Dramatische werken

Chapter 6

Chapter 63,970 wordsPublic domain

MEVR. HOLT. Lieve Dina, geef mij dat linnen eens aan.

MEVR. BERNICK (_gelijktijdig_). Beste Dina, ga eens vragen of Katrine de koffie brengen wil.

MARTHA. Ik ga met je mee, Dina. (_Dina en Martha gaan weg door de laatste deur links_).

MEVR. BERNICK (_staat op_). En ik moet u ook verzoeken mij even te verontschuldigen, dames; misschien kunnen wij aanstonds wel buiten koffie drinken. (_Zij gaat de tuintrap af en dekt de tafel. Rörlund staat in de deur en praat met haar. Hilmar zit buiten te rooken_).

MEVR. RUMMEL (_zachtjes_). Lieve hemel, mevrouw Lynge, wat heeft u mij doen schrikken!

MEVR. LYNGE. Ik?

MEVR. HOLT. Ja, maar u begon er toch zelf over, mevrouw Rummel.

MEVR. RUMMEL. Ik? Maar mevrouw Holt hoe kan u zoo iets zeggen? Ik heb toch geen enkel woord losgelaten.

MEVR. LYNGE. Maar wat is er dan toch?

MEVR. RUMMEL. Hoe kon u daar nu over praten...! Zag u dan niet dat Dina in de kamer was?

MEVR. LYNGE. Dina? Maar lieve hemel, is er dan iets gebeurd met ...?

MEVR. HOLT. En hier in huis nog al! Weet u dan niet dat de broer van mevrouw Bernick...?

MEVR. LYNGE. Wat dan toch? Ik weet heelemaal niets; ik ben hier pas gekomen....

MEVR. RUMMEL. Heeft u niet gehoord dat...? Hm,... (_tegen haar dochter_). Hilda, jij moest maar eens een beetje in de tuin gaan.

MEVR. HOLT. En jij ook, Netta. En wees maar heel vriendelijk tegen die arme Dina als ze komt. (_Beiden gaan de tuin in_).

MEVR. LYNGE. En wat was er nu met dien broer van Mevrouw Bernick?

MEVR. RUMMEL. Weet u dan niet dat hij die leelijke geschiedenis heeft gehad?

MEVR. LYNGE (_wijzend naar Hilmar_). Heeft mijnheer Tönnesen een leelijke geschiedenis gehad?

MEVR. RUMMEL. Och, welneen; dit is immers haar neef. Ik spreek van haar broer....

MEVR. HOLT. ... den verongelukten Tönnesen....

MEVR. RUMMEL. Johan heette hij. Hij ging naar Amerika....

MEVR. HOLT. Hij _moest_ naar Amerika ... begrijpt u?

MEVR. LYNGE. En had hij nu die leelijke historie?

MEVR. RUMMEL. Ja, het was iets ... hoe zal ik het noemen...? Het was iets met Dina's moeder. O, ik weet 't nog of het gisteren was. Johan Tönnesen was toen op het kantoor bij de oude mevrouw Bernick. Karsten Bernick was pas van Parijs teruggekomen ... was nog niet eens geëngageerd....

MEVR. LYNGE. Nou ja ... maar die geschiedenis?

MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u ... dien winter was het tooneelgezelschap van Möller hier in de stad....

MEVR. HOLT. ... en bij dat gezelschap was de acteur Dorf met zijn vrouw. Al de jongelui hier waren dol op haar....

MEVR. RUMMEL. Ja, hoe 't mogelijk was dat ze _die_ mooi vonden.... Maar op een keer komt Dorf 's avonds laat thuis....

MEVR. HOLT. ... heel onverwacht....

MEVR. RUMMEL. ... en vindt daar ... neen dat kan ik u heusch niet vertellen!

MEVR. HOLT. Maar mevrouw, hij vond niemendal, want de deur was van binnen gesloten.

MEVR. RUMMEL. Nou ja, dat is net wat ik zeg; hij vond de deur gesloten. En hij die binnen was, u begrijpt me wel, moest uit het raam springen.

MEVR. HOLT. Heelemaal boven uit een zolderraam!

MEVR. LYNGE. En was dat de broer van mevrouw Bernick?

MEVR. RUMMEL. Ja zeker, die was het.

MEVR. LYNGE. En is hij toen naar Amerika gegaan?

MEVR. HOLT. Ja, dat moest hij toen wel doen, dat begrijpt u.

MEVR. RUMMEL. Want achterna werd er iets ontdekt, dat al haast even erg was. Verbeeld u, hij had de kas bestolen....

MEVR. HOLT. Ja maar, daar weet men het rechte niet van, mevrouw Rummel; dat zijn misschien maar praatjes geweest.

MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat is nu óók! Was het dan niet bekend in de heele stad? Is de oude mevrouw Bernick daardoor niet bijna failliet gegaan? Dat heeft Rummel me zelf verteld. Maar _ik_ zal er wel zalig over zwijgen....

MEVR. HOLT. Nou, madam Dorf kreeg in elk geval het geld niet, want zij....

MEVR. LYNGE. Ja, hoe liep dat toen af tusschen Dina's ouders?

MEVR. RUMMEL. Wel, Dorf liet zijn vrouw en kind in den steek. Maar dat mensch was zoo brutaal om nog een heel jaar hier te blijven. Op het tooneel durfde zij zich niet meer te vertoonen. Eerst is ze gaan wasschen en naaien voor den kost....

MEVR. HOLT. En toen heeft ze geprobeerd om danslessen te geven.

MEVR. RUMMEL. Maar dat ging natuurlijk ook niet. Welke ouders zouden hun kinderen aan zoo'n schepsel willen toevertrouwen? Maar het duurde ook niet lang meer met haar; die fijne madam was niet gewend te werken. Zij kreeg het op de borst en stierf.

MEVR. LYNGE. Hè, dat zijn echt leelijke histories!

MEVR. RUMMEL. U kan begrijpen hoe naar dat allemaal was voor de Bernicks. Dat is de donkere vlek in hun gelukszon, zooals Rummel het eens uitdrukte. Daarom moet u maar nooit hier in huis er over spreken, mevrouw Lynge.

MEVR. HOLT. En ook alsjeblieft niet over haar halve zuster!

MEVR. LYNGE. Zoo? heeft mevrouw Bernick ook nog een halve zuster?

MEVR. RUMMEL. Gehad ... gelukkig! Want nu is alle betrekking met haar afgebroken. Ja, dat was me ook een mooie! Stel u voor, die liep met kortgeknipte haren en hooge heerenlaarzen als 't vuil weer was!

MEVR. HOLT. En toen die halve broer van haar, dat ongeluk, er nu van doorgegaan was, en de heele stad natuurlijk diep verontwaardigd was over hem, weet u wat zij toen deed? Toen is ze hem nagereisd!

MEVR. RUMMEL. O, maar dat schandaal dat zij gemaakt heeft nog eer ze weg ging, mevrouw Holt!

MEVR. HOLT. Sst, praat daar toch niet van.

MEVR. LYNGE. Gut, maakte zij ook al schandaal?

MEVR. RUMMEL. Neen maar, dat moet u hooren, lieve mevrouw. Bernick was net geëngageerd met Betty Tönnesen; en zoo als hij met haar aan zijn arm bij haar tante komt om zijn meisje te presenteeren....

MEVR HOLT. ... staat Lona Hessel op van haar stoel, en geeft den knappen, fijngemanierden Karsten Bernick een oorvijg, dat hij suizebolde.

MEVR. LYNGE. Neen maar heb je nu ooit!

MEVR. HOLT. Ja, het is heusch waar.

MEVR. RUMMEL. En toen pakte zij haar koffer en vertrok naar Amerika.

MEVR. LYNGE. Maar dan had ze misschien zelf een goed oogje op hem gehad?

MEVR. RUMMEL. Ja natuurlijk, dat begrijpt u wel. Zij had zich verbeeld dat hij met haar trouwen zou als hij terugkwam uit Parijs.

MEVR. HOLT. Ja verbeeld je, dat zij zoo iets denken kon! Bernick, de jonge elegante man van de wereld ... volleerd gentleman ... de lieveling van alle dames....

MEVR. RUMMEL. ... en daarbij zoo fatsoenlijk, mevrouw Holt, en zoo braaf!

MEVR. LYNGE. Maar wat is die juffrouw Hessel daar in Amerika gaan uitvoeren?

MEVR. RUMMEL. Ja, ziet u, daarover ligt, zooals Rummel zich eens uitdrukte, een sluier, die maar liever niet moet worden opgelicht.

MEVR. LYNGE. Wat beteekent dat?

MEVR. RUMMEL. Alle betrekking met de familie is al lang afgebroken, dat begrijpt u wel. Maar zooveel weet de heele stad er toch wel van, dat zij daar ginder in café's voor geld gezongen heeft....

MEVR. HOLT. ... en lezingen gehouden....

MEVR. RUMMEL. ... en een allerdolst boek geschreven heeft....

MEVR. LYNGE. Neen, maar!

MEVR. RUMMEL. Ja, ja, Lona Hessel is ook wel een van de zonnevlekken in het geluk van de familie Bernick. Maar nu is u dus op de hoogte, mevrouw Lynge. De hemel weet dat ik er alleen over gesproken heb omdat u nu op uw woorden zou kunnen passen.

MEVR. LYNGE. Wees gerust daarop, lieve mevrouw. Maar die arme Dina Dorf! Ik heb heusch medelijden met haar.

MEVR. RUMMEL. Och, voor haar was het eigenlijk een groot geluk. Verbeeld u eens dat zij bij haar ouders gebleven was! Wij hebben ons natuurlijk allemaal veel met haar bemoeid en haar vermaand, zoo goed wij konden. Later zette juffrouw Bernick het door dat zij hier in huis kwam.

MEVR. HOLT. Maar een moeilijk kind is zij altijd geweest. Denk ook maar eens aan ... al die slechte voorbeelden! Och, zoo'n kind is ook van zelf heel anders dan een van de onzen; wij moeten wat toegevend voor haar zijn, mevrouw.

MEVR. RUMMEL. Sst ... daar komt ze. (_hardop_). Ja, die Dina, dat is een echt flinke meid. Zoo? ben jij daar Dina? Wij scheiden net uit met werken.

MEVR. HOLT. O wat geurt je koffie heerlijk, lieve Dina! Ja, zoo'n kopje koffie 's middags....

MEVR. BERNICK (_buiten op het terras_). Als u lust heeft om buiten te komen dames! (_Martha en Dina hebben intusschen het dienstmeisje geholpen het koffie-servies klaar te zetten. Al de dames gaan buiten zitten; zij praten overdreven vriendelijk tegen Dina. Even later gaat zij naar binnen en zoekt haar handwerk weer op_).

MEVR. BERNICK. Dina, wil jij ook niet...?

DINA. Neen, dank u ... liever niet. (_Zij gaat zitten met haar naaiwerk. Mevr. Bernick en Rörlund wisselen een paar woorden; een oogenblik daarna komt hij ook in de kamer_).

RÖRLUND (_verlegt iets op de tafel en zegt zachtjes_). Dina!

DINA. Ja....

RÖRLUND. Waarom wil je niet buiten zitten?

DINA. Omdat, toen ik met de koffie binnenkwam, ik kon merken aan die vreemde mevrouw, dat er over mij gesproken was.

RÖRLUND. En heb je dan ook niet gemerkt hoe vriendelijk zij zoo even tegen je was?

DINA. Maar dat kan ik juist niet uitstaan!

RÖRLUND. Je bent erg weerspannig van aard, Dina.

DINA. Ja.

RÖRLUND. Maar waarom ben je zoo?

DINA. Ik ben nu eenmaal niet anders.

RÖRLUND. Zou je er niet naar kunnen streven anders te worden?

DINA. Neen.

RÖRLUND. Waarom niet?

DINA (_ziet hem aan_). Ik hoor immers tot de moreel-verdorvenen.

RÖRLUND. Foei, Dina!

DINA. Mijn moeder hoorde ook tot de moreel-verdorvenen.

RÖRLUND. Wie heeft met je over zulke dingen gesproken?

DINA. Niemand; ze zeggen nooit iets. Waarom? Ze pakken me allemaal zoo voorzichtig aan alsof ik breken zou als.... O, wat haat ik die goedhartigheid!

RÖRLUND. Lieve Dina, ik begrijp heel goed, dat je je hier gedrukt voelt, maar....

DINA. O, kon ik maar weggaan, ver weg! Ik zou mij wel redden en vooruit komen, als ik maar niet hoefde te leven onder menschen die zoo ... zoo....

RÖRLUND. Wat zoo?

DINA. Zoo fatsoenlijk en zoo braaf zijn.

RÖRLUND. Maar Dina, dat meen je toch niet!

DINA. Och, u begrijpt heel goed hoe ik het bedoel. Iederen dag komen Netta en Hilda hier, opdat ik een voorbeeld aan hen nemen zal. Ik kan nooit zoo hoogst fatsoenlijk worden als zij. Ik _wil_ zoo niet worden. O, was ik toch maar ver weg, dan zou ik wel flink worden.

RÖRLUND. Maar je bent immers flink, Dina-lief.

DINA. Wat helpt mij dat hier?

RÖRLUND. Dus weggaan ... denk je daar in ernst over?

DINA. Ik zou hier geen dag langer blijven als u hier niet was.

RÖRLUND. Zeg me eens Dina ... waarom vindt je het eigenlijk zoo prettig om met mij samen te zijn?

DINA. Omdat u mij zooveel mooie dingen leert.

RÖRLUND. Mooi? Noem je dat wat ik je leeren kan "mooie dingen"?

DINA. Ja. Of eigenlijk ... u leert mij wel niets, maar als ik u hoor spreken, dan ga ik allerlei mooie dingen zien.

RÖRLUND. Wat versta je eigenlijk onder iets moois?

DINA. Daar heb ik nooit over nagedacht.

RÖRLUND. Denk daar dan nu eens over na. Wat versta je onder iets moois?

DINA. Mooi is iets dat groot is ... en ver weg.

RÖRLUND. Hm!... Lieve Dina, ik maak mij erg bezorgd over je.

DINA. Anders niets dan dàt?

RÖRLUND. Je weet toch wel, hoe onuitsprekelijk lief je mij bent.

DINA. Maar als ik Hilda of Netta was, zou u niet bang zijn het aan iemand te laten merken.

RÖRLUND. Ach Dina, je kunt zoo weinig al de consideraties beoordeelen die ik in acht nemen moet.... Als een man een positie bekleedt, waarin hij moet optreden als zedelijke steunpilaar van de wereld, waarin hij verkeert, dan ... kan hij niet voorzichtig genoeg zijn. Als ik er maar zeker van was, dat men mijn motieven goed zou begrijpen en er geen verkeerden uitleg aan geven.... Maar dat is tot daaraan toe. Je _moet_ en _zult_ voort geholpen worden. Dina, zal dit onze afspraak zijn, dat, als ik kom ... als de omstandigheden mij toestaan te komen ... en ik zeg: hier is mijn hand ... dat je die dan wilt aannemen en mijn vrouw worden? Beloof je me dat, Dina?

DINA. Ja.

RÖRLUND. Dank je, dank je! Want ook voor mij.... Och Dina, ik hoû toch zoo veel van je.... Sst; daar komt iemand. Toe, Dina, doe 't voor mij ... ga naar de anderen toe. (_zij gaat naar de koffietafel. Op hetzelfde oogenblik komen de heeren Rummel, Sandstad en Vigeland uit de eerste kamer links, gevolgd door den heer Bernick, die een pak papieren in de hand houdt_).

BERNICK. Nou, de zaak is dus afgedaan.

VIGELAND. Ja. In 's hemels naam dan maar.

RUMMEL. 't Is afgedaan, Bernick! Het woord van een Noor staat vast als een rots in de zee, dat weet je!

BERNICK. En niemand zwicht, niemand wordt afvallig, hoeveel tegenstand wij ook ontmoeten.

RUMMEL. Wij staan en vallen met elkaar, Bernick!

HILMAR (_in de tuindeur_). Vallen? Permitteert! Is het dan niet de spoorweg die valt?

BERNICK. Integendeel; die zullen wij wel aan het rollen krijgen....

RUMMEL. Met stoom, mijnheer Tönnesen.

HILMAR (_dichterbij_). Zóó?

RÖRLUND. Hoe dat?

MEVR. BERNICK (_in de tuindeur_). Maar Karsten-lief, wat beteekent dat eigenlijk?

BERNICK. Och, Betty-lief, wat kan jou dat nu interesseeren? (_tot de drie heeren_). Maar nu moeten wij de lijsten opmaken, hoe eer hoe beter. 't Spreekt van zelf dat wij vieren het eerst teekenen. De positie die wij in de maatschappij bekleeden, maakt het ons tot plicht hierin voor te gaan.

SANDSTAD. Natuurlijk, mijnheer Bernick.

RUMMEL. Het mòèt gaan, Bernick; dat staat vast.

BERNICK. O ja, ik ben heelemaal niet bang voor den uitslag. Wij moeten er ons best voor doen, ieder in zijn eigen kring van kennissen; en als wij maar eerst eens kunnen wijzen op een levendige deelneming in alle maatschappelijke kringen, dan volgt daaruit van zelf, dat ook de gemeente het hare moet bijdragen.

MEVR. BERNICK. Maar Karsten, nu moet je ons toch eigenlijk eens vertellen....

BERNICK. Och, lieve Betty, dat is iets waar dames heelemaal niet in komen kunnen.

HILMAR. Je wilt je dus toch met die spoorweggeschiedenis inlaten?

BERNICK. Ja, natuurlijk.

RÖRLUND. Maar verleden jaar, mijnheer Bernick....

BERNICK. Verleden jaar was dat heel iets anders. Toen was er sprake van een lijn langs de kust....

VIGELAND. ... die ten eenenmale overbodig zou zijn, meneer; want wij hebben immers de stoombooten....

SANDSTAD. ... en die zoo onzinnig veel geld gekost zou hebben....

RUMMEL. ... ja, en die inderdaad de wezenlijke belangen van de stad zou geschaad hebben....

BERNICK. De hoofdzaak was dat die in wijder kring geen nut gedaan zou hebben. Daarom verzette ik er mij tegen; en zoo werd toen de binnenlijn aangenomen.

HILMAR. Die zal de steden in den omtrek toch niet aandoen.

BERNICK. Maar die zal ònze stad aandoen, mijn waarde Hilmar, want nu wordt er een zijlijn aangelegd.

HILMAR. O zoo; een nieuw plan dus.

RUMMEL. En wat een prachtig plan ook, hè?

RÖRLUND. Hm....

VIGELAND. 't Kan niet ontkend worden dat de Voorzienigheid als 't ware het terrein heeft klaar gemaakt voor een zijlijntje.

RÖRLUND. Meent u dat in ernst, mijnheer Vigeland?

BERNICK. Ja, ik moet toegeven, dat ik het ook als een bestiering beschouw dat ik in 't voorjaar voor zaken op reis was op 't land, en toevallig langs een weg door 't dal kwam, waar ik vroeger nooit geweest was. Als een lichtstraal kwam het denkbeeld in mij op, dat hier een zijlijn naar onze stad te maken moest zijn. Ik heb een ingenieur er heen gezonden en den weg laten opnemen; hier heb ik de voorloopige berekeningen en kostenopgaven; niets staat den aanleg in den weg.

MEVR. BERNICK (_met de andere dames vooruitgekomen in de tuindeur_). Maar lieve man, dat je dat alles zoo voor ons verborgen hebt gehouden.

BERNICK. Och, mijn goede kind, jullie zoudt immers toch niet begrepen hebben hoe dat alles in elkaar zat. Ik heb er overigens met geen levende ziel over gesproken, vóór van daag. Maar nu is het beslissende oogenblik gekomen, nu moet er openlijk en met alle kracht gewerkt worden. Ja, al moest ik mijn heele bestaan er aan geven, ik zal de zaak doorzetten.

RUMMEL. Wij ook, Bernick, daar kan je op vertrouwen.

RÖRLUND. Heeft u dan waarlijk zooveel verwachtingen van die onderneming, heeren?

BERNICK. Ja, dat zal waar zijn. Wat een hefboom zal die niet kunnen worden voor onze heele maatschappij? Denk maar eens aan de groote bosschen die toegankelijk gemaakt zullen worden; denk aan de rijken ertslagen die in exploitatie kunnen worden genomen; denk aan de rivier met haar talrijke watervallen! Wat een industrie kan zich daar ontwikkelen!

RÖRLUND. En vreest u niet dat een drukker verkeer met een verdorven buitenwereld...?

BERNICK. Neen, wees maar gerust, mijnheer Rörlund. Ons klein nijver stadje staat, Goddank, tegenwoordig op een standpunt van gezonde moraliteit. Wij hebben allen ons best gedaan om den bodem te draineeren, als ik 't zoo noemen mag; en dat zullen wij ook verder doen, ieder op zijn manier. U, mijnheer Rörlund, blijft voortgaan met uw zegenrijk werk in school en huisgezin. Wij, de mannen der praktijk, steunen de maatschappij door welvaart onder de menschen te brengen in de wijdst mogelijken kring;... en onze vrouwen, ja, komt maar dichterbij dames, u moogt het wel hooren,... onze vrouwen, zeg ik, onze echtgenooten en dochters,... ja, u moet ongestoord voortwerken in den dienst der weldadigheid, en zijt verder een hulp en een troost voor die u het naast staan, zooals mijn lieve Betty en Martha dat voor mij en Olaf zijn.... (_Kijkt rond_). Waar zit Olaf vandaag?

MEVR. BERNICK. O, nu in de vacantie is het niet mogelijk hem in huis te houden.

BERNICK. Dan is hij zeker weer beneden aan den waterkant! Je zult zien, hij laat het niet voor er een ongeluk gebeurd is.

HILMAR. Kom ... laat hij zich maar eens meten met de natuurkrachten....

MEVR. RUMMEL. Wat vind ik het mooi van u, dat u zooveel gevoel voor het gezin heeft, mijnheer Bernick!

BERNICK. O, het gezin is immers de kern der maatschappij. Een goed tehuis, achtenswaardige en trouwe vrienden, een kleine, gesloten kring, waarin geen storende elementen hun schaduw werpen....

(_Krap komt met brieven en couranten van rechts_).

KRAP. De buitenlandsche post, mijnheer de consul;... en een telegram van New-York.

BERNICK (_neemt het aan_). Ah, van de reederij ... over de "Indian Girl".

RUMMEL. Zoo? is de post gekomen? Ja, dan moet ik naar huis.

VIGELAND. Ja, ik ook.

SANDSTAD. Tot weerziens, mijnheer Bernick.

BERNICK. Tot weerziens, heeren. En denkt er aan dat wij van middag om vijf uur vergadering hebben.

DE DRIE HEEREN. Ja, ja ... zeker ... dat spreekt. (_zij gaan naar rechts af_).

BERNICK (_die het telegram gelezen heeft_). Neen maar, dát is waarachtig echt Amerikaansch! Eenvoudig stuitend....

MEVR. BERNICK. Hemel, Karsten, wat is er?

BERNICK. Kijk eens Krap, lees dit eens!

KRAP (_leest_). "Minst mogelijke reparatie; stuur "Indian Girl" terug zoodra zeilklaar; goed seizoen; drijft desnoods op lading." Nou, ik moet zeggen....

BERNICK. Drijft op lading! De heeren weten best dat met die lading het schip zinkt als een baksteen, als er iets gebeurt.

RÖRLUND. Ja, daar kan u nu eens zien, hoe het toegaat in die veelgeprezen groote maatschappij.

BERNICK. Daar heeft u gelijk in. Zelfs menschenlevens worden niet geteld zoodra er winst of verlies in het spel is. (_tegen Krap_). Kan de "Indian Girl" in zee gaan over vier of vijf dagen?

KRAP. Ja, als meneer Vigeland het zoo schikken kan dat het werk op "de Palmboom" zoolang stilstaat.

BERNICK. Hm; dat zal hij niet doen. Enfin. Wil u misschien de post even doorzien? Zeg eens, heeft u Olaf niet beneden op den steiger gezien?

KRAP. Neen, mijnheer. (_af in de eerste kamer links_).

BERNICK (_kijkt weer in het telegram_). Acht menschenlevens wagen die heeren zoo maar kalm-weg er aan....

HILMAR. Och, 't is nu eenmaal het beroep van een zeeman om de elementen te trotseeren. Daar moet toch iets spannends in zijn, zoo enkel met een dunne plank tusschen jezelf en den afgrond....

BERNICK. Ja, ik zou den reeder bij ons wel eens willen zien die zich tot zoo iets leenen zou. Niet één ... geen enkele.... (_krijgt Olaf in het oog_). Zoo, Goddank dat hij heelhuids weer thuis is. (_Olaf met een hengel in de hand is de straat opgekomen en komt door de tuindeur binnen_).

OLAF (_nog in de tuin_). Oom Hilmar, ik ben beneden geweest en heb de stoomboot gezien.

BERNICK. Ben je nu alweer op den steiger geweest?

OLAF. Neen, ik ben enkel maar met een boot uit geweest. Maar oom, er is een heel gezelschap kunstrijders aangekomen, met paarden en andere dieren, en een heele boel passagiers!

MEVR. RUMMEL. Wat? Krijgen we hier heusch kunstrijders te zien?

RÖRLUND. Wij? Dat kan ik toch niet aannemen.

MEVR. RUMMEL. Neen, _wij_ natuurlijk niet ... maar....

DINA. Ik zou ze wel graag zien.

OLAF. Ja, ik ook.

HILMAR. Je bent een lummel. Is daar nu iets aan te zien? Louter dressuur. Neen, een Gaucho op zijn snuivenden mustang door de pampas te zien jagen, dat is wat anders! Maar godbewaarme hier in dit nest....

OLAF (_trekt Martha aan haar japon_). Tante Martha, kijk, kijk ... daar komen ze!

MEVR. HOLT. Hemel ja, daar heb je ze.

MEVR. LYNGE. O foei, die afschuwelijke menschen!

(_Veel reizigers en een heele troep stadsvolk komen de straat langs_).

MEVR. RUMMEL. Ja, dat is je echte kermisvolk. Ziet u die daar, met die grijze japon, mevrouw Holt; zij draagt den knapzak op haar rug.

MEVR. HOLT. Ja, en ze draagt hem aan haar parasol-stok! Dat is natuurlijk de vrouw van den directeur.

MEVR. RUMMEL. En daar heb je den directeur zelf, die met dien baard. Hij ziet er net uit als een roover. Niet kijken, Hilda!

MEVR. HOLT. Jij ook niet, Netta.

OLAF. Mama, de directeur groet ons.

BERNICK. Wat is dàt?

MEVR. BERNICK. Wàt zeg je, kind?

MEVR. RUMMEL. Ja, lieve hemel, daar groet die vrouw ook al!

BERNICK. Neen, dàt is toch te erg!

MARTHA (_onwillekeurig_). Ah....

MEVR. BERNICK. Wat is er, Martha?

MARTHA. Och niets, ik dacht maar....

OLAF (_schreeuwt van plezier_). Kijk, kijk, daar komen de anderen met de paarden en de andere dieren! En daar heb je de Amerikanen ook! Al die matrozen van de "Indian Girl".... (_men hoort Yankee-Doodle zingen begeleid door een klarinet en trommels_).

HILMAR (_houdt zijn ooren dicht_). Oeh, oeh, oeh!

RÖRLUND. Mij dunkt, wij moesten ons een beetje afzonderen, dames; dat is toch niet iets voor ons. Laat ons weer aan ons werk gaan.

MEVR. BERNICK. Wij konden misschien de gordijnen dicht doen?

RÖRLUND. Ja, dat is juist wat ik bedoelde (_de dames nemen hunne plaatsen aan de tafel weer in; Rörlund sluit de tuindeur en doet de gordijnen dicht; het is half-donker in de kamer_).

OLAF (_die uitkijkt_). Ma, nu staat de vrouw van den directeur aan de fontein haar gezicht te wasschen.

MEVR. BERNICK. Wat? Midden op de markt!

MEVR. RUMMEL. En dat op klaarlichten dag!

HILMAR. Nou, als ik op reis was door de woestijn en een waterput aantrof, zou ik mij ook niet lang bedenken om.... Au, die vreeselijke klarinet!

RÖRLUND. 't Zou waarlijk wel noodig zijn dat de politie zich er eens mee bemoeide.

BERNICK. Och wat; met vreemden moet men dat zoo nauw niet nemen; die menschen hebben immers niet het aangeboren gevoel van fatsoen, dat ons binnen de juiste perken houdt. Laat hen maar wat buitensporig doen. Wat gaat ons dat aan? Al dat ongeregelde gedoe dat in strijd is met fatsoen en goede zeden, raakt gelukkig onze maatschappij heelemaal niet, als ik 't zoo zeggen mag.... Wat is dàt? (_de vreemde dame komt snel binnen door de deur rechts_).

DE DAMES (_verschrikt maar zachtjes_). De paardrijdster! De vrouw van de directeur!

MEVR. BERNICK. Hemel! wat moet dat beteekenen?

MARTHA (_opspringend_). Ah...!

DE DAME. Dag lieve Betty! Dag Martha! Dag zwager!

MEVR. BERNICK (_met een kreet_). Lona...!

BERNICK (_tuimelt achteruit_). Zoo waar ik leef!...

MEVR. HOLT. God zij ons genadig...!

MEVR. RUMMEL. 't Is toch niet mogelijk...!

HILMAR. Nou! Oeh!

MEVR. BERNICK. Lona! Ben je het heusch...?

LONA. Of ik het ben? Ja, bij mijn ziel, ik ben het. Je kunt mij wat dat betreft gerust om den hals vallen.

HILMAR. Oeh! Oeh!

MEVR. BERNICK. En kom je nu hier als...?

BERNICK. ... en je wilt hier optreden?

LONA. Optreden? Hoezoo optreden?

BERNICK. Ja ... ik bedoel ... met de kunstrijders....