Dramatische werken

Chapter 15

Chapter 153,971 wordsPublic domain

KROGSTAD. Dat kan zijn. Van _mijn_ zaken ... van zulke zaken als u en ik samen hebben, gelooft u toch zeker wel dat ik verstand heb? Goed. Doe u nu maar wat u wil. Maar _dit_ zeg ik u: word ik voor den tweeden keer uitgestooten, dan zal u mij gezelschap houden. (_Hij groet en gaat heen door het portaal_).

NORA (_een poosje nadenkend; schudt dan het hoofd_). Och wat!... Hij wil mij bang maken; zóó dom bèn ik nu niet. (_Gaat de kleeren van de kinderen bij elkaar leggen--houdt dan in-eens op_). Maar?... Neen, dat is toch onmogelijk! Ik deed het immers uit liefde.

DE KINDEREN (_in de deur links_). Mama, nu is die vreemde man weg!

NORA. Ja, ja, ik weet 't wel. Maar niet over dien vreemden man spreken, hoor, tegen niemand, ook niet tegen Papa!

DE KINDEREN. Neen Maatje; maar wil u nu weer met ons spelen?

NORA. Neen ... nu niet.

DE KINDEREN. Hè Maatje, u heeft 't toch beloofd!

NORA. Ja, maar ik kan nu niet. Gaat nu naar binnen; ik heb nog zoo veel te doen. Toe, gaat nu zoet naar de kinderkamer, mijn lieve schatjes! (_Zij dringt hen zachtjes de andere kamer in en sluit de deur achter hen. Gaat op de sofa zitten, neemt een borduurwerkje op, doet enkele steken, maar scheidt er dadelijk weer mee uit_). Neen! (_Gooit haar werk neer, staat op, loopt naar de deur en roept_). Helene! breng den kerstboom eens binnen. (_Gaat naar de tafel links en doet de lâ open; wacht dan weer_). Neen ... maar dat kàn toch niet mogelijk zijn!

DIENSTMEISJE (_met den boom_). Waar moet ik hem neerzetten, mevrouw?

NORA. Daar, midden op den grond.

DIENSTMEISJE. Moet ik nog iets anders halen?

NORA. Neen, dankje; ik heb alles wat ik noodig heb.

(_Het meisje zet den boom neer en gaat heen. Nora bezig den kerstboom op te sieren_). Hier lichtjes, en dáár bloemen. Die afschuwelijke kerel! Allemaal kletspraatjes! Er is niets van aan. De boom zal prachtig worden. Ik zal alles doen waar je plezier in hebt, Torwald ... ik zal voor je zingen, voor je dansen....

(_Helmer komt van buiten met een pak papieren onder den arm_).

NORA. Zoo, ben je al terug?

HELMER. Ja. Is er iemand geweest?

NORA. Hier? Neen.

HELMER. Dat is vreemd. Ik zag Krogstad de straatdeur uitgaan.

NORA. Zoo? O ja, dat 's waar, Krogstad was even hier.

HELMER. Nora, ik kan het je aanzien dat hij hier is geweest om je te vragen een goed woord voor hem te doen.

NORA. Ja.

HELMER. En dat moest je doen alsof het uit jezelf kwam, hè? Je moest voor mij verzwijgen dat hij hier was geweest. Heeft hij je dat ook niet gevraagd?

NORA. Jawel, Torwald, maar....

HELMER. Nora, Nora, hoe kon je je daar nu mee inlaten? Zoo'n kerel te woord te staan en hem iets te beloven! En dan nog op den koop toe mij een onwaarheid te zeggen!

NORA. Een onwaarheid?

HELMER. Zei je dan niet dat er niemand geweest was? (_Dreigt met zijn vinger_). Dat moet mijn zangvogeltje nooit meer doen. Een zangvogeltje moet nooit valsche tonen laten hooren! (_Slaat zijn arm om haar heen_). Is het zoo niet? Ja, dat wist ik immers wel. (_Laat haar los_). En nu praten wij er niet meer over. (_Gaat bij de kachel zitten_). Hè, wat is het hier gezellig en lekker. (_Kijkt zijn papieren vluchtig door_).

NORA (_bezig met den kerstboom--na een kleine pauze_). Torwald!

HELMER. Ja.

NORA. Ik verheug mij zoo dol op het gecostumeerde bal bij de Stenborgs overmorgen.

HELMER. En ik ben dol nieuwsgierig om te zien waarmee je mij verrassen zult.

NORA. Och, 't is eigenlijk mal ... maar....

HELMER. Wat dan?

NORA. Ik kan niets goeds bedenken; ik vind 't allemaal zoo flauw, zoo onbeduidend.

HELMER. Is kleine Nora tot die slotsom gekomen?

NORA (_achter zijn stoel met de armen op de leuning rustend_). Heb je het erg druk, Torwald?

HELMER. Och....

NORA. Wat zijn dat voor papieren?

HELMER. Zaken van de Bank.

NORA. Nu al?

HELMER. Ik heb mij door het aftredende bestuur volmacht laten geven om de noodige veranderingen in het personeel en in de regeling van de werkzaamheden te kunnen maken. Daar moet ik de feestweek voor gebruiken. Met Nieuwjaar wil ik alles in orde hebben.

NORA. Dus was het daarom dat die arme Krogstad....

HELMER. Hm.

NORA (_heelemaal leunend op den rug van zijn stoel, speelt met haar vingers met zijn nekharen_). Als je het niet zoo druk hadt, zou ik je om een heel grooten dienst willen vragen, Torwald.

HELMER. Laat eens hooren. Wat zou dat zijn?

NORA. Je weet wel dat niemand zoo'n goeden smaak heeft als jij. En nu zou ik er zoo graag goed uitzien op het gecostumeerde bal. Zou jij me nu niet een beetje willen helpen en zeggen, als wat ik gaan zal en hoe mijn costuum gemaakt moet worden?

HELMER. Oho, is mijn eigenzinnig kindje aan 't zoeken naar een reddenden engel?

NORA. Ja, Torwald; ik kan niet klaar komen zonder jouw hulp.

HELMER. Goed dan; ik zal er over denken; wij zullen wel raad schaffen.

NORA. Hè, dat is lief van je. (_Gaat weer naar den boom--een pauze_). Wat doen die roode bloemen daar mooi hè? Zeg eens, is het heusch zoo iets ergs wat die Krogstad gedaan heeft?

HELMER. Valsche handteekeningen gemaakt. Heb je er eenig begrip van wat dat beteekent?

NORA. Kan hij dat niet uit gebrek gedaan hebben?

HELMER. Jawel, of, zooals zooveel anderen, uit onbezonnenheid. Ik ben niet zoo harteloos, dat ik iemand onvoorwaardelijk zou veroordeelen, voor een dergelijke op zichzelf staande daad.

NORA. Neen, hè, Torwald?

HELMER. Menigeen kan zich zedelijk weer opheffen, als hij openlijk zijn schuld bekent en zijn straf ondergaat.

NORA. Straf?...

HELMER. Maar dien weg volgde Krogstad niet; hij redde zich er uit door geknoei en gedraai; en dat is juist wat hem moreel te gronde deed gaan.

NORA. Geloof je dàt?...

HELMER. Stel je maar eens voor hoe zoo iemand, met zoo iets op zijn geweten, moet liegen en huichelen en naar alle kanten comedie spelen, altijd een masker dragen, zelfs voor die hem het naast zijn, ja zelfs voor zijn vrouw en kinderen. En voor de kinderen is dat juist het vreeselijkst, Nora.

NORA. Waarom?

HELMER. Omdat zoo'n atmosfeer van leugen in het huiselijke leven ziekte en besmetting brengt. Met iederen ademtocht krijgen de kinderen in zoo'n huis kiemen van slechtheid binnen.

NORA (_heel dicht achter hem_). Ben je daar zeker van?

HELMER. Och, lieve, dat heb ik dikwijls genoeg ondervonden als advocaat. Bijna alle vroeg-verdorven menschen hebben leugenachtige moeders gehad.

NORA. Waarom juist moeders?

HELMER. Dat komt meestal van de moeders; maar ook van de vaders kunnen zij het natuurlijk overerven; dat weet ieder jurist. En toch heeft die Krogstad jarenlang thuis zijn eigen kinderen vergiftigd met leugens en comediespel; daarom noem ik hem moreel verworden. (_Steekt haar beide handen toe_). Daarom moet mijn kleine lieve Nora mij beloven niet meer voor hem te pleiten. Je hand er op. Nou, wat is dat nu? Geef mij je hand! Zie zoo. Afgedaan. Ik verzeker je dat het mij onmogelijk zou zijn met hem samen te werken; ik voel letterlijk en physiek onwelzijn in de nabijheid van zulke menschen.

NORA (_trekt haar hand terug en gaat naar den anderen kant van den boom_). Wat is het hier warm! En ik heb nog zooveel te doen.

HELMER (_staat op en neemt zijn papieren op_). Ja, ik moet ook zien dat ik dit nog een beetje doorkijk voor wij aan tafel gaan. Over je costuum zal ik ook denken. En iets om in een goud papiertje aan den boom te hangen heb ik misschien ook wel bij de hand. (_Legt zijn hand op haar hoofd_). O, jij, mijn éénig, lief zangvogeltje! (_Hij gaat in zijn kamer en sluit de deur achter zich_).

NORA (_zachtjes, na eenig zwijgen_). Och wat! Het is niet waar. Het is onmogelijk. Het _moet_ onmogelijk zijn.

DE KINDERMEID (_in de deur links_). De kleintjes vragen toch zóó, of ze bij Mama mogen komen.

NORA. Neen ... neen ... neen ... laat ze niet hier komen! Toe, ga jij bij hen, Anna-Marie.

DE KINDERMEID. Goed mevrouw. (_Sluit de deur_).

NORA (_bleek van schrik_). Mijn lieve kleintjes slecht maken! Mijn huis vergiftigen? (_Korte pauze; dan heft zij het hoofd op_). Dat is niet waar. Dat kan nooit in der eeuwigheid waar zijn!

EINDE VAN HET EERSTE BEDRIJF

* * * * *

TWEEDE BEDRIJF

Zelfde kamer. In den hoek bij de piano staat de kerstboom, leeg geplukt, verfonfaaid en met afgebrande kaarsjes. Nora's hoed en mantel liggen op de sofa.

Nora alleen in de kamer, loopt onrustig heen en weer; blijft ten slotte staan bij de sofa en neemt haar mantel op.

* * * * *

NORA (_laat haar mantel weer los_). Daar komt iemand! (_Luistert aan de deur_). Neen ... toch niet.... Natuurlijk... van daag komt er geen mensch, eersten kerstdag ... en morgen ook niet.... Maar misschien.... (_Doet de deur open en kijkt buiten_). Neen ... niets in de brievenbus; heelemaal leeg. (_Loopt door de kamer_). Och malligheid! Hij doet 't immers niet. Zoo iets kàn immers niet gebeuren. 't Is een onmogelijkheid. Ik heb immers drie kleine kinderen.

DE KINDERMEID (_komt met een groote kartonnen doos uit de kamer links_). Eindelijk heb ik toch de doos met uw costuum gevonden.

NORA. O dank je; zet ze maar op de tafel.

DE KINDERMEID. 't Is zonde, mevrouw; het kan nog heel goed in orde gemaakt worden; 't is alleen een geduldwerkje.

NORA. Ja, ik zal mevrouw Linde gaan vragen of die mij een beetje helpen wil.

DE KINDERMEID. Wou u nu weer uitgaan? In dit leelijke weer? Mevrouw Nora zal nog kou vatten ... en ziek worden.

NORA. O, dat zou het ergste niet zijn. Wat doen de kinderen?

DE KINDERMEID. De arme stakkerdjes spelen met al het moois van den kerstboom, maar....

NORA. Vragen ze dikwijls naar mij?

DE KINDERMEID. Ze zijn het zoo gewend dat Mamaatje bij hen is.

NORA. Ja maar, Anna-Marie, ik kán voortaan niet zooveel meer bij hen zijn als vroeger.

DE KINDERMEID. Och, kleine kinderen wennen aan alles.

NORA. Geloof je dat? Geloof je dat ze hun Mama zouden vergeten als zij voor goed weg was?

DE KINDERMEID. 't Is zonde ... voor goed weg.

NORA. Hoor eens, Anna-Marie, vertel me eens ... daar heb ik al zoo dikwijls over gedacht ... hoe kon je het toch over je hart verkrijgen om je kind bij vreemden te doen?

DE KINDERMEID. Maar dat moest ik wel, toen ik als min bij de kleine Nora zou komen.

NORA. Ja maar, dat je dat _wou_ doen?

DE KINDERMEID. Als ik zoo'n goeden minnedienst kon krijgen? Een arme meid die ongelukkig gemaakt is, mag nog blij toe zijn. Want die slechte kerel deed heelemaal niets voor mij.

NORA. Maar je dochter heeft je zeker vergeten.

DE KINDERMEID. O neen, dat heeft ze toch waarlijk niet. Zij heeft mij geschreven, toen zij is aangenomen en ook toen ze getrouwd is.

NORA (_omhelst haar_). Mijn oude Anna-Marie, je bent een goede moeder voor mij geweest toen ik klein was.

DE KINDERMEID. Kleine Nora, dat stakkerdje, had immers geen andere moeder dan mij.

NORA. En als de kleintjes geen andere moeder hadden, dan weet ik wel dat jij ook voor hen.... Och mallepraat. (_Doet de doos open_). Ga nu maar weer bij de kinderen. Nu moet ik.... Morgen zal je eens zien hoe prachtig ik zijn zal.

DE KINDERMEID. Ja, daar zal zoo waar niemand op het heele bal zijn zoo prachtig als mevrouw Nora. (_Zij gaat in de kamer links_).

NORA (_begint de doos uit te pakken, maar gooit al gauw den heelen boel neer_). O, als ik maar durfde uitgaan. Als er maar niemand kwam. Als er thuis in dien tijd maar niets gebeurde. Och ik zeur; er komt geen mensch. Alleen maar niet denken. Mijn mof opborstelen. Mooie handschoenen, mooie handschoenen. Jaag het weg! Een, twee, drie, vier, vijf, zes.... (_Gilt_). O, daar komen ze.... (_wil naar de deur, maar blijft besluiteloos staan_).

MEVR. LINDE (_komt van het portaal, waar zij haar hoed heeft afgedaan_).

NORA. O, ben jij het Kristine. Er is toch niemand anders daar?... Hè, 't is goed dat je komt.

MEVR. LINDE. Ik hoor dat je bij mij geweest bent en naar mij hebt gevraagd?

NORA. Ja, ik kwam juist voorbij. Er is iets waar je mij alsjeblieft mee helpen moet. Laten we hier op de sofa gaan zitten. Kijk eens. Morgen is er een gecostumeerd bal bij de Stenborgs, die hier boven ons wonen, en nu wil Torwald dat ik gaan zal als Napolitaansch visschersmeisje en de Tarantella dansen, die ik op Capri geleerd heb.

MEVR. LINDE. Kijk eens aan; dus je zult een heele voorstelling geven?

NORA. Ja, Torwald wil graag dat ik het doe. Kijk hier is het costuum; dat liet Torwald daarginder voor mij maken. Maar nu is het allemaal zoo gehavend, dat ik eigenlijk niet weet....

MEVR. LINDE. O, dat is gauw weer in orde te brengen; het is alleen maar het garneersel dat hier en daar een beetje losgegaan is. Heb je naald en draad? Zoo, dan hebben we al alles wat we noodig hebben.

NORA. Hè wat lief van je, Kristine!

MEVR. LINDE (_naait_). Dus morgen zal je gecostumeerd zijn? Weet je wat ... dan kom ik eens even kijken hoe je er uit ziet. Maar ik heb nog heelemaal vergeten je te bedanken voor den gezelligen avond van gisteren.

NORA (_staat op en loopt door de kamer_). Och, ik vond het hier gisteren niet zoo gezellig als anders. Je hadt een beetje vroeger in stad moeten komen, Kristine.--Ja Torwald heeft er goed slag van zijn huis mooi en prettig te maken.

MEVR. LINDE. Maar jij niet minder, dunkt mij; je bent niet voor niets de dochter van je vader. Maar zeg eens, is die dokter Rank altijd zoo bedrukt als gisteren?

NORA. Neen, gisteren was het erg opvallend. Maar hij is lijdend aan een heel gevaarlijke ziekte. Hij heeft ruggemergstering, de stakkerd. Weet je, zijn vader was een akelige man, die er liefjes op na hield en al zoo meer, en daardoor was zijn zoon van kind af ziekelijk, begrijp je?

MEVR. LINDE (_laat haar werk zakken_). Maar liefste, beste Nora, hoe kom jij zulke dingen te weten?

NORA (_loopt rond_). Och ... als je drie kinderen hebt, dan krijg je soms wel eens bezoek van ... van vrouwen, die zoo half-en-half dokter zijn, en die vertellen je dan het een-en-ander.

MEVR. LINDE (_naait weer ... kleine stilte_). Komt dokter Rank hier alle dag aan huis?

NORA. Vast iederen dag. Hij is Torwald's beste vriend, al van voor zijn trouwen, en ook mijn vriend. Dokter Rank is zooveel als lid van het gezin.

MEVR. LINDE. Maar is de man wel heel oprecht? Ik bedoel, zegt hij niet graag maar wat om menschen aangenaam te zijn?

NORA. Neen ... integendeel. Hoe kom je daarbij?

MEVR. LINDE. Toen je hem aan me voorstelde, zei hij dadelijk dat hij mijn naam hier in huis dikwijls gehoord had; maar later merkte ik, dat je man er heelemaal geen idee van had wie ik eigenlijk was. Hoe kon dan dokter Rank...?

NORA. Jawel, dat is toch heuschwaar, Kristine. Zie je, Torwald houdt zoo ontzettend veel van mij; en daarom wil hij mij heel alleen hebben, zooals hij zegt. In den eersten tijd was hij als 't ware jaloersch als ik alleen maar iemand noemde van de lieve menschen thuis. Nou, toen liet ik dat dan ook maar. Maar met dokter Rank spreek ik dikwijls over al die dingen, want hij luistert er graag naar, zie je.

MEVR. LINDE. Hoor eens, Nora, je bent in sommige dingen nog net een kind; ik ben een heel eind ouder dan jij en heb ook een beetje meer ondervinding. Ik zal je eens iets zeggen: je moet zien dat je van die zaak met dien dokter Rank afkomt.

NORA. Van welke zaak moet ik zien af te komen?

MEVR. LINDE. Zoowel van het een als van het ander, dunkt mij. Gisteren praatte je over een rijken bewonderaar, die je geld moest bezorgen....

NORA. Ja, een die er niet is ... helaas. Maar wat zou dat?

MEVR. LINDE. Heeft dokter Rank geld?

NORA. Jawel.

MEVR. LINDE. En niemand om voor te zorgen?

NORA. Neen, niemand ... maar...?

MEVR. LINDE. En hij komt hier iederen dag aan huis?

NORA. Ja, dat zei ik je immers?

MEVR. LINDE. Hoe kan zoo'n beschaafd man zoo onkiesch zijn?

NORA. Ik begrijp je heelemaal niet.

MEVR. LINDE. Houd je nu niet van den domme, Nora. Denk je dan dat ik niet begrijp van wien je die vijf duizend kronen geleend hebt?

NORA. Ben je niet wijs? Hoe kom je er bij? Een vriend van ons, die iederen dag bij ons komt! Wat zou dat voor een vreeselijke pijnlijke verhouding zijn!

MEVR. LINDE. Dus heusch niet van hem?

NORA. Neen, dat verzeker ik je. Dat is nooit een oogenblik in mij opgekomen.... Bovendien toen had hij ook nog geen geld ... hij heeft pas later geërfd.

MEVR. LINDE. Nou, dat was maar heel gelukkig voor jou, geloof ik, Nora-lief.

NORA. Neen, dat is nog nooit in mij opgekomen om dokter Ranker om te vragen.... Anders ... ik weet zeker dat àls ik er om vroeg....

MEVR. LINDE. Maar dat doe je natuurlijk niet.

NORA. Neen natuurlijk niet. Ik geloof niet, ik kan mij niet voorstellen dat het noodzakelijk zou kunnen worden. Maar ik ben er zeker van, dat als ik met dokter Rank sprak....

MEVR. LINDE. Buiten je man om?

NORA. Ik moet dat àndere uit de wereld hebben ... dàt is óók buiten hem om. Dáár moet ik zien af te komen.

MEVR. LINDE. Ja ... ja ... dat zei ik gisteren ook, maar....

NORA (_loopt op en neer_). Een man kan zoo iets veel beter klaar spelen dan een vrouw....

MEVR. LINDE. Als het je eigen man is, ja.

NORA. Och leuterpraat. (_blijft staan_). Als iemand alles betaalt wat hij schuldig is dan krijgt hij immers zijn schuldbekentenis terug?

MEVR. LINDE. Ja, dat spreekt.

NORA. En dan kan je die in honderd-duizend-stukken scheuren en verbranden ... zoo'n ellendig smerig papier!

MEVR. LINDE (_kijkt haar strak aan, legt haar naaiwerk neer en staat langzaam op_). Nora, je verbergt iets voor me.

NORA. Kan je mij dat aanzien?

MEVR. LINDE. Er is iets met je gebeurd sedert gisteren ochtend. Nora, wàt is er?

NORA (_naar haar toegaand_). Kristine! (_luistert_). Sst! Daar komt Torwald thuis. Wacht, ga zoo lang bij de kinderen zitten. Torwald kan dien naairommel niet uitstaan. Laat Anna-Marie je helpen.

MEVR. LINDE (_neemt een gedeelte van haar werk mee_). Ja ... ja ... maar ik ga niet weg, voor wij eens openhartig gepraat hebben. (_Af naar links; tegelijkertijd komt Helmer van het portaal_).

NORA (_loopt hem te gemoet_). O, wat heb je je lang laten wachten, lieve Torwald.

HELMER. Was dat de naaister?

NORA. Neen, dat was Kristine; zij helpt mij mijn costuum in orde maken. Je zult eens zien hoe mooi ik zijn zal!

HELMER. Ja, was dat nu niet een gelukkige inval van mij?

NORA. Prachtig! Maar ben ik nu ook niet lief dat ik je zin doe?

HELMER (_zijn hand onder haar kin leggend_). Lief ... omdat je je man zijn zin doet? Nou, jij dwaasje, ik weet wel dat je het zoo niet meent. Maar ik wil je niet hinderen; je moet zeker gaan passen.

NORA. En jij hebt zeker te werken?

HELMER. Ja (_wijst op een pak papieren_). Kijk eens hier. Ik ben in de Bank geweest.... (_wil naar zijn kamer gaan_).

NORA. Torwald.

HELMER (_blijft staan_). Ja.

NORA. Als je eekhorentje je nu eens heel erg dringend om iets vroeg...?

HELMER. Wat dan?

NORA. Zal je het dan doen?

HELMER. Eerst moet ik natuurlijk weten wat het is.

NORA. Je eekhorentje zou in de rondte springen en allerlei kunstjes maken, als jij nu een lief en toegevend was.

HELMER. Voor den dag er mee dan!

NORA. Je leeuwerikje zou luid en zachtjes door alle kamers zingen....

HELMER. Och wat, dat doet mijn leeuwerikje immers toch.

NORA. Ik zou als een elf voor je dansen in den maneschijn, Torwald.

HELMER. Nora ... het is toch niet dat, waarop je van morgen doelde?

NORA (_dichterbij_). Juist, Torwald, ik smeek je er om!

HELMER. En durf je waarlijk nog eens op die zaak terug te komen?

NORA. Ja, Torwald, ja, je _moet_ me mijn zin geven; je _moet_ Krogstad zijn betrekking bij de Bank laten behouden.

HELMER. Mijn lieve Nora, zijn betrekking is bestemd voor mevrouw Linde.

NORA. Ja, dat is vreeselijk lief van je; maar dan kan je toch wel een anderen klerk wegsturen in plaats van Krogstad.

HELMER. Dat is nu toch een ongelooflijke doordrijverij! Omdat jij hem een onbekookte belofte geeft om een goed woord voor hem te doen, zou ik...!

NORA. Daarom is het niet, Torwald. Het is voor je zelf. Die man schrijft immers in de vuilste couranten, dat heb je zelf gezegd. Hij kan je zoo ontzettend veel kwaad doen. Ik heb zoo'n doodelijken angst voor hem....

HELMER. Aha! nu begrijp ik 't; het zijn oude herinneringen die je bang maken.

NORA. Wat bedoel je daarmee?

HELMER. Je denkt natuurlijk aan je vader.

NORA. Ja ... juist. Herinner je maar eens hoe slechte menschen in de couranten schreven over papa en hoe afschuwelijk ze hem belasterden. Ik geloof zeker dat zij het zoover gebracht zouden hebben dat hij zijn ontslag kreeg, als de Regeering jou niet gezonden had om die zaak te onderzoeken, en als jij niet zoo welwillend en hulpvaardig voor hem was geweest.

HELMER. Mijn kleine Nora, er is een aanmerkelijk verschil tusschen je vader en mij. Je vader was als ambtenaar niet onaantastbaar. Maar dat ben ik wel; en dat hoopt ik te blijven zoo lang ik mijn betrekking vervul.

NORA. O, niemand weet wat slechte menschen kunnen bedenken. Nu zouden wij het zoo goed, zoo rustig en gelukkig kunnen hebben hier, in ons vredig huis, zonder zorgen ... jij en ik en de kinderen, Torwald! Daarom smeek ik je....

HELMER. En juist door je voorspraak maak je het mij onmogelijk hem te houden. Als het nu ruchtbaar werd, dat de nieuwe directeur zich door zijn vrouw had laten ompraten....

NORA. Wat dan nog?

HELMER. Neen natuurlijk; als het kleine eigenzinnige vrouwtje haar zin maar kreeg.... Ik zou mij belachelijk maken voor mijn heele personeel ... de menschen op het idee brengen dat ik toegankelijk was voor allerlei invloeden van buiten af? Geloof me, daarvan zou ik de gevolgen gauw genoeg ondervinden! En buitendien ... er is nog iets dat Krogstad volkomen onmogelijk maakt bij de Bank, zoo lang ik daar directeur ben.

NORA. Wat is dat?

HELMER. Misschien had ik zijn moreele tekortkomingen desnoods nog door de vingers kunnen zien.

NORA. Ja, niet waar?

HELMER. En ik hoor dat hij ook heel bruikbaar moet zijn. Maar hij is een goede kennis uit vroeger dagen. Dat is zoo een van die overijlde kennismakingen, waar je zoo dikwijls in je later leven last van hebt. Ja, ik wil het jou wel ronduit bekennen, we gingen zelfs heel familiaar met elkaar om. En hij, zoo taktloos mogelijk, maakt daar volstrekt geen geheim van als er anderen bij zijn. Integendeel ... hij verbeeldt zich dat hij daarom het recht heeft nog jij en jou tegen mij te spelen; en dan komt hij ieder oogenblik voor den dag met zijn: zeg eens, Helmer! Ik verzeker je dat mij dat hoogst pijnlijk aandoet. Hij zou mij mijn positie aan de Bank onhoudbaar maken.

NORA. Torwald, dat alles meen je toch niet in ernst?

HELMER. Zoo? Waarom niet?

NORA. Neen, dat zijn toch allemaal eigenlijk maar kleinzielige overwegingen.

HELMER. Wat zeg je daar? Kleinzielig? Dus jij vindt mij kleinzielig?

NORA. Neen integendeel, Torwald-lief, en juist daarom....

HELMER. Dat is hetzelfde; je noemt mijn motieven kleinzielig; dus dan moet ik het ook wel zijn. Kleinzielig! Waarachtig!... Nou, daar zullen wij eens gauw een eind aan maken (_gaat naar het portaal en roept_). Helene!

NORA. Wat ga je doen?

HELMER (_zoekt in zijn papieren_). Er een einde aan maken.

(_Het meisje komt binnen_).

HELMER. Hier; ga terstond naar beneden met dezen brief. Hou een besteller aan en laat die hem bezorgen. Maar gauw. Het adres staat er op. Wacht, hier is geld.

DIENSTMEISJE. Best mijnheer. (_Zij gaat weg met den brief_).

HELMER (_legt zijn papieren weer bij elkaar_). Zie zoo, mevrouwtje dwingeland.

NORA (_ademloos_). Torwald ... wat was dat voor een brief?

HELMER. Krogstad's ontslag.

NORA. Herroep dat, Torwald! het is nog tijd. O Torwald, herroep dat! Doe het om mijnentwil ... om je zelfs wil ... ter wille van de kinderen! Och toe, Torwald; doe het! Je weet niet wat daaruit voortkomen kan voor ons allen.

HELMER. Te laat.

NORA. Ja, te laat.