Chapter 8
HILMAR. Nonsens; jij hebt geen aanleg in je voor dat stalende dat er gelegen is in.... (_zij gaan den tuin in_).
JOHAN (_tegen Dina die haar hoed heeft afgezet en in de deur rechts staat, terwijl zij het stof van haar japon schudt_). U heeft het knapjes warm gekregen van de wandeling.
DINA. Ja; het was een heerlijke wandeling. Zoo'n heerlijke wandeling heb ik nog nooit gemaakt.
JOHAN. U wandelt misschien niet dikwijls zoo in den voormiddag?
DINA. Jawel, maar enkel met Olaf.
JOHAN. Zoo.... U heeft misschien ook lust om in den tuin te gaan, of blijft u liever hier?
DINA. Neen, ik heb veel meer lust om hier te blijven.
JOHAN. Ik ook. En dat is dus afgesproken, dat ik u iederen ochtend kom afhalen om te wandelen.
DINA. Neen, mijnheer Tönnesen, dat moet u niet doen.
JOHAN. Waarom niet? U heeft het toch beloofd.
DINA. Jawel; maar nu ik er over nadenk ... neen, u moet niet met mij uitgaan.
JOHAN. Maar waarom dan toch niet?
DINA. U is hier vreemd; u begrijpt dat niet; maar ik zal u zeggen....
JOHAN. Wel?
DINA. Och neen ... ik spreek er liever niet over.
JOHAN. O, tegen mij kan u gerust over alles spreken wat u wil.
DINA. Dan zal ik het u zeggen: ik ben niet zooals andere jonge meisjes; er is iets ... er is iets bizonders met mij. Daarom moet u het niet doen.
JOHAN. Daar begrijp ik heelemaal niets van. U heeft toch niets misdaan?
DINA. Neen, ik niet, maar ... ik kan er niets meer van zeggen. U komt het wel te weten door de anderen.
JOHAN. Hm.
DINA. Maar er was nog iets anders dat ik u graag vragen zou.
JOHAN. En wat is dat dan?
DINA. In Amerika is het immers zoo gemakkelijk om een betrekking te krijgen?
JOHAN. Nou, zoo heel gemakkelijk is het nu altijd niet; in het begin moet je dikwijls heel wat uitstaan en hard werken.
DINA. Daar zou ik ook niet tegen opzien....
JOHAN. U?
DINA. Ik kan wel werken; ik ben gezond en sterk, en tante Martha heeft mij van alles geleerd.
JOHAN. Maar, wat drommel, ga dan met ons mee!
DINA. Och, nu maakt u maar gekheid; dat heeft u tegen Olaf ook gezegd. Maar wat ik eigenlijk wilde weten is, of de menschen daarginder erg ... erg braaf zijn?
JOHAN. Braaf?
DINA. Ja, ik bedoel of ze ook zoo fatsoenlijk en in den vorm zijn, als hier?
JOHAN. Nou, ze zijn in elk geval niet zoo slecht als ze hier denken. Daar hoeft u niet bang voor te zijn.
DINA. U begrijpt mij niet. Ik zou juist willen dat ze niet zoo fatsoenlijk en braaf waren.
JOHAN. Niet? En hoe moeten ze dan zijn?
DINA. Ik zou willen dat ze natuurlijk waren.
JOHAN. Jawel, jawel, dat zijn ze misschien juist wel.
DINA. Dan zou het goed voor mij zijn om er heen te gaan.
JOHAN. Welzeker, en daarom moet u met ons meegaan.
DINA. Neen, met u ga ik niet mee; ik moet alleen gaan. O, ik zou het nog wel tot iets kunnen brengen; ik zou wel flink worden....
BERNICK (_beneden aan de tuintrap bij de beide dames_). Blijf maar, blijf; ik zal het wel halen, Betty-lief. Je zoudt licht kou kunnen vatten. (_Hij komt de kamer binnen en zoekt naar een châle_).
MEVR. BERNICK (_in den tuin_). Jij moet ook meegaan, Johan. Wij gaan naar de grot.
BERNICK. Neen, Johan moet nu eens hier blijven! Hier, Dina, neem jij de châle mee van mijn vrouw en ga met haar meer. Johan blijft bij mij, Betty-lief. Ik moet nog eens het een-en-ander hooren over de toestanden daarginder.
MEVR. BERNICK. Goed! Maar kom gauw weer bij ons; je weet waar wij te vinden zijn. (_Mevr. Bernick, Lona en Dina gaan door den tuin links af_).
BERNICK (_kijkt hen een oogenblik na, gaat dan de verste deur links sluiten; dan gaat hij naar Johan toe, grijpt zijn beide handen die hij schudt en drukt_). Johan, nu zijn wij alleen: laat mij je nu eens danken.
JOHAN. Ach wat!
BERNICK. Mijn huis en haard, mijn huiselijk geluk, mijn heele positie in de maatschappij ... heb ik aan jou te danken.
JOHAN. Wel, dat doet mij plezier, beste Karsten, dan is er toch nog iets goeds uit die gekke geschiedenis voortgekomen.
BERNICK (_schudt hem opnieuw de hand_). Toch dank, dank, en nogmaals dank! Niet één uit de tienduizend zou gedaan hebben wat jij toen voor mij deedt.
JOHAN. 't Is ook wat! Waren we niet allebei jong en loszinnig? Een van ons beiden moest de schuld toch op zich nemen....
BERNICK. Maar wie was daar nader aan toe dan de schuldige zelf?
JOHAN. Stop! Toen was de onschuldige er nader aan toe. Ik was immers heelemaal vrij en ouderloos. En 't was een waar geluk om van die kantoor-slavernij af te komen. Maar jij hadt je oude moeder nog, en daarbij was je net stil geëngageerd met Betty, die zoo veel van je hield. Wat zou ze begonnen hebben als ze te weten was gekomen...?
BERNICK. Zeker ... zeker ... alles waar, maar....
JOHAN. En was het niet juist om Betty dat je een eind ging maken aan dat scharrelpartijtje met madam Dorf? 't Was immers daarom dat je bij haar boven was dien avond....
BERNICK. Ja, die onzalige avond, toen die dronken kerel thuiskwam...! Ja, Johan, dat was om Betty; maar toch ... dat je zoo grootmoedig den schijn tegen je zelf keerde en weg ging....
JOHAN. Heb maar geen gewetensbezwaren, beste kerel. We waren het er immers over eens dat het zoo zijn zou; je _moest_ gered worden, en je was immers mijn vriend. Ja, op die vriendschap was ik wat trotsch! Ik liep hier rond als een gewoon huisbakken inlander; en toen kwam jij terug, elegant en voornaam, van je groote buitenlandsche reis. Je was in Parijs en in Londen geweest. En toen koos je mij tot intiemen vriend, hoewel ik vier jaar jonger was dan jij;... nou ja, dat was omdat jij Betty het hof maakte, dat begrijp ik nu wel. Maar wat was ik daar trotsch op! En wie zou dat niet geweest zijn? Wie zou zich niet graag voor je opgeofferd hebben; vooral omdat er toch niet meer aan vast was dan een maand lang wat kletspraatjes in de stad, en ik meteen de wijde wereld kon intrekken.
BERNICK. Hm; mijn beste Johan, ik moet je eerlijk zeggen, dat die geschiedenis nog niet zoo heelemaal vergeten is.
JOHAN. Zoo? Niet? Nou wat raakt mij dat, als ik weer daarginder op mijn farm zit....
BERNICK. Dus je gaat weer terug?
JOHAN. Ja, stellig.
BERNICK. Maar toch niet zoo heel gauw, hoop ik?
JOHAN. Zoo gauw mogelijk. Ik ben alleen maar meegekomen om Lona plezier te doen.
BERNICK. Zoo? Om Lona?
JOHAN. Ja, zie je, Lona is niet jong meer, en in den laatsten tijd begon het verlangen naar haar eigen land haar te kwellen; maar zij wou het nooit bekennen. (_Glimlachend_). Hoe zou zij zoo'n lichtzinnig wezen durven achterlaten, dat zich, toen hij negentien jaar oud was al had afgegeven met....
BERNICK. En...?
JOHAN. Ja, Karsten, nu moet ik je iets biechten, waarover ik me schaam.
BERNICK. Je hebt haar toch niet verteld hoe de zaak in elkaar zit?
JOHAN. Ja, dat heb ik wel. Het was verkeerd van mij maar ik kon niet anders. Je kunt je niet voorstellen wat Lona voor mij geweest is. Jij hebt haar nooit goed kunnen uitstaan, maar voor mij is ze als een moeder geweest. In de eerste jaren, toen wij het zoo spaansch hadden daarginder, wat heeft ze toen niet gewerkt. En toen ik langen tijd ziek lag en niets kon verdienen, en het ook niet kon verhinderen, toen is zij liederen gaan zingen in café's, voordrachten gaan houden, waar de menschen om lachten; en toen heeft ze een boek geschreven waar zij naderhand om gelachen en geschreid heeft,... allemaal om mij in leven te houden. Daarom kon ik het niet langer aanzien hoe zij van den winter verteerde van heimwee, zij, die gezwoegd en geslaafd had voor mij! Neen, dat kon ik niet, Karsten. En daarom zei ik: ga terug Lona, je hoeft voor mij niet bang te zijn; ik ben niet zoo lichtzinnig als je denkt. En zoo ... zoo kwam zij het te weten.
BERNICK. En hoe nam zij het op?
JOHAN. Nou, ze vond, wat ook waar was, dat als ik wist niets misdaan te hebben, ik er ook niets tegen hebben kon de reis mee te maken. Maar wees gerust, Lona verklapt niets, en ik zal ook nu wel weer mijn mond houden.
BERNICK. Ja ... ja ... daar vertrouw ik ook op.
JOHAN. Daar heb je mijn hand er op. En nu zullen wij niet meer spreken over die oude geschiedenis; gelukkig is dat de eenige dolle streek, zoover ik weet, die een van ons heeft uitgehaald. Nu wil ik van de enkele dagen dat ik hier ben ten volle genieten. Je weet niet wat een heerlijke wandeling wij van morgen gemaakt hebben. Wie zou gedacht hebben dat die kleine dreumes, die hier rondliep en voor engeltje speelde op het tooneel...! Maar zeg toch eens,... hoe is het toen verder met haar ouders afgeloopen?
BERNICK. Och, ik weet er niet meer van te vertellen dan ik je schreef kort nadat je weg was. Je hebt immers die twee brieven wel gekregen?
JOHAN. Jawel; jawel; ik heb ze nog allebei. Die dronkenlap liep immers van haar weg?
BERNICK. En is later in de jenever gestikt.
JOHAN. Zij stierf immers ook kort daarop? Maar jij hebt zeker alles voor haar gedaan wat je in stilte doen kon?
BERNICK. Zij was trotsch; zij heeft nooit iets verraden en ze wilde niets aannemen.
JOHAN. 't Is in elke geval goed dat je Dina in huis genomen hebt.
BERNICK. Ja, maar het is eigenlijk Martha geweest die dat heeft doorgedreven.
JOHAN. Zoo was dat Martha's werk? Ja, Martha ... dat is waar ook ... waar zit die toch van daag?
BERNICK. O, _die_,... als die niet aan 't les geven is op school, dan is ze bij haar zieken.
JOHAN. Dus Martha heeft zich met haar bezig gehouden.
BERNICK. Ja, Martha heeft altijd een zeker zwakje gehad voor alles wat opvoeding is. Daarom heeft zij ook een betrekking aan de volksschool aangenomen. Dat was een groote dwaasheid van haar.
JOHAN. Ja, zij zag er gisteren erg vermoeid uit; ik vrees ook dat zij daarvoor niet sterk genoeg is.
BERNICK. Och, wat haar gezondheid betreft zou het wel gaan. Maar het is onaangenaam voor _mij_; 't staat net of ik, haar broer, geen lust heb om haar te onderhouden.
JOHAN. Te onderhouden? Ik dacht dat zij zelf geld genoeg had om....
BERNICK. Geen cent. Je herinnert je nog wel wat voor een benauwde tijd het was voor moeder toen jij weg ging. Zij hield het toen met mijn hulp nog wel een tijdlang vol; maar dat kon op den duur toch zoo niet gaan. Daarom liet ik mij in de firma opnemen; maar zoo ging het toen ook alweer niet. Ik moest dus de heele zaak overnemen, en toen wij onze balans opmaakten, bleek het dat er van het aandeel van mijn moeder zoo goed als niets overbleef. Toen moeder kort daarna overleed, was er natuurlijk ook voor Martha niets.
JOHAN. Die arme Martha!
BERNICK. Arme? Waarom? Je denkt toch niet dat zij iets te kort komt? O neen, ik durf gerust zeggen dat ik een goede broer ben. Zij woont natuurlijk bij ons in en eet aan onze tafel; van hetgeen zij verdient kan zij ruim zich kleeden, en een vrouw alleen ... wat zal die met meer uitvoeren?
JOHAN. Hm; in Amerika denken wij daar anders over.
BERNICK. Ja, dat geloof ik wel; in zoo'n vrijgevochten maatschappij als de Amerikaansche. Maar hier, in ons kleine kringetje, waar Goddank de verdorvenheid tot op heden althans, nog niet is binnengedrongen, hier stellen de vrouwen zich er mee tevreden een gepaste, al is het dan ook een bescheiden plaats in te nemen. Het is bovendien Martha's eigen schuld; zij had waarachtig al lang bezorgd kunnen zijn, als zij maar gewild had.
JOHAN. Je bedoelt dat zij had kunnen trouwen?
BERNICK. Ja, zij had zelfs meer dan eens een heel goede partij kunnen doen; zij heeft verscheidene goede aanzoeken gehad. Merkwaardig genoeg; een onbemiddeld meisje, niet jong meer, en daarbij hoogst onbeduidend.
JOHAN. Onbeduidend?
BERNICK. Nou, ik maak er haar geen verwijt van. Ik verlang haar niet anders dan ze is. Je begrijpt, in een groot huis als het onze, is het altijd gemakkelijk zoo'n eenvoudig persoontje te hebben die je voor alles gebruiken kunt.
JOHAN. Jawel, maar zij...?
BERNICK. Zij? Hoe dat?... Nu ja, zij heeft natuurlijk ook wel wat om zich voor te interesseren. Zij heeft mij toch, en Betty en Olaf en mij. Een mensch moet niet altijd in de eerste plaats aan zich zelf denken, en allerminst een vrouw. Wij hebben toch allemaal een kleinere of grootere maatschappij om te steunen en voor te werken. Zoo doe _ik_ althans (_wijst naar Krap, die van rechts komt_). Daar heb je net het bewijs voor mijn stelling. Denk je dat het mijn eigen zaken zijn die mij in beslag nemen? Volstrekt niet. (_Snel tegen Krap_). Wel?
KRAP (_zacht, laat een pak papieren zien_). Alle koopcontracten in orde.
BERNICK. Prachtig! Uitmuntend!... Ja, beste jongen, nu moet je mij heusch voor een poosje excuseeren. (_Gedempt en met een handdruk_). Dank, dank, Johan; en wees er van overtuigd, dat ik alles, waarmee ik je van dienst kan zijn,... nu, je begrijpt mij wel.... Kom, mijnheer Krap. (_Zij gaan Bernick's kamer binnen_).
JOHAN (_kijkt hen een poos na_). Hm.... (_hij wil den tuin ingaan. Op hetzelfde oogenblik komt Martha met een mandje aan haar arm van rechts_).
JOHAN. Kijk eens aan, Martha!
MARTHA. O ... Johan ... ben jij het?
JOHAN. Ook al zoo vroeg op het pad?
MARTHA. Ja. Wacht maar even, als je wilt; de anderen zullen wel dadelijk komen. (_Wil naar links weggaan_).
JOHAN. Hoor eens, Martha, heb je altijd zoo'n haast?
MARTHA. Ik?
JOHAN. Gisteren liep je ook al weg, zoodat ik geen woord met je kon praten, en van daag....
MARTHA. Ja, maar....
JOHAN. Vroeger waren wij toch altijd bij elkaar, wij twee oude speelkameraden.
MARTHA. Och, Johan, dat is zoo heel, heel lang geleden.
JOHAN. Wel, het is op den kop af vijftien jaar geleden, niet meer en niet minder. Vindt je soms dat ik zoo erg veranderd ben?
MARTHA. Jij? O ja, jij ook, hoewel....
JOHAN. Nou wat?
MARTHA. Och ... niets.
JOHAN. Je schijnt niet erg blij te zijn om me terug te zien.
MARTHA. Je heb zoo lang gewacht ... _te_ lang.
JOHAN. Gewacht? Dat ik terugkomen zou?
MARTHA. Ja.
JOHAN. En waarvoor dacht je dat ik terugkomen zou?
MARTHA. Om goed te maken wat je misdaan hebt.
JOHAN. Ik?
MARTHA. Heb je vergeten dat er een vrouw in ellende en schande gestorven is door jouw schuld? Heb je vergeten, dat door jouw schuld de beste jaren van een opgroeiend meisje vergald werden?
JOHAN. En dat moet ik van jou hooren? Martha, heeft je broer dan nooit...?
MARTHA. Wat?
JOHAN. Heeft hij nooit...; nu ja, ik bedoel, heeft hij nooit zooveel als een woord tot mijn verontschuldiging gezegd?
MARTHA. Och, Johan, je kent immers Karsten's strenge principes wel.
JOHAN. Hum..., ja zeker, zeker ken ik de strenge principes van mijn ouden vriend Karsten wel.... Maar dat is toch...! Wel!... Ik sprak zoo even met hem. Ik vind dat hij opvallend veranderd is.
MARTHA. Hoe kan je dat zeggen? Karsten is toch altijd zoo'n uitstekend mensch geweest.
JOHAN. Zoo was het eigenlijk niet bedoeld; maar dat doet er niet toe. Hm; nu begrijp ik pas in welk licht je mij gezien hebt; je hebt gewacht en uitgekeken naar de terugkomst van den verloren zoon.
MARTHA. Johan, ik zal je zeggen in welk licht ik je gezien heb (_wijst naar den tuin_). Zie je haar, die daarginder in het gras met Olaf speelt? Dat is Dina. Herinner je je nog dien verwarde brief dien je mij schreef toen je weg ging? Je schreef dat ik in je gelooven moest. Ik heb in je geloofd, Johan. Al die slechte dingen die later van je verteld werden, moeten in de verwarring, zonder nadenken, zonder overleg gebeurd zijn....
JOHAN. Wat voor dingen bedoel je?
MARTHA. Och, je begrijpt mij heel goed;... daarover praat ik niet meer. Maar je moest immers weg, van voren af aan beginnen, een nieuw leven. Zie je, Johan, ik ben je plaatsvervangster hier geweest, ik, je oude speelkameraad. De plichten die jij hier verzuimde te vervullen, of niet vervullen kon, die heb ik op mij genomen en voor je vervuld. Ik vertel je dit omdat je je ook niet dàt nog te verwijten zoudt hebben. Voor het arme, verongelijkte kind, ben ik een moeder geweest; ik heb haar opgevoed zoo goed als ik kon....
JOHAN. En je heele leven daaraan verspild....
MARTHA. Dat is niet verspild. Maar je bent laat gekomen, Johan.
JOHAN. Martha ... als ik je alles zeggen kon.... Wel, laat ik je in elk geval danken voor je trouwe vriendschap.
MARTHA (_met een droevig lachje_). Hm.... Zoo, nu heb ik ten minste gezegd wat ik op 't hart had. Sst; daar komt iemand. Adieu; ik kan nu niet.... (_zij gaat weg door de verste deur links. Lona Hessel komt uit den tuin, gevolgd door Mevr. Bernick_).
MEVR. BERNICK (_nog in den tuin_). Maar om 's hemels wil, Lona, wat verzin je toch!
LONA. Laat mij toch maar begaan; ik wil en moet met hem spreken.
MEVR. BERNICK. Maar dat zou toch het grootst mogelijke schandaal geven! O Johan, ben jij daar nog?
LONA. Maak dat je wegkomt, jongen; blijf niet hier in de kameratmosfeer omhangen; ga den tuin in en praat een beetje met Dina.
JOHAN. Dat was ik juist van plan.
MEVR. BERNICK. Maar....
LONA. Hoor eens, Johan, heb je Dina al eens goed aangekeken?
JOHAN. Ik geloof van ja.
LONA. Je moet haar maar eens heel nauwkeurig opnemen, jongen. Dàt zou iets voor jou zijn!
MEVR. BERNICK. Maar Lona!
JOHAN. Iets voor mij?
LONA. Ja, om naar te kijken, meen ik. Ga nu maar!
JOHAN. Maar al te graag! (_hij gaat den tuin in_).
MEVR. BERNICK. Lona, ik sta verstomd over je. Dit kan je toch onmogelijk ernst zijn.
LONA. Ja waarachtig is het mij ernst. Is zij niet frisch en gezond en braaf? Zij is net een vrouw voor Johan. Zoo een heeft hij daarginder net noodig; dat zal wat anders zijn dan een oude stiefzuster!
MEVR. BERNICK. Dina! Dina Dorf! Denk toch eens aan!...
LONA. Ik denk in de eerste plaats aan het geluk van mijn jongen. Want hem een beetje helpen moet ik wel; zelf is hij niet heel handig in zulke dingen; voor meisjes en vrouwen heeft hij nooit veel oog gehad.
MEVR. BERNICK. Hij niet? Johan! Nou, mij dunkt dat wij van het tegendeel de treurige bewijzen wel gehad hebben....
LONA. Naar den drommel met die malle geschiedenis! waar is Bernick? Ik moet hem spreken.
MEVR. BERNICK. Lona, je doet het niet, zeg ik je!
LONA. Ik doe het wèl. Heeft de jongen zin in haar ... en zij in hem ... dan zullen ze elkaar krijgen ook. Bernick is immers zoo'n knappe man; die moet dan maar een uitweg vinden....
MEVR. BERNICK. En geloof je dat zulke Amerikaansche onwelvoegelijkheden hier geduld zullen worden....
LONA. Leuterpraat, Betty.
MEVR. BERNICK. ... dat een man als Karsten, met zijn streng moreele begrippen....
LONA. Och wat! Die zullen wel zoo overdreven streng niet zijn.
MEVR. BERNICK. Wat durf je daar te zeggen?
LONA. Ik durf zeggen dat Bernick wel niet zooveel braver zal zijn dan andere mannen.
MEVR. BERNICK. Zoo diep zit dus de haat nog in je! Maar wat wil je dan toch eigenlijk hier, als je nooit hebt kunnen vergeten dat...? Ik begrijp niet dat je hem onder de oogen durfde komen na de schandelijke beleediging die je hem hebt aangedaan.
LONA. Ja, Betty, toen heb ik mij leelijk vergaloppeerd.
MEVR. BERNICK. En hoe grootmoedig heeft hij het je niet vergeven, hij, die toch nooit iets misdaan had! Want hij kon toch niet helpen dat jij je hier illusies gemaakt hadt. Maar sinds dien tijd heb je ook een hekel aan mij. (_Begint te schreien_). Je hebt mij mijn geluk nooit gegund. En nu kom je hier om mij al die narigheid te bezorgen ... om de heele stad te laten zien in wat voor een familie ik Karsten gebracht heb. Ik zal er op aangezien worden, en dat is het juist wat je wilt. O, het is afschuwelijk van je! (_Ze gaat schreiend weg door de verste deur links_).
LONA (_haar nakijkend_). Arme Betty! (_Bernick komt uit zijn kamer_).
BERNICK (_nog in de deur_). Ja, ja, dat is best mijnheer Krap; dat is uitstekend. Stuur vierhonderd kronen voor voedsel voor de armen. (_keert zich om_). Lona! (_dichterbij_). Ben je alleen? Komt Betty niet hier?
LONA. Neen. Zal ik haar soms gaan halen?
BERNICK. Neen, neen, neen, niet doen! O Lona, je weet niet hoe ik er naar verlangd heb eens openhartig met je te praten ... om je vergeving af te smeeken.
LONA. Hoor eens, Karsten, laat ons niet sentimenteel worden; dat staat ons niet.
BERNICK. Je _moet_ mij aanhooren, Lona. Ik weet wel hoezeer de schijn tegen mij is, nu je gehoord hebt van die zaak met Dina's moeder. Maar ik zweer je, dat het maar een korte opwinding geweest is; ik heb ééns heusch eerlijk en oprecht van je gehouden.
LONA. Waarvoor denk je dat ik teruggekomen ben?
BERNICK. Wat je ook van plan bent, ik smeek je niets te ondernemen vóór ik mij gerechtvaardigd heb. Ik kan het, Lona, ik kan mij in elk geval verontschuldigen.
LONA. Nu ben je bang.... Je hebt eens van mij gehouden, zeg je. Ja, dat heb je me dikwijls genoeg verzekerd in je brieven; en misschien was het ook wel waar ... in zekeren zin ... zoolang je nog daarginder in een ruimer en vrijer wereld leefde, die je den moed gaf zelf vrij en ruim te denken. Je vondt misschien bij mij meer karakter en eigen wil en zelfstandigheid, dan bij de meesten hier. En dan was het ook een geheim tusschen ons beiden; niemand kon je uitlachen over je slechten smaak.
BERNICK. Lona, hoe kan je toch denken...?
LONA. Maar toen je terugkwam, toen je allerlei spotternijen hoorde, die als hagel op me neervielen, toen je hoorde hoe er gelachen werd over alles wat ze hier mijn dwaasheden noemden....
BERNICK. Maar je wàs toen ook erg excentriek.
LONA. Toch voornamelijk om al die stijve harken te ergeren, die in pantalons en rokken door de stad slenterden. En toen je dan die jonge verleidelijke actrice ontmoette....
BERNICK. Het was een kwajongensstreek ... anders niets; ik zweer dat er geen tiende deel waar was van al de praatjes en den laster die in omloop waren.
LONA. 't Kan zijn; maar toen nu Betty thuis kwam, mooi, bloeiend, door allen vergood ... en het bekend werd dat zij het heele fortuin van tante erven zou, en ik niets zou krijgen....
BERNICK. Ja, dat is nu juist de zaak, Lona; en nu zal je ook alles zonder omwegen hooren. Ik had Betty toen niet lief. Ik maakte het niet af met jou om een nieuwe verliefdheid. Ronduit gezegd, het was om het geld. Ik was er toe gedwongen; ik _moest_ dat geld hebben.
LONA. En dat zeg je mij zoo maar vlak in mijn gezicht?
BERNICK. Ja, dat doe ik. Luister eens, Lona....
LONA. En toch schreef je mij dat een onoverwinnelijke liefde voor Betty zich meester van je gemaakt had, deed je een beroep op mijn grootmoedigheid, bezwoer je mij ter wille van Betty te zwijgen over wat er tusschen ons geweest was....
BERNICK. Ik _moest_ het wel doen, zeg ik je immers.
LONA. Nou, dan weet de hemel dat ik er geen berouw van heb dat ik mij toen zoo vergaloppeerde.
BERNICK. Laat ik je eens koel en kalm vertellen hoe de toestand was in die dagen. Mijn moeder stond, zooals je je herinnert, aan het hoofd van de zaak; maar zij had absoluut geen verstand van zaken. Ik werd haastig teruggeroepen uit Parijs; de tijden waren kritiek; ik moest de zaak weer op de been helpen. Wat vond ik? Ik vond, wat natuurlijk diep geheim gehouden moest worden, een zoo goed als geruïneerd huis. Ja, het was zoo goed als geruïneerd, dit oude aanzienlijke huis, dat al sedert drie geslachten had bestaan. Wat had ik, de zoon, de éénige zoon, anders te doen dan òm te zien naar een reddingsmiddel?
LONA. En zoo redde je het huis Bernick ten koste van een vrouw.
BERNICK. Je weet wel dat Betty van mij hield.
LONA. Maar ik dan?
BERNICK. Geloof mij ... Lona ... je zoudt met mij nooit gelukkig geworden zijn.
LONA. Was het uit bezorgdheid voor mijn geluk dat je mij losliet?
BERNICK. Denk je soms dat ik uit egoïsme handelde zoo als ik het deed? Als ik toen alleen gestaan had, dan zou ik flink en moedig van voren af aan begonnen zijn. Maar je hebt geen idee hoe een zakenman, onder den druk van een onmogelijke zware verantwoordelijkheid, samengroeit met de zaak die hij erft. Weet je wel dat het wèl en wee van honderden, ja duizenden, van hem afhangt? En bedenk je wel dat de heele maatschappij, die wij allebei ons thuis noemen, op de gevoeligste manier de gevolgen van den val van het huis Bernick zou ondervonden hebben?
LONA. En is het ook ter wille van de maatschappij dat je al vijftien jaar lang die leugen volgehouden hebt?
BERNICK. Die leugen?
LONA. Wat weet Betty van alles, wat te grond ligt aan je vereeniging met haar, en daaraan vooraf ging?