Chapter 12
MEVR. BERNICK. ... ging ik loopen; haalde Aune op; wij zijn met zijn zeilboot uitgegaan; het Amerikaansche schip wou juist uitzeilen. Goddank kwamen wij nog bijtijds ... ging aan boord, liet het ruim doorzoeken ... vond hem.... O Karsten, je moet hem niet straffen!
BERNICK. Betty!
MEVR. BERNICK. En ook Aune niet!
BERNICK. Aune? Wat weet je van hem? Is de "Indian Girl" weer onder zeil?
MEVR. BERNICK. Neen, dat is juist de zaak....
BERNICK. Toe zeg ... gauw!
MEVR. BERNICK. Aune was net zoo ontdaan als ik; het onderzoek nam nog al tijd; het begon donker te worden zoodat de loods bezwaren begon te opperen, en zoo verstoutte Aune zich ... om in jou naam....
BERNICK. Wat?
MEVR. BERNICK. Het schip tot morgen op te houden.
KRAP. Hm....
BERNICK. O, wat een onuitsprekelijk geluk!
MEVR. BERNICK. Ben je niet boos?
BERNICK. O Betty, wat een overstelpend geluk!
RUMMEL. Je bent ook veel te nauwgezet.
HILMAR. Ja, zoodra er sprake is van een kleinen strijd met de elementen, dan ... oeh!
KRAP (_bij het raam_). Daar komt de stoet door het tuinhek, mijnheer.
BERNICK. Ja, nu mag hij komen.
RUMMEL. De heele tuin loopt vol menschen.
SANDSTAD. De heele straat is propvol.
RUMMEL. De heele stad is op de been, Bernick. Het is waarlijk een verheffend oogenblik.
VIGELAND. Laat ons het in deemoed aannemen, meneer Rummel.
RUMMEL. Alle banieren zijn er bij. Wat een stoet! Daar hebben we de feestcommissie met mijnheer Rörlund aan het hoofd.
BERNICK. Laat ze nu maar komen, zeg ik!
RUMMEL. Maar hoor eens, in den opgewonden toestand, waarin je verkeert....
BERNICK. Wat dan?
RUMMEL. Zou ik niet ongenegen zijn het woord in jou plaats te voeren.
BERNICK. Neen, dank je; van avond wil ik zelf spreken.
RUMMEL. Maar weet je ook wat je zeggen moet?
BERNICK. Jawel, wees maar gerust, Rummel,... nu weet ik wel wat ik zeggen moet.
(_De muziek is intusschen opgehouden. De tuindeur wordt geopend. Rörlund treedt binnen aan het hoofd van de feestcommissie, vergezeld van een paar huurbedienden, die een overdekte mand dragen. Achter hen komen de burgers van de stad van alle standen, zooveel als de kamer maar bergen kan. Een onafzienbare menigte met banieren en vlaggen ontwaart men buiten in den tuin en op de straat_).
RÖRLUND. Hoog vereerde Heer Consul! Ik zie aan de verrassing die zich op uw gelaat afspiegelt, dat wij hier als onverwachte gasten binnen dringen in uw gelukkigen familiekring, aan uw vredigen haard, omringd door achtenswaardige en werkzame vrienden en medeburgers. Maar het was ons een behoefte des harten u onze hulde te brengen. Het is niet de eerste keer dat zoo iets gebeurt, maar wel voor het eerst in zoo veelomvattende mate. Wij hebben u menigmaal onzen dank gebracht voor den breeden moreelen grondslag, waarop u om zoo te zeggen, onze maatschappij heeft opgebouwd. Dezen keer huldigen wij u in het bizonder als de helderziende, onvermoeide, onzelfzuchtige, ja zelfopofferende medeburger, die het initiatief heeft genomen in een onderneming, die, volgens de meening van alle deskundigen, een machtigen stoot vooruit geven zal aan de tijdelijke welvaart van onze maatschappij.
STEMMEN UIT DE MENIGTE. Bravo, bravo!
RÖRLUND. En juist die glorieschijn van onzelfzuchtigheid, die over heel uw levenswandel ligt, is wat zoo onuitsprekelijk weldadig werkt, vooral in den tegenwoordigen tijd. U is nu bezig ons een ... ja, ik zie er geen bezwaar in het woord prozaïsch en rondweg uit te spreken ... een spoorweg te bezorgen.
VELE STEMMEN. Bravo, bravo!
RÖRLUND. Maar die onderneming schijnt op moeilijkheden te zullen stuiten, inderdaad alleen te berde gebracht door bekrompen, zelfzuchtige overwegingen.
STEMMEN. Ha! ha!
RÖRLUND. Het is namelijk niet onbekend gebleven dat zekere individuën, niet tot onze maatschappij behoorend, de nijvere burgers van onze stad zijn vóór geweest, en zich in bezit van sommige voordeelen gesteld hebben, die rederlijkerwijze onze eigen stad ten goede hadden moeten komen.
STEMMEN. Ja, ja!
RÖRLUND. Deze betreurenswaardige zaak is natuurlijk ook u ter oore gekomen, mijnheer de consul. Maar niettemin streeft u onvervaard uw doel na, wel wetende dat een staatsburger niet alleen zijn eigen gemeentebelangen voor oogen hebben moet.
VERSCHEIDENE STEMMEN. Hm! Neen, neen! Jawel: jawel!
RÖRLUND. Zoo is het dan den mensch zoowel als den staatsburger,... zooals de man moet en behoort te zijn ... dien wij dezen avond onze hulde brengen. Moge uw onderneming tot een waar en blijvend geluk voor deze onze maatschappij worden! De spoorweg kan inderdaad een weg worden, die ons blootstelt aan het binnendringen van vreemde, verderfelijke elementen, maar tevens een weg, die ons snel weer van hen bevrijdt. En tegen slechte elementen van buitenaf kunnen wij ons toch ook nu niet beveiligen. Maar dat wij juist op dezen feestavond, zooals verteld wordt, gelukkig en spoediger dan te verwachten was, zekere elementen van dien aard zijn kwijtgeraakt....
STEMMEN. Sst! Sst!
RÖRLUND. ... dat neem ik aan als een gelukkig voorteeken voor de onderneming. Als ik dit punt hier aanroer, bewijst dit, dat wij ons bevinden in een huis, waar de eischen van het gemoed hooger worden gesteld dan familiebanden.
STEMMEN. Bravo!
BERNICK (_tegelijkertijd_). Permitteer mij....
RÖRLUND. Nog maar enkele woorden, mijnheer de consul. Wat u voor deze gemeente gedaan heeft, dat deed u zeker niet met de bijgedachte dat het u een tastbaar voordeel zou brengen. Maar een gering bewijs van erkentelijkheid van uwe dankbare medeburgers mag u toch niet versmaden, en allerminst in zulk een gewichtig oogenblik, nu wij, volgens verzekering van mannen van de praktijk, aan den vooravond van een nieuw tijdperk staan.
VELE STEMMEN. Bravo! Bravo!
(_Hij geeft den bedienden een wenk; zij dragen de mand aan; de leden van de feestcommissie halen onder het volgende de voorwerpen waarvan gesproken wordt, er uit en bieden ze aan_).
RÖRLUND. Zoo zijn wij dan zoo vrij, mijnheer de consul, u een zilveren koffieservies aan te bieden. Laat het uwe tafel sieren wanneer wij in de toekomst, zooals zoo vaak tot nog toe, het genoegen smaken in dit gastvrije huis bijeen te komen.--En ook u, mijne heeren, die zoo bereidwillig den grootsten man van onze maatschappij hebt bijgestaan, verzoeken wij een klein geschenk als aandenken wel te willen aannemen. Deze zilveren beker is voor u, mijnheer Rummel. U heeft zoo dikwijls in veelzeggende woorden, onder 't klinken der glazen, voor onze maatschappelijke belangen een lans gebroken; moge u nog dikwijls een waardige gelegenheid vinden om dezen beker op te heffen en te ledigen.--U, mijnheer Sandstad, mag ik dit album overreiken met fotografieën van eenige medeburgers. Aan uwe bekende en erkende humaniteit heeft u het te danken dat u vrienden telt in alle kringen der maatschappij.--En voor u, mijnheer Vigeland, heb ik ter versiering van uwe binnenkamer, deezen bundel preeken op velijn papier en in prachtband aan te bieden. Onder der jaren rijpenden invloed is u tot een hoogernstigen levensbeschouwing gekomen; uw arbeid in uw dagelijkschen werkkring is in den loop der jaren, door de gedachte aan het hoogere en het hiernamaals, gelouterd en geadeld (_keert zich tot de menigte_). En hiermede, mijne vrienden: leve consul Bernick en zijn medestrijders! Een hoera voor onze steunpilaren der maatschappij!
DE HEELE SCHARE. Leve consul Bernick! Leve de steunpilaren der maatschappij! Hoera, hoera, hoera!
LONA. Mijn gelukwenschen, Karsten! (_Afwachtende stilte_).
BERNICK (_begint ernstig en langzaam_). Mijne medeburgers,... bij monde van uw woordvoerder werd er gezegd dat wij heden staan aan den vooravond van een nieuw tijdperk,... en ik hoop dat die verwachting verwezenlijkt zal worden. Maar opdat dat zal kunnen geschieden, moeten wij de waarheid zoeken,... de waarheid, die tot op heden doorgaans en in alle kringen geen onderkomen gevonden heeft in deze maatschappij (_verrassing onder de omstanders_).
BERNICK. Ik moet beginnen met de loftuigingen af te wijzen, waarmee u, mijnheer Rörlund, volgens oud gebruik bij dergelijke gelegenheden, mij heeft overladen. Ik verdien die niet; want ik ben tot op dezen dag geen onzelfzuchtig man geweest. Al heb ik dan niet altijd naar geldelijk voordeel gestreefd, dan ben ik mij nu althans wel bewust, dat de begeerte, het verlangen naar macht, invloed, aanzien, de drijfveeren zijn geweest bij de meeste mijner daden.
RUMMEL (_halfluid_). Wat beteekent dat?
BERNICK. Tegenover mijn medeburgers heb ik mij daarover niets te verwijten; want ik geloof nog dat ik onder de bekwamen hier bij ons, in de eerste rij mag plaats nemen.
VELE STEMMEN. Ja, ja, ja!
BERNICK. Maar wat ik mijzelf ten laste leg, is dat ik zoo dikwijls zwak genoeg ben geweest om langs kronkelpaden te gaan, omdat ik bang was voor de mij bekende neiging van onze maatschappij, om onzuivere motieven te zoeken achter alles wat een man onderneemt. En nu kom ik tot een punt dat daarmee samenhangt.
RUMMEL (_onrustig_). Hum ... hm!
BERNICK. Er loopen hier geruchten over groote terrein-aankoopen, in den omtrek. Deze gronden heb ik gekocht, allemaal, ik alleen.
GEDEMPTE STEMMEN. Wat zegt hij? De consul? Consul Bernick?
BERNICK. Ze zijn voorlopig in mijn handen. Natuurlijk heb ik mijn medewerkers, de heeren Rummel, Vigeland en Sandstad, in het vertrouwen genomen, en zijn wij overeengekomen....
RUMMEL. Dat is niet waar! Bewijs ... bewijs...!
VIGELAND. Wij zijn niets overeengekomen!
SANDSTAD. Neen, nu moet ik toch zeggen....
BERNICK. Dat is heel juist; wij zijn nog niet overeengekomen over dàt, wat ik zeggen wilde. Maar ik hoop vast, dat de drie heeren het met mij eens zullen zijn, als ik zeg dat ik van avond besloten heb om van dit grondbezit een algemeene vennootschap te maken; ieder die wil kan er aandeel in krijgen.
VELE STEMMEN. Hoera! Leve consul Bernick!
RUMMEL (_zachtjes tegen Bernick_). Zoo'n gemeen verraad!...
SANDSTAD (_evenzoo_). Ons zoo voor den gek te houden...!
VIGELAND. De duivel zal me halen...! Och lieve Heertje wat zeg ik daar!
DE MENIGTE (_buiten_). Hoera, hoera, hoera!
BERNICK. Stilte, mijne heeren. Deze hulde komt mij niet toe; want dàt, waartoe ik nu besloten heb, was niet van den beginne af mijn plan. Mijn plan was het allemaal zelf te houden, en ik geloof nog, dat deze bezittingen het best geëxploiteerd kunnen worden als ze in ééne hand blijven. Maar ik laat u de keus. Wenscht men het, dan ben ik bereid ze te beheeren naar mijn beste krachten.
STEMMEN. Ja! Ja! Ja!
BERNICK. Maar eerst moeten mijne medeburgers mij geheel kennen. Laat dàn ieder met zich zelf te rade gaan, en laat het vast staan, dat wij van heden avond af een nieuw tijdperk ingaan. De oude tijd, met zijn blanketsel, met zijn huichelarij en valschen schijn, met zijn leugenachtig fatsoen en zijn jammerlijke overwegingen, zal voor ons worden als een museum ... toegankelijk voor hen die leeren willen; en aan dat museum schenken wij,... niet waar heeren?... zoowel het koffieservies als den beker, het album en den bundel preeken op velijn papier en in prachtband.
RUMMEL. Ja natuurlijk.
VIGELAND (_bromt_). Als u het andere ons toch heeft afgenomen, dan....
SANDSTAD. Alsjeblieft.
BERNICK. Maar nu nog de voornaamste afrekening met mijn maatschappij. Er werd gezegd dat slechte elementen ons van avond verlaten hadden. Ik kan er bijvoegen, wat men nog niet weet: de man, op wien deze woorden doelden, is niet alleen weggegaan; hem volgde om zijn vrouw te worden....
LONA (_luid_). Dina Dorf.
RÖRLUND. Wat!
MEVR. BERNICK. Wàt zeg je? (_groote beweging_).
RÖRLUND. Gevlucht? Weggelopen ... met hèm! Onmogelijk!
BERNICK. Om zijn vrouw te worden, mijnheer Rörlund. En ik voeg er nog iets bij. (_Zachtjes_) Betty, vat moed om te dragen wat er komen gaat. (_Luid_) Ik zeg: hoeden af voor dien man! Want hij heeft grootmoedig de schuld van een ander op zich genomen. Mijne medeburgers, ik wil alle leugenachtigheid nu van mij wegdoen; het heeft niet veel gescheeld of zij had iederen druppel bloeds in mij vergiftigd. Gij zult alles weten. _Ik_ was de schuldige vijftien jaar geleden!
MEVR. BERNICK (_zacht en bevend_). Karsten!
MARTHA (_evenzoo_). O, Johan...!
LONA. Nu heb je eindelijk jezelf overwonnen!
(_Groote verbazing van alle aanwezigen_).
BERNICK. Ja, mijne medeburgers, ik was de schuldige en hij ging heen. De leelijke en onware geruchten, die later uitgestrooid werden nu nog te logenstraffen, daartoe is geen mensch meer bij machte. Maar daarover mag ik mij niet beklagen. Vijftien jaar geleden heb ik van deze geruchten gebruik gemaakt om mij naar boven te werken ... of ik nu daarmee ook vallen moet, daarover moet een ieder maar met zichzelf te rade gaan.
RÖRLUND. Wat een donderslag! De eerste man van de stad...! (_gedempt tegen mevr. Bernick_) Ach, wat beklaag ik u, mevrouw!
HILMAR. Zoo'n bekentenis! Nou, ik moet zeggen...!
BERNICK. Maar van avond geen beslissing. Ik verzoek iedereen naar huis te gaan ... kalm na te denken ... en in zich zelf te kijken. Wanneer de gemoederen tot rust zullen gekomen zijn, dan zal het blijken of ik verloren of gewonnen heb door te spreken. Het ga u wèl! Er is nog veel, veel waarover ik berouw gevoel; maar dat gaat alleen mijn eigen geweten aan. Goeden nacht! Weg met alle feestelijkheid. Wij voelen nu allen wel dat zoo iets hier niet op zijn plaats is.
RÖRLUND. Zeer zeker niet. (_gedempt tegen mevr. Bernick_) Weggelopen! Zij was dus toch mijner geheel onwaardig. (_halfluid tegen de feestcommissie_) Ja, heeren, mij dunkt na hetgeen er nu heeft plaatsgehad, doen wij het best maar in alle stilte te vertrekken.
HILMAR. Hoe men na zoo iets nog de vaan der idee hoog zal kunnen houden, dat.... Oeh!
(_Wat Bernick gezegd heeft is intusschen fluisterend van mond tot mond gegaan. Alle deelnemers aan den stoet gaan door den tuin weg. Rummel, Sandstad en Vigeland gaan heen, gedempt maar heftig met elkaar pratend. Hilmar sluipt weg naar rechts. Bernick, Mevr. Bernick, Martha, Lona en Krap zijn, onder stilzwijgen, in de kamer achtergebleven_).
BERNICK. Betty, kan je mij vergeven?
MEVR. BERNICK (_ziet hem glimlachend aan_). Weet je wel, Karsten, dat je mij in al die jaren, niet zoo'n heerlijk vooruitzicht hebt geopend als nu?
BERNICK. Hoezoo?
MEVR. BERNICK. Vele jaren lang heb ik geloofd dat ik je eens gehad had en je weer had verloren. Nu weet ik dat ik je nooit gehad heb, maar nu zal ik je weten te winnen.
BERNICK (_slaat zijn armen om haar heen_). O, Betty! je _hebt_ me al gewonnen! Door Lona heb ik je eerst goed leeren kennen. Maar laat nu Olaf komen!
MEVR. BERNICK. Ja, nu zal je hem terug hebben...! Mijnheer Krap! (_zij spreekt op den achtergrond met hem. Hij gaat weg door de tuindeur. Onder het volgende worden achtereenvolgens alle lichten en transparanten in de huizen uitgedoofd_).
BERNICK (_gedempt_). Dank Lona, jij hebt het beste in mij ... en voor mij ... gered.
LONA. Heb ik dan anders gewild?
BERNICK. Ja ... of neen? Ik kan niet goed wijs uit je worden....
LONA. Hm....
BERNICK. Dus geen haat? Geen wraak? Waarom ben je dan toch teruggekomen?
LONA. Oude liefde roest niet.
BERNICK. Lona!
LONA. Toen Johan mij dat van die leugen vertelde, toen zwoer ik bij mezelf: de held van mijn jonge jaren _zal_ weer vrij voor mij staan, vrij en waar!
BERNICK. O, hoe weinig heb ik, ellendig mensch, dat aan je verdiend!
LONA. Ja, Karsten, als wij vrouwen er naar vroegen wat verdiend is...!
(_Aune komt met Olaf uit den tuin_).
BERNICK (_loopt op hem toe_). Olaf!
OLAF. Vader, ik beloof u, dat ik nooit meer....
BERNICK. ... zal wegloopen?
OLAF. Ja, ja, dat beloof ik u, vader!
BERNICK. En ik beloof je dat je er nooit meer reden voor hebben zult. Voortaan zal je vrij zijn om op te groeien, niet als erfgenaam van _mijn_ levenstaak, maar als iemand die zijn eigen levenstaak hebben zal.
OLAF. En mag ik dan ook worden wat ik wil?
BERNICK. Ja, dat mag je.
OLAF. Dank u. Dan wil ik geen steunpilaar der maatschappij worden.
BERNICK. Zoo? En waarom niet?
OLAF. O, omdat mij dat zoo vervelend lijkt!
BERNICK. Je zult jezelf worden Olaf; de rest moet dan maar gaan zooals het kan.--En jij Aune?
AUNE. Ik weet 't, meneer de consul, ik ben ontslagen.
BERNICK. Wij blijven bij elkaar, Aune; en vergeef mij....
AUNE. Hoezoo? Het schip gaat van avond niet meer uit.
BERNICK. En ook morgen nog niet. Ik stelde je een veel te korte termijn. Het moet grondiger gerepareerd worden.
AUNE. Dat zal gebeuren, meneer de consul ... en mét de nieuwe machines!
BERNICK. Zoo is het best. Maar grondig en nauwkeurig! Er is veel dat bij ons grondige en nauwkeurige reparatie noodig heeft. Nu, goeden nacht, Aune.
AUNE. Goeden nacht, meneer de consul;... en dank, dank, dank! (_hij gaat weg naar rechts_).
MEVR. BERNICK. Nu zijn ze allemaal weg.
BERNICK. En wij zijn alleen. Mijn naam schittert niet langer in vurige letters; alle lichten zijn uitgedoofd in de ramen.
LONA. Zou je ze weer aangestoken willen hebben?
BERNICK. Voor geen geld van de wereld! Wat ben ik ver weg geweest! Je zult er van verbijsterd staan als je het hoort. 't Is me nu of ik na een vergiftiging weer tot bezinning en tot mezelf gekomen ben. Maar ik voel het ... ik kàn nog weer jong en gezond worden. O, komt dichterbij ... vlak naast mij. Kom Betty! Kom Olaf, mijn jongen! En jij, Martha;... 't is of ik je in al die jaren niet gezien heb.
LONA. Neen, dat geloof ik ook. Jullie maatschappij is er een van oude jonggezellen; jullie kijkt niet naar de vrouw.
BERNICK. 't Is waar ... heel waar; en juist daarom ... ja, hoor, dat staat vast, Lona, je mag niet weer weggaan van Betty en mij.
MEVR. BERNICK. Neen, Lona, je mag niet meer weg.
LONA. Neen; hoe zou ik het ook kunnen verantwoorden weg te gaan van jullie jonge luitjes die nu pas je jonge leven gaat beginnen. Ben ik niet de pleegmoeder? Jij en ik, Martha, wij twee oude tantes.... Waar kijk je naar?
MARTHA. Hoe de lucht opklaart. Hoe het licht wordt over de zee! "De Palmboom" is een geluksschip.
LONA. En heeft het geluk aan boord.
BERNICK. En wij ... wij hebben een langen, ernstigen werkdag vóór ons; _ik_ vooral. Maar die mag komen; blijft maar dicht om mij heen, jullie trouwe, brave vrouwen. Dát heb ik ook geleerd in deze dagen; jullie vrouwen zijn de ware steunpilaren van de maatschappij.
LONA. Dan heb je toch maar gebrekkige wijsheid opgedaan, Karsten. (_Legt haar handen zwaar op zijn schouders_) Neen, hoor; waarheid en vrijheid ... dàt zijn de steunpilaren der maatschappij!
EINDE VAN HET VIERDE OF LAATSTE BEDRIJF
* * * * *
NORA
(EEN POPPENHUIS)
DRAMA IN DRIE BEDRIJVEN
* * * * *
PERSONEN:
Advocaat HELMER. NORA, zijne vrouw. Dokter RANK. Mevrouw LINDE. Zaakwaarnemer KROGSTAD. HELMER's drie kleine kinderen. ANNA-MARIE, kindermeid bij Helmer. HELENE, dienstmeisje. Besteller. (Speelt in HELMER's huis.)
* * * * *
EERSTE BEDRIJF.
Een gezellig en smaakvol maar niet kostbaar gemeubelde kamer. Rechts een deur op den achtergrond leidt naar het portaal; een tweede deur links achter leidt naar Helmer's werkkamer. Tusschen deze beide deuren een piano. Midden in den linkerwand een deur en verderop een raam. Bij het raam een ronde tafel met leunstoelen en een kleine sofa. In den rechterwand een deur, en aan denzelfden kant, iets meer op den voorgrond een porceleinen kachel met een paar gemakkelijke stoelen en een schommelstoel. Tusschen de kachel en de zijdeur een klein tafeltje. Kopergravures aan de wanden. Een étagère met kleine snuisterijen; een boekenkastje met boeken in prachtbanden. Een kleed op den vloer; vuur in de kachel. Het is winter.
Er wordt gebeld op het portaal; even daarna hoort men dat er wordt open gedaan; Nora komt vroolijk neuriënd de kamer binnen; zij is gekleed met hoed en mantel en draagt een massa pakjes, die zij op de tafel rechts neerlegt. Zij laat de deur naar het portaal open staan, en men ziet een besteller staan met een kerstboom en een mand, die hij overgeeft aan het dienstmeisje, dat de deur heeft open gedaan.
* * * * *
NORA. Stop den kerstboom goed weg, Helene. De kinderen mogen hem vooral niet te zien krijgen voor van avond, als hij opgesierd is. (_Tegen den besteller, terwijl zij haar portemonnaie voor den dag haalt_). Hoeveel?
BESTELLER. Een halve kroon.
NORA. Daar heb je een kroon. Houd maar. (_De besteller bedankt en vertrekt. Nora sluit de deur, terwijl zij haar hoed afdoet lacht zij vergenoegd in zichzelf_).
NORA (_haalt een zakje bonbons uit haar zak en eet er een paar van; gaat dan voorzichtig naar de deur van Helmers kamer en luistert_). Jawel hij is thuis. (_Begint weer te neuriën terwijl zij naar de tafel rechts gaat_).
HELMER (_in zijn kamer_). Is dat mijn leeuwerikje dat daar zingt?
NORA (_bezig haar pakjes open te maken_). Ja!
HELMER. Is dat mijn eekhorentje dat daar rondtrippelt?
NORA. Ja-a!
HELMER. Wanneer is het eekhorentje thuis gekomen?
NORA. Daar net pas. (_Stopt het zakje in haar zak en veegt haar mond af_). Kom eens hier, Torwald, kom eens kijken wat ik gekocht heb.
HELMER. Stil, even wachten! (_Even daarna doet hij de deur open en kijkt naar binnen, met de pen in de hand_). Gekocht zeg je? Dat allemaal? Is mijn verspilstertje weer eens aan 't geld verdoen geweest?
NORA. Ja maar, Torwald, dit jaar mogen wij nu wel eens een beetje uit den band springen. Dit is het eerste kerstfeest dat wij niet zuinig hoeven te zijn.
HELMER. Ja maar, weet je, ook vooral niet verkwistend.
NORA. Jawel, Torwald, een beetje verkwistend kunnen wij nu wel zijn. Is 't niet? Maar een heel, heel klein beetje. Je krijgt immers nu een groot salaris en gaat heel veel geld verdienen.
HELMER. Ja, met Nieuwjaar; maar dan moeten er nog een heele drie maanden verloopen eer ik mijn salaris ontvang.
NORA. Poeh! tot zoolang kunnen we immers wel wat leenen.
HELMER. Nora! (_Gaat naar haar toe en pakt haar schertsend bij haar oor_). Heeft de lichtzinnigheid je weer te pakken? Stel nu eens dat ik duizend kronen leende en jij zoudt ze in den kersttijd opmaken, en ik kreeg op Oudejaarsavond een dakpan op mijn hoofd, die me dood....
NORA (_houdt hem de hand voor den mond_). Hè foei! wil je wel eens niet zulke akelige dingen zeggen.
HELMER. Jawel maar, stèl nu eens dat zoo iets gebeurde ... wat dan?
NORA. Als er zoo iets vreeselijks gebeurde, zou het mij totaal onverschillig zijn of ik schulden had of niet.
HELMER. Goed ... maar de menschen van wie ik het geleend had?
NORA. Die? wat gaan die mij aan! Dat zijn toch maar vreemden.
HELMER. Nora! Nora! Je bent toch een echte vrouw! Neen, maar in vollen ernst Nora, je weet hoe ik over die dingen denk. Geen schulden maken! Nooit leenen! Er komt een gevoel van onvrijheid en ook iets dat niet mooi is in een huishouden, dat berust op schulden en geleend geld. Wij hebben ons tot nu toe flink weten te redden, en dat zullen wij ook verder doen, den korten tijd dat het nog noodig is.
NORA (_gaat naar de kachel_). 't Is goed Torwald. Zooals je wilt.
HELMER (_volgt haar_). Maar nu mag mijn leeuwerikje daarom de vleugeltjes niet laten hangen, hoor! Wat? Pruilt mijn eekhorentje? (_haalt zijn portemonnaie uit zijn zak_).... Nora, wat denk je wel dat ik hier heb?
NORA (_wendt zich vlug om_). Geld!...
HELMER. Ziedaar. (_Telt haar eenig papiergeld uit_). Ik weet immers wel, kindje, dat er heel wat geld noodig is in een huishouden in den kersttijd.
NORA (_telt_). Tien ... twintig ... dertig ... veertig. O, dank je, dank je, Torwald; daar kom ik een heelen tijd mee toe!
HELMER. Maar dat moet dan nu ook in ernst, hoor!