Dramatische werken

Chapter 13

Chapter 134,228 wordsPublic domain

NORA. Ja zeker, dat zal ik ook wel. Maar kom nu eens hier, dan zal ik je alles eens laten zien wat ik gekocht heb. En zoo goedkoop! Kijk, hier is een nieuw pakje voor Ivar ... en dan nog een sabel. Hier is een paard en een trompet voor Bob. En hier is een pop en een poppenbedje voor Emmy; dat is nu niet zoo erg mooi, maar zij maakt toch dadelijk alles kapot. En hier heb ik goed voor japonnen en zakdoeken voor de meiden; de oude Anna-Marie mocht eigenlijk wel wat meer hebben.

HELMER. En wat zit er in dat pakje daar?

NORA (_met een gilletje_). Neen, Torwald, dat mag je niet zien vóór van avond!

HELMER. Zoo, zoo. Maar vertel me nu eens, jij kleine verspilster, wat zou je nu zelf graag hebben?

NORA. O, ik? Ik geef eigenlijk nergens om.

HELMER. Jawel, dat doe je wel. Noem nu eens iets voor mijn beurs beschikbaars dat je erg graag zoudt willen hebben.

NORA. Neen, ik weet 't heusch niet. Ja toch ... hoor eens, Torwald....

HELMER. Ja?

NORA (_speelt met de knoopen van zijn jas zonder hem aan te zien_). Als je me dan volstrekt iets geven wilt, dan zou je ... zou je....

HELMER. Nou dan ... voor den dag er mee!...

NORA (_haastig_). Dan zou je mij geld kunnen geven, Torwald. Alleen maar zoo veel als je denkt dat je missen kunt; dan zal ik er dezer dagen wel eens wat voor koopen.

HELMER. Neen maar, Nora....

NORA. Och toe, doe het maar, Torwald-lief; ik wou het zoo heel graag. Dan zal ik het geld in een mooi goud papiertje pakken en aan den kerstboom hangen. Zal dat niet leuk zijn?

HELMER. Hoe noemen we ook weer iemand die zoo graag te veel geld uitgeeft?

NORA. Jawel, een verspilstertje, dat weet ik nu wel. Maar laten wij het nu zóó maar doen, Torwald; dan heb ik den tijd om eens te bedenken wat ik het best kan gebruiken. Is dat nu niet heel verstandig? Zeg?

HELMER (_glimlachend_). Ja zeker ... dat wil zeggen, als je heusch dat geld kon bewaren en er dan werkelijk iets voor je zelf van kocht. Maar zoo wordt het toch weer in het huishouden en voor allerlei onnoodige dingen gebruikt en dan moet ik later maar wéér opdokken.

NORA. Hè toch, Torwald!

HELMER. 't Is niets anders, mijn lieve Noraatje. Mijn leeuwerikje is allerliefst, maar het is een duur hoûbeestje. Niemand zou kunnen gelooven dat het een man zooveel geld kost er zoo'n lief diertje op na te houden.

NORA. Hè, hoe kan je dat nu zeggen? Ik spaar toch heusch zooveel ik maar kan.

HELMER (_lacht_). Ja ... dat is een waar woord. Zooveel je maar kunt. Maar je kunt het heelemaal niet!

NORA. Hm ... ja... je moest maar eens weten hoeveel uitgaven wij leeuweriken en eekhorens hebben!

HELMER. Je bent een wonderlijk klein ding. Precies je vader. Je bent er altijd op uit om aan geld te komen, maar zoo als je het hebt, glijdt het je letterlijk door de vingers; je weet nooit wat je er mee uitvoert. Nou ... wij moeten je maar nemen zooals je bent. Dat zit in 't bloed. Ja heusch, zoo iets is erfelijk.

NORA. Ik wou dat ik maar een heeleboel eigenschappen van Papa geërfd had.

HELMER. En ik wou je niet graag anders hebben dan je bent, net zooals je bent, mijn lief klein zangvogeltje. Maar hoor eens eventjes; ik bedenk me daar wat. Je ziet er zoo ... zoo ... hoe zal ik het noemen ... zoo verdacht uit vandaag....

NORA. Ik?

HELMER. Ja. Kijk mij eens goed aan?

NORA (_doet het_). En dan?

HELMER (_dreigt met den vinger_). Heeft mijn lekkerbekje vandaag niet gesnoept toen ze in de stad was?

NORA. Welneen, hoe kom je er bij!

HELMER. Is mijn lekkerbekje heusch niet eens eventjes bij een banketbakker binnen gegaan?

NORA. Neen, heusch niet, Torwald.

HELMER. Niet een beetje confituren gesnoept?

NORA. Neen, heelemaal niet.

HELMER. Zelfs niet eens wat bonbons geknabbeld?

NORA. Och neen, Torwald, heusch niet....

HELMER. Nou ... nou ... nou ... ik zeg 't natuurlijk maar voor de grap....

NORA (_gaat naar de tafel_). 't Zou toch immers niet in mij opkomen iets te doen dat jij niet graag hebt.

HELMER. Neen, dat weet ik ook wel; en je hebt mij immers je woord gegeven.... (_Gaat naar haar toe_). Bewaar jij je verrassingen en geheimpjes dan maar, mijn lieveling. Die komen van avond, als de kerstboom aangestoken is, wel aan het licht, denk ik.

NORA. Heb je er aan gedacht dokter Rank te inviteeren?

HELMER. Neen. Maar dat hoeft ook niet; het spreekt toch van zelf dat hij bij ons eet. Toch zal ik het hem straks nog vragen als hij komt. Fijnen wijn heb ik besteld. O, Nora, je weet niet hoe ik mij op van avond verheug!

NORA. Ik ook. En wat zullen de kinderen een pret hebben!

HELMER. Hè, het is toch een heerlijke gedachte dat ik nu een goede vaste positie heb, met een ruim salaris. Niet waar? Het is een waar genot daaraan te denken.

NORA. O, het is héérlijk.

HELMER. Weet je wel verleden jaar kerstmis? Drie weken te voren ging jij je elken avond opsluiten en zat tot diep in den nacht bloemen te maken voor den kerstboom en allerlei andere mooiigheden om ons te verrassen. Bah, dat was de vervelendste tijd dien ik ooit beleefd heb.

NORA. Maar ik verveelde mij heelemaal niet.

HELMER (_glimlachend_). Maar het viel toch wel een beetje povertjes uit, hè?

NORA. Moet je mij daar nù nog mee plagen? Kon ik het helpen dat de kat binnen gekomen was en alles kapot had gemaakt?

HELMER. Neen, zeker niet, mijn arme Noraatje. Jij hadt de lieve bedoeling ons allemaal blij te maken, en dat is de hoofdzaak. Maar het is toch maar goed dat die benauwde tijden voorbij zijn.

NORA. Ja, dat is echt héérlijk.

HELMER. Nu hoef ik niet meer alleen te zitten en mij te vervelen, en jij hoeft je lieve oogen en je mooie fijne handjes niet meer te vermoeien....

NORA (_klapt in de handen_). Neen, hè? dat hoeft nu niet meer. O, wat is dat toch innig heerlijk om te hooren! (_Grijpt zijn arm_). Nu zal ik je eens vertellen, Torwald, hoe ik had gedacht dat wij het hier moesten inrichten. Zoodra het Nieuwjaar is.... (_Bellen vóór_). O, daar wordt gebeld. (_Reddert de kamer wat op_). Daar is zeker visite! Hoe vervelend!

HELMER. Ik ben niet thuis voor visite, dat weet je.

DIENSTMEISJE (_in de deur_). Mevrouw daar is een vreemde dame.

NORA. Laat mevrouw binnen.

DIENSTMEISJE (_tegen Helmer_). En de dokter is er ook.

HELMER. Is hij naar mijn kamer gegaan?

DIENSTMEISJE. Ja mijnheer.

(_Helmer gaat naar zijn kamer. Het meisje laat mevrouw Linde binnen die in reistoilet is, en doet de deur acht zich dicht_).

MEVR. LINDE (_beschroomd en een beetje aarzelend_). Dag Nora.

NORA (_weifelend_). Dag ... e....

MEVR. LINDE. Je kent me zeker niet meer.

NORA. Neen ... ik weet niet goed.... O ja, ik meen toch van wel. (_Uitbarstend_). Wat! Kristine! Ben jij het heusch?

MEVR. LINDE. Ja, ik ben het.

NORA. Kristine! En ik die je niet herkende! Maar hoe kon ik ook.... (_Zachter_). Wat ben je veranderd, Kristine!

MEVR. LINDE. Ja, dat ben ik zeker. In negen ... tien lange jaren....

NORA. Is het al zóó lang geleden dat wij elkaar gezien hebben? Ja ... dat moet wel. Och, de laatste acht jaren zijn zoo'n gelukkige tijd geweest! En ben je nu ook hier in de stad gekomen? Die heele lange reis in den winter ... dat is een dapper stuk.

MEVR. LINDE. Ja, ik ben net van ochtend met de boot aangekomen.

NORA. Natuurlijk om het kerstfeest mee te vieren. Dat is heerlijk! Nu we zullen ons stellig best amuseeren. Maar doe je hoed toch af! Je hebt het toch niet te koud? (_Helpt haar_). Zie zoo; nu gaan we eens gezellig bij de kachel zitten. Neen, dáár in dien gemakkelijken stoel ... ik hier in den schommelstoel. (_Vat haar handen_). Ja, nu heb je je oude bekende gezicht toch weer ... het was maar zoo in 't eerste oogenblik.... Een beetje bleeker ben je wel geworden ... en misschien een beetje magerder ook.

MEVR. LINDE. En veel, veel ouder, Nora.

NORA. Ja, misschien een beetje ouder ook; een heel heel klein beetje; lang niet zoo erg veel. (_Houdt plotseling op--ernstig_). O maar waar heb ik toch mijn hersens ... ik zit hier zoo maar te babbelen!... Lieve, beste Kristine kan je het mij vergeven?

MEVR. LINDE. Wat bedoel je Nora?

NORA (_zachtjes_). Arme Kristine, je bent immers weduwe geworden.

MEVR. LINDE. Ja, drie jaar geleden.

NORA. O, ik wist het eigenlijk wel; ik heb het in de courant gezien. Je kunt het gerust gelooven, Kristine-lief, 'k heb er dikwijls over gedacht je te schrijven toen ter tijd; maar ik stelde het altijd uit, en altijd kwam er iets tusschenbeiden.

MEVR. LINDE. Och Nora-lief, dat begrijp ik zoo goed.

NORA. Neen, het was toch heel onaardig van mij. Jij arme Kristine, wat heb je al een boel ondervonden.... En hij heeft je niets nagelaten om van te leven, hè?

MEVR. LINDE. Neen ... niets.

NORA. Ook geen kind?

MEVR. LINDE. Neen.

NORA. Dus heelemaal niets?

MEVR. LINDE. Zelfs geen droefheid of gemis om op te teren.

NORA (_kijkt haar ongeloovig aan_). Maar Kristine, hoe is dat mogelijk?

MEVR. LINDE (_glimlacht droevig en streelt Nora over het haar_). Ja dat gebeurt soms wel eens, Nora.

NORA. Zoo heelemaal alleen! Wat moet dat droevig zijn voor je. Ik heb drie schatten van kinderen! Ik kan ze je nu niet laten zien; ze zijn uit wandelen met de meid. Maar nu moet je mij eens alles vertellen....

MEVR. LINDE. Neen ... neen ... vertel jij liever.

NORA. Neen ... jij moet beginnen. Vandaag wil ik eens niet egoïst zijn. Vandaag wil ik alleen aan jouw omstandigheden denken. Maar één ding moet ik je toch vertellen. Weet je al van het groote geluk dat ons dezer dagen te beurt is gevallen?

MEVR. LINDE. Neen. Wat is dat dan?

NORA. Verbeeld je, mijn man is directeur van de Hypotheekbank geworden!

MEVR. LINDE. Je man? O, wat een geluk!

NORA. Ja, kolossaal! Advocaat is toch altijd zoo'n onzeker bestaan, vooral als je alleen goede zaken wilt aannemen. En andere zaken heeft Torwald natuurlijk nooit gewild en daarin ben ik het ook geheel met hem eens. Je kunt je begrijpen hoe blij wij zijn! Hij is met ingang van het nieuwe jaar aangesteld, en dan krijgt hij een groot salaris en veel percenten. Wij kunnen dan heel anders gaan leven dan tot nu toe ... net zooals we willen. O, Kristine, ik voel me toch zoo luchtig en gelukkig! Want het is toch maar heerlijk om heel veel geld te hebben en heelemaal geen zorgen daarover. Vind je ook niet?

MEVR. LINDE. Zeker, en in elk geval moet het al heerlijk zijn om het noodige te hebben.

NORA. Neen, niet alleen het noodige, maar een boel, een heeleboel geld!

MEVR. LINDE (_glimlacht_). Nora, Nora, ben je nog altijd niet verstandig geworden? In onzen schooltijd was je altijd erg verkwistend.

NORA (_lacht stil_). Ja, dat zegt Torwald nu nog. Maar "Nora, Nora" is niet zoo dwaas als jullie denkt.... O, we hebben het heusch niet zóó gehad dat ik veel uitgeven kon. Wij hebben allebei moeten werken!

MEVR. LINDE. Jij ook?

NORA. Ja, kleinigheden ... handwerkjes ... haak- en borduurwerkjes en zoowat; (_luchtig_) en ook nog andere dingen. Je weet wel dat Torwald van het departement weg ging toen wij trouwden? Er was niets geen vooruitzicht op bevordering bij zijn afdeeling en hij moest toch toen meer geld verdienen dan te voren. Maar in het eerste jaar heeft hij zich dan ook heelemaal overwerkt. Hij moest allerlei bijverdienste zoeken, dat begrijp je, en werken van 's morgens vroeg tot 's avonds laat. Maar dat kon hij niet volhouden en hij is doodziek er van geworden. En toen zeiden de doktoren dat hij volstrekt naar het Zuiden moest.

MEVR. LINDE. Dat 's waar; je bent samen een heel jaar in Italië geweest, hè?

NORA. Ja. Maar het was zoo gemakkelijk niet om weg te komen, hoor! Ivar was toen pas geboren. Maar wég moesten we natuurlijk. O, het was een verrukkelijk mooie reis. En het heeft Torwalds leven gered. Maar het heeft heel wat geld gekost.

MEVR. LINDE. Ja, dat kan ik wel begrijpen.

NORA. Vier-duizend-acht-honderd kronen. Dat is een schep geld, zeg.

MEVR. LINDE. Zeker ... maar in zoo'n geval is het ten minste een groot geluk als je het hebt.

NORA. Ja maar, weet je, we kregen het van Papa.

MEVR. LINDE. Ah zoo! Het was ook juist in dien tijd dat je vader stierf, geloof ik.

NORA. Ja juist, Kristine, dat was net in die dagen. En verbeeld je, ik kon niet naar hem toe gaan om hem te verplegen. Ik wachtte hier iederen dag de geboorte van kleinen Ivar af. En dan had ik nog mijn armen doorzieken Torwald op te passen. Mijn lieve goede Papa! Ik heb hem niet meer gezien. O, dat is mijn grootste verdriet geweest zoo lang ik getrouwd ben.

MEVR. LINDE. Ik weet dat je heel veel van hem hieldt. Maar jullie gingt dus naar Italië?

NORA. Ja, we hadden er nu immers het geld voor; en de dokters zaten er erg achter heen. Een maand later zijn we toen vertrokken.

MEVR. LINDE. En is je man heelemaal hersteld teruggekomen?

NORA. O, zoo gezond als een visch!

MEVR. LINDE. Maar ... de dokter?

NORA. Hoe zoo?

MEVR. LINDE. Ik dacht dat het meisje zei dat de dokter er was, die mijnheer die gelijk met mij aan de deur was.

NORA. O, dat was dokter Rank, maar die komt niet als dokter; dat is onze beste vriend, en hij komt hier op zijn minst ééns per dag eens aanloopen. Neen, Torwald heeft geen ziek uur meer gekend na dien tijd. En de kinderen zijn frisch en gezond en ik ook. (_Springt op en klapt in de handen_). O, Kristine, wat is het toch verrukkelijk om te leven en gelukkig te zijn!... Neen maar ... 't is toch afschuwelijk van me ... ik praat aldoor maar over mezelf. (_Gaat dicht bij haar zitten op een tabouretje en legt haar armen op Kristine's schoot_). Och toe, wees niet boos op mij!... Zeg eens, is het heusch waar dat je niet van je man hieldt? Waarom nam je hem dan?

MEVR. LINDE. Mijn moeder leefde nog en zij was bedlegerig en hulpbehoevend. En dan had ik nog twee jongere broers om voor te zorgen. Ik vond mijzelf toen niet verantwoord als ik hem niet aannam.

NORA. Neen ... neen ... daar kan je wel gelijk in hebben. Dus toen was hij rijk?

MEVR. LINDE. Ik geloof dat hij er warmpjes in zat. Maar hij had geen vast bestaan, en zijn zaken schenen niet zoo heel goed te staan. Althans toen hij stierf ging alles over den kop en bleef er niets over.

NORA. En toen?

MEVR. LINDE. Ja, toen moest ik er mij maar doorheen slaan met het een-en-ander te verkoopen en een schooltje te houden en wat ik verder zoo hier en daar te doen kon krijgen. De laatste drie jaar zijn voor mij geweest, als één enkele lange werkdag zonder rust. Nu is die uit, Nora. Mijn arme moeder heeft mij niet meer noodig, want zij is heengegaan. En de jongens hebben mij ook niet meer noodig; zij zijn in betrekking en kunnen voor zichzelf zorgen.

NORA. Wat moet je je nu opgelucht voelen....

MEVR. LINDE. Och neen; alleen niet-te-zeggen leeg. Niemand meer om voor te leven. (_Staat zenuwachtig op_). Daarom hield ik het daarginder in dien uithoek niet meer uit. Hier moet het toch gemakkelijker zijn om iets te vinden dat je heelemaal in beslag neemt en je gedachten bezig houdt. Als ik maar zoo gelukkig was een vaste betrekking te krijgen, iets op een kantoor of zoo....

NORA. O maar Kristine, dat is zoo vreeselijk inspannend; en je ziet er nu al zoo vermoeid uit. Het zou heel wat beter voor je zijn als je eerst eens een poosje naar een badplaats ging.

MEVR. LINDE (_gaat naar het raam_). Ik heb geen Papa die mij reisgeld geven kan.

NORA (_staat op_). O, wees niet boos op mij.

MEVR. LINDE (_naar haar toegaand_). Lieve Nora, wees jij niet boos op mij. Dat is het ergste in een positie als de mijne, dat je gemoed zoo verbitterd wordt. Je hebt niemand om voor te werken, en toch moet je naar alle kanten heen werk zoeken. Je moet toch leven, en dan wordt je egoïst. Toen je mij vertelde van die gelukkige verandering in je positie ... wil je 't wel gelooven?... was ik er minder blij over voor jou dan voor mijzelf.

NORA. Hoe meen je dat? O, nu begrijp ik je. Je bedoelt dat Torwald misschien wat voor je zou kunnen doen?

MEVR. LINDE. Ja, daar dacht ik aan.

NORA. Dat zal hij ook wel Kristine. Laat dat maar aan mij over; ik zal hem dat zoo netjes bijbrengen, zoo netjes ... eens iets heel liefs bedenken dat hij erg graag heeft. O, ik wil je zoo innig graag van dienst zijn.

MEVR. LINDE. Wat is dat lief van je, Nora, dat je je zoo hartelijk voor mij interesseert ... dubbel lief van jou, die zelf zoo weinig weet van de moeilijkheden van het leven.

NORA. Ik?... weet ik daar zoo weinig van?...

MEVR. LINDE (_glimlachend_). Nou ... dat beetje handwerken en zoo ... Je bent nog een kind, Nora.

NORA (_loopt door de kamer met het hoofd in den nek_). Dat moest je niet op zoo'n hoogen toon zeggen.

MEVR. LINDE. Zoo? Niet?

NORA. Je bent net als de anderen. Je denkt allemaal dat ik niet deug voor iets ernstigs.

MEVR. LINDE. Och kom....

NORA. ... dat ik nog niets gedaan heb in deze moeilijke wereld.

MEVR. LINDE. Maar lieve Nora, je hebt immers daar straks al je tegenspoeden verteld.

NORA. Och wat ... die bagatellen! (_Zachtjes_). Ik heb je het groote niet verteld.

MEVR. LINDE. Het groote? Wat bedoel je daarmee?

NORA. Je kijkt op me neer Kristine, maar dat moest je toch niet doen. Jij bent er trotsch op dat je zoo hard en zoo lang voor je moeder hebt gewerkt.

MEVR. LINDE. Ik kijk heusch op niemand neer. Maar dat is waar: ik ben zoowel trotsch als blij, als ik er aan denk, dat het mij vergund was de laatste jaren van mijn arme moeder althans vrij van zorgen voor haar te maken.

NORA. En je bent ook trotsch als je er aan denkt wat je gedaan hebt voor je broers.

MEVR. LINDE. Mij dunkt dat ik daar ook wel het recht toe heb.

NORA. Dat dunkt mij ook. Maar nu zal ik je eens wat vertellen, Kristine. Ik heb ook iets om trotsch en blij over te zijn.

MEVR. LINDE. Daar twijfel ik geen oogenblik aan. Maar hoe bedoel je dat?

NORA. Spreek zachtjes. Verbeeld je dat Torwald het eens hoorde! Hij mag het om niets ter wereld hooren ... niemand mag het weten. Kristine; niemand dan jij....

MEVR. LINDE. Maar wat _is_ het dan toch?

NORA. Kom eens hier. (_Trekt haar op de sofa naast zich_). Weet je, ik heb ook iets om trotsch en blij over te zijn. _Ik_ heb Torwald's leven gered.

MEVR. LINDE. Gered? Hoezoo gered?

NORA. Ik vertelde je immers van die reis naar Italië. Torwald zou er nooit boven op gekomen zijn als hij er niet heen gegaan was....

MEVR. LINDE. Nu ja; en je vader gaf je het noodige geld er voor....

NORA (_glimlacht_). Ja, dat gelooft Torwald en alle andere menschen gelooven het; maar....

MEVR. LINDE. Maar?...

NORA. Papa gaf ons geen rooie duit. _Ik_ ben 't geweest die het geld bijeen heb gescharreld.

MEVR. LINDE. Jij? Heel die groote som?

NORA. Vier duizend acht honderd kronen. Wat zeg je daarvan?

MEVR. LINDE. Maar Nora, hoe heb je dàt kunnen doen? Had je dan een prijs uit de loterij getrokken?

NORA (_verachtelijk_). Uit de loterij? (_Geringschattend_). Wat zou dáár nu voor kunst aan geweest zijn?

MEVR. LINDE. Maar waar haalde je het dàn van daan?

NORA (_neuriet zacht en geheimzinnig_). Hm! tra la la la!

MEVR. LINDE. Want leenen kon je toch ook niet.

NORA. Zoo? En waarom niet?

MEVR. LINDE. Welneen, een vrouw kan immers geen leening aangaan zonder medeweten van haar man.

NORA (_werpt het hoofd in den nek_). O, als het maar een vrouw is die een beetje verstand van zaken heeft ... een vrouw die een beetje handig is ... dan....

MEVR. LINDE. Maar Nora, ik begrijp er heelemaal niets van.

NORA. Dat hoeft ook niet. Ik heb immers niet gezegd dat ik het geld _geleend_ héb? Ik kan het toch ook wel op een andere manier gekregen hebben. (_Gooit zich achterover op de sofa_). Ik kan het gekregen hebben van een of anderen bewonderaar. Als je er zoo lief uitziet als ik....

MEVR. LINDE. Wat ben je toch een dwaasje, Nora!

NORA. Nu ben je zeker woest nieuwsgierig, hè?

MEVR. LINDE. Ja maar, hoor eens even, Nora-lief, heb je toch niet een beetje onbezonnen gehandeld?

NORA (_zit weer rechtop_). Onbezonnen om je man's leven te redden?

MEVR. LINDE. Mij dunkt dat het onbezonnen is om zonder zijn voorkennis....

NORA. Maar hij mócht er juist niets van weten! Lieve hemel, begrijp je dat dan niet? Hij mocht niet eens weten hoe slecht hij er aan toe was. 't Was bij _mij_ dat de dokters kwamen en zeiden dat zijn leven in gevaar was ... dat niets anders hem kon redden dan een verblijf in het Zuiden. Geloof je niet dat ik eerst probeerde op een andere manier mij uit den brand te redden? Ik zei tegen hem hoe heerlijk het voor mij zijn zou om eens naar het buitenland te gaan, net als andere jonge vrouwen; ik huilde en smeekte; ik zei dat hij toch alsjeblieft moest denken aan mijn positie en hij lief voor mij moest wezen en mij mijn zin geven. En toen werd hij bijna boos. Hij zei dat ik lichtzinnig was, en dat het zijn plicht als getrouwd man was, om mij niet toe te geven in grillen en kuren ... zoo noemde hij het geloof ik. Jawel, dacht ik, gered worden moet je toch, en toen heb _ik_ een uitweg gezocht.

MEVR. LINDE. En kwam je man het niet te weten van je vader, dat het geld niet van hem kwam?

NORA. Neen ... nooit. Papa stierf juist in die dagen. Ik was van plan hem op de hoogte te brengen van de zaak en hem te vragen niets te verraden. Maar hij was al zoo ziek.... 't Was helaas toen ook niet meer noodig.

MEVR. LINDE. En heb je er later nooit iets van verteld aan je man?

NORA. Neen! lieve hemel, hoe verzin je het! Hij die zoo streng is op dat punt! En bovendien ... Torwald met zijn sterk ontwikkeld gevoel van eigenwaarde ... hoe pijnlijk en vernederend zou het voor hem zijn als hij wist dat hij iets aan mij te danken had. Dat zou de verhouding tusschen ons heelemaal verstoren; ons mooi lief thuis zou dan niet meer zijn wat het nu is.

MEVR. LINDE. Zal je het hem dan nooit zeggen?

NORA (_nadenkend, half glimlachend_). Jawel ... later misschien;... over vele jaren als ik niet meer zoo mooi ben als nu.... Daar moet je niet om lachen! Ik bedoel natuurlijk: als Torwald niet meer zooveel met mij op heeft; als hij er geen plezier meer in heeft dat ik voor hem dans, of me verkleed, of wat voordraag. Dan kon het wel goed zijn om nog iets achter de hand te hebben.... (_Uitbarstend_). Och malligheid! Die tijd komt nooit.... Maar hoe vindt je nu eigenlijk mijn groot geheim, Kristine? Kan ik nu ook niet iets flinks doen?... Ik verzeker je dat die zaak mij al heel wat moeilijkheden bezorgd heeft. 't Is heusch zoo gemakkelijk niet voor mij geweest om op tijd aan mijn verplichtingen te voldoen. Weet je, in de zaken-wereld is er iets dat ze driemaandelijksche rente noemen en iets dat afbetaling heet, en dat is altijd zoo verschrikkelijk moeilijk bij te brengen. Daarom heb ik zoo'n beetje op alles moeten bezuinigen, waar ik maar kon, zie je. Van het huishoudgeld kon ik natuurlijk niets op zij leggen, want Torwald moest het toch goed hebben. De kinderen konden toch ook niet slecht gekleed gaan; wat ik voor hen kreeg moest ik allemaal gebruiken vond ik. Die lieve, schattige kleintjes.

MEVR. LINDE. Dus moest je het wel vinden op je eigen uitgaven, arme Nora?

NORA. Ja natuurlijk. Ik was er dan ook het naaste aan toe. Telkens als Torwald mij geld gaf voor nieuwe japonnen of zoo iets, gebruikte ik nooit meer dan de helft; kocht altijd de eenvoudigste en goedkoopste dingen. Een waar geluk is het dat alles mij zoo goed kleedt, zoodat Torwald er niets van merkte. Maar het viel mij dikwijls moeilijk Kristine; want het is toch erg prettig om mooi gekleed te gaan, niet waar?

MEVR. LINDE. Dat zal waar zijn!

NORA. Nu maar, ik heb ook andere bronnen van inkomsten gehad. Verleden winter was ik zoo gelukkig een heeleboel copieerwerk te krijgen. Dan sloot ik mij op en zat den heelen avond te schrijven tot diep in den nacht. O ik was dikwijls zoo moe, zoo moe! Maar het was toch verbazend vermakelijk om zoo te zitten werken en er geld mee te verdienen. Het was haast net of ik een man was.

MEVR. LINDE. Maar hoeveel heb je op die manier kunnen afbetalen?

NORA. Ja, dat kan ik zoo precies niet zeggen. Weet je, het is erg moeilijk om uit zaken wijs te worden. Ik weet alleen dat ik alles betaald heb wat ik maar bij elkaar kon schrapen. Dikwijls heb ik geen raad geweten. (_Glimlacht_). Dan zat ik mij hier maar te verbeelden dat een oude rijke heer verliefd op me geworden was....

MEVR. LINDE. Wat! Wat voor een heer?