Dramatische werken

Chapter 14

Chapter 144,122 wordsPublic domain

NORA. Och malligheid!... en dat hij nu gestorven was en zijn testament geopend werd, en daar stond met groote letters: "Al mijn geld moet aan de beminnelijke mevrouw Nora Helmer worden uitbetaald terstond contant."

MEVR. LINDE. Maar Nora-lief ... wat was dat voor een heer?

NORA. Lieve hemel, begrijp je het dan niet? Die oude heer bestond heelemaal niet; dat was maar zoo iets waar ik dan aldoor aan dacht, als ik niet wist waar ik het geld vandaan moest halen. Maar dat doet er nu niets meer toe; die oude vervelende sinjeur kan voor mijn part blijven waar hij is; noch hij noch zijn testament kan mij iets meer schelen, want nu heb ik geen zorgen meer. (_Springt op_). O god, Kristine, dat is toch een zalige gedachte! Geen zorgen meer! Vrij te zijn, heelemaal vrij! Te kunnen spelen en stoeien met de kinderen; alles mooi en netjes in huis te kunnen hebben, alles net zooals Torwald het graag heeft! En dan wordt het gauw weer lente en de lucht heelemaal blauw. Misschien gaan wij dan wel een reisje maken ... mogelijk wel naar de zee, die ik zoo graag nog eens terugzien wou! O ja, ja, het is toch maar verrukkelijk om te leven en gelukkig te zijn!

(_Er wordt gebeld aan de voordeur_).

MEVR. LINDE (_staat op_). Daar wordt gebeld; nu zal ik maar heengaan.

NORA. Welneen, blijf maar; hier komt stellig niemand; het zal wel voor Torwald zijn....

DIENSTMEISJE (_in de deur_). Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw ... maar hier is een heer die wil meneer de advocaat spreken.

NORA. Meneer de directeur, meen je.

DIENSTMEISJE. Jawel, mevrouw, meneer de directeur; maar ik wist niet ... omdat de dokter binnen is....

NORA. Wie is die meneer?

Zaakwaarnemer KROGSTAD (_in de deur_). Ik ben het mevrouw.

(_Mevr. Linde schrikt en gaat bij het raam staan_).

NORA (_gaat hem een paar passen te gemoet; gespannen half-luid_). U? Wat beteekent dat? Waarover wou u mijn man spreken?

KROGSTAD. Over bankzaken ... tot op zekere hoogte. Ik heb een klein postje bij de Hypotheekbank, en uw man wordt nu onze chef, naar ik hoor....

NORA. Het is dus over....

KROGSTAD. Over zaken, droge kantoorzaken, mevrouw; anders niets.

NORA. Ja, wil u dan maar zoo goed zijn even in het kantoor te gaan. (_Groet onverschillig, terwijl zij de deur naar het portaal opendoet; dan gaat zij naar de kachel kijken_).

MEVR. LINDE. Nora ... wie was die man?

NORA. Dat is een zekere zaakwaarnemer Krogstad.

MEVR. LINDE. Dus was hij het heusch!

NORA. Ken je dien man?

MEVR. LINDE. Ik heb hem gekend ... vele jaren geleden. Hij was een tijdlang zaakwaarnemer daarginder bij ons.

NORA. Ja dat was hij ook.

MEVR. LINDE. Wat is hij veranderd!

NORA. Hij is heel ongelukkig getrouwd geweest.

MEVR. LINDE. Nu is hij immers weduwnaar?

NORA. Met een heeleboel kinderen. Zie zoo, nu vlamt het weer. (_Zij sluit de deur van de kachel en schuift den schommelstoel een beetje op zij_).

MEVR. LINDE. Hij heeft allerlei zaken aan de hand, zeggen ze.

NORA. Zoo? Ja dat kan wel zijn; ik weet er niet van ... maar laat ons nu niet aan zaken denken; dat is zoo vervelend.

(_Dokter Rank komt uit Helmer's kamer_).

DOKTER RANK (_nog in de deur_). Neen, neen zeg ik; ik wil je niet hinderen. Ik ga liever even binnen bij je vrouw. (_Sluit de deur en bemerkt mevr. Linde_). O, pardon; ik zie dat ik hier ook ongelegen kom.

NORA. Welneen, heelemaal niet. (_Stelt voor_). Dokter Rank--Mevrouw Linde.

RANK. Och zoo. Een naam die hier in huis dikwijls genoemd wordt. Ik geloof dat ik mevrouw voorbij liep op de trap.

MEVR. LINDE. Ja, ik loop heel langzaam een trap op; ik kan niet goed stijgen.

RANK. Zoo? Is u niet goed in orde van binnen?

MEVR. LINDE. Eigenlijk meer wat overwerkt.

RANK. Anders niet? Dan is u zeker naar de stad gekomen om eens wat ontspanning te nemen met de kerstfeesten.

MEVR. LINDE. Ik ben hierheen gekomen om werk te zoeken.

RANK. Moet dat een geneesmiddel zijn voor iemand die al overwerkt is?

MEVR. LINDE. Men moet toch leven, dokter.

RANK. Ja, dat is zoo de algemeene opinie, dat dat noodzakelijk is.

NORA. Nou maar, dokter Rank ... u wil toch ook wel graag leven.

RANK. Ja zeker wil ik dat. Zoo ellendig als ik ben, wil ik toch graag mijn kwaal zoo lang mogelijk rekken. Al mijn patiënten zijn net eender. En zoo gaat het de moreel-aangetasten ook. Daar is nu juist op dit oogenblik zoo'n moreel-melaatsche bij Helmer....

MEVR. LINDE (_gedempt_). Ah!

NORA. Wie meent u?

RANK. O, dat is een zaakwaarnemer, Krogstad, iemand die heelemaal buiten uw sfeer leeft. Die man is moreel in den grond bedorven, maar zelfs hij begon er over, alsof 't iets hooggewichtigs was, dat hij toch _leven_ moest.

NORA. Zoo? Waar kwam hij eigenlijk Torwald over spreken?

RANK. Ik weet het heusch niet: ik hoorde alleen dat het iets over de Hypotheekbank was.

NORA. Ik wist niet dat Krog ... dat die zaakwaarnemer Krogstad iets met de Hypotheekbank te maken had.

RANK. Ja, hij heeft daar een soort betrekking. (_Tegen mevr. Linde_). Ik weet niet of u daarginder, waar u vandaan komt, ook zulk slag van menschen heeft, die blazend en hijgend overal rondloopen om moreele verwording en onpluize zaakjes op te snorren en dan de betrokken personen als 't ware ter observatie op te sluiten in een of andere (voor de speurders) voordeelige betrekking. De gezonden mogen dan netjes buiten blijven staan toekijken.

MEVR. LINDE. Het zijn toch ook de zieken die het 't meest noodig hebben opgesloten te worden.

RANK (_haalt de schouders op_). Ja, daar hebben wij de kwestie. _Die_ opvatting maakt nu juist een ziekenhuis van de maatschappij.

(_Nora, in haar eigen gedachten verdiept, barst uit in een halfluid lachen en klapt in haar handen_).

RANK. Hoe lacht u daar zoo om? Weet u eigenlijk wel wat de maatschappij is?

NORA. Wat kan mij die vervelende maatschappij schelen? Ik lachte om heel iets anders ... iets vreeselijk vermakelijks.... Zeg u nu eens, dokter ... worden al die menschen die werkzaam zijn bij de Hypotheekbank nu afhankelijk van Torwald?

RANK. Vindt u dàt zoo vreeselijk vermakelijk?

NORA (_glimlacht en neuriet_). Waarom niet? (_Loopt rond door de kamer_). Ja, dat is toch ontzettend grappig om te denken, dat wij ... dat Torwald nu zooveel invloed op zooveel menschen krijgt. (_Haalt de bonbons uit haar zak_). Dokter heeft u ook trek in bonbons?

RANK. Kijk eens aan, bonbons.... Ik dacht dat dat verboden waar was hier.

NORA. Ja, maar deze heeft Kristine voor mij meegebracht.

MEVR. LINDE. Wat?... Ik?...

NORA. Nou ... nou ... schrik maar niet. Jij kon immers niet weten, dat Torwald ze mij verboden heeft. Weet je, hij is bang dat ik er leelijke tanden van krijgen zal. Maar och ... voor een enkel keertje.... Niet waar dokter? Alsjeblieft. (_Stopt hem een bonbon in den mond_). En jij ook Kristine. En ik mag er ook eentje ... een kleintje maar ... één ... of op zijn hoogst twee! (_Loopt weer rond_). Nu ben ik toch zoo in-gelukkig. Nu is er maar één ding in de wereld waar ik zoo'n dollen lust in zou hebben.

RANK. En dat is?

NORA. Het is iets dat ik zoo dolgraag zou willen zeggen, zoo, dat Torwald het hoorde.

RANK. En wáárom zegt u het dan niet?

NORA. Neen ... ik durf niet ... het is zoo leelijk.

MEVR. LINDE. Leelijk?

RANK. Ja, dan is het niet geraden. Maar tegen ons kan u 't toch wel.... Wat is het dan dat u zoo graag wou zeggen, zoo, dat Helmer het hoorde?

NORA. Ik heb zoo'n dollen lust om te zeggen: bliksems!

RANK. Hoe heb ik het nu met u!

MEVR. LINDE. 't Is zonde Nora.

RANK. Zeg u 't dan nu maar. Daar is hij!

NORA (_stopt de bonbons weg_). Sst, sst, sst!

(_Helmer komt uit zijn kamer met zijn overjas op den arm en zijn hoed in de hand_).

NORA (_naar hem toegaand_). Wel Torwald-lief, ben je van hem af?

HELMER. Ja hij is weg.

NORA. Mag ik je even voorstellen: dat is Kristine die in de stad gekomen is.

HELMER. Kristine?... Pardon, ik weet niet goed....

NORA. Mevrouw Linde, Torwald-lief; mevrouw Kristine Linde.

HELMER. Ach zoo. Vermoedelijk een vriendin van mijn vrouw uit haar kindertijd?

MEVR. LINDE. Ja, wij hebben elkaar vroeger gekend.

NORA. En verbeeld je, nu heeft zij die lange reis hierheen gemaakt om eens met jou te kunnen spreken.

HELMER. Dat wil zeggen?

MEVR. LINDE. Dat nu juist niet....

NORA. Kristine is namelijk zoo vreeselijk handig met kantoorwerk, en nu wou ze zoo dolgraag onder de leiding komen van een knappen man, om er zich nog verder in te bekwamen....

HELMER. Heel verstandig mevrouw.

NORA. En toen ze hoorde dat je directeur van die Bank was geworden--dat was daar door een telegram bekend gemaakt--reisde zij, zoodra zij kon, hier heen en.... Niet waar Torwald, je wilt, om mij plezier te doen, wel wat voor Kristine doen? Zeg?

HELMER. Welzeker, dat is heel wel mogelijk. Mevrouw is vermoedelijk weduwe?

MEVR. LINDE. Ja.

HELMER. En heeft u al wat ondervinding in kantoorzaken?

MEVR. LINDE. Ja, tamelijk wel.

HELMER. Nu, dan is het heel waarschijnlijk dat ik u een betrekking zal kunnen bezorgen....

NORA (_klapt in haar handen_). Zie je wel! Zie je wel!

HELMER. U is op een gelukkig oogenblik gekomen, mevrouw....

MEVR. LINDE. O, hoe kan ik u genoeg danken?...

HELMER. Heelemaal niet noodig. (_Trekt zijn overjas aan_). Maar vandaag moet u mij excuseeren....

RANK. Wacht, ik ga met je mee. (_Haalt zijn pels uit het portaal en warmt dien bij den kachel_).

NORA. Blijf niet lang weg, Torwald-lief.

HELMER. Een uurtje maar, langer niet.

NORA. Ga jij ook weg, Kristine?

MEVR. LINDE (_doet haar mantel om_). Ja ik moet weg; ik moet nog een kamer zoeken.

HELMER. Dan kunnen wij misschien zoo ver samen gaan.

NORA (_helpt haar_). Hoe vervelend nu dat we zoo klein behuisd zijn, maar wij kunnen je onmogelijk....

MEVR. LINDE. Och welneen. Hoe kom je er bij! Dag Nora-lief, hartelijk dank voor alles!

NORA. Tot ziens. Ja, zeg, je komt toch van avond terug? En u ook dokter? Wat? Of u wel genoeg zal zijn? Wel ja, natuurlijk wel; pak u maar goed in. (_Onder algemeen gepraat gaan zij het portaal op. Buiten op de trap klinken kinderstemmen_).

NORA. Daar zijn ze! Daar zijn ze! (_Zij gaat gauw de buitendeur opendoen. De kindermeid Anna-Marie komt met de kinderen boven. Pakt en kust ze_). Hier zijn mijn schatjes, mijn lievelingen!... Daar heb je ze nu Kristine! Zijn ze niet heerlijk?

RANK. Niet hier in den tocht blijven staan praten!

HELMER. Kom mevrouw Linde, nu wordt het hier niet meer uit te houden voor iemand die geen kinderen heeft.

(_Dokter Rank, Helmer en mevr. Linde gaan naar beneden. De kindermeid gaat met de kinderen naar binnen. Nora ook, en sluit dan de deur_).

NORA. Wat zien jullie er frisch en lekker uit. Wat een roode wangen! Als appeltjes en rozen. (_De kinderen praten den heelen tijd er tusschen door_). Heb je zoo'n pret gehad? Dat is best. Och kom! heb jij Emmy en Bob tegelijk gesleed? Neen maar, verbeeld je toch eens. Je bent een flinke jongen, Ivar. Och, Anna-Marie, geef haar mij een beetje. Mijn lief klein poppekindje! (_Neemt het kleinste op den arm en danst er mee door de kamer_). Ja ... ja, mama zal ook met Bob dansen. Wat? Hebben jullie sneeuwballen gegooid? O, daar had ik bij moeten zijn! Neen, laat maar, ik zal ze zelf wel uitkleeden Anna-Marie. Toe ja, laat mij dat nu eens doen ... het is zoo prettig. Ga jij maar even naar de kinderkamer; je ziet er verkleumd uit. Er staat nog warme koffie op de kachel voor je.

(_De meid gaat in de kamer links. Nora trekt de kinderen hun jasjes enz. uit en gooit het goed hier en daar neer, terwijl zij hen door elkander laat vertellen_).

NORA. Och heusch? Was er een groote hond die je achterna liep? Maar hij beet je niet hè? Neen, de honden bijten zulke lieve zoete poppekindjes niet. Niet in de pakjes kijken, Ivar! Wat dat is? Ja dat zou je wel eens willen weten. Neen ... neen ... daar zit iets leelijks in. Wat? Spelen? Maar wàt dan? Verstoppertje? Ja, dat is goed, we zullen verstoppertje spelen. Bob moet zich het eerst verstoppen. Moet _ik_ het doen? Goed dan--dan zal ik mij verstoppen.

(_Zij en de kinderen spelen lachend en juichend in de kamer en in de aangrenzende kamer rechts. Ten slotte verstopt Nora zich onder de tafel; de kinderen stormen naar binnen, maar kunnen haar niet vinden; zij hooren haar gesmoord lachen, loopen naar de tafel toe, lichten het tafelkleed op en zien haar. Stormachtig gejuich. Zij kruipt te voorschijn alsof zij hen bang maken wil. Nieuw gejuich. Er is intusschen geklopt; niemand heeft er op gelet. Nu wordt de deur half geopend en Krogstad komt te voorschijn; hij wacht even; het spel wordt voortgezet_).

KROGSTAD. Neem me niet kwalijk, mevrouw Helmer....

NORA (_met een gesmoorden kreet, keert zich om en springt half op_). Ah! wat wou u?

KROGSTAD. Excuseer mij, maar de buitendeur stond aan; de een of ander heeft zeker vergeten ze te sluiten....

NORA (_staat op_). Mijn man is niet thuis, meneer Krogstad.

KROGSTAD. Dat weet ik.

NORA. O ... ja? wat wou u dan eigenlijk?

KROGSTAD. Een woordje met u spreken.

NORA. Met...? (_Tegen de kinderen zachtjes_). Gaat nu zoet naar Anna-Marie. Wat? Neen, die vreemde man zal mama heusch geen kwaad doen. Als hij weg is gaan we weer spelen. (_Zij brengt de kinderen in de kamer links en doet de deur achter hen dicht. Gejaagd, zenuwachtig_). Wou u met mij spreken?

KROGSTAD. Ja.

NORA. Van daag?... Maar het is toch nog niet de eerste van de maand.

KROGSTAD. Neen ... het is kerstavond. Het zal van u zelf afhangen, of dat een gelukkige avond voor u zijn zal.

NORA. Wat wilt u toch? Ik kan vandaag heelemaal niet....

KROGSTAD. Daar zullen wij voorloopig niet meer over spreken. Het is iets anders. U heeft toch wel een oogenblikje tijd?

NORA. O ja, zeker, 'k heb wel een oogenblikje, hoewel....

KROGSTAD. Alsjeblieft dan. Ik zat in het restaurant van Olsen en zag uw man voorbijgaan....

NORA. Ja?...

KROGSTAD. ... met een dame.

NORA. En wat zou dat?

KROGSTAD. Zou ik zoo vrij mogen zijn te vragen: was die dame niet een zekere mevrouw Linde?

NORA. Jawel.

KROGSTAD. Zoo pas in de stad gekomen.

NORA. Ja ... van daag.

KROGSTAD. Zij is immers een goede vriendin van u?

NORA. Ja zeker. Maar ik zie niet in....

KROGSTAD. Ik heb haar vroeger ook gekend.

NORA. Dat weet ik.

KROGSTAD. Zoo? Is u op de hoogte van de zaak? Dat dacht ik wel. Mag ik u dan kort en goed vragen of mevrouw Linde een betrekking krijgt bij de Hypotheekbank?

NORA. Hoe durft u zoo vrijpostig zijn om _mij_ uit te vragen, meneer Krogstad, u, een van mijn mans ondergeschikten? Maar omdat u er naar vraagt, zal u 't weten ook. Ja, mevrouw Linde zal een betrekking krijgen. En ik ben het die haar die bezorgd heeft. Nu weet u het meneer Krogstad.

KROGSTAD. Mijn vermoeden was dus juist.

NORA (_loopt in de kamer op en neer_). O, een klein beetje invloed heeft iemand toch altijd nog wel, zou ik denken. Al ben ik dan maar een vrouw, daarom is het nog volstrekt niet gezegd dat.... Als men in een ondergeschikte positie verkeert, meneer Krogstad, mag men zich waarlijk wel wachten om iemand voor het hoofd te stooten, die ... hm....

KROGSTAD. ... die invloed heeft?

NORA. Juist, ja.

KROGSTAD (_met veranderde stem_). Mevrouw Helmer, wil u zoo goed zijn om uw invloed te mijnen behoeve te gebruiken?

NORA. Wat bedoelt u?

KROGSTAD. Wil u zoo goed zijn er voor te zorgen dat ik mijn ondergeschikte betrekking bij de Bank behoud?

NORA. Wat beteekent dat? Wie denkt er aan u uw betrekking te ontnemen?

KROGSTAD. O, u hoeft tegenover mij niet te doen alsof u van niets weet. Ik begrijp heel goed dat het uw vriendin niet aangenaam kan zijn zich bloot te stellen aan een ontmoeting met mij; en ik begrijp nu ook aan wie ik het te danken zal hebben als ik weggejaagd word.

NORA. Maar ik geef u de verzekering....

KROGSTAD. Jawel, jawel ... kort en goed: het is nu nog tijd, en ik geef u den raad uw invloed te gebruiken om het te verhinderen.

NORA. Maar meneer Krogstad, ik heb volstrekt geen invloed.

KROGSTAD. Zoo? Ik dacht dat u daar straks zelf zei....

NORA. Dat was natuurlijk zóó niet op te vatten. Ik! Hoe kan u gelooven dat ik zóó'n invloed op mijn man heb?

KROGSTAD. O, ik ken uw man al van onzen studententijd af. Ik denk niet dat meneer de Bankdirecteur vaster in zijn schoenen staat dan andere getrouwde mannen.

NORA. Als u geringschattend over mijn man spreekt, wijs ik u de deur.

KROGSTAD. Mevrouw is dapper.

NORA. Ik ben niet langer bang voor u. Na Nieuwjaar zal ik gauw van de heele geschiedenis af zijn.

KROGSTAD (_zich beheerschend_). Luister nu eens, mevrouw. Als de nood aan den man komt, ben ik van plan een strijd op leven en dood te voeren om mijn postje aan de Bank te behouden.

NORA. Ja, dat begint er heusch naar uit te zien.

KROGSTAD. Het is niet alleen om het salaris; daar is het mij het minst om te doen. Maar er is iets anders.... Nou ja, ik zal 't maar zeggen. Ziet u, het is dit: u weet natuurlijk evengoed als iedereen dat ik mij, vele jaren geleden, aan een onbezonnenheid heb schuldig gemaakt.

NORA. Ik geloof dat ik daar wel eens iets van gehoord heb.

KROGSTAD. De zaak is niet voor het gerecht gekomen; maar toch waren terstond alle wegen voor mij afgesloten, als 't ware. Zoo kwam ik er toe mij in te laten met het soort van zaken dat u weet. Iets moest ik wel aanpakken, en ik durf zeggen dat ik nog niet een van de slechtsten in mijn soort ben. Maar nu wil ik dien heelen boel aan kant doen. Mijn zoons beginnen groot te worden; om hunnentwil moet ik mijn best doen om zooveel mogelijk weer in de algemeene achting te rijzen. Dat postje bij de Bank was om zoo te zeggen de eerste sport op de ladder daartoe. En nu wil uw man mij van de ladder afschoppen, zoodat ik weer beneden in de modder kom te liggen.

NORA. Maar, goede hemel, meneer Krogstad, het staat heusch niet in mijn macht om u te helpen.

KROGSTAD. Dat komt eenvoudig omdat u niet wil. Maar ik bezit de middelen om u te dwingen.

NORA. U wil toch niet aan mijn man gaan vertellen dat ik u geld schuldig ben?

KROGSTAD. Hm; en als ik dat nu eens deed?

NORA. Dat zou een schandelijke manier van doen zijn. (_Met tranen in haar stem_). Dat geheim dat mijn vreugde en mijn trots is, dat zou hij op zoo'n leelijke en plompe manier te weten komen ... te weten door _u_. U zal mij aan de vreeselijkste onaangenaamheden bloot stellen....

KROGSTAD. Enkel maar onaangenaamheden?

NORA (_heftig_). Maar doe het maar; het zal voor u zelf het ergst zijn; want dan zal mijn man pas eens goed zien wat voor een slecht mensch u is, en dan zal u heel zeker uw betrekking niet behouden.

KROGSTAD. Ik vroeg of het enkel huiselijke onaangenaamheden waren, waar u bang voor is?

NORA. Als mijn man het te weten komt, zal hij natuurlijk terstond betalen wat er nog staat; en dan hebben wij verder niets meer met u te maken.

KROGSTAD (_een beetje dichterbij_). Hoor eens, mevrouw Helmer; u heeft òf geen heel sterk geheugen, òf heelemaal geen begrip van zaken. Ik zal u de zaak eens wat duidelijker maken.

NORA. Hoe dan?

KROGSTAD. Toen uw man ziek was, kwam u bij mij om vijfduizend kronen te leen.

NORA. Ik wist niemand anders.

KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen.

NORA. En dat deed u ook.

KROGSTAD. Ik beloofde u het geld te zullen bezorgen onder zekere voorwaarden. U was toen zoo bezet met de ziekte van uw man en zoo verlangend om het geld voor de reis in handen te krijgen, dat u, geloof ik, geen gedachte meer over had voor alle bijkomende omstandigheden. Het kan daarom niet misplaatst zijn u daaraan nog eens te herinneren. Dus: ik beloofde u het geld te bezorgen tegen een schuldbekentenis, die ik u opmaakte.

NORA. En die ik onderteekende.

KROGSTAD. Juist. Maar onderaan voegde ik er eenige regels bij, waarin stond dat uw vader borg bleef voor de som. Deze regels moest uw vader onderteekenen.

NORA. Moest?... Hij heeft ze immers onderteekend.

KROGSTAD. Ik had den datum in blanco gelaten; d.w.z. uw vader moest zelf invullen op welken dag hij het papier teekende. Herinnert mevrouw zich dat?

NORA. Ja ... ik geloof 't wel....

KROGSTAD. Daarna gaf ik u de schuldbekentenis om die per post op te sturen aan uw vader. Was het zoo niet?

NORA. Jawel.

KROGSTAD. En dat deed u natuurlijk ook terstond; want al vijf of zes dagen later bracht u mij de schuldbekentenis met de onderteekening van uw vader terug. En toen betaalde ik u het geld uit.

NORA. Nu ja; heb ik dan niet behoorlijk afbetaald?

KROGSTAD. Zoo tamelijk, jawel. Maar ... om nog eens terug te komen op dat waar wij over spraken ... dat was toen wel een moeilijke tijd voor u, mevrouw.

NORA. Dat was het zeker.

KROGSTAD. Uw vader was toen ook heel ziek, meen ik.

NORA. Hij lag op sterven.

KROGSTAD. En stierf ook kort daarna?

NORA. Ja.

KROGSTAD. Herinnert u zich toevallig den sterfdag van uw vader? Welke dag van de maand het was, bedoel ik.

NORA. Papa stierf den 29sten September.

KROGSTAD. Dat komt precies uit; ik heb het nagevraagd. En daarom is er iets zonderlings in de zaak (_haalt een papier voor den dag_) dat ik mij volstrekt niet verklaren kan.

NORA. Wat voor zonderlings? Ik weet niet....

KROGSTAD. Het zonderlinge, mevrouw, is dat uw vader deze schuldbekentenis heeft onderteekend drie dagen na zijn dood.

NORA. Hoe dat? Ik begrijp niet....

KROGSTAD. Uw vader stierf den 29sten September. Maar kijk nu eens hier. Hier heeft uw vader zijn handteekening gedateerd op den 2den October. Is dat niet vreemd, mevrouw?

NORA (_zwijgt_).

KROGSTAD. Kan u mij dat verklaren?

NORA (_blijft zwijgen_).

KROGSTAD. Opvallend is het ook, dat de woorden 2 October en het jaartal niet geschreven zijn met de hand van uw vader, maar met een hand die ik meen te kennen. Nu, er is wel een verklaring voor te vinden; uw vader kan vergeten hebben den datum er bij te zetten, en de een of ander heeft dien op de gis ingevuld, eer zijn dood nog bekend was. Daar steekt geen kwaad in. Waar het op aan komt is de handteekening. En die is toch wel echt, niet waar mevrouw? Het is toch inderdaad uw vader, die daar zelf zijn naam heeft neergeschreven?

NORA (_na eenig zwijgen--werpt het hoofd in den nek en ziet hem uitdagend aan_). Neen ... die is niet echt. Ik ben het die papa's naam geschreven heb.

KROGSTAD. Mevrouw ... weet u wel dat dat een gevaarlijke bekentenis is?

NORA. Waarom? U zal uw geld gauw genoeg krijgen.

KROGSTAD. Mag ik u een vraag doen?... Waarom zond u dat papier niet aan uw vader?

NORA. Dat was onmogelijk. Papa was immers al zoo zwaar ziek. Als ik hem om zijn onderteekening had gevraagd, had ik hem ook moeten zeggen waarvoor ik het geld gebruiken moest. Maar ik kòn hem toch niet zeggen, zoo ziek als hij was, dat het leven van mijn man in gevaar was. Dat wàs toch onmogelijk.

KROGSTAD. Dan was het beter geweest voor u als u die reis maar had opgegeven.

NORA. Neen ... dat kon heelemaal niet. Die reis moest immers het leven van mijn man redden. Die kòn ik niet opgeven.

KROGSTAD. Maar heeft u er dan niet aan gedacht dat het een bedrog was tegenover mij?

NORA. Daar kon ik mij heusch niet mee ophouden. Aan u dacht ik in 't geheel niet. Ik kon u niet uitstaan om al die gevoellooze bezwaren die u maakte, hoewel u wist hoe slecht mijn man er aan toe was.

KROGSTAD. Mevrouw Helmer, u heeft blijkbaar geen duidelijke voorstelling van dat waaraan u zich heeft schuldig gemaakt. Maar ik kan u zeggen dat wat _ik_ eens misdeed, dat wat mijn heele maatschappelijke positie verwoestte, niets meer en niets erger was dan dit.

NORA. U? Zou u mij willen wijs maken dat u eens een moedige daad heeft gedaan om het leven van uw vrouw te redden?

KROGSTAD. De wet vraagt niet naar beweegredenen.

NORA. Dat moet dan al een heel slechte wet zijn.

KROGSTAD. Slecht of niet ... breng ik dit stuk papier voor het gerecht, dan wordt u volgens de wet veroordeeld.

NORA. Daar geloof ik niets van. Een dochter zou het recht niet hebben haar armen doodzieken vader te bewaren voor angsten en zorgen? Zou een vrouw het recht niet hebben het leven van haar man te redden? Ik ken de wet zoo precies niet; maar ik ben er zeker van dat daarin ergens wel iets moet staan, dat zóó iets geoorloofd is. En dat zou u niet weten, u, die zaakwaarnemer is? U moet al een heel slecht jurist zijn, meneer Krogstad.