Chapter 7
LONA (_hardop lachend_). Hahaha! Ben je niet wijs, zwager? Denk je dat ik bij de kunstrijders hoor? Neen; ik heb wel allerlei kunsten uitgehaald en mij dikwijls gek aangesteld....
MEVR. RUMMEL. Hm....
LONA. ... maar kunststukken op een paard heb ik nooit vertoond.
BERNICK. Dus toch niet....
MEVR. BERNICK. O, goddank!
LONA. Neen, wij reisden heusch net als andere fatsoenlijke menschen ... wel tweede klasse, maar dat zijn wij gewend.
MEVR. BERNICK. _Wij_, zeg je?
BERNICK (_een stap naderbij_). Wie "wij"?
LONA. Ik en mijn kind, natuurlijk.
DE DAMES (_verschrikt_). Haar kind!
HILMAR. Wat!
RÖRLUND. Nu, ik moet zeggen...!
MEVR. BERNICK. Wat bedoel je toch, Lona?
LONA. Ik bedoel natuurlijk John; ik heb geen ander kind dan John, zoover ik weet,... of Johan, zooals jullie hem noemden....
MEVR. BERNICK. Johan...!
MEVR. RUMMEL (_zachtjes tegen mevr. Lynge_). De beruchte broer!
BERNICK (_weifelend_). Is Johan bij je?
LONA. Zeker, zeker; ik reis nooit zonder hem. Maar jullie ziet er zoo bedrukt uit. En je zit hier in 't halfdonker en naait aan iets wits.... Er is toch geen sterfgeval in de familie?
RÖRLUND. Mejuffrouw, u bevindt zich hier in de "Vereeniging voor moreel Verdorvenen"....
LONA (_halfluid_). Wat zegt u? Deze nette deftige dames zouden...?
MEVR. RUMMEL. Neen ... daar is nu toch het eind van weg....
LONA. Och zoo, ja! Begrepen ... begrepen! Maar wat drommel, dat is mevrouw Rummel! En daar ginds zit mevrouw Holt ook! Nou, we zijn er alle drie niet jonger op geworden sedert wij elkaar het laatst gezien hebben. Maar luistert nu eens, lieve menschen, laat nu de moreel-verdorvenen een dagje wachten; daar worden zij niet slechter van. Een oogenblik van vreugde als dit....
RÖRLUND. Een terugkeer is niet altijd een oogenblik van vreugde.
LONA. Zoo? Wat leest u dan in uw Bijbel, dominee?
RÖRLUND. Ik ben geen dominee.
LONA. Nou, dan wordt u 't toch zeker wel eens.... Maar foei, foei,... dat moreele linnengoed heeft zoo'n lucht van bederf ... precies een lijkwâ. Ik ben gewend aan de lucht van de prairieën zal ik je maar zeggen.
BERNICK (_veegt zijn voorhoofd af_). Ja, 't is hier waarlijk een beetje bedompt.
LONA. Wacht maar; we zullen wel uit dien grafkelder naar boven zien te komen. (_Trekt de gordijnen open_). Het volle daglicht moet hier invallen als de jongen komt. Dan zal je eens een jongen zien die zich gewasschen heeft.
HILMAR. Oeh!
LONA (_zet deur en ramen open_) ... ja, dat is te zeggen, wanneer hij zich gewasschen zal hebben in het hôtel. Want op de boot werd hij zoo smerig als een varken.
HILMAR. Oeh! Oeh!
LONA. Oeh? Ja, waarachtig, is dat niet...? (_wijst op Hilmar en vraagt aan de anderen_). Boemelt hij nog altijd hier rond zonder iets anders te doen dan oeh! te zeggen?
HILMAR. Ik boemel niet rond; ik moet beweging nemen omdat ik lijdend ben.
RÖRLUND. Nu dames, ik geloof niet....
LONA (_die Olaf in het oog gekregen heeft_). Is dat jouw jongen, Betty?... Geef mij een poot, vent! Of ben je misschien bang voor je oude leelijke tante?
RÖRLUND (_zijn boek onder den arm nemend_). Dames, ik geloof niet, dat er meer stemming is voor ons, om verder te arbeiden van daag. Maar morgen zullen wij immers weer samenkomen?
LONA (_terwijl de vreemde dames opstaan om afscheid te nemen_). Wel ja, laat ons dat doen. Ik zal present zijn.
RÖRLUND. _U_? Met verlof, juffrouw, wat wil _u_ in _onze_ vereeniging?
LONA. Ik wil een beetje versche lucht binnen laten, dominee.
EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF.
[Illustratie: De Heer C. de Vos als consul Bernick in De steunpilaren der Maatschappij]
* * * * *
TWEEDE BEDRIJF
Tuinkamer in Consul Bernick's huis.
Mevrouw Bernick zit alleen aan de groote tafel met haar naaiwerk. Even later komt de heer Bernick van rechts met zijn hoed op het hoofd; handschoenen en stok in de hand.
* * * * *
MEVR. BERNICK. Zoo, ben je al terug, Karsten?
BERNICK. Ja, ik heb iemand ontboden.
MEVR. BERNICK (_zuchtend_). Och ja, Johan zal zeker wel weer hier komen.
BERNICK. 't Is een man, zeg ik. (_zet zijn hoed af_). Waar blijven al de dames van daag?
MEVR. BERNICK. Mevrouw Rummel en Hilda hadden geen tijd.
BERNICK. Zoo? Afgezegd?
MEVR. BERNICK. Ja, ze hadden thuis zooveel te doen.
BERNICK. Begrepen. En de anderen komen natuurlijk ook niet?
MEVR. BERNICK. Neen, die hebben ook verhindering van daag.
BERNICK. Dat had ik je wel vooruit kunnen vertellen. Waar is Olaf?
MEVR. BERNICK. Ik heb hem een beetje met Dina laten uitgaan.
BERNICK. Hm; Dina, dat lichtzinnige schepsel.... Om het gisteren dadelijk zoo druk aan te leggen met Johan...!
MEVR. BERNICK. Maar, man-lief, Dina weet immers heelemaal niet....
BERNICK. Nou, maar dan moest Johan in elk geval takt genoeg gehad hebben om geen bizondere notitie van haar te nemen. Ik zag heel goed wat voor oogen Vigeland opzette.
MEVR. BERNICK (_met haar naaiwerk op haar schoot_). Karsten, begrijp jij wat ze hier eigenlijk komen doen?
BERNICK. Hm; hij heeft immers daarginder een "farm", waar het nog niet zoo heel goed mee gaat; en _zij_ vertelde gisteren dat zij tweede klasse reizen moeten....
MEVR. BERNICK. Ja, helaas, zoo iets moet het wel zijn. Maar dat _zij_ meegekomen is! Zij! Na de doodelijke beleediging die zij je heeft aangedaan....
BERNICK. Och, denk toch niet meer aan die oude geschiedenissen.
MEVR. BERNICK. Hoe kan ik tegenwoordig aan iets anders denken? Hij is toch mijn broer;... och, het is niet om hèm, maar al de onaangenaamheden die jij daardoor ondervinden kunt.... Karsten, ik ben zoo doodelijk bang dat....
BERNICK. Waarvoor ben je bang?
MEVR. BERNICK. Kunnen zij hem niet in de gevangenis zetten, voor het geld dat je moeder ontstolen werd?
BERNICK. Och wat, malligheid! Wie kan bewijzen dat er geld ontvreemd werd?
MEVR. BERNICK. Och God, dat weet immers de heele stad; en je hebt het zelf gezegd....
BERNICK. Ik heb niets gezegd. De stad weet niets van die zaken af; dat waren allemaal maar losse praatjes.
MEVR. BERNICK. O wat sta jij toch hoog, Karsten!
BERNICK. Laat die oude herinneringen toch rusten, zeg ik je! Je weet niet hoe je me pijnigt met dat alles weer op te halen (_hij loopt op en neer in de kamer ... dan gooit hij zijn stok weg_). Dat ze juist nù moesten terugkomen ... nu ik juist in de stad en in de couranten een onvermengd zuivere stemming jegens mij noodig heb. Er zullen in de bladen van de omliggende plaatsen berichten over geschreven worden. Of ik hen goed of slecht opgenomen heb ... over het een zal net zooveel gekletst en geleuterd worden als over het ander. Ze zullen dien ouden boel weer oprakelen,... net als jij doet. In een wereldje als het onze ... (_gooit zijn handschoenen op de tafel_). En geen enkel mensch heb ik met wien ik praten kan of bij wien ik steun vinden kan.
MEVR. BERNICK. Heelemaal niemand, Karsten?
BERNICK. Neen ... ik zou niet weten wie. Dat ze mij nu juist op mijn dak gestuurd zijn! Het is buiten kwestie dat ze niet op de een of andere manier schandaal zullen maken ... vooral zij! 't Is me toch een ongeluk zulke menschen in je familie te hebben!
MEVR. BERNICK. Ik kan het toch niet helpen dat....
BERNICK. Wat kan je niet helpen? Dat ze familie van je zijn? Neen, dat is een heel waar woord.
MEVR. BERNICK. En ik heb hen ook niet verzocht om terug te komen.
BERNICK. Jawel! Daar hebben wij het! ik heb hen niet verzocht om terug te komen; ik heb hun niet geschreven; ik heb hen niet bij de haren hierheen gehaald...! O, dat heele liedje ken ik al van buiten!
MEVR. BERNICK (_barst in tranen uit_). Wat ben je vreeselijk onaardig!...
BERNICK. Juist, zoo is 't goed; ga nou maar grienen, dat de heele stad ook dáárover kletsen kan. Schei uit met die aanstellerij, Betty! Ga buiten zitten; hier kan licht iemand komen. Moeten ze soms mevrouw met rood-behuilde oogen zien zitten? Jawel, dat zou iets heerlijks zijn als het onder de menschen kwam dat.... Wacht, daar hoor ik iemand in de gang (_er wordt geklopt_). Binnen! (_Mevrouw gaat de tuintrap af met haar naaiwerk. Aune komt van rechts binnen_).
AUNE. Goeden dag, meneer Bernick.
BERNICK. Goeden dag. Wel, je kunt zeker wel nagaan wat ik je te zeggen heb, hè?
AUNE. Meneer Krap zei mij gisteren dat meneer de consul niet tevreden was over....
BERNICK. Ik ben ontevreden over den heelen toestand op de werf, Aune. Je schiet niets op met de reparaties. "De Palmboom" had al lang onder zeil moeten zijn. Mijnheer Vigeland komt hier iederen dag er over zaniken; hij is een lastige man om mee samen te werken.
AUNE. "De Palmboom" kan overmorgen in zee gaan.
BERNICK. Zoo, eindelijk. Maar die Amerikaan, de "Indian Girl," die hier nu al vijf weken ligt en....
AUNE. De Amerikaan? Ik had begrepen dat wij in de eerste plaats al onze krachten zouden wijden aan uw eigen schip.
BERNICK. Ik heb je toch geen aanleiding gegeven om dat te denken. Met den Amerikaan moet ook zooveel mogelijk voortgemaakt worden, maar dat gebeurt niet.
AUNE. De bodem van die schuit is door en door verrot, meneer; hoe meer wij er aan lappen, hoe erger het wordt.
BERNICK. Dat is niet de ware reden. Mijnheer Krap heeft mij gezegd wat de eigenlijke reden is. Je kunt niet overweg met de nieuwe machines die ik heb aangeschaft,... of liever, je _wilt_ er niet mee werken.
AUNE. Meneer Bernick, ik ben nu al diep in de vijftig; van jongsaf ben ik gewoon geweest op de oude manier te werken....
BERNICK. Daar kunnen wij het tegenwoordig niet meer mee doen. Je moet niet denken, Aune, dat het mij te doen is om het grootere voordeel; dat heb ik gelukkig niet noodig; maar ik moet rekening houden met de maatschappij waarin ik leef, en met de zaak waarvan ik aan het hoofd sta. 't Is van mij dat de vooruitgang moet uitgaan, anders komt er nooit iets tot stand.
AUNE. Ik ben ook zeer voor vooruitgang, meneer.
BERNICK. Ja, voor je eigen kleinen kring, voor den werkmansstand. O, ik ben wel op de hoogte van je drijven; je houdt toespraken; je stookt de menschen op; maar als het er op aan komt iets nieuws aan te pakken, zooals nu met onze machines, dan wil je er niet aan meedoen, dan wordt je bang.
AUNE. Ja, ik word nèt bang, meneer Bernick. Ik word bang voor velen wie de machines het brood uit den mond nemen. Meneer de consul spreekt zoo dikwijls van rekening houden met de maatschappij, maar ik geloof dat de maatschappij toch ook wel haar plichten heeft. Hoe durven de wetenschap en het kapitaal het wagen die nieuwe uitvindingen in te voeren, vóór de maatschappij een geslacht heeft opgekweekt dat ze weet te gebruiken?
BERNICK. Je leest en denkt te veel, Aune; dat doet je geen goed; daardoor wordt je ontevreden met je stand.
AUNE. Neen meneer, dat is het niet; maar ik kan het niet aanzien dat de eene brave werkman na den andere wordt weggezonden en broodeloos gemaakt om die machines.
BERNICK. Hm; toen de boekdrukkunst werd uitgevonden, werden er ook heel wat schrijvers broodeloos gemaakt.
AUNE. Zou meneer zich over die kunst zoo verheugd hebben, als hij toen een schrijver was geweest?
BERNICK. Ik heb je niet laten komen om met je te redetwisten. Ik heb je laten roepen om je te zeggen dat de in reparatie liggende "Indian Girl" klaar moet zijn om overmorgen uit te zeilen.
AUNE. Maar, meneer....
BERNICK. Overmorgen, hoor je, gelijk met ons eigen schip; geen uur later. Ik heb goede redenen om daar achter heen te zitten. Heb je van ochtend de courant gelezen? Zoo; dan weet je ook dat de Amerikanen weer opstootjes gemaakt hebben. Die bandelooze troep zet de heele stad overeind; er gaat geen nacht om dat er niet gevochten wordt in de herbergen en op straat; van andere gemeene dingen spreek ik nu maar niet.
AUNE. Ja, het is gemeen volk, dat is zeker.
BERNICK. En wie krijgt de schuld van dat alles? Ik natuurlijk. Ja, op mij wordt er over gescholden. De krantenschrijvers schimpen er in bedekte termen op, dat wij al onze werkkracht aan "de Palmboom" besteden. Ik, op wie de taak rust, door mijn voorbeeld invloed uit te oefenen op mijn medeburgers, ik moet mij zulke dingen onder den neus laten wrijven. Dat duld ik niet. Ik ben er niet van gediend dat mijn naam op die manier beklad wordt.
AUNE. O, meneer's naam is zoo best ... die kan daar wel tegen ... en nog wel tegen veel meer!
BERNICK. Nù niet. Juist tegenwoordig heb ik alle achting en welwillendheid, die mijn medeburgers mij schenken willen, zeer noodig. Ik heb, zooals je misschien al gehoord hebt, plannen voor een groote onderneming; maar gelukt het slecht-gezinde menschen het onbepaalde vertrouwen in mij aan het wankelen te brengen, dan kunnen daaruit voor mij de grootste moeilijkheden voortkomen. Daarom wil ik, het koste wat het wil, de kwaadaardige en lasterende krantenschrijvers geen vat op mij geven, en daarom heb ik de termijn op overmorgen bepaald.
AUNE. Meneer de consul, u zou evengoed de termijn op van middag kunnen bepalen.
BERNICK. Je bedoelt dat ik iets onmogelijks verlang?
AUNE. Ja, met het aantal werklui, waarover wij nu kunnen beschikken....
BERNICK. Goed ... best;... dan zullen wij ons van elders voorzien.
AUNE. Wil u waarlijk nog meer van onze oude werklui ontslaan?
BERNICK. Neen, daar denk ik niet over.
AUNE. Want ik geloof zeker dat het kwaad bloed zetten zou, zoowel in de stad als in de kranten, als u dat deed.
BERNICK. Dat 's niet onmogelijk. Daarom zullen wij het dan ook niet doen. Maar, als de "Indian Girl" overmorgen niet zeilklaar is, dan ontsla ik jou.
AUNE (_met een schok_). Mij! (_hij lacht_). Dat zeit meneer toch zeker maar voor de grap.
BERNICK. Daar zou ik maar niet te veel op vertrouwen, als ik jou was.
AUNE. Zou u er waarlijk over denken om _mij_ weg te zenden? Mij, terwijl mijn vader en mijn grootvader hun leven lang op de werf gediend hebben, en ik zelf ook....
BERNICK. En wie is het, die er mij toe noodzaakt?
AUNE. U verlangt het onmogelijke, meneer.
BERNICK. O, met wat goeden wil is niets onmogelijk. Ja of neen; geef mij een bepaald antwoord, of ik ontsla je op slag.
AUNE (_een stap nader_). Meneer de consul, heeft u goed bedacht wat het beteekent, een oud werkman te ontslaan? U denkt, dan moet hij maar wat anders zoeken. O ja, dat kan hij ook wel; maar is het daarmee afgedaan? U moest er eens bij zijn, in het huis van zoo'n weggestuurden werkman, als hij 's avonds thuiskomt en zijn gereedschapskist binnen zijn deur zet.
BERNICK. Denk je dat ik zoo maar luchthartig-weg laat gaan? Ben ik niet altijd een goede patroon geweest?
AUNE. Des te erger, meneer. Juist daarom zullen ze thuis niet _u_ de schuld geven; zij zullen er mij niet over aanspreken, want dat durven zij niet; maar ze zullen naar me kijken als ik het niet merk, en denken: dat zal zeker wel verdiend zijn. En ziet u, dàt,--dat kan ik niet verdragen. Al ben ik maar een burgerman, toch ben ik altijd gewend geweest thuis nommer één te zijn. Mijn eenvoudig thuis is ook een maatschappij in het klein, meneer. Die kleine maatschappij heb ik kunnen steunen en er boven op houden, omdat mijn vrouw in mij geloofde en mijn kinderen in mij geloofd hebben. En nu moet dat alles in duigen vallen.
BERNICK. Ja, als het niet anders kan, dan moet het mindere voor het meerdere wijken; het bizondere moet in Gods naam voor het algemeene opgeofferd worden. Anders weet ik je niet te antwoorden, en het gaat ook niet anders toe in de wereld. Maar je bent een koppige kerel, Aune! Je verzet je tegen mij, niet omdat je niet anders kunt, maar omdat je niet wilt erkennen, dat machinewerk boven handenarbeid staat.
AUNE. En u houdt er juist zoo aan vast, omdat u weet, dat u de pers althans uw goeden wil toont, als u mij weg jaagt.
BERNICK. En al was dat zoo? Je hoort immers wat er voor mij aan vast is ... of de pers mij aanvalt of welwillend voor mij gestemd wordt op een oogenblik dat ik voor een groote zaak van algemeen belang werkzaam ben. Zeg zelf: kan ik dan anders handelen dan ik doe? Ik kan je zeggen, het is een kwestie van òf jouw thuis staande te houden, zooals je het noemt, òf misschien honderden te beletten zich een eigen thuis te maken, een eigen haard te bezitten, indien het mij niet gelukt dàt door te zetten, waar ik nu voor werk. Daarom is het dat ik je voor de keus stel.
AUNE. Ja ... als de zaken zoo staan, dan heb ik niets meer te zeggen.
BERNICK. Hm;... mijn waarde Aune, het doet mij oprecht leed dat wij nu van elkaar moeten gaan.
AUNE. Wij zullen niet van elkaar gaan, meneer.
BERNICK. Hoezoo?
AUNE. Een eenvoudig man heeft ook iets hoog te houden in de wereld.
BERNICK. Zeker,... zeker...; en je denkt dus te kunnen beloven...?
AUNE. De "Indian Girl" kan overmorgen uitgaan.
(_Hij groet en gaat af naar rechts_).
BERNICK. Ziezoo! Dien stijfkop heb ik dan toch doen buigen. Dat neem ik als een goed voorteeken aan....
(_Hilmar, met een sigaar in den mond, komt door de tuindeur op_).
HILMAR (_op de trap_). Dag Betty! Dag Bernick!
MEVR. BERNICK. Goeden dag.
HILMAR. Zoo, jij hebt gehuild, zie ik. Je weet 't dus zeker al?
MEVR. BERNICK. Wàt weet ik al?
HILMAR. Dat het schandaal in vollen gang is? Oeh!
BERNICK. Wat beteekent dat?
HILMAR (_binnenkomend_). Jawel, de twee Amerikanen loopen de stad rond en vertoonen zich in de straten in gezelschap van Dina Dorf.
MEVR. BERNICK (_loopt hem na_). Maar Hilmar, dat kan toch niet waar zijn...?
HILMAR. Jawel, het is helaas volkomen waar. Lona was daarbij nog zoo taktloos om mij aan te roepen; maar ik deed natuurlijk alsof ik het niet hoorde.
BERNICK. En dat is zeker niet onopgemerkt gebeurd?
HILMAR. Neen, dat kan je begrijpen. De menschen stonden stil om hen na te kijken. 't Leek wel als een loopend vuurtje door de stad te zijn gegaan ... ongeveer zooals een brand in de prairieën in het verre Westen. In alle huizen stonden de menschen te wachten voor de ramen tot de optocht voorbij zou komen; hoofd aan hoofd achter de gordijnen ... oeh! Ja, je moet me niet kwalijk nemen, Betty, dat ik oeh! zeg, want dat alles maakt me zenuwachtig;... als dat nog lang duren moet, dan zal ik genoodzaakt zijn plannen te maken om een tijdlang op reis te gaan.
MEVR. BERNICK. Maar je hadt hem toch liever eens moeten toespreken en hem onder het oog brengen....
HILMAR. In 't publiek? Op straat? Neen ... dat moet je me niet kwalijk nemen. Maar dat die man zich hier nog in de stad durft vertoonen! Nou, we zullen eens zien of de pers er niet een stokje voor steken kan. Ja, neem me niet kwalijk, Betty, maar....
BERNICK. De pers, zeg je? Heb je dan al iets van dien aard gehoord?
HILMAR. Jawel, er hangt wel zoo iets in de lucht. Toen ik gisteren avond van je weg ging, liep ik nog even binnen in de societeit, om beter te kunnen slapen. Ik merkte best aan de stilte die ontstond, dat er over de twee Amerikanen gesproken was. Daar komt die onbeschaamde kerel, Hammer, de redacteur, binnen en feliciteert mij hardop met de terugkomst van mijn rijken neef.
BERNICK. Rijken...?
HILMAR. Ja, dat zei hij. Ik keek hem eens goed van onderen naar boven aan en gaf hem te verstaan dat ik niets wist van Johan Tönnesen's rijkdom. "Zoo," zei hij, "dat is toch vreemd; in Amerika maken de menschen toch gewoonlijk fortuin als zij iets hebben om mee te beginnen, en uw neef ging immers niet met lege handen weg."
BERNICK. Hm; doe mij nu een plezier....
MEVR. BERNICK (_bezorgd_). Nu, zie je toch eens Karsten....
HILMAR. Ja, mij heeft hij alvast een slapeloozen nacht bezorgd. En dan loopt hij daar door de straten met een gezicht alsof er nooit iets met hem gebeurd was. Waarom bleef hij nu maar niet voor goed weg? Sommige menschen zijn toch ook zoo onuitstaanbaar taai!
MEVR. BERNICK. Maar Hilmar, wat zeg je dáár nu!
HILMAR. O, niemendal. Maar zoo'n kerel ontkomt daar heelhuids aan treinongelukken, Californische beren en Zwart-Voet Indianen, ja is zelfs niet eens gescalpeerd.... Oeh! daar heb je ze!
BERNICK (_kijkt de straat op_). Olaf is er ook bij!
HILMAR. Ja natuurlijk; ze willen de menschen laten zien dat ze tot de eerste familie van de stad behooren. Kijk, kijk, daar komen al de dagdieven uit de apotheek om ze aan te gapen en het hunne er van te zeggen. Dat is heusch te veel voor mijn zenuwen; hoe een man onder zulke omstandigheden de vaan der idee hoog houden moet, dat....
BERNICK. Zij komen hier naar toe. Hoor eens Betty, het is mijn uitdrukkelijk verlangen dat je ze zoo vriendelijk mogelijk bejegent.
MEVR. BERNICK. Mag ik dat doen, Karsten?
BERNICK. Ja zeker; zeker; en jij ook, Hilmar. Zij zullen hier, hoop ik, niet zoo heel lang blijven; en als wij onder elkaar zijn geen toespelingen alsjeblieft; wij mogen hen op geen manier kwetsen.
MEVR. BERNICK. O Karsten, wat ben jij toch grootmoedig.
BERNICK. Nu ja ... nu ja ... 't is goed.
MEVR. BERNICK. Neen, laat mij je danken; en vergeef mij dat ik daar straks zoo driftig was. O, je hadt immers alle reden om....
BERNICK. 't Is goed; 't is goed ... laat dat nu maar rusten!
HILMAR. Oeh!
(_Johan Tönnesen en Dina, daar achter Lona Hessel en Olaf, komen den tuin door_).
LONA. Goeden dag, goeden dag, lieve menschen!
JOHAN. Wij zijn er op uit geweest en hebben al de oude plekjes eens opgezocht, Karsten.
BERNICK. Ja, dat hoor ik. Heel wat veranderingen, niet waar?
LONA. Consul Bernick's groote en goede daden overal. Wij zijn boven in het plantsoen geweest dat jij de stad cadeau gedaan hebt.
BERNICK. Zoo? Daar?
LONA. "Geschenk van Karsten Bernick," zooals er boven den ingang staat. Ja, jij bent hier wel de Groote Piet.
JOHAN. En prachtige schepen heb je ook. Ik ontmoette den kapitein van "de Palmboom", een ouden schoolkameraad van me....
LONA. En een nieuw schoolgebouw heb je ook laten zetten; en de gasleiding en ook de waterleiding hebben ze aan jou te danken, hoor ik.
BERNICK. Nu, men moet toch wàt doen voor de maatschappij waarin men leeft.
LONA. Ja, dat is flink, Bernick. Maar het is ook verblijdend om te zien hoe trotsch de menschen op je zijn. Ik ben niet ijdel, geloof ik; maar ik kon toch niet nalaten om sommige menschen met wie wij praatten, te laten hooren dat wij familie waren.
HILMAR. Oeh!
LONA. Zeg jij daar oeh! voor?
HILMAR. Neen, ik zeg hm....
LONA. Nou, ga jij je gang maar, sukkel! Maar ben jullie van daag zoo heel alleen?
MEVR. BERNICK. Ja, van daag zijn wij alleen.
LONA. O, we ontmoetten zoowaar een paar van die "moreelen" op de markt; zij deden of zij het ijselijk druk hadden. Maar we hebben nog heelemaal niet eens samen kunnen praten. Gisteren waren eerst die drie spoorwegmannen hier, en toen kwam die dominee....
HILMAR. Hulpprediker....
LONA. _Ik_ noem hem dominee. Maar wat zeg jullie nu wel van _mijn_ werk in deze vijftien jaar? Is hij niet een flinke kerel geworden? Wie zou den wildzang nog herkennen die van hier wegliep?
HILMAR. Hm...!
JOHAN. Zeg, Lona, bluf nou maar niet te veel.
LONA. Ja, ik ben daar nu echt trotsch op. Lieve Hemel, dat is het eenige wat ik uitgevoerd heb in de wereld; maar dat geeft mij toch wel een beetje recht van bestaan. Ja, Johan, zeg, als wij daaraan terug denken hoe wij tweeën daarginder begonnen met onze vier leege klavieren....
HILMAR. Handen.
LONA. Ik zeg klavieren, want smerig waren ze.
HILMAR. Oeh!
LONA. En leeg waren ze ook.
HILMAR. Leeg? Nou ik moet zeggen...!
LONA. Wat moet je zeggen?
BERNICK. Hm!
HILMAR. Ik moet zeggen ... oeh! (_gaat de tuintrap af_).
LONA. Wat mankeert die vent?
BERNICK. Och, stoor je maar niet aan hem; hij is een beetje zenuwachtig tegenwoordig. Maar wil je den tuin niet eens zien? Daar ben je nog niet geweest, en ik heb nu nog een uurtje vrij.
LONA. Ja, heel graag; je kunt denken dat ik genoeg met mijn gedachten hier in den tuin bij jullie ben geweest.
MEVR. BERNICK. Daar is ook veel veranderd, dat zal je zien.
(_Bernick, Mevr. Bernick en Lona gaan den tuin in, waar men hen af en toe ziet gedurende het volgende_).
OLAF (_in den tuindeur_). Oom Hilmar, weet u wat oom Johan mij vroeg? Hij vroeg of ik met hem mee wou gaan naar Amerika.
HILMAR. Jij, zoo'n lummel die hier aan je moeders rokken hangt....
OLAF. Maar dat wil ik nu ook niet langer. U zal eens zien als ik groot ben....