Dramatische werken

Chapter 11

Chapter 114,034 wordsPublic domain

RUMMEL. Ja, je ziet er werkelijk slecht uit. Maar je moet je een beetje opmonteren. Wat bliksem, kerel, je _moet_. Sandstad en Vigeland en ik hechten het grootste gewicht aan het gelukken van die ovatie. Onze tegenstanders moeten verpletterd worden onder den druk van een zoo algemeen mogelijke uiting van sympathie. Er komen al geruchten in omloop; het bericht van de terrein-aankoopen is niet langer stil te houden. Je moet noodzakelijk al van avond, onder gezang en mooie toespraken en het klinken van glazen, enfin, onder den indruk van een gloeiende feeststemming, hen laten weten wat je voor het welzijn der maatschappij geriskeerd hebt. Onder den indruk van zoo'n gloeiende feeststemming, zooals ik zoo even zei, kan men hier bij ons ontzettend veel bereiken. Maar die hoort er dan ook bij, anders gaat het niet.

BERNICK. Jawel, jawel....

RUMMEL. En vooral als je met zoo'n delicate en netelige zaak voor den dag moet komen. Nou, je hebt Goddank, een naam die een duwtje velen kan. Maar luister eens; we moesten toch eerst eens het een-en-ander afspreken. Hilmar Tönnesen heeft een vers op je gemaakt. Het begint heel mooi met de woorden: "Houdt hoog het vaandel der idee." En Rörlund heeft de opdracht gekregen de feestrede te houden. Daar moet je natuurlijk op antwoorden.

BERNICK. Dat kan ik niet van avond, Rummel. Zou jij 't niet...?

RUMMEL. Onmogelijk, al zou ik 't graag doen. De toespraak wordt, zooals je wel denken kunt, voornamelijk tot jou gericht. Nou, misschien krijgen wij anderen ook wel een paar woorden. Ik heb er met Vigeland en Sandstad over gesproken. Wij dachten zoo dat jij met een "leve het welzijn van onze maatschappij" zou kunnen antwoorden; Sandstad zal eenige woorden spreken over de eendracht tusschen de verschillende klassen onzer maatschappij; Vigeland zal dan iets zeggen van hoe gewenscht het is dat de nieuwe onderneming het moreele fondament waarop wij staan, niet zal doen wankelen, en ik denk met een paar gepaste woorden de vrouwen te gedenken, wier meer bescheiden werkkring ook niet zonder beteekenis is voor de maatschappij. Maar je luistert heelemaal niet....

BERNICK. Jawel ... zeker. Maar zeg eens, geloof je dat het zwaar weer is op zee?

RUMMEL. O, je bent bang voor "de Palmboom"? Die is immers goed geassureerd.

BERNICK. Geassureerd, ja; maar....

RUMMEL. En een flink schip; en dat is het voornaamste.

BERNICK. Hm.... Als er iets gebeurt met een schip, dan is het daarom nog niet gezegd dat er menschenlevens mee verloren gaan. Het schip en de lading kunnen verloren gaan ... en men kan koffers en papieren verliezen....

RUMMEL. Wat drommel, koffers en papieren beteekenen toch zooveel niet.

BERNICK. Dat niet! Neen, neen, ik wou maar zeggen.... Stil ... daar zingen ze weer.

RUMMEL. Dat is aan boord van "de Palmboom".

(_Vigeland komt van rechts_).

VIGELAND. Ja, "de Palmboom" loopt aanstonds uit. Goeden avond, meneer de consul.

BERNICK. En u, die een zeevaartkundige is, blijft u er bij dat...?

VIGELAND. Ik houd mij aan de Voorzienigheid, meneer de consul. Bovendien ben ik zelf aan boord geweest en heb eenige traktaatjes uitgedeeld, die, naar ik hoop, een gezegende uitwerking zullen hebben.

(_Sandstad en Krap komen van rechts_).

SANDSTAD (_nog in de deur_). Ja, als dàt goed gaat, dan gaat alles goed. Zoo, goeden avond, goeden avond!

BERNICK. Is er iets aan de hand, mijnheer Krap?

KRAP. Ik zeg niemendal, mijnheer Bernick.

SANDSTAD. De heele bemanning op de "Indian Girl" is dronken. Ik zal geen eerlijk man zijn als die beesten er levend afkomen.

(_Lona komt van rechts_).

LONA (_tegen Bernick_). Zoo ... nu kan ik je van hem groeten.

BERNICK. Al aan boord?

LONA. Zoo dadelijk ten minste. We namen afscheid voor de deur van het hôtel.

BERNICK. En zijn plan staat vast?

LONA. Vast als een rots.

RUMMEL (_bij het raam_). De drommel hale die nieuwmodische inrichtingen! Ik kan die gordijnen niet naar beneden krijgen.

LONA. Moeten ze naar beneden? Ik dacht juist....

RUMMEL. Eerst naar beneden, juffrouw. U weet immers wat er gebeuren gaat?

LONA. Jawel, laat mij u eens helpen. (_Pakt de koorden beet_). Ik laat het gordijn zakken voor mijn zwager ... hoewel ik het liever zou ophalen.

RUMMEL. Dat kan u ook doen, straks. Als de tuin vol menschen is gaan de gordijnen op, en dan zien zij binnen een verraste en blijde familie ... het huis van een stadsburger moet zijn als een glazen huis.

BERNICK (_schijnt iets te willen zeggen, maar keert snel om en gaat naar zijn kamer_).

RUMMEL. Laat ons nu nog even voor het laatst alles afspreken. Kom mee, mijnheer Krap, u moet ons helpen met een paar inlichtingen.

(_Al de heeren gaan de kamer van Bernick binnen. Lona heeft de gordijnen voor het raam dichtgetrokken en wil juist ook dat voor de openstaande glazen deur dichttrekken, als Olaf van bovenaf op de tuinpad springt. Hij heeft een plaid over de schouders en een bundel in de hand_).

LONA. O! Goede Hemel, jongen, is me dat doen schrikken!

OLAF (_verbergt zijn bundel_). Sst! tante!

LONA. Spring je uit het raam? Waar moet je naar toe?

OLAF. Stil; niets zeggen. Ik ga naar oom Johan ... even maar naar de steiger, weet u ... alleen maar even afscheid nemen. Goeden nacht, tante! (_Hij loopt weg door den tuin_).

LONA. Neen, blijf hier! Olaf!... Olaf!

(_Johan, gekleed voor de reis, met een tasch over zijn schouders, komt voorzichtig door de deur rechts_).

JOHAN. Lona!

LONA (_keert zich om_). Wat! Kom je terug?

JOHAN. Ik heb nog een paar minuten tijd. Ik moet haar nog ééns zien. Wij kunnen zóó niet van elkaar gaan.

(_Martha en Dina, allebei met mantels om, en de laatste met een klein valies in de hand, komen door de verste deur links_).

DINA. Naar hem toe! naar hém!

MARTHA. Ja, Dina, je zult naar hem toe!

DINA. Daar is hij!

JOHAN. Dina!

DINA. Neem me mee!

JOHAN. Wat...!

LONA. Wil je dat?

DINA. Ja, neem me mee! Die andere heeft mij geschreven ... heeft gezegd dat van avond alle menschen het weten zullen....

JOHAN. Dina, hou je niet van hem?

DINA. Ik heb nooit van hem gehouden. Ik spring in het water als ik zijn verloofde worden moet. O wat heeft hij mij gisteren vernederd met zijn arrogante woorden! Wat liet hij mij voelen dat hij een minderwaardige tot zich ophief. Ik duld niet langer die geringschatting. Ik wil weg. Mag ik met je meegaan?

JOHAN. Ja, ja ... duizendmaal ja!

DINA. Ik zal je niet lang tot last zijn. Help mij alleen maar om naar Amerika te komen; help mij een beetje terecht in het begin....

JOHAN. Hoera! Dat zal wel in orde komen, Dina!

LONA (_wijst naar Bernick's deur_). Sst; zachtjes, zachtjes!

JOHAN. Dina, ik zal je op de handen dragen!

DINA. Dat mag je niet. Ik wil zelf vooruitkomen; en daarginder kan ik dat wel. Als ik maar eerst van hier weg ben. O, die mevrouwen ... dat weet je nog niet ... die hebben mij ook geschreven van daag. Zij hebben mij vermaand dat ik mijn geluk toch goed beseffen moest, mij voorgehouden hoe grootmoedig hij zich betoond heeft. Morgen en alle dagen zullen zij zitten op te letten om te zien of ik mij dat alles wel waardig maak. Ik heb een afschuw van al die vroomheid!

JOHAN. Zeg mij eens, Dina, is het daarom alleen dat je weggaat? Ben ik niets voor je?

DINA. Zeker, Johan, je bent meer voor mij dan alle andere menschen te zamen.

JOHAN. O Dina...!

DINA. Ze zeggen hier allemaal dat ik je moet haten en verafschuwen, dat dat mijn plicht is. Maar ik begrijp niet waarom dat mijn plicht zou zijn, en zal dat ook nooit leeren begrijpen.

LONA. Dat moet je ook niet, mijn kind!

MARTHA. Neen, dat moet je niet; en daarom moet je ook met hem meegaan als zijn vrouw.

JOHAN. Ja, ja!

LONA. Wat? Daarvoor moet ik je een zoen geven Martha! Dat had ik van jou niet verwacht.

MARTHA. Neen, dat wil ik wel gelooven; ik had 't zelf ook niet verwacht. Maar ééns moest het bij mij tot een uitbarsting komen. Ach, wat gaan wij hier toch gebukt onder den vloek van traditie en gewoonte! Kom daar tegen op, Dina. Word zijn vrouw. Doe iets dat al dien sleur trotseert!

JOHAN. Wat is je antwoord, Dina?

DINA. Ja, ik wil je vrouw worden.

JOHAN. Dina!

DINA. Maar eerst wil ik werken, zelf iets worden ... net als jij. Ik wil geen ding zijn dat genomen wordt.

LONA. Braaf zoo ... zoo moet het wezen.

JOHAN. Goed; ik zal wachten en hopen....

LONA. ... en winnen, jongen! Maar nu aan boord!

JOHAN. Ja, aan boord! O, Lona! mijn lieve zuster, nog even een woordje. Hoor eens.... (_hij gaat met haar naar den achtergrond en spreekt haastig met haar_).

MARTHA. Dina, jij gelukkige!... laat mij je eens aanzien, je nog ééns omhelzen ... voor 't allerlaatst....

DINA. Niet voor 't laatst; neen, lieve, beste tante, wij zullen elkaar terugzien.

MARTHA. Nooit meer! Beloof mij dat, Dina, kom nooit meer terug (_grijpt haar beide handen en kijkt haar aan_). Nu ga je het geluk tegemoet, mijn lief kind ... over de groote zee. O, hoe dikwijls heb ik daar naar verlangd, als ik in de school was! Daarginder moet het mooi zijn, een ruimere hemel; de wolken gaan daar hooger dan hier; een vrijere lucht waait daar over de hoofden der menschen heen....

DINA. O, tante Martha, u volgt ons nog wel eens.

MARTHA. Ik? Nooit; nooit. Hier heb ik mijn kleine levenstaak, en nu geloof ik wel dat ik geheel en onverdeeld zal kunnen worden wat ik zijn moet.

DINA. Ik kan er niet aan denken dat ik van u afscheid nemen moet.

MARTHA. Ach, een mensch kan van veel afscheid nemen, Dina (_kust haar_). Maar dàt zal je, hoop ik, nooit ondervinden, mijn lief kind. Beloof mij dat je hem gelukkig maken zult.

DINA. Ik wil niets beloven; ik heb een hekel aan beloven; alles moet gaan zooals het gaan kan.

MARTHA. Ja, ja; dat is zoo. Blijf jij maar zooals je bent ... waar en trouw tegenover je zelf.

DINA. Dat zal ik, tante.

LONA (_verbergt, terwijl zij terug komt, eenige papieren die Johan haar gegeven heeft_). Braaf, braaf, mijn beste jongen! Maar nu moet je weg!

JOHAN. Ja, nu hebben wij geen tijd meer te verliezen. Vaarwel, Lona; dank voor al je liefde. Vaarwel Martha, en dank, jij ook, voor je trouwe vriendschap.

MARTHA. Vaarwel, Johan! Vaarwel, Dina! En veel geluk je leven lang!

(_Zij en Lona dringen hen zachtjes naar de deur in den achtergrond. Johan en Dina gaan snel den tuin door. Lona sluit de deur en trekt het gordijn er voor_).

LONA. Nu zijn wij alleen, Martha. Jij hebt haar verloren en ik hem.

MARTHA. Jij hèm...?

LONA. O, ik had hem daarginder al half verloren. De jongen begon te verlangen om op eigen beenen te staan; daarom maakte ik hem wijs dat ik heimwee had.

MARTHA. Daarom? Ja dan begrijp ik dat je terugkwam. Maar hij zal naar jou terug verlangen Lona.

LONA. Naar een oude stiefzuster?... wat zou hij daar nù nog aan hebben? Om hun geluk te bereiken, verscheuren mannen zoo gemakkelijk wat hen bindt.

MARTHA. Ja; dat gebeurt wel eens.

LONA. Maar wij blijven bij elkaar, Martha.

MARTHA. Kan ik dan iets voor je zijn?

LONA. Voor wie zou je méér kunnen zijn? Wij twee pleegmoeders ... hebben wij niet allebei onze kinderen verloren? Nu zijn wij alleen.

MARTHA. Ja, alleen. En daarom zal jij het ook weten ... ik heb hem boven alles in de wereld lief gehad.

LONA. Martha! (_grijpt haar arm_). Is dat waar?

MARTHA. Mijn heele leven ligt in die woorden. Ik heb hem liefgehad en op hem gewacht. Iederen zomer heb ik verwacht dat hij komen zou. En toen kwam hij eindelijk;... maar hij zag mij niet.

LONA. Hem liefgehad! En jij zelf was het die hem het geluk in handen gaf.

MARTHA. Zou ik hem het geluk niet geven als ik hem toch liefhad? Ja, ik heb hem liefgehad. Heel mijn leven is een leven voor hèm geweest, van het oogenblik af dat hij wegging. Of ik reden had om te hopen, denk je? O ja, ik geloof wel dat ik daar reden toe had. Maar toen hij nu terugkwam ... toen was het of alles uit zijn herinnering was weggevaagd. Hij zag mij niet.

LONA. Het was Dina die je in de schaduw stelde, Martha.

MARTHA. 't Was goed dat zij het deed. Toen hij wegging indertijd, waren wij van gelijken leeftijd. Toen ik hem terugzag.... O, dat vreeselijke oogenblik!... werd het mij duidelijk dat ik nu tien jaar ouder was dan hij. Hij had daarginder gewerkt in den helderen warmen zonneschijn, en jeugd en gezondheid ingedronken met iederen ademtocht. En terwijl zat ik hier binnen en spon en spon....

LONA. ... den draad van zijn geluk, Martha.

MARTHA. Ja, het was goud dat ik spon, Lona. Geen bitterheid! Niet waar, wij zijn allebei goede zusters voor hem geweest?

LONA (_slaat de armen om haar heen_). Martha!

(_Bernick komt uit zijn kamer_).

BERNICK (_tegen de heeren binnen_). Ja, ja, beschik alles maar zooals je 't best vindt. Als het tijd is zal ik wel.... (_sluit de deur_). O, is daar iemand? Hoor eens, Martha, je moet je een beetje gaan verkleeden. En zeg aan Betty dat zij het ook doet. Ik verlang natuurlijk geen groot toilet ... alleen maar een nette huisjapon. Maar je moet je haasten.

LONA. En een vroolijk, opgeruimd gezicht er bij zetten, Martha, en een paar blijde oogen.

BERNICK. Olaf moet ook beneden komen; ik wil dat hij naast mij zal staan.

LONA. Hm; Olaf....

MARTHA. Ik zal het Betty gaan zeggen (_zij gaat weg door de verste deur links_).

LONA. Dus nu is het gewichtige, plechtige oogenblik gekomen.

BERNICK (_die onrustig op en neer loopt_). Ja ... nu is het er dan.

LONA. Ik kan mij voorstellen dat een man zich op zoo'n oogenblik trotsch en gelukkig voelt.

BERNICK (_kijkt haar aan_). Hm.

LONA. De heele stad zal geïllumineerd zijn, hoor ik.

BERNICK. Ja, zoo iets zijn ze van plan.

LONA. Alle vereenigingen met hun banieren zullen zich aansluiten bij den stoet. Je naam zal in vurige letters prijken. Van nacht zal er naar alle kanten getelegrafeerd worden: "In den kring zijner gelukkige familie ontving Consul Bernick de hulde van zijn medeburgers als een der steunpilaren der maatschappij."

BERNICK. Dat zal wel; en buiten zullen ze hoera roepen, en de menigte zal net zoo lang juichen tot ik mij daar in de deur vertoon, en dan ben ik wel gedwongen om te gaan buigen en bedanken.

LONA. O, gedwongen....

BERNICK. Denk je soms dat ik mij op dit oogenblik gelukkig voel?

LONA. Neen, ik geloof niet dat je je zoo echt heelemaal gelukkig voelen kunt.

BERNICK. Lona, je veracht me.

LONA. Nog niet.

BERNICK. Daartoe heb je ook niet het recht. Niet om mij te _verachten_!... Lona, je kunt niet begrijpen hoe onzegbaar eenzaam ik hier sta in deze benauwde bekrompen maatschappij ... hoe ik jaar op jaar mijn eischen voor een bevredigende levenstaak lager heb moeten stellen. Wat heb ik eigenlijk gedaan, al lijkt het ook nog zooveel? Lapwerk ... prutserijen! Wat anders of wat méér wordt hier niet geduld. Als ik een stap verder zou willen gaan dan strookt met de stemming van de opvatting, die juist aan de orde van den dag zijn, dan was het uit met mijn macht. Weet je wat wij zijn, wij, die beschouwd worden als de steunpilaren van de maatschappij? Wij zijn het werktuig der maatschappij ... niets meer en niets minder.

LONA. Hoe komt het dat je dat nu pas inziet?

BERNICK. Doordat ik veel nagedacht heb den laatsten tijd ... sedert jij terug kwam--en vooral van avond.... O, Lona, waarom heb ik jou niet heelemaal gekend indertijd ... in dien ouden tijd!

LONA. En wat dan?

BERNICK. Dan had ik je nooit losgelaten; en had ik jou gehad, dan stond ik nu niet waar ik sta.

LONA. En denk je er niet aan wat _zij_ voor je had kunnen worden, zij, die je koos in mijn plaats?

BERNICK. Ik weet in elk geval, dat zij voor mij niet is geworden dàt, waaraan ik zoozeer behoefte had.

LONA. Omdat je nooit je levenstaak met haar gedeeld hebt; omdat jullie verhouding nooit open en waar is geweest; omdat je haar laat verkwijnen onder het verwijt van de schande, die jij gebracht hebt over haar naaste betrekkingen.

BERNICK. Ja ... ja ... ja; dat komt allemaal van de leugen en den valschen schijn.

LONA. En waarom breek je dan niet met al die leugens en valschen schijn?

BERNICK. Nu nog? Nu is het te laat, Lona.

LONA. Karsten, zeg me toch eens, wat voor bevrediging geeft het toch die schijn en dat bedrog?

BERNICK. Mij geven ze niets. Ik moet ten onder gaan net als deze heele knoei-maatschappij. Maar er groeit een geslacht op dat na ons komt. Het is voor mijn zoon dat ik werk; voor hèm maak ik een levenstaak klaar. Er zal een tijd komen dat in het maatschappelijke leven waarheid zal heerschen, en daarop zal hij een gelukkiger bestaan grondvesten dan dat van zijn vader was.

LONA. Met een leugen als onderlaag? Bedenk toch wàt je je zoon als erfenis achterlaat.

BERNICK (_met onderdrukte wanhoop_). Ik laat hem nog duizendmaal slechter erfenis na dan je weet. Maar eens moet toch de vloek worden opgeheven. En toch ... toch.... (_uitbarstend_). Hoe kon jullie mij dat alles toch aandoen! Maar 't is gebeurd. Nu moet ik verder. Het zàl jullie niet gelukken mij er onder te krijgen!

(_Hilmar met een open briefje in de hand komt haastig en ontsteld van rechts_).

HILMAR. Maar dat is toch ... Betty, Betty!

BERNICK. Wat is er? Komen ze al?

HILMAR. Neen, neen; maar ik moet noodzakelijk iemand spreken.... (_hij gaat weg door de verste deur links_).

LONA. Karsten, je praat er van dat wij gekomen zouden zijn om je er onder te krijgen. Laat mij je eens zeggen, van welk metaal hij is gemaakt, die verloren zoon, dien jullie brave maatschappij schuwt als een pestlijder. Hij kan jullie missen want hij is nu weg.

BERNICK. Maar hij wou terugkomen....

LONA. Johan komt nooit meer terug. Hij is voor goed weg en Dina is met hem meegegaan.

BERNICK. Komt hij niet terug? En is Dina met hem mee?

LONA. Ja, om daarginder zijn vrouw te worden. Zoo geven die twee je deugdzame maatschappij een slag in het gezicht ... net als ik indertijd ... nou ja!

BERNICK. Weg ... zij ook ... met de "Indian Girl"...!

LONA. Neen; zoo'n kostbaren last durfde hij niet aan die roekelooze bende toe te vertrouwen. Johan en Dina zijn vertrokken met "de Palmboom".

BERNICK. Ah...! Dus voor niets.... (_loopt snel heen, rukt de deur van zijn kamer open en roept naar binnen_). Krap, hou de "Indian Girl" op; die moet van avond niet uitzeilen!

KRAP (_binnen in de kamer_). "Indian Girl" is al in zee, mijnheer.

BERNICK (_sluit de deur en zegt met matte stem_): Te laat ... en onnoodig....

LONA. Wat meen je?

BERNICK. Niets, niets. Ga weg...!

LONA. Hm; kijk eens Karsten. Johan laat je zeggen dat hij mij zijn reputatie toevertrouwt die hij jou eens leende, en ook den eerlijken naam dien je hem ontnam toen hij weg was. Johan zal zwijgen; en ik kan doen en laten in die zaak wat ik wil. Kijk, hier heb ik je beide brieven in mijn hand.

BERNICK. Heb jij die? En nu ... nu wil je ... van avond al ... misschien als de serenade....

LONA. Ik kwam niet hier om je te verraden, maar om je wakker te schudden dat je uit eigen beweging de waarheid zoudt zeggen. Dat is mij niet gelukt. Blijf dan voortleven in je leugen! Kijk ... ik verscheur beide brieven. Neem de stukken ... daar heb je ze. Nu is er niets meer dat tegen je getuigen kan, Karsten. Nu kan je gerust zijn; wees nu ook gelukkig ... als je kunt.

BERNICK (_ontroerd_). Lona ... waarom heb je dat niet eerder gedaan! Nu is het te laat; nu heb ik mijn heele leven verspeeld; ik kan niet meer leven na dezen dag.

LONA. Wat is er dan gebeurd?

BERNICK. Vraag het mij niet.... Maar ik _moet_ tòch verder leven! Ik _wil_ leven ... voor Olaf. Hij moet alles weer goed maken, boete doen voor alles....

LONA. Karsten...!

(_Hilmar komt haastig terug_).

HILMAR. Nergens te vinden; weg; Betty ook niet!

BERNICK. Wat scheelt je?

HILMAR. Ik durf het je niet zeggen.

BERNICK. Wat is dat? Je moet en zult het mij zeggen!

HILMAR. Nu dan; Olaf is er van door met de "Indian Girl".

BERNICK (_tuimelt achteruit_). Olaf ... met de "Indian Girl"! Neen ... neen!

LONA. Ja, 't is waar! Nu begrijp ik het ... ik zag dat hij uit het raam sprong.

BERNICK (_in de deur van zijn kamer roept in wanhoop_). Krap, hou de "Indian Girl" op om alles in de wereld.

KRAP (_komt naar buiten_). Onmogelijk, mijnheer. Hoe kan u denken dat....

BERNICK. Wij _moeten_ het schip ophouden.... Olaf is aan boord!

KRAP. Wàt zegt u!

RUMMEL (_komt naar buiten_). Olaf weggeloopen? Niet mogelijk!

SANDSTAD (_komt ook_). Hij zal wel met den loods teruggestuurd worden, mijnheer Bernick.

HILMAR. Neen, neen; hij heeft mij geschreven; (_laat het briefje zien_) hij zegt dat hij zich in het ruim verstoppen zal tot zij in volle zee zijn.

BERNICK. Ik zie hem nooit terug!

RUMMEL. Och wat, onzin! Een sterk, flink schip, pas gerepareerd....

VIGELAND (_ook buiten gekomen_). ... van uw eigen werf, meneer de consul!

BERNICK. Ik zie hem nooit terug, zeg ik jullie! Ik ben hem kwijt, Lona, en ... nu zie ik het in ... ik heb hem nooit gehad (_luistert_). Wat is dat?

RUMMEL. Muziek. Daar komt de serenade.

BERNICK. Ik kan niet, ik wil niemand ontvangen.

RUMMEL. Waar denk je aan! Dat is onmogelijk.

SANDSTAD. Onmogelijk, meneer; bedenk toch wat er voor u op het spel staat.

BERNICK. Wat kan mij dat alles nu nog schelen! Wien heb ik nu nog om voor te werken?

RUMMEL. Hoe kan je zoo iets vragen? Wij zijn er toch nog en de maatschappij!

VIGELAND. Dat was een waar woord.

SANDSTAD. En meneer vergeet toch zeker niet dat wij.... (_Martha komt door de verste deur links. Men hoort de muziek in de verte_).

MARTHA. Daar komt de stoet; maar Betty is niet thuis; ik begrijp niet waar zij....

BERNICK. Niet thuis! Daar zie je het nu Lona, geen steun ... noch in vreugde, noch in leed!

RUMMEL. Haal de gordijnen op! Help mij eens even, mijnheer Krap. U ook mijnheer Sandstad. Doodjammer dat de familie nu juist zoo verspreid is! Heelemaal niet volgens het programma.

(_De gordijnen van de deur en de ramen worden weggetrokken. Men ziet de heele straat geïllumineerd. Tegen het huis aan de overzijde is een groot transparant geplaatst met het opschrift: "Leve Consul Bernick, de steun onzer maatschappij!"_).

BERNICK (_wijkt schuw terug_). Weg met dat alles! Ik wil het niet zien! Doe uit! Doe uit!

RUMMEL. Met alle respect, Bernick, is het je in 't hoofd geslagen?

MARTHA. Wat scheelt hem, Lona?

LONA. Sst! (_zij praat zachtjes met haar_).

BERNICK. Weg met die honende opschrift, zeg ik! Zie jullie niet dat die lichten de tongen naar ons uitsteken?

RUMMEL. Neen maar, nu moet ik toch bekennen....

BERNICK. Och, wat begrijpen jullie ook...! Maar ik, ik...! Lichten in een sterfkamer zijn het!

KRAP. Hm....

RUMMEL. Neen, maar, hoor eens, Bernick, je trekt je dat al te erg aan.

SANDSTAD. De jongen maakt een plezierreisje over den Oceaan, en dan krijgt u hem weer terug.

VIGELAND. Maar vertrouwen op den Almachtige, meneer de consul.

RUMMEL. En op de schuit, Bernick; die zal toch wel niet zoo dadelijk zinken, vermoed ik.

KRAP. Hm....

RUMMEL. Ja, als het nu een van die drijvende lijkkisten was, waar je zoo van hoort in de groote maatschappij....

BERNICK. Ik voel dat mijn haar grijs wordt in dit uur. (_Mevrouw Bernick, met een grooten doek over haar hoofd, komt de tuindeur door_).

MEVR. BERNICK. Karsten, Karsten! Weet je...!

BERNICK. Ja, ik weet ... maar jij;... jij, die niets ziet,... jij, die geen moederoog voor hem hebt...!

MEVR. BERNICK. O, luister toch...!

BERNICK. Waarom heb je niet over hem gewaakt? Nu heb ik hem verloren. Geef hem mij terug als je kunt!

MEVR. BERNICK. Ja, dat kan ik, ik heb hem!

DE HEEREN. Ah...!

HILMAR. Nou, dat dacht ik ook wel.

MARTHA. Karsten, je hebt hem terug!

LONA. Ja; maar weet hem nu ook voor je te winnen.

BERNICK. Je hebt hem! Is het waar wat je zegt? Waar is hij?

MEVR. BERNICK. Dat zeg ik je niet vóór je hem vergeven hebt.

BERNICK. Och wat, vergeven...! Maar hoe kwam je te weten...?

MEVR. BERNICK. Denk je dat een moeder niets ziet? Ik was in doodsangst dat je er iets van merken zoudt. Een paar woorden die hij gisteren losliet ... en toen zijn kamer leeg was en zijn ransel en zijn kleeren weg waren....

BERNICK. Ja ... ja...?