LONA. Maar jij zelf, Karsten? Is er niets in je binnenste dat verlangt uit dien toestand van leugen te komen?
BERNICK. Ik zou vrijwillig mijn huiselijk geluk en mijn positie in de maatschappij opgeven!
LONA. Welk recht heb je om die positie te behouden?
BERNICK. Gedurende vijftien jaar heb mij iederen dag een beetje recht daarop gekocht met mijn levenswandel en met wat ik bereikt heb.
LONA. Ja, je hebt veel gedaan en bereikt, zoowel voor je zelf als voor de anderen. Je bent de eerste en rijkste man van de stad; niemand durft zich tegen jouw wil te verzetten, omdat je doorgaat voor iemand zonder smet of blaam. Je thuis gaat door voor een modelthuis, je levenswandel voor een voorbeeld. Maar al die heerlijkheid, en jij er bij, rust op een onvasten moerasgrond. Een oogenblik kan er komen, één woord gesproken worden ... en jij met al je heerlijkheid gaat naar de diepte, als je je niet bij tijds bergt.
BERNICK. Lona, wat kom je hier eigenlijk doen?
LONA. Ik wil je helpen om vasten grond onder je voeten te krijgen, Karsten.
BERNICK. Wraak nemen! Je wilt je wreken? Ik dacht het al. Maar dat zal je niet gelukken! Er is maar één mensch die met autoriteit zou kunnen optreden, en hij zal zwijgen.
LONA. Johan?
BERNICK. Ja, Johan. Indien iemand anders mij aanklaagt, dan ontken ik alles. Als ze mij willen vernietigen dan zal ik vechten op leven en dood. Maar het zal je nooit gelukken, zeg ik je! Hij, die mij zou kunnen neervellen, zwijgt ... en hij gaat weer ver weg.
(_Rummel en Vigeland komen van rechts_).
RUMMEL. Goeden dag, goeden dag, m'n waarde Bernick; je moet met ons mee naar de handelsmaatschappij; we hebben vergadering over de spoorweg-kwestie, zooals je weet.
BERNICK. Ik kan niet. Onmogelijk op 't oogenblik.
VIGELAND. U _moet_ waarlijk, mijnheer Bernick....
RUMMEL. Je moet, Bernick. Er zijn menschen die ons tegenwerken. Hammer, de redacteur en de anderen die voor de kustlijn waren, beweren dat er particuliere belangen steken achter het nieuwe plan.
BERNICK. Nu, leg hun dan uit....
VIGELAND. Dat geeft niets wat wij zeggen, mijnheer de consul....
RUMMEL. Neen neen, je moet zelf komen; van jou waagt natuurlijk niemand zoo iets te veronderstellen.
LONA. Neen, dat zou ik ook denken.
BERNICK. Ik kan niet, zeg ik je; ik ben onwèl;...
(_Rörlund komt van rechts_).
RÖRLUND. Pardon, mijnheer Bernick, u ziet mij hier hevig ontsteld....
BERNICK. Ja ... wat scheelt u?
RÖRLUND. Ik moet u een vraag doen, mijnheer Bernick. Is het met uw goedvinden dat het jonge meisje, dat een toevlucht onder uw dak gevonden heeft, zich op de openbare straat vertoont in gezelschap van een persoon, die....
LONA. Van welk persoon, dominee?
RÖRLUND. Van den persoon dien zij, van alle menschen ter wereld, het eerst van zich af houden moest.
LONA. Hoho!
RÖRLUND. Is dat met uw goedvinden, mijnheer Bernick?
BERNICK (_die hoed en handschoenen zoekt_). Ik weet nergens van. Pardon, ik heb haast; ik moet naar de handelsmaatschappij.
HILMAR (_komt uit den tuin en gaat naar de verste deur links_). Betty, Betty, hoor eens!
MEVR. BERNICK (_in de deur_). Wat is er?
HILMAR. Je moet eens naar de tuin gaan en een einde maken aan dat gevrij van een zeker individu met die Dina Dorf. Mijn zenuwen zijn er heelemaal door van streek, alleen maar van het aan te hooren.
LONA. Zoo? Wat heeft dat individu dan gezegd?
HILMAR. O, anders niet dan dat hij wil dat zij met hem mee naar Amerika zal gaan. Oeh!
RÖRLUND. Hoe is het mogelijk!
MEVR. BERNICK. Wàt zeg je?
LONA. Maar dat zou juist uitstekend zijn!
BERNICK. Onmogelijk, je hebt 't niet goed verstaan.
HILMAR. Vraag het hem dan zelf. Daar komt het paartje. Maar laat mij er alsjeblieft buiten.
BERNICK (_tegen Rummel en Vigeland_). Ik kom dadelijk ... een oogenblik maar.... (_Rummel en Vigeland gaan af naar rechts. Johan en Dina komen uit den tuin_).
JOHAN. Hoera, Lona, ze gaat met ons mee!
MEVR. BERNICK. Maar, Johan,... wat een onbezonnenheid...!
RÖRLUND. Is dat waar? Zoo'n verregaand schandaal! Met welke verleidingskunsten heeft u...?
JOHAN. Nou, nou, mijnheer; let een beetje op uw woorden!
RÖRLUND. Antwoord mij Dina, is dat je plan? Heb je uit eigen beweging die beslissing genomen?
DINA. Ik moet hier van daan.
RÖRLUND. Maar met hem ... met hém!
DINA. Noem mij eens een ander hier die den moed zou hebben om mij mee te nemen.
RÖRLUND. Dan zal je ook weten wie hij is!
JOHAN. Zeg niets.
BERNICK. Geen woord meer.
RÖRLUND. Dan zou ik de maatschappij, voor wier zedelijkheid en welvoegelijkheid ik waken moet, een slechten dienst bewijzen. En onverantwoordelijk zou ik handelen jegens dit jonge meisje, wier opvoeding ik ook voor een groot deel geleid heb, en die mij....
JOHAN. Neem u in acht voor wat u gaat doen!
RÖRLUND. Zij _moet_ het weten! Dina, dit is de man die schuld heeft aan al de ellende en de schande van je moeder.
BERNICK. Mijnheer Rörlund...!
DINA. Hij! (_tegen Johan_). Is dat waar?
JOHAN. Karsten, geef jij antwoord.
BERNICK. Geen woord meer! Van daag zal hier verder over gezwegen worden.
DINA. 't Is dus waar.
RÖRLUND. 't Is waar ... 't is wáár. En meer nog dan dat. Die kerel, aan wien je je vertrouwen geschonken hebt, liep niet met leege handen van huis weg;... de kas van weduwe Bernick ... de consul kan het getuigen!
LONA. Leugenaar!
BERNICK. Ah...!
MEVR. BERNICK. O God! O God!
JOHAN (_loopt op hem toe met opgeheven arm_). En dat waag jij!...
LONA (_afwerend_). Sla hem niet, Johan!
RÖRLUND. Ja, vergrijp je maar aan mij. Maar de waarheid moet toch aan het licht komen; en dit _is_ de waarheid; mijnheer Bernick heeft het zelf gezegd en de heele stad weet het.... Ziezoo, Dina, nu ken je hem. (_Kort zwijgen_).
JOHAN (_zachtjes, hem bij den arm pakkend_). Karsten, Karsten, wat heb je gedaan!
MEVR. BERNICK (_gesmoord en schreiend_). O Karsten, dat ik je in al die schande brengen moest!
SANDSTAD (_komt snel van rechts en roept met de kruk van de deur in de hand_). Nu _moet_ u eindelijk komen, mijnheer de consul! De heele spoorweg hangt nog maar aan een draadje!
BERNICK (_wezenloos_). Wat is er? Wat moet ik...?
LONA (_ernstig en met nadruk_). Je moet de maatschappij gaan steunen, Bernick.
SANDSTAD. Ja, mijnheer, kom, kom; wij hebben uw heele moreele overwicht noodig.
JOHAN (_vlak bij hem_). Bernick, morgen moeten wij samen spreken.
(_Hij gaat heen door den tuin; Bernick gaat willoos met Sandstad rechts af_).
EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.
* * * * *
DERDE BEDRIJF
Tuinkamer in Bernick's huis.
* * * * *
(_Bernick met een Spaansch rietje in de hand, komt hevig vertoornd uit de achterste kamer links en laat de deur half open staan_).
BERNICK. Ziezoo, nu is het eindelijk eens ernst geworden; dit pak zal hem heugen, denk ik. (_Tegen iemand binnen in de kamer_). Wat zeg je?... En ik zeg dat jij een onverstandige moeder bent! Je spreekt hem voor en steunt hem in al zijn kwajongensstreken.... Geen kwajongensstreken? Wat noem jij 't dan? Om 's nachts het huis uit te sluipen en met een visschersboot mee op zee te gaan en weg te blijven tot op klaarlichten dag,... en mij zoo'n doodelijken angst op het lijf jagen, terwijl ik toch al zoo veel aan mijn hoofd heb. En dan waagt die deugniet het nog mij te dreigen dat hij wegloopen zal! Laat hij 't maar eens probeeren!... Jij? Neen, dat geloof ik graag; jij geeft er niet veel om wat hij uithaalt! Al was zijn leven er mee gemoeid, geloof ik...! Zoo? Maar ik heb een taak hier te vervullen; mij kan het wèl schelen of ik een kind nalaat of niet.... Niet tegenspreken, Betty; het blijft zooals ik gezegd heb; hij heeft huisarrest.... (_luistert_). Sst; laat niemand iets merken.
(_Krap komt van rechts_).
KRAP. Heeft u een oogenblik tijd, mijnheer?
BERNICK (_gooit het rietje weg_). Jawel, jawel. Komt u van de werf?
KRAP. Zoo net. Hm....
BERNICK. Wel? Er is toch niets met "de Palmboom"?
KRAP. "De Palmboom" kan morgen in zee, maar....
BERNICK. Met de "Indian Girl" dus? Dacht ik het niet dat die stijfkop....
KRAP. De "Indian Girl" kan ook uitzeilen morgen; maar ... die zal 't niet ver brengen.
BERNICK. Wat bedoelt u?
KRAP. Neem mij niet kwalijk, mijnheer; de deur staat áán en ik geloof dat er iemand binnen is....
BERNICK (_sluit de deur_). Ziezoo. Maar wat is het dan dat niemand hooren mag?
KRAP. Het is dit, dat Aune van plan schijnt te zijn de "Indian Girl" met man en muis naar den kelder te laten gaan.
BERNICK. Maar de hemel zij ons genadig, hoe kan u denken...?
KRAP. Ik kan het mij anders niet verklaren, mijnheer.
BERNICK. Maar zeg mij dan toch met een paar woorden....
KRAP. Dat zal ik. U weet zelf hoe lamzalig het toeging op de werf sedert wij de nieuwe machines kregen en de nieuwe, ongeoefende werklui.
BERNICK. Ja, ja.
KRAP. Maar van ochtend, toen ik op de werf kwam, merkte ik dat de reparatie van den Amerikaan opvallend gevorderd was; het groote lek in den bodem, u weet wel, die verrotte plek....
BERNICK. Ja, ja, wat daarvan?
KRAP. Volkomen gerepareerd,... oogenschijnlijk althans; gepantserd; zag er uit als nieuw; hoorde dat Aune zelf den heelen nacht daar onderin met licht gewerkt had.
BERNICK. Ja, ja, en dan...?
KRAP. k' Liep er over na te denken; het volk was juist aan 't schaften, en zoo vond ik de gelegenheid om ongemerkt eens alles op te nemen van binnen en van buiten; 't was moeilijk genoeg om in het ruim van die zwaar geladen schuit te komen; maar kreeg zekerheid. Er wordt geknoeid, mijnheer Bernick.
BERNICK. Ik kan het niet gelooven, mijnheer Krap. Ik kan en wil zoo iets niet gelooven van Aune.
KRAP. 't Spijt me ... maar 't is de zuivere waarheid. Er wordt geknoeid, zeg ik u. Geen nieuw hout ingezet, zoover ik kon nagaan, alleen maar gestopt en gekalefaterd en gedekt met platen en geteerd zeildoek en zoo al meer. Eenvoudig prutserij! "Indian Girl" haalt New-York nooit; zinkt als een gebarsten pot.
BERNICK. Maar dat is verschrikkelijk! En wat kan hij daarmee voorhebben, denkt u?
KRAP. Wil waarschijnlijk de machines in discrediet brengen; wil zich wreken; wil dat die heele oude arbeiderstroep weer in genade zal worden aangenomen.
BERNICK. En zoo zet hij misschien al die menschenlevens op het spel.
KRAP. Hij zei onlangs: daar zijn geen menschen aan boord van de "Indian Girl", enkel beesten.
BERNICK. Ja, ja, dat kan zijn; maar heeft hij dan geen eerbied voor het groote kapitaal dat er mee verloren gaat?
KRAP. Aune heeft maling aan het groote kapitaal, mijnheer Bernick.
BERNICK. Zeer juist; hij is een drijver en een onruststoker; maar zoo iets gewetenloos als dit.... Hoor eens, mijnheer Krap, die zaak moet nog eens onderzocht worden. Geen woord er over tegen wien ook. De eer van onze werf zou er onder lijden als zoo iets bekend werd.
KRAP. Natuurlijk, maar....
BERNICK. In het middagschaftuur moet u nog eens in het schip zien te komen; ik moet volle zekerheid hebben.
KRAP. Die zal u hebben, mijnheer. Maar permitteer mij, wat wil u dan doen?
BERNICK. De zaak aangeven, natuurlijk. Wij kunnen ons toch niet medeplichtig maken aan iets dat gewoon een misdaad is. Mijn geweten moet zuiver zijn. Het zal buitendien een goeden indruk maken zoowel bij de pers als in het algemeen op de menschen, wanneer men ziet, dat ik alle persoonlijke belangen op zij zet en het recht zijn loop laat.
KRAP. Zeer waar, mijnheer.
BERNICK. Maar in de eerste plaats volle zekerheid. En tot zoolang zwijgen....
KRAP. Geen woord, mijnheer; en zekerheid zal u hebben. (_Hij gaat weg door den tuin en de straat af_).
BERNICK (_halfluid_). Ontzettend! Maar neen, dat is toch onmogelijk,... ondenkbaar! (_Terwijl hij zijn kamer binnen wil gaan komt Hilmar van rechts_).
HILMAR. Dag Bernick! Ik feliciteer je met je overwinning in de Handelsmaatschappij gisteren.
BERNICK. O, dank je.
HILMAR. Het was een schitterende overwinning, hoor ik, de overwinning van de verstandige liefde voor je eigen stad over egoïsme en vooroordeel,... iets als een razzia van de Franschen tegen de Kabylen. Merkwaardig dat je na die onaangename scène hier in huis....
BERNICK. Nu ja ... zwijg daar nu maar liever over.
HILMAR. Maar de groote slag is toch nog niet geleverd.
BERNICK. In de spoorweg-kwestie bedoel je?
HILMAR. Ja, je weet toch wel wat Hammer tegen je in zijn schild voert?
BERNICK. Neen, wat dan?
HILMAR. Hij heeft zich vastgeklampt aan een praatje dat hier rondgaat, en daar wil hij een courantenartikel van maken.
BERNICK. Welk praatje?
HILMAR. Wel, natuurlijk van den grooten aankoop van terreinen langs de zijlijn.
BERNICK. Wat zeg je? Loopt daar een praatje over?
HILMAR. Ja, 't is al door de heele stad. Ik hoorde het op de societeit, waar ik even binnen liep. Een notaris van hier moet in alle stilte in commissie alle bosschen, ertslagen en watervallen opgekocht hebben....
BERNICK. Is 't ook bekend voor wie?
HILMAR. Op de societiet dachten ze dat 't voor een consortium was, lui van buiten de stad, die van je plannen de lucht gekregen hadden en zich nu vóór de prijzen stegen.... Hoe gemeen toch ... oeh!
BERNICK. Gemeen?
HILMAR. Ja, dat vreemden zich op die manier indringen in onze streken, en dat zelfs een notaris hier uit de stad zich daartoe leenen wil! Nou gaan die vreemde lui met de winst strijken.
BERNICK. Maar het is toch maar een los praatje.
HILMAR. Dat intusschen geloofd wordt, en morgen of overmorgen spijkert Hammer het vast als een feit. Op de societeit waren ze er allemaal al nijdig over. Ik hoorde verscheidene lui zeggen dat als het praatje waarheid bleek te zijn, dan zouden zij zich laten schrappen van de lijsten.
BERNICK. Onmogelijk!
HILMAR. Zoo? Waarom waren deze winkelierszielen zoo bereid om met je mee te gaan in je plannen, denk je? Geloof je niet dat ze zelf hun neus er al op gespitst hadden....
BERNICK. Onmogelijk, zeg ik je. Zóóveel gemeenschapszin bestaat hier toch nog wel in onze kleine maatschappij....
HILMAR. Hier? Ja, jij bent nu eenmaal een optimist, en oordeelt anderen naar je zelf. Maar ik, die een vrij geoefend opmerker ben.... Hier is er geen één,--met uitzondering van ons beiden natuurlijk,--geen één zeg ik je, die de vaan der idee hoog houdt. (_Gaat naar den achtergrond_). Oeh! daar zie ik ze alweer aankomen!
BERNICK. Wie?
HILMAR. De twee Amerikanen (_kijkt naar rechts_). En met wie loopen ze? Ja, lieve God, is dat niet de kapitein van de "Indian Girl"? Oeh!
BERNICK. Wat hebben ze met hèm te maken?
HILMAR. O, dat is juist heel geschikt gezelschap. Die man moet slavenhandelaar of zeeroover geweest zijn; en wie weet wat die twee al die jaren hebben uitgevoerd.
BERNICK. Ik moet zeggen dat het je heel leelijk staat om zoo slecht over hen te denken.
HILMAR. Ja, jij bent nu eenmaal een optimist. Maar nu hebben wij ze weer op ons dak natuurlijk. Ik zal me daarom maar bij tijds.... (_gaat naar de deur links_).
(_Lona komt van rechts op_).
LONA. Hoe is 't, Hilmar, jaag ik je de kamer uit.
HILMAR. Volstrekt niet. Ik had juist een beetje haast; ik moet Betty even spreken. (_Gaat de verste kamer links binnen_).
BERNICK (_na een kort zwijgen_). Wel, Lona?
LONA. Ja?
BERNICK. Hoe sta ik van daag voor je?
LONA. Net als gisteren. Een leugen meer of minder....
BERNICK. Ik zal je opheldering geven. Waar is Johan?
LONA. Hij komt straks. Hij moest nog iemand spreken.
BERNICK. Na wat je gisteren hoorde, zal je begrijpen, dat mijn heele bestaan verwoest is als de waarheid aan het licht komt.
LONA. Dat begrijp ik.
BERNICK. 't Spreekt natuurlijk van zelf, dat _ik_ mij niet schuldig gemaakt heb aan de misdaad waarover hier gebabbeld wordt.
LONA. Dat spreekt. Maar wie was dan de dief?
BERNICK. Er was heelemaal geen dief; er is geen geld gestolen; geen cent is er vermist.
LONA. Wàt zeg je?
BERNICK. Geen cent, zeg ik je.
LONA. Maar dat praatje dan? Hoe kwam dan dat schandelijke praatje in de wereld dat Johan...?
BERNICK. Lona, aan jou geloof ik te kunnen zeggen wat ik aan niemand anders zeg. Ik wil voor jou niets verzwijgen. _Ik_ ben voor een deel schuld er aan dat dat praatje werd uitgestrooid.
LONA. Jij? En dat kon je hèm aandoen, die voor jou...!
BERNICK. Je moet mij niet veroordeelen zonder te bedenken hoe de zaken toen stonden. Ik vertelde je dat immers gisteren. Ik kwam thuis en vond mijn moeder gewikkeld in een heele serie van onverstandige ondernemingen; allerlei ongelukken kwamen er bij. Het was of alles ons opeens moest tegenloopen. Ons huis stond op vallen. Ik was half onverschillig en half wanhopig. Lona, ik geloof heusch dat 't voornamelijk was om mij te verdooven, dat ik mij inliet met die relatie, die Johan er toe bracht weg te gaan.
LONA. Hm....
BERNICK. Je kunt je wel voorstellen, hoe er allerlei praatjes werden uitgestrooid toen je allebei weg waart. Er werd gezegd dat dit niet zijn eerste lichtzinnige streek was. Dorf zou een groote som geld van hem gekregen hebben om zijn mond te houden en weg te gaan, heette het. Anderen hielden vol dat _zij_ het gekregen had. In dienzelfden tijd bleef het geen geheim meer dat ons huis moeite had zijn verplichtingen na te komen. Wat was natuurlijker dan dat de kwaadsprekers deze twee dingen met elkaar in verband brachten? Toen nu de vrouw hier bleef en maar armelijk leefde, beweerde men dat hij het geld meegenomen had naar Amerika; en onder al die praatjes werd de som al grooter en grooter.
LONA. En jij, Karsten?
BERNICK. Ik greep dat praatje aan als een reddingsplank.
LONA. En strooide het verder uit?
BERNICK. Ik sprak het niet tegen. De schuldeischers begonnen ons lastig te vallen; 't kwam er op aan hen te kalmeeren. In geen geval mocht de soliditeit van het huis verdacht worden. Wij verkeerden in een oogenblikkelijke verlegenheid; men moest alleen maar niet te veel aandringen ... ons een beetje tijd laten; ieder zou het zijne krijgen.
LONA. En kreeg ieder het zijne ook?
BERNICK. Ja, Lona, dat praatje redde ons huis en maakte mij tot den man die ik nu ben.
LONA. Een leugen heeft je dus gemaakt tot den man die je nu bent?
BERNICK. Wien deed dat toen kwaad? Johan's plan was om nooit weer terug te komen.
LONA. Je vraagt wien dat kwaad deed? Kijk eens in je zelf en zeg me of het jou geen kwaad gedaan heeft.
BERNICK. Kijk in welken man je wilt, en in een ieder zal je op zijn minst één donkeren plek vinden die hij verbergen moet.
LONA. En jullie noemt je de steunpilaren der maatschappij!
BERNICK. De maatschappij heeft toch geen betere.
LONA. En wat doet het er toe of zoo'n maatschappij gesteund wordt of niet? Wàt is het, waar hier aan gehecht wordt? Schijn en leugen ... en anders niets. Hier leef jij nu, de eerste man van de stad, in heerlijkheid en vreugde, in macht en aanzien, jij die een onschuldige als misdadiger gebrandmerkt hebt.
BERNICK. Denk je soms dat ik 't niet diep voel dat ik hem onrecht aangedaan heb? En denk je soms dat ik niet bereid ben dat onrecht weer goed te maken?
LONA. Waarmee? Met de waarheid te zeggen?
BERNICK. En zoo iets zou je van mij kunnen vergen?
LONA. Waarmee anders kan je zoo'n onrecht weer goed maken?
BERNICK. Ik ben rijk, Lona. Johan kan van mij eischen wat hij wil....
LONA. Ja, bied hem eens geld aan, dan zal je eens hooren wat hij je antwoordt.
BERNICK. Weet jij wat zijn plannen zijn?
LONA. Neen, sedert gisteren zegt hij niets meer. Het is of dat alles hem opeens tot een volwassen man gemaakt heeft.
BERNICK. Ik moet hem spreken.
LONA. Daar heb je hem. (_Johan komt van rechts_).
BERNICK (_naar hem toegaand_). Johan...!
JOHAN (_afwerend_). Eerst ik. Gisteren ochtend gaf ik je mijn woord dat ik zwijgen zou.
BERNICK. Dat deed je.
JOHAN. Maar toen wist ik nog niet....
BERNICK. Johan, laat mij met een paar woorden maar zeggen, hoe de zaak in elkaar zit....
JOHAN. Dat 's niet noodig; ik begrijp het heel best. Het huis Bernick had toen een moeilijken tijd; en omdat ik weg was en jij met den naam van een weerlooze doen kon wat je wou.... Wel, ik wil je daarover niet zoo heel hard vallen; we waren allebei jong en lichtzinnig in die dagen. Maar _nu_ heb ik de waarheid noodig en nu moet je spreken.
BERNICK. En juist nù heb ik mijn heele prestige noodig en daarom kàn ik nu niet spreken.
JOHAN. Van die verzinsels die je over mij hebt uitgestrooid trek ik mij niet veel aan. Maar dat andere ... dáárin moet je schuld bekennen. Dina moet mijn vrouw worden en hier, hier in de stad, wil ik met haar leven en huishouden.
LONA. Wil je dat heusch?
BERNICK. Met Dina? Als je vrouw? Hier in de stad?
JOHAN. Ja ... hier; juist hier wil ik blijven om al die leugenaars en kwaadsprekers te trotseeren. Maar om haar tot mijn vrouw te kunnen maken, is het noodzakelijk dat jij mij rehabiliteert.
BERNICK. Heb je bedacht dat als ik het ééne beken ik daarmee ook het andere op mij nemen moet? Je zult zeggen dat ik uit onze boeken kan bewijzen dat er geen onregelmatigheden hebben plaats gehad? Maar dat kan ik niet; onze boeken zijn in dien tijd niet zoo heel nauwkeurig bijgehouden. En zelfs al kon ik dat ... wat zou daarmee gewonnen zijn? Zou ik dan toch niet voor alle menschen staan als de man die zich eens door een onwaarheid gered had en die vijftien jaar lang die onwaarheid en alles wat er mee samenhing had laten voortwoekeren en wortel schieten, zonder ook maar een enkelen stap gedaan te hebben om dat te stuiten? Je kent ons wereldje niet meer, anders zou je weten dat dat mijn volslagen ondergang ten gevolge zou hebben.
JOHAN. Ik kan je alleen zeggen dat ik met de dochter van madam Dorf trouwen wil en met haar wonen hier in de stad.
BERNICK (_veegt zijn voorhoofd af_). Hoor eens, Johan ... en jij ook Lona. Het zijn geen alledaagsche omstandigheden waarin ik dezer dagen juist verkeer. De zaken staan zoo, dat je mij vernietigt als je dat tegen mij gaat beginnen. En niet mij alléén, maar ook een mooie en zegenrijke toekomst voor de heele stad, die toch ook je beider geboorteplaats is.
JOHAN. En ontzie ik jou, dan vernietig ik zelf mijn eigen geluk en mijn heele toekomst.
LONA. Ga voort, Karsten.