Dramatische werken

Chapter 5

Chapter 53,744 wordsPublic domain

[19] _Richting in Denemarken_.--Bedoeld is het zoogenaamde Grundtvigianisme; voor de verhouding daarvan tot Oehlenschläger zie o.a. Arentzen l.l. Dl. III en vv.

[20] _Samenhang v. Europeesch geestesleven_. Het voorbeeld is ontleend aan de citaten uit gelijktijdige dagbladen bij Jaeger l.l. p. 152.

[21] _G. Meredith_.--Meredith is 12 Februari 1828 geboren in Hampshire (R. le Gallienne. _G. Meredith. Some characteristics_. p. LVI.) Ook Dante Gabriel Rossetti is in 1828 geboren, maar deze kan moeilijk ter vergelijking gebezigd worden om zijn exotische afkomst--half Italiaan, half Engelschman. Ook is zijn baan in 't midden afgebroken, en zijn dichttalent werd voor een groot deel bepaald door zijn schildersneiging. Bij Ibsen is het schildertalent geheel geweken.

[22] _Zij hield het oor van den nacht gevangen_.--Meredith. _Sandra Belloni_ ch. II.

[23] _Zoo rijst de blanke heerlijkheid_ enz.--Meredith. _The ordeal of Richard Feverel. Beauchamp's Career_. Vgl. mijn studie over M. in de Gids van October, 1896.

[24] _Zich te bezinnen_.--Allusie op de versregels van _Modern Love_ XLVIII: More brain, O Lord, more brain! or we shall mar Utterley this fair garden we might win.

[25] _Modern Love_ is in 1862 uitgekomen. Ibsen is zijn _Kjaerlighedens Komedie_ in 1860 begonnen. (R. Woerner. _Henrik Ibsen_. I p. 493). Den besten commentaar op _Modern Love_ geeft G.M. Trevelyan. _The poetry and philosophy of G.M._

[26] _The Egoist_.--Meredith's roman is uitgekomen in 1879.

[27] _Romans uit Meredith's 3e periode:--One of our conquerors, Lord Ormont and his Aminta, The amazing marriage_ verschenen van 1890-'95.

[28] _"Lo, where"_ etc.--Aanhaling der slotregels van _The Sage anamoured and the honest Lady_. Voor 't eerst gepubliceerd in 1894.

[29] _Taine_.--Het 1e deel der _Origines de la France contemporaine_ kwam uit in 1875, de volgende deelen die de Revolutie behandelen--en daarom is 't hier vooral te doen--verschenen sinds 1878.

[30] _Zucht naar vereeniging met de natuur_. Taine. _Vie et correspondance_, de brief van 10 Maart 1849 aan Prévost Paradol.

[31] "_Décrire une âme humaine._"--_De l'Intelligence_. (3e ed.) I p. 21.

[32] _"Il ressemble à un homme."_--_Vie et opinions de M. Graindorge_. p. 324.

[33] _Beschouwing van de kunst_.--_De l'idéal dans l'art_ (ed. 1867) p. 129-131.

[34] _Vraagt hij_.--Aan George Brandes, brief van 30 Januari 1875.

[35] _Het groote vraagstuk_.--Zie Julius Clausen. _Scandinavismen historisk fremstillet_, p. 85 vv. over de ontwikkeling dier richting in 1845.

[36] _De leus van B. Björnson_.--J. Clausen l.l. p. 211.

[37] _Het werk in Noorwegen na 1870_.--Vgl. vooral het programma van Johan Sverdrup, den grooten Noorschen staatsman, in een brief van 1870 meegedeeld in Halvorsen's _Norsk Forfatter-lexicon_. V p. 574, en voor het staatsleven in Noorwegen, verder het geheele artikel. Zie ook de inleiding van H. Haug's art. _Det norske Samlingsparti. Tilskueren_, 1905. p. 792.

[38] _Sinds_ 1884 en '85.--Vgl. Ibsen's brief aan B. Björnson van 28 Maart 1884, en H. Jaeger. _Henrik Ibsen_ p. 280 over Ibsen's bezoek aan Noorwegen in 1885. Zie ook Laura Kieler. _Silhouetter_. p. 12.

[39] _Revolutie en piëtisme in Catilina_.--Vgl. H. Jaeger. _H. Ibsen og hans vaerker, en fremstiling i grundrids_. p. 8, 9. R. Woerner. _H. Ibsen_. p. 29.

[40] _Piëtisme en mysterie_.--Vgl. Collin. _H. Ibsen's dramatiske Bygningsstil. Tilskueren_. Aug. 1906.

[41] _De krijgers op Helgeland_.--In Augustus 1857 voltooid, in November 1858 te Christiania vertoond.

[42] _De mijnwerker_.--Reeds 1851 verschenen. Een eerste omwerking verscheen in 1863. In de uitgaaf der gedichten van 1871 (In de 4e uitgaaf der _Digte_, die ik gebruik, 1882, staat _Bergmanden_ p. 17) komt dan een tweede ingrijpende omwerking voor. Ik volg in mijn _Inleiding_ natuurlijk de eerste versie, die het zuiverste beeld geeft. Een vergelijking der beide eerste versies geeft R. Woerner's _Henrik Ibsen_ I p. 397, zie ook aldaar p. 327. Hij heeft echter niet het belang begrepen van de oorspronkelijke voorstelling van het gedicht.

[43] _H. Steffens_.--Toespeling op zijn _Beiträge zur inneren Naturgeschichte der Erde_. 1801. Vgl. daarover R. Haym. _Die romantische Schule_. p. 626-630.

[44] _Ibsen's twijfel aan den voortgang van zijn werk_.--Vgl. het gesprek tusschen Jatgeir, den skalde en hertog Skule in het 4e bedrijf van de _Kroonpretendenten_.

[45] _Oordeel van de wereld_.--Vgl. o.a. H. Jaeger. p. 165. R. Woerner I p. 139. Magdalene Thorensen's (schoonmoeder van Ibsen) oordeel over den dichter in dezen tijd in G. Brandes' _Levned_, p. 149: "Hvad han skriver, er fladt som en Tegning." etc.

[46] _Grauwe schemeren_.--Tausmörket.

[47] _Intusschen_.--Sommige uitdrukkingen van Duitsche schrijvers, b.v. van R. Lothar _Henrik Ibsen_, p. 91, zouden doen veronderstellen dat het drama van Julianus den Afvallige door Ibsen na _Brand_ en in gevolge van _Brand_ werd geconcipieerd; inderdaad is het een vroegere conceptie, vgl. brief aan B. Björnson van 16 Sept. 1864, en L. Dietrichson. _Svundne Tider_ I p. 336.

[48] _Meewerking aan den tijd_.--Vgl. brief aan E. Gosse, 14 Octob. 1872.

[49] _Distantie_.--Vgl. brief aan Magd. Thorensen, 3 December 1865.

[50] _Het grote gebeuren tusschen_ 1864 en 1871.--Vgl. brief aan J. Hoffory. 26 Febr. 1888.

[51] _Determinisme_.--Hierbij mag ook de directe invloed van H. Taine niet onopgemerkt blijven, met wiens werk Ibsen door G. Brandes bekend werd.

[52] _Midden onder zijn groote werk_.--Het eerste plan van het _Verbond der Jeugd_ dagteekent denkelijk van 1874, vgl. den brief van 16 Sept. 1864 aan Björnson en de aanteekening daarop Ibsen's _Sämmtl. Werke_. X p. 428.

[53] _Het Verbond der Jeugd een inleiding_.--Vgl. A. Kerr. _Das neue Drama_, p. 16-18.

[54] In 1885_zeide Ibsen_.--Vgl. L. Kieler. _Silhouetter_. p. 12.

[55] _De Wilde Eend_.--Voor de juiste opvatting van dit drama (de beschouwing heeft haar oorsprong in den naasten kring van Ibsen), vgl. H. Jaeger. _H. Ibsen og hans vaerker_. En _fremstilling i grundrids_. p. 176 vv. Zie ook van mijn hand _Poëzie en Leven in de 19e eeuw_. p. 359 vv.

[56] _Rosmersholm_.--Vgl. A. v. Berger. _Studien en Kritiken_ p. 214 vv. en het hierboven aangehaalde _Poëzie en Leven_ p. 370 vv.

[57] _Bevrijding_.--Vgl. Lou Andreas Salomé. _H. Ibsen's Frauengestalten_.

[58] _Sinding_.--Vergelijking van Sinding met Rodin in M. Bigeon. _Les révoltés Scandinaves_, p. 83.

[59] _Noorsche naïeveteit_.--Vgl. L. Kieler l.l.

[60] _De symbolische werken hebben overal heen betrekkingen_.--Vgl. b.v. H. Dikmar's studie over Ibsen's _Bygmester Solness_ in _To literaere Studier_. Kristiania 1894 en E. Holm. _H. Ibsen's politisches Vermächtnisz_. Wien, 1906.

[61] _De Comedie der Liefde_ als een voorlooper van _Brand_.--Vgl. brief aan T. Hegel van 31 Augustus 1866.

[62] _Julianus de Afvallige_.--Vgl. brief aan L. Daae, 23 Februari 1873: (Duitsche uitg.) "Im Charakter Julians findet sich mehr geistig Durchlebtes, als ich dem Publikum gegenüber verantworten möchte."

* * * * *

DE STEUNPILAREN DER MAATSCHAPPIJ

TOONEELSPEL IN VIER BEDRIJVEN

* * * * *

PERSONEN:

KARSTEN BERNICK, Consul. BETTY, zijn vrouw. OLAF, hun zoon dertien jaar oud. MARTHA BERNICK, zuster van den consul. JOHAN TÖNNESEN, jongere broer van mevrouw Bernick. LONA HESSEL, haar oudere halve-zuster. HILMAR TÖNNESEN, neef van mevrouw Bernick. RÖRLUND, hulpprediker. RUMMEL, groothandelaar. VIGELAND en SANDSTAD, kooplieden. DINA DORF, een jong meisje bij Bernick in huis. KRAP, procuratiehouder van Bernick. AUNE, scheepsbouwmeester. Mevrouw RUMMEL. Mevrouw HOLT, vrouw van den postdirecteur. Mevrouw LYNGE, vrouw van den dokter. HILDA RUMMEL. NETTA HOLT.

Burgers en andere inwoners, vreemde zeelui, stoomboot-passagiers enz.

Het stuk speelt in een klein Noorsch havenstadje, in het huis van den heer Bernick.

* * * * *

EERSTE BEDRIJF

Een ruime tuinkamer in het huis van consul Bernick. Links op den voorgrond een deur leidend naar de kamer van den consul; wat verder aan denzelfden wand een dergelijke deur. In 't midden van den tegenovergestelden wand een groote entree-deur. De achterwand is bijna geheel van spiegelglas met een openstaande deur die naar een breede tuintrap leidt, waarover een zonnescherm gespannen is. Onder aan de trap is een gedeelte van den tuin zichtbaar, omheind door een hekje dat een uitgang heeft. Buiten langs het hekje loopt een straat, die aan den overkant bebouwd is met kleine in lichte kleuren geverfde houten huizen. Het is zomer en de zon schijnt warm. Enkele menschen gaan nu en dan voorbij in de straat; zij blijven staan en praten samen; in een winkel op den hoek worden klanten bediend, enz. enz.

Binnen in de tuinkamer zit rondom de tafel een gezelschap dames. In het midden zit mevrouw Bernick. Aan haar linkerkant zit mevr. Holt met haar dochter; daarnaast mevr. Rummel en haar dochter. Rechts van mevr. Bernick zitten mevr. Lynge, Martha Bernick en Dina Dorf. Alle dames houden zich bezig met een handwerk. Op de tafel liggen groote stapels halfgereed of geknipt linnengoed en andere kleeren. Wat verder weg bij een klein tafeltje waarop twee bloempotten en een glas suikerwater staan, zit Rörlund en leest voor uit een verguld-op-snee-gebonden boek, doch zóó dat maar enkele woorden voor de toeschouwers verstaanbaar zijn. Buiten in den tuin loop Olaf rond en schiet af en toe met een boog.

Een beetje later komt Aune zachtjes binnen door de deur rechts. Dat brengt een beetje stoornis in het voorlezen; mevr. Bernick knikt hem toe en wijst naar de deur links. Aune gaat er zachtjes heen en klopt een paar keer met eenige tusschenruimte op de deur van Bernick's kamer. Krap komt met zijn hoed in de hand en stukken onder den arm er uit.

* * * * *

KRAP. O, ben jij het die klopt?

AUNE. Mijnheer Bernick heeft om me gezonden.

KRAP. Dat heeft hij ook; maar hij kan je niet ontvangen. Hij heeft mij opgedragen....

AUNE. U? Ik wou nog liever!

KRAP. ... mij opgedragen het je te zeggen. Je moet ophouden met die Zaterdag-avonds-voordrachten voor de werklui.

AUNE. Zoo? Ik zou toch denken dat ik mijn eigen vrijen tijd mocht gebruiken....

KRAP. Je mag niet je vrijen tijd gebruiken om de menschen onbruikbaar te maken in hun werkuren. Verleden Zaterdag heb je gesproken over de schade die de werklui zullen lijden door onze nieuwe machines en door de nieuwe methode van werken op de werf. Waarom doe je dat?

AUNE. Dat doe ik om de maatschappij te steunen.

KRAP. Dat is zonderling! De consul zegt juist dat zoo iets de maatschappij onderste boven gooit!

AUNE. Mijn maatschappij is niet die van den heer Bernick, meneer Krap. Als president van den werkliedenbond moet ik....

KRAP. Je bent in de allereerste plaats meesterknecht op de werf van den heer Bernick. Je hebt in de allereerste plaats je plicht te doen jegens den bond genaamd "de firma Bernick", want daarvan leven wij allemaal.... Ziezoo, nu weet je wat de consul je te zeggen had.

AUNE. De consul zou het niet op die manier gezegd hebben, meneer Krap! Maar ik begrijp best aan wien ik dit te danken heb ... aan dien vervloekten Amerikaan die hier in reparatie ligt. De menschen willen dat hier net zoo gewerkt zal worden als zij daarginder gewend zijn, en dat....

KRAP. Nou ja, hoor ... met die praatjes kan ik me niet inlaten. Je weet nu hoe mijnheer Bernick er over denkt, en dus basta! Ga nu alsjeblieft naar de werf terug, ze kunnen je daar noodig hebben; ik kom zelf straks ook. Excuseert dames! (_Hij groet en gaat door den tuin de straat op. Aune gaat stil naar rechts. Rörlund, die gedurende dit op gedempten toon gevoerde gesprek is blijven doorlezen, heeft even daarna het boek uit en slaat het dicht_).

RÖRLUND. Ziezoo, lieve toehoorderessen, hiermee is het uit.

MEVR. RUMMEL. Och, wat een leerrijk verhaal!

MEVR. HOLT. En zoo stichtelijk!

MEVR. BERNICK. Zoo'n boek geeft waarlijk heel wat om over na te denken.

RÖRLUND. O ja; het is een weldadige tegenhanger van al de dingen, die wij helaas, iederen dag zoowel in couranten als tijdschriften te lezen krijgen. Die vergulde en geblankette buitenzijde die de groote maatschappij ten toon stelt, wat verbergt die eigenlijk? Leegheid en verrotting als ik het zoo zeggen mag. Daar is heelemaal geen moreele vaste ondergrond onder de voeten. In één woord, het is een gepleisterd graf, die groote hedendaagsche maatschappij.

MEVR. HOLT. Ja ... dat is maar al te waar.

MEVR. RUMMEL. Wij hoeven alleen maar te zien naar de Amerikaansche zeelui, die tegenwoordig hier in de haven liggen.

RÖRLUND. Och, van zulk uitschot der menschheid wil ik niet eens spreken. Maar zelfs in de hoogere kringen ... hoe is het daar gesteld? Twijfel en gisting overal; onrust in de gemoederen en onvastheid in alle verhoudingen. Wat is het familieleven niet ondermijnd daarginder. Wat een dringen en drijven om zelfs de hoogste waarheden onderste boven te halen.

DINA (_zonder op te zien_). Maar gebeuren daar ook niet wel groote dingen?

RÖRLUND. Groote dingen...? Ik begrijp niet....

MEVR. HOLT (_verbaasd_). Maar lieve hemel, Dina...!

MEVR. RUMMEL (_tegelijkertijd_). Maar Dina, hoe verzin je 't...?

RÖRLUND. Ik zou het niet als een geluk beschouwen als zulk soort van dingen hier ook gebeurden. Neen, dan mogen wij God nog wel danken dat het hier is zooals het is. Wel groeit ook hier helaas veel onkruid onder de tarwe, maar wij doen toch braaf ons best om dat zoo goed mogelijk uit te roeien. Het komt er op aan, dames, al het onreine en verderfelijke ver van ons te houden, dat een onrustige tijd ons wil opdringen.

MEVR. HOLT. En daarvan is hier ook al meer dan genoeg, helaas!

MEVR. RUMMEL. Ja, 't heeft verleden jaar toch maar een haartje gescheeld of wij hadden hier ook al een spoorweg gekregen.

MEVR. BERNICK. Dat heeft Bernick gelukkig nog kunnen tegenhouden.

RÖRLUND. De Voorzienigheid, mevrouw. U kan er van overtuigd zijn, dat uw man het werktuig was in de hand van een Hoogere Macht, toen hij weigerde zich met die zaak in te laten.

MEVR. BERNICK. En toch werd hij zoo aangevallen in de couranten. Maar wij vergeten heelemaal u te bedanken, mijnheer Rörlund. Het is waarlijk meer dan vriendelijk van u ons zooveel van uw kostbaren tijd te geven.

RÖRLUND. Geen kwestie van ... nu in de vacantie....

MEVR. BERNICK. Nu ja ... maar het is toch heusch wel een offer....

RÖRLUND (_haalt zijn stoel dichterbij_). Spreek daar toch nooit van, lieve mevrouw. Brengt u niet allemaal een offer ter wille van een goede zaak? Of brengt u het soms niet gewillig en blijmoedig? Deze moreel-verdorvenen, aan wier verbetering wij arbeiden, zijn te beschouwen als gewonde soldaten op een slagveld. U, dames, zijt allemaal de diaconessen, de liefdezusters die pluksel maken voor de arme ongelukkigen, met zachte hand verbanden aanlegt om de wonden, ze verpleegt en geneest.

MEVR. BERNICK. Het moet toch wel een hemelsche gaaf zijn om alles in zoo'n mooi licht te kunnen zien.

RÖRLUND. Veel is er in zoo iets aangeboren, maar veel kan men ook verwerven. 't Komt er maar op aan de dingen te zien in het licht van een ernstigen levenstaak. Wat zegt u er van, juffrouw Bernick? Vindt u niet dat u om zoo te zeggen op een steviger grondslag staat, sedert u zich wijdt aan de school?

MARTHA. Och, ik weet eigenlijk niet wat ik zeggen moet. Soms als ik daarginder de school binnenga, wou ik dat ik ver weg was op de wilde zee.

RÖRLUND. Ach ja, dat zijn de booze aanvechtingen, lieve juffrouw. Maar voor dergelijke onstuimige gasten moeten wij onze deur streng gesloten houden. De wilde zee ... dat meent u natuurlijk niet letterlijk; u bedoelt de groote golvende menschenwereld daarbuiten, waar zoo velen te gronde gaan. En hecht u dan waarlijk zooveel waarde aan dat leven dat u daarginder hoort bruisen en ruischen? Kijk eens op straat. Daar loopen de menschen zweetend en zwoegend in de brandende zon en maken het zich druk met al hun zaken. Neen, dan hebben wij het toch heusch beter, wij, die hier in de koelte zitten en onzen rug kunnen keeren naar den kant van waar de moeilijkheden komen....

MARTHA. Och Heer, ja, u heeft stellig wel gelijk....

RÖRLUND. En in een huis als dit ... in een goed en rein thuis, waar het familieleven zich in zijn mooiste gestalte vertoont ... waar vrede en eendracht wonen.... (_tegen mevrouw Bernick_) Waar luistert u naar, mevrouw?

MEVR. BERNICK (_naar de eerste deur links gewend_). Wat praten ze hard daar in de kamer.

RÖRLUND. Is er dan iets bizonders gaande?

MEVR. BERNICK. Ik weet 't niet. Maar ik hoor dat er iemand bij mijn man is.

(_Hilmar Tönnesen, met een sigaar in den mond, komt uit de deur rechts ... hij blijft staan als hij al die dames ziet_).

HILMAR. O, pardon.... (_wil zich terugtrekken_)

MEVR. BERNICK. Neen Hilmar, kom maar hier, je hindert ons niet. Wou je iets?

HILMAR. Neen, ik kwam maar eens kijken. Goeden morgen, dames (_tegen mevr. Bernick_). Nou, wat komt er nu van?

MEVR. BERNICK. Waarvan?

HILMAR. Wel, Bernick heeft immers een vergadering bij elkaar getrommeld.

MEVR. BERNICK. Zoo? Maar wat is er dan eigenlijk aan de hand?

HILMAR. Och, 't is dat gezanik weer over dien spoorweg.

MEVR. RUMMEL. Neen ... maar dat kan toch niet!

MEVR. BERNICK. Die arme Karsten, moet hij daar nu nog al meer onaangenaamheden over hebben....

RÖRLUND. Maar hoe is dat mogelijk, mijnheer Tönnesen? Consul Bernick heeft toch verleden jaar zoo duidelijk te kennen gegeven dat hij geen spoorweg wilde hebben.

HILMAR. Ja, dat dacht ik ook. Maar ik heb daar straks Krap ontmoet en die vertelde dat die spoorweghistorie weer op het tapijt was gebracht, en dat Bernick zou vergaderen met drie geldmannen uit de stad.

MEVR. RUMMEL. 't Wou mij ook al voorkomen of ik Rummel's stem zoo even hoorde.

HILMAR. Ja, mijnheer Rummel is er natuurlijk ook bij, en dan Sandstad van den Steenweg en Michel Vigeland ... de "Heilige Michael" zooals ze hem noemen.

RÖRLUND. Hm....

HILMAR. Pardon, mijnheer Rörlund.

MEVR. BERNICK. En 't was hier nu juist zoo rustig en vredig.

HILMAR. Nou, wat dat betreft, ik heb er niets tegen dat ze weer eens een beetje beginnen te bakkeleien. Dat is ten minste nog eens een afleiding.

RÖRLUND. Mij dunkt zulk soort van afleidingen kunnen wij wel missen.

HILMAR. Dat is een kwestie van temperament. Sommige naturen hebben nu en dan eens een beetje opwekkenden strijd noodig. Maar zoo iets levert het kleine stadsleven helaas maar weinig op, en niet iedereen is het gegeven.... (_hij bladert in het boek van Rörlund_) "De vrouw als dienstbare in de Maatschappij". Wat is dat voor onzin?

MEVR. BERNICK. Hè, Hilmar, zeg dat nu niet. Je hebt zeker dat boek niet gelezen?

HILMAR. Neen, en ik ben ook heelemaal niet van plan het te doen.

MEVR. BERNICK. Je voelt je zeker niet erg lekker vandaag.

HILMAR. Neen, dat doe ik ook niet.

MEVR. BERNICK. Heb je misschien van nacht niet goed geslapen?

HILMAR. Neen, ik heb heel slecht geslapen. Ik wandelde nog een eindje om gisteren avond, voor mijn zenuwen; liep toen nog even op in de societeit en las daar een reisverhaal van de Noordpool. Dat is nog eens iets om een mensch te stalen, als je ze zoo volgt in hun strijd met de elementen.

MEVR. RUMMEL. Maar dat schijnt u toch niet goed bekomen te zijn, mijnheer Tönnesen.

HILMAR. Neen, het is mij heel slecht bekomen. Ik heb mij den heelen nacht om-en-om gerold tusschen waken en slapen en droomde dat ik achterna gezeten werd door een afschuwelijken walrus.

OLAF. Is u nagezeten door een walrus, oom?

HILMAR. Dat heb ik gedroomd, jij domoor! Maar loop jij nou nog altijd te spelen met dien mallen boog? Waarom zie je toch niet een behoorlijk geweer te krijgen?

OLAF. Nou, ik zou wat graag willen, maar....

HILMAR. Want een geweer dat beteekent ten minste wat; daar is altijd iets spannends in als je vuren gaat.

OLAF. En dan zou ik beren kunnen gaan schieten, hè oom? Maar dat mag ik toch niet van Papa.

MEVR. BERNICK. Je moet hem heusch niet zulke dingen in het hoofd praten, Hilmar.

HILMAR. Hm ... een mooi geslacht dat ze opkweeken tegenwoordig! Maken ze me daar een groote drukte over allerlei lichaamsoefeningen ... lieve god ja!... en 't is niets dan een spelletje. Nooit een ernstig streven naar dat echte stalende, dat er steekt in het manmoedig een gevaar te gemoet gaan. Sta daar niet zoo met dien boog naar me te wijzen, jij lummel, die kon wel eens losschieten.

OLAF. Neen oom, er is geen pijl op.

HILMAR. Dat kan je niet weten; er kan toch wel een pijl op zitten. Leg ze weg, zeg ik.... Wat drommel, waarom ben jij niet meegevaren naar Amerika met een van je vaders schepen? Daar kon je nog eens een buffeljacht of een gevecht met Indianen bijwonen misschien.

MEVR. BERNICK. Och maar, Hilmar....

OLAF. Nou, dat zou ik wat graag willen, oom; en misschien zou ik dan ook Johan en tante Lona ook wel ontmoeten.

HILMAR. Hm ... nonsens.

MEVR. BERNICK. Olaf, je kunt nu wel weer in den tuin gaan.

OLAF. Hè Ma, mag ik ook op straat gaan?

MEVR. BERNICK. Ja, maar niet te ver weg. (_Olaf loopt het hekje uit_).

RÖRLUND. U moet dat kind niet zulke dwaasheden in het hoofd praten, mijnheer Tönnesen.

HILMAR. Neen, natuurlijk niet. Hij moet zoet hier blijven bij moeders pappot, zooals zooveel anderen.

RÖRLUND. Maar waarom maakt u dan zelf die reis niet eens?

HILMAR. Ik? Met mijn zenuwlijden? Nou ja, dat spreekt, daar wordt hier niet veel notitie van genomen. Maar buitendien ... een mensch heeft ook plichten in acht te nemen jegens de wereld waarin hij verkeert. Er dient toch wel _iemand_ te zijn om de vaan der idee hoog te houden. Hè! wat schreeuwt hij weer!

DE DAMES. Wie schreeuwt er?

HILMAR. O dat weet ik niet. Ze praten een beetje erg hard daar binnen, en dat maakt mij zenuwachtig.

MEVR. RUMMEL. Dat zal mijn man wel zijn, mijnheer Tönnesen. Maar weet u, hij is zoo gewend in groote vergaderingen te spreken....

RÖRLUND. De anderen praten nu ook zoo zachtjes niet, vind ik.

HILMAR. Neen, godbewaarme, als het er op aan komt de handen op de zakken te houden, dan.... Alles gaat hier immers òp in kleine materieele berekeningen. Bah!

MEVR. BERNICK. Dat is in alle geval beter dan vroeger toen alles in plezier-maken opging.

MEVR. LYNGE. Was het hier heusch zoo erg vroeger?

MEVR. RUMMEL. O mevrouw, als u dat eens wist! U mag blij zijn dat u toen niet hier woonde.

MEVR. HOLT. Ja, hier is heel wat verandering gekomen! Als ik denk hoe het was in mijn meisjestijd....

MEVR. RUMMEL. O ga maar eens in gedachten een veertien, vijftien jaar terug. Lieve, goede hemel, wat een leven was dat! Toen bestonden nog de dansclub en de muziekvereeniging....

MARTHA. En het tooneelgezelschap. Dat herinner ik mij nog heel goed.

MEVR. RUMMEL. Ja, daar werd toen uw stuk gespeeld, mijnheer Tönnesen.

HILMAR (_gaat naar den achtergrond_). Och wat!...

RÖRLUND. Een stuk van den student Tönnesen?

MEVR. RUMMEL. Ja, dat was lang vóór dat u hier kwam, mijnheer Rörlund. Maar het is maar één enkelen keer gespeeld.

MEVR. LYNGE. Heeft u mij niet verteld dat u in dat stuk de rol van de minnares gespeeld heeft, mevrouw Rummel?

MEVR. RUMMEL (_kijkt op zij uit naar Rörlund_). Ik? Dat herinner ik mij heusch niet meer, mevrouw. Maar ik herinner mij nog wel heel goed hoe vreeselijk veel er toen werd uitgegaan.

MEVR. HOLT. Ja, ik weet nog best in welke families er tweemaal in de week een groot diner was.

MEVR. LYNGE. En een rondreizend tooneelgezelschap is er ook eens geweest, heb ik gehoord.

MEVR. RUMMEL. Ja, dat was wel het allerergste!...

MEVR. HOLT (_onrustig_). Hum ... hum....

MEVR. RUMMEL. O? Een tooneelgezelschap? Neen, daar weet ik niets meer van.

MEVR. LYNGE. Ja, de menschen moeten hier heel wat rare stukjes uitgehaald hebben. Wat waren dat eigenlijk voor histories?

MEVR. RUMMEL. Och, mevrouw, dat had eigenlijk niets te beduiden.