Chapter 10
BERNICK. Luistert dan. Het hangt allemaal samen met de spoorweg-kwestie, en dat is niet zoo'n onverschillige zaak als jullie wel denkt. Je hebt zeker wel gehoord dat er het vorige jaar kwestie was van een lijn langs de kust? Daar waren veel stemmen vóór, die meetelden hier in de stad en ook in de omgeving; en ook voornamelijk in de dagbladen. Maar ik wist dat plan te verhinderen, omdat het onze kustvaart schade gedaan zou hebben.
LONA. Ben je zelf geïnteresseerd in die kustvaart?
BERNICK. Ja. Maar niemand durfde mij daarom verdacht maken; mijn algemeen geachte naam was als een scherm en schild boven mijn hoofd. Ik had overigens de schade wel kunnen dragen, maar de plaats zelf had die niet kunnen lijden. Zoo werd er besloten een binnenlandsche lijn aan te leggen. Toen dat gebeurd was, ben ik eens in het geheim gaan opnemen of er een zijlijn aan te leggen was.
LONA. Waarom in het geheim, Karsten?
BERNICK. Heb je hooren spreken over den grooten aankoop van boschgronden, groeven en watervallen...?
JOHAN. Ja, dat gaat immers uit van een consortium buiten de stad?...
BERNICK. Zóó, als die gronden daar nù liggen, zijn ze zoo goed als waardeloos voor de overal verspreid wonende eigenaars. Daardoor zijn ze betrekkelijk goedkoop verkocht. Was er gewacht, totdat die zijlijn een uitgemaakte zaak was, dan zouden de eigenaars ongehoorde prijzen gevraagd hebben.
LONA. Jawel, jawel. Maar verder?
BERNICK. Nu komt dat, wat op verschillende manier uitgelegd kan worden ... dat, wat een man in onze kringen alleen kan doen en bekennen, wanneer hij steunen kan op een vlekkenloozen en geachten naam.
LONA. Wel?
BERNICK. Ik ben 't die dat alles heb opgekocht.
LONA. Jij?
JOHAN. Voor eigen rekening?
BERNICK. Voor eigen rekening. Komt die zijlijn tot stand, dan ben ik millionnair; komt die niet tot stand, dan ben ik geruïneerd.
LONA. Dat is een waagstuk, Karsten.
BERNICK. Mijn heele vermogen heb ik er aan gewaagd.
LONA. Ik dacht niet zoozeer aan je vermogen, maar als het aan het licht komt, dat....
BERNICK. Ja, dáár zit de knoop. Met een vlekkenloozen naam, zooals de mijne tot nog toe was, kan ik die zaak op mij nemen, er mee voor den dag komen en tegen mijn medeburgers zeggen: "Kijk, dat heb ik gewaagd in het belang van de maatschappij!"
LONA. Van de maatschappij?
BERNICK. Ja; en geen één zal er twijfelen aan mijn bedoelingen.
LONA. Dan zijn hier toch mannen die eerlijker gehandeld hebben dan jij, zonder bijgedachten of nevenbedoelingen.
BERNICK. Wie dan?
LONA. Wel, zoowel Rummel als Sandstad en Vigeland.
BERNICK. Om hen voor mijn plan te winnen ben ik genoodzaakt geweest hen in te wijden in de zaak.
LONA. En...?
BERNICK. Zij hebben een vijfde van de winst voor zich bedongen.
LONA. O, die steunpilaren van de maatschappij!
BERNICK. En is het dan de maatschappij zelf niet die ons dwingt langs kronkelpaden te gaan? Wat zou er gebeurd zijn als ik niet in het geheim gehandeld had? Allemaal zouden zij op die zaak aangevallen zijn, en den heelen boel verdeeld, verspreid, bedorven en verknoeid hebben. Hier in de stad is er buiten mij geen enkel man die zoo'n groote zaak als dit worden zal, zou weten te leiden. Hier in 't land hebben over 't algemeen alleen de van buiten-af gekomen families aanleg voor groote ondernemingen. Daarom spreekt mijn geweten mij dan ook vrij op dit punt. Alleen in _mijn_ handen kunnen deze bezittingen een ware en blijvende zegen worden voor de velen die zij brood verschaffen zullen.
LONA. Ik geloof dat je daarin gelijk hebt, Karsten.
JOHAN. Maar ik ken die velen niet en mijn levensgeluk staat op het spel.
BERNICK. Het welzijn van je geboorteplaats staat ook op het spel. Komen er nu dingen voor den dag, die een schaduw werpen op mijn vroeger leven, dan zullen al mijn tegenstanders met vereende krachten mij aanvallen. Een jeugdige afdwaling wordt in onze maatschappij nooit uitgewischt. Zij zullen mijn heele leven, tusschen toen en nu, gaan napluizen, allerlei kleine voorvallen oprakelen, en ze in het licht van wat er nu bekend geworden is gaan beschouwen en beoordeelen. Ze zullen mij onder het gewicht van geruchten en lasterpraatjes trachten te verpletteren. Van die spoorwegzaak moet ik mij terugtrekken; en als _ik_ mijn hand daarvan aftrek, dan valt die, en ik ben met één slag geruïneerd en maatschappelijk dood.
LONA. Johan, na wat je gehoord hebt, moet je heengaan en zwijgen.
BERNICK. Ja, o ja, Johan, dat moet je!
JOHAN. Goed; ik zal weggaan en zwijgen; maar ik kom terug en dan zal ik spreken.
BERNICK. Blijf daarginder, Johan; blijf zwijgen, en ik ben bereid alles met je te deelen....
JOHAN. Hou je geld maar; maar geef mij mijn goeden naam terug.
BERNICK. Door den mijnen op te offeren!
JOHAN. Dat moet je maar met je eigen wereldje zien klaar te spelen. Ik moet en kan en wil Dina hebben. Daarom ga ik morgen al weg met de "Indian Girl".
BERNICK. Met de "Indian Girl"?
JOHAN. Ja. De kapitein heeft beloofd mij mee te nemen. Ik ga terug, verkoop mijn farm en regel mijn zaken. Over twee maanden ben ik weer hier.
BERNICK. En zal je dan spreken?
JOHAN. Dan moet de schuldige zelf maar de schuld op zich nemen.
BERNICK. Vergeet je dat ik dan ook dát op mij nemen moet, waaraan ik mij niet schuldig heb gemaakt?
JOHAN. Wie was het die vijftien jaar geleden profiteerde van dat schandelijke praatje?
BERNICK. Je drijft mij tot wanhoop! Maar als je spreekt, ontken ik alles! Ik zeg dat het een complot tegen mij is, een wraakneming; dat je bent overgekomen om mij geld af te persen!
LONA. Schaam je, Karsten!
BERNICK. Ik ben wanhopig, zeg ik je, en ik vecht voor mijn leven. Ik ontken alles, alles!
JOHAN. Ik heb je twee brieven. In mijn koffer vond ik ze tusschen mijn andere papieren. Van ochtend las ik ze nog eens door; die spreken duidelijk genoeg.
BERNICK. En die brieven wil je overleggen?
JOHAN. Als het noodig mocht worden ... ja.
BERNICK. En over twee maanden ben je weer hier terug?
JOHAN. Dat hoop ik. De wind is goed. Over drie weken ben ik in New-York ... als de "Indian Girl" niet vergaat.
BERNICK (_schrikt_). Vergaat? Waarom zou de "Indian Girl" vergaan?
JOHAN. Ja, dat zeg ik ook.
BERNICK (_bijna onhoorbaar_). Vergaan?
JOHAN. Dus, Bernick, je weet nu wat je te wachten staat; je moet in dien tusschentijd maar raad schaffen. Vaarwel! Betty mag je van mij groeten, hoewel zij zich weinig zusterlijk jegens mij gedragen heeft. Maar Martha wil ik toch nog even zien. Zij moet aan Dina zeggen ... zij moet mij beloven.... (_hij gaat weg door de verste deur links_).
BERNICK (_in zich zelf_). "Indian Girl"...? (_snel_). Lona, je _moet_ dat verhinderen!
LONA. Je ziet het zelf, Karsten ... ik heb geen macht meer over hem (_zij volgt Johan in de kamer links_).
BERNICK (_onrustig_). Vergaan...?
(_Aune komt op van rechts_).
AUNE. Excuseer, is meneer de consul bezig?
BERNICK (_keert zich driftig om_). Wat wil je?
AUNE. Verzoeken of ik meneer een vraag mag doen?
BERNICK. Nou ja; gauw dan. Wat wou je vragen?
AUNE. Ik wou vragen of het vast staat ... onomstootelijk vast ... of ik afgedankt word als de "Indian Girl" morgen niet zou kunnen uitzeilen?
BERNICK. Wat is dàt? Het schip _is_ immers zeilklaar?
AUNE. Ja ... dat is zoo. Maar als het nu eens niet zoo was ... werd ik dan ontslagen?
BERNICK. Wat moet dat met zulke doellooze vragen?
AUNE. Ik zou dat zoo graag willen weten, meneer Bernick. Zeg u alleen maar of ik ontslagen worden zou?
BERNICK. Ben ik gewoon mijn woord te houden of niet?
AUNE. Ik zou dus morgen mijn positie verliezen in mijn huis en onder hen die mij het naast zijn ... mijn invloed verliezen onder den werkmansstand ... alle gelegenheid verliezen om nuttig werkzaam te zijn onder de geringen en laaggeplaatsten in de maatschappij.
BERNICK. Aune, die zaak is afgedaan.
AUNE. Nou, dan moet de "Indian Girl" maar uitgaan.
(_Korte stilte_).
BERNICK. Hoor eens, ik kan mijn oogen niet overal hebben; kan niet voor alles aansprankelijk zijn;... je kunt mij toch wel de verzekering geven dat de reparaties behoorlijk uitgevoerd zijn?
AUNE. U heeft mij een erg korten termijn gesteld, meneer.
BERNICK. Maar de reparaties zijn betrouwbaar, zeg je?
AUNE. Nou ... we hebben goed weer en het is zomer.
(_Weer zwijgen_).
BERNICK. Heb je me anders niets te zeggen?
AUNE. Anders weet ik niet, meneer de consul.
BERNICK. Dus de "Indian Girl" zeilt uit?...
AUNE. Morgen?
BERNICK. Ja.
AUNE. Goed. (_Hij groet en gaat heen_).
(_Bernik staat een oogenblik besluiteloos; gaat dan snel naar de entree-deur, alsof hij Aune wilde terugroepen; maar blijft onrustig staan met de hand op den deurknop. Op hetzelfde oogenblik wordt de deur van buiten geopend en treedt Krap binnen_).
KRAP (_gedempt_). O zoo, hij was dus hier. Heeft hij bekend?
BERNICK. Hm...; heeft u iets ontdekt?
KRAP. Waarvoor zou dat nog noodig zijn? Zag u niet aan zijn oogen dat zijn geweten niet zuiver is?
BERNICK. Och wat;... zoo iets kan men niet zien. Heeft u iets ontdekt, vraag ik?
KRAP. Kon er niet bij komen; was te laat; ze waren al bezig het schip uit het dok te halen. Maar juist die haast bewijst duidelijk dat....
BERNICK. Bewijst niets. Het schip is dus gekeurd?
KRAP. Natuurlijk; maar....
BERNICK. Ziet u nu wel. En men heeft natuurlijk geen klachten over iets uitgebracht?
KRAP. Mijnheer Bernick, u weet maar al te goed hoe dat keuren in zijn werk gaat, vooral op een werf, die zoo'n goeden naam heeft als het onze.
BERNICK. Dat doet er niet toe. Wij zijn van de verantwoordelijkheid af.
KRAP. Mijnheer Bernick, heeft u waarlijk niet kunnen merken aan Aune, dat...?
BERNICK. Aune heeft mij volmaakt gerustgesteld, zeg ik u.
KRAP. En ik zeg u, dat ik moreel overtuigd ben, dat....
BERNICK. Wat moet dat beteekenen, mijnheer Krap? Ik merk wel dat u iets tegen den man heeft; maar wil u hem te lijf, dan moet u een andere aanleiding zoeken. U weet hoeveel er mij aan gelegen is ... of beter gezegd aan de reederij ... dat de "Indian Girl" morgen onder zeil gaat.
KRAP. Goed, goed; dan moet het maar; maar eer wij van dàt schip weer wat hooren ... hm!
(_Vigeland komt van rechts op_).
VIGELAND. Uw dienaar, meneer Bernick. Heeft u een oogenblik tijd?
BERNICK. Tot uw dienst, mijnheer Vigeland.
VIGELAND. Ik kwam alleen maar eens hooren of u er ook niet voor is dat "de Palmboom" morgen uitgaat?
BERNICK. Ja zeker; dat is ook zoo afgesproken.
VIGELAND. Maar nu komt de kapitein bij mij en zegt dat er storm gesignaleerd is.
KRAP. De barometer is sedert van ochtend sterk gedaald.
BERNICK. Zoo? Wordt er storm verwacht?
VIGELAND. Een stijve koelte althans; maar geen tegenwind, integendeel....
BERNICK. Hm; ja, wat zegt u er van?
VIGELAND. Ik zeg, zooals ik ook tegen de kapitein zei, dat "de Palmboom" in de hand der Voorzienigheid is. En buitendien gaat ze vooreerst toch alleen de Noordzee over; en in Engeland zijn de vrachtprijzen juist nu nog al tamelijk hoog, zoodat....
BERNICK. Ja, het zou waarschijnlijk lijden tot verlies voor ons als wij wachten.
VIGELAND. Het schip is immers ook solide en bovendien voor de volle waarde geassureerd. Neen, dan is het heel wat grooter risico met de "Indian Girl".
BERNICK. Hoe bedoelt u dat?
VIGELAND. Die zeilt immers ook morgen uit?
BERNICK. Ja, de reederij heeft er erg achter heen gezeten, en bovendien....
VIGELAND. Nou, als die oude kast het er op wagen kan ... en met zoo'n bemanning op den koop toe ... dan zou het wel schande zijn als wij niet....
BERNICK. Zeker, zeker. U heeft vermoedelijk de scheepspapieren bij u?
VIGELAND. Ja, hier zijn ze.
BERNICK. Best; wil u dan maar naar binnen gaan met mijnheer Krap.
KRAP. Alsjeblieft; komt dadelijk in orde.
VIGELAND. Dank u.... En de uitkomst geven wij over aan de Almachtige, meneer de consul. (_Hij gaat met Krap in de voorste kamer links. Rörlund komt door den tuin op_).
RÖRLUND. Welzoo, tref ik u om dezen tijd van den dag thuis, mijnheer Bernick.
BERNICK (_in gedachte_). Zooals u ziet.
RÖRLUND. Ik kom eigenlijk voor mevrouw. Ik dacht zoo dat een woord van troost haar welkom zou zijn.
BERNICK. Dat zal het zeker. Maar _ik_ zou ook wel eens graag willen spreken.
RÖRLUND. Met genoegen, mijnheer Bernick. Maar wat scheelt u? U ziet er zoo bleek en ontdaan uit.
BERNICK. Zoo? Waarlijk? Ja, hoe kan het ook anders ... wat stapelt zich deze laatste dagen niet alles op elkaar om mij heen. Mijn eigen groote zaak ... en die spoorweg.... Hoort eens, mijnheer Rörlund. Mag ik u eens een vraag doen?
RÖRLUND. Volgaarne.
BERNICK. Ik ben over iets aan het denken geraakt. Als men voor een zaak staat van zoo vèrstrekkenden invloed, dat de welvaart van duizenden ermee gemoeid is.... Als dat nu een één enkel offer noodig maakte?
RÖRLUND. Hoe meent u dat?
BERNICK. Bijvoorbeeld: iemand denkt er over een groote fabriek op te richten. Hij weet zeker ... want dat heeft de ondervinding hem geleerd ... dat vroeger of later het bedrijf in die fabriek menschenlevens kosten zal.
RÖRLUND. Ja, dat is maar al te waarschijnlijk.
BERNICK. Of een ander gaat mijnen exploiteeren. Hij neemt zoowel huisvaders als jonge levenslustige menschen in zijn dienst. Is het niet met zekerheid vooruit te zeggen dat die niet allen het leven er zullen afbrengen?
RÖRLUND. Ja, helaas, dat is maar al te waar.
BERNICK. Dus zoo iemand weet vooruit dat de zaak die hij ondernemen wil, zonder twijfel menschenlevens kosten zal. Maar die onderneming is van algemeen belang; voor ieder menschenleven dat ze kost zal hij evenzeer zonder twijfel de welvaart van honderden bevorderen.
RÖRLUND. Jawel, u denkt aan de spoorweg ... aan al die gevaarlijke uitgravingen, het laten springen van rotsen, en zoo al meer....
BERNICK. Ja ... juist, ik denk aan den spoorweg. En bovendien ... de spoorweg zal zoowel fabrieken als bergwerken doen ontstaan. Maar denkt u niet dat toch....
RÖRLUND. Waarde mijnheer Bernick, u is haast al te nauwgezet. Ik bedoel dat als u de zaak overgeeft in de hand der Voorzienigheid....
BERNICK. Ja ... zeker; de Voorzienigheid....
RÖRLUND. ... dan is u verantwoord. Leg u maar gerust uw spoorweg aan.
BERNICK. Ja, maar nu stel ik eens een bizonder geval. Ik stel, dat men op een gevaarlijke plek een rots moet laten springen; maar dat is dáár bepaald noodzakelijk om den spoorweg tot stand te doen komen. Ik stel dat de ingenieur weet dat het den werkman, die de mijn moet doen ontvlammen, het leven kosten zal; maar het is de plicht van den ingenieur den werkman er heen te zenden om het te doen.
RÖRLUND. Hm....
BERNICK. Ik weet wat u zeggen wil. Het zou groot zijn als de ingenieur zelf de lont nam en er heen ging om de mijn te laten springen. Maar zoo iets doet men niet. Hij moet dus den werkman opofferen.
RÖRLUND. Dat zou geen ingenieur bij ons ooit doen.
BERNICK. Geen enkel ingenieur in de groote landen zou zich een oogenblik bedenken om het te doen.
RÖRLUND. In de groote landen? Neen, dat geloof ik graag. In die verdorven en gewetenlooze maatschappij....
BERNICK. O, er is heel veel goeds in die maatschappij.
RÖRLUND. En dat kan u zeggen, u, die zelf...?
BERNICK. In de groote maatschappij heeft iemand toch de ruimte om een nuttige onderneming te pousseeren; daar heeft men den moed iets op te offeren voor een groote zaak; maar hier wordt men belemmerd door allerlei onbeduidende consideraties en bedenkingen.
RÖRLUND. Is een menschenleven een onbeduidende consideratie?
BERNICK. Wanneer dit menschenleven nu als een belemmering staat tegenover de welvaart van duizenden?
RÖRLUND. Maar u stelt gewoon ondenkbare gevallen, mijnheer! Ik begrijp u van daag heelemaal niet. En dan wijst u op de groote maatschappij.... Ja, daarginder, wat is een menschenleven dáár waard? Daar rekent men met menschenlevens als met kapitalen. Maar wij staan toch op een geheel ander zedelijk standpunt, zou ik denken. Kijk maar eens naar onzen eerwaardigen reeders-stand! Noem een enkelen reeder hier bij ons, die om snoode winst een menschenleven zou opofferen! En denk eens aan die schurken daarginder in de groote maatschappij, die ter wille van de winst het eene onzeewaardige schip na het andere bevrachten....
BERNICK. Ik spreek niet van onzeewaardige schepen!
RÖRLUND. Maar _ik_ spreek er van, mijnheer Bernick.
BERNICK. Maar wat heeft dat er nu mee te maken? Dat raakt de heele zaak niet.... O, die kleine angstvallige overwegingen! Als een generaal bij ons zijn troepen in het vuur moest brengen en ze laten neerschieten, zou hij er achterna slapelooze nachten van hebben. Zoo is het elders niet. U moest eens hooren wat hij daarbinnen vertelt....
RÖRLUND. Hij? Wie? De Amerikaan?...
BERNICK. Ja, hij. U moet eens hooren hoe men in Amerika....
RÖRLUND. Is hij binnen? En dat zegt u mij niet? Ik zal dadelijk....
BERNICK. Het helpt u toch niets; met hem komt u toch niet verder.
RÖRLUND. Dat zullen wij eens zien. O daar is hij. (_Johan komt uit de kamer links_).
JOHAN (_praat in de open deur tegen iemand daar binnen_). Ja, ja, Dina, 't is goed; maar ik laat je toch niet los. Ik kom terug, en dan zal alles in orde komen tusschen ons.
RÖRLUND. Met verlof, wat wil u daarmee zeggen? Wat is u van plan?
JOHAN. Ik ben van plan het jonge meisje bij wie u mij gisteren belasterd heeft, tot mijn vrouw te maken.
RÖRLUND. Tot uw?... En zou u denken dat...?
JOHAN. Ik wil dat zij mijn vrouw zal worden.
RÖRLUND. Nu, dan zal u ook hooren.... (_gaat naar de half-openstaande deur_). Mevrouw Bernick, wil u zoo goed zijn getuige te zijn.... En u ook, juffrouw Martha. En laat u Dina even hier komen (_ziet Lona_). O, is u ook hier?
LONA (_in de deur_). Moet ik ook komen?
RÖRLUND. Zooveel als maar willen; hoe meer hoe beter.
BERNICK. Wat is u van plan?
(_Lona, mevr. Bernick, Martha, Dina en Hilmar komen uit de kamer_).
MEVR. BERNICK. Mijnheer Rörlund, ik heb met den besten wil niet kunnen beletten....
RÖRLUND. _Ik_ zal het hem beletten, mevrouw.... Dina, je bent een onbezonnen meisje. Maar ik verwijt je dat niet zoo heel erg. Je hebt al veel te lang hier den zedelijken steun ontbeerd, die je staande moest houden. Ik maak er mezelf een verwijt van dat ik je dien steun al niet lang gegeven heb.
DINA. U moet nu niets zeggen!
MEVR. BERNICK. Wat moet dat beteekenen?
RÖRLUND. Juist nu moet ik spreken, Dina, hoewel je gedrag gisteren en van daag het mij tienmaal moeilijker heeft gemaakt. Maar om jou te redden moeten alle andere overwegingen zwichten. Je herinnert je de woorden die ik tegen je zei; je herinnert je welk antwoord je beloofde mij te zullen geven als ik vond dat de tijd gekomen was. Nu mag ik mij niet langer bedenken, en daarom ... (_tegen Johan_) dit jonge meisje, dat u met uw aanzoeken lastig valt, is mijn verloofde!
MEVR. BERNICK. Wat zegt u daar?
BERNICK. Dina!
JOHAN. Zij! Uw...?
MARTHA. O neen, neen, Dina!
LONA. Leugens.
JOHAN. Dina ... zegt die man de waarheid?
DINA (_na een oogenblik_). Ja.
RÖRLUND. Hiermee zijn, naar ik hoop, alle verleidingskunsten machteloos gemaakt. De stap, dien ik in Dina's belang besloten heb te doen, mag volgaarne in onzen heelen kring bekend gemaakt worden. Ik voed de stellige hoop, dat er geen verkeerden uitleg aan gegeven worden zal. Maar nu, mevrouw, geloof ik dat wij het best zullen doen haar hier van daan te brengen, en te trachten weer rust en evenwicht in haar ziel te doen terugkeeren.
MEVR. BERNICK. Ja, kom mee! O, Dina, wat een geluk voor je! (_zij leidt haar weg naar links; Rörlund gaat met hen mee_).
MARTHA. Vaarwel, Johan! (_zij gaat weg_).
HILMAR (_in de tuindeur_). Hum ... nou moet ik dan toch zeggen....
LONA (_die Dina met de oogen gevolgd heeft_). Niet den moed verliezen, jongen. Ik blijf hier en zal op den dominee passen (_zij gaat weg naar rechts_).
BERNICK. Johan, nu ga je toch niet weg met de "Indian Girl"?
JOHAN. Juist nu wel.
BERNICK. Maar dan kom je toch niet terug?
JOHAN. Ik kom wèl terug.
BERNICK. Na wat er gebeurd is? Wat wil je dan nu nog?
JOHAN. Me op jullie allemaal wreken; er zooveel ik maar kan van jullie verpletteren.
(_Hij gaat naar rechts af. Vigeland en Krap komen uit Bernick's kamer_).
VIGELAND. Ziezoo, nu zijn de papieren in orde, meneer de consul.
BERNICK. Goed, goed....
KRAP (_gedempt_). En het blijft er dus bij dat de "Indian Girl" morgen uitzeilt?
BERNICK. Die zeilt uit. (_Hij gaat in zijn kamer. Vigeland en Krap gaan weg naar rechts. Hilmar wil met hen meegaan, maar op hetzelfde oogenblik steekt Olaf voorzichtig zijn hoofd buiten de deur links_).
OLAF. Oom! Oom Hilmar!
HILMAR. Oeh ben jij het? Waarom blijf je niet boven? Je hebt immers huisarrest.
OLAF (_een paar passen naar voren_). Stil! Oom Hilmar, weet u 't nieuws?
HILMAR. Ja, ik weet dat je een pak slaag hebt gehad van daag.
OLAF (_kijkt dreigend naar de kamer van zijn vader_). Hij zal me niet dikwijls meer slaan. Maar weet u dat oom Johan morgen uitzeilt met de Amerikanen?
HILMAR. Wat raakt jou dat? Maak dat je naar boven komt.
OLAF. Ik zal misschien toch nog wel eens meegaan op buffeljacht, oom!
HILMAR. 't Mocht wat; zoo'n papkind als jij....
OLAF. Ja, wacht maar; morgen zal u eens wat hooren!
HILMAR. Lummel!
(_Hij gaat weg door den tuin. Olaf gaat de kamer weer in en sluit de deur als hij Krap ziet, die van rechts komt_).
KRAP (_gaat naar de deur van Bernick's kamer en doet die half open_). Excuseer dat ik nog eens terugkom, mijnheer Bernick ... maar er komt een geweldige storm opzetten. (_Wacht een oogenblik; geen antwoord_). Moet de "Indian Girl" toch uitgaan? (_na een korte pauze antwoordt:_)
BERNICK. De "Indian Girl" gaat toch uit.
(_Krap sluit de deur en gaat weer weg naar rechts_).
EINDE VAN HET DERDE BEDRIJF.
[Illustratie: Mevr. Th. Mann-Bouwmeester als Lona in De steunpilaren der Maatschappij, 4e Bedrijf]
* * * * *
VIERDE BEDRIJF.
Tuinkamer bij Bernick. De groote tafel is weggenomen. Het is een stormachtige namiddag en al schemerdonker. De duisternis neemt toe onder het volgende.
Een bediende steekt de kroon aan; een paar dienstmeisjes brengen bloempotten, lampen en kaarsen, die zij op de tafels en guéridons langs de wanden neerzetten. Rummel, in rok en witte das, met handschoenen aan, staat in de kamer en geeft aanwijzingen.
* * * * *
RUMMEL (_tegen den knecht_). Niet alle kaarsen, Jacob, om den anderen maar. Het mag er niet àl te feestelijk uitzien, het moet een verrassing zijn. En al die bloemen...? Nou ja, laat die maar staan; de menschen kunnen denken dat die er alle dag staan....
(_Bernick komt uit zijn kamer_).
BERNICK (_nog in de deur_). Wat beteekent dat?
RUMMEL. O jé, ben jij daar al? (_tegen het personeel_). Ja, nu moet je zoo lang maar heengaan. (_De knecht en de meisjes gaan door de verste deur links weg_).
BERNICK (_komt naderbij_). Maar Rummel, wat beteekent dat toch?
RUMMEL. Dat beteekent dat het mooiste oogenblik van je leven gekomen is. De stad brengt van avond aan zijn voornaamsten burger een serenade.
BERNICK. Wàt zeg je?
RUMMEL. Een serenade met muziek! Fakkels zouden wij er ook bij gehad hebben, maar dat durfden wij niet te wagen met dit stormachtige weer. Maar geïllumineerd wordt er; en dat klinkt ook allemaal heel goed als het in de couranten komt.
BERNICK. Hoor eens, Rummel, daar wil ik niets mee te maken hebben.
RUMMEL. Ja, het is nu te laat; over een half uur hebben wij ze hier.
BERNICK. Maar waarom heb je mij daar vooruit niets van gezegd?
RUMMEL. Juist omdat ik bang was dat je er iets tegen zoudt hebben. Maar ik heb met je vrouw gecomplotteerd. Zij stond mij toe een-en-ander te arrangeeren en zal ook voor ververschingen zorgen.
BERNICK (_luistert_). Wat is dat? Zijn ze daar al? 't Is of ik hoor zingen.
RUMMEL (_bij de tuindeur_). Zingen? O, dat zijn de Amerikanen maar. Dat is de "Indian Girl" die uitgaat.
BERNICK. Gaat die uit? Ja ... neen, ik kan van avond niet, Rummel, ik ben ziek.