Chapter 16
HELMER. Lieve Nora, ik vergeef je je angst, hoewel die in den grond een beleediging is voor mij. Ja, dat is zoo! Of is het geen beleediging te gelooven, dat _ik_ bang zou zijn voor de wraak van een verloopen zaakwaarnemer? Maar ik vergeef het je toch, omdat het zoo'n mooi bewijs is van je groote liefde voor mij. (_Neemt haar in zijn armen_). Het moet nu eenmaal zoo zijn, als het er op aankomt, heb ik zoowel moed als kracht. Je zult zien, ik ben de man die alles op zich durft te nemen.
NORA (_doodverschrikt_). Wat meen je daarmee?
HELMER. Alles, zeg ik je....
NORA (_bedaard_). Dat zal nooit in der eeuwigheid gebeuren.
HELMER. Goed ... dan deelen wij, Nora ... als man en vrouw. Zoo behoort het ook. (_liefkoost haar_). Ben je nu tevreden? Kom ... kom ... kom ... niet zulke verschrikte oogen opzetten. Het is immers allemaal niets dan pure verbeelding.... Nu moest je de Tarantella nog eens doorspelen en je oefenen met de tamboerijn. Ik ga in het binnen-kantoor zitten en doe de tusschendeur dicht, dan hoor ik niets; dan kan je net zooveel leven maken als je wilt (_gaat naar de deur_). En als Rank komt, zeg hem dan waar hij mij vinden kan. (_Hij knikt haar toe, gaat met zijn papieren zijn kamer binnen en doet de deur achter zich dicht_).
NORA (_in wilden angst, staat als vastgenageld, fluistert_). Hij zou in staat zijn het te doen. Neen dat nooit in der eeuwigheid! Liever alles dan dat! Redding.... Een uitweg.... (_er wordt gebeld_). Dokter Rank.... Liever alles dan dat! Liever _alles_ wat het dan ook zijn moge! (_Zij strijkt met de handen over haar gezicht, doet haar best kalm te zijn en gaat de deur open doen. Dokter Rank staat buiten en hangt zijn pels aan den kapstok. Gedurende het nu volgende begint het donker te worden_).
NORA. Dag dokter. Ik herkende uw belletje. Maar u moet nu niet bij Torwald gaan, want ik geloof dat hij iets te doen heeft.
RANK. En u?
NORA (_terwijl hij de kamer binnen gaat en zij de deur achter hem sluit_). O, dat weet u wel ... voor u heb ik altijd wel tijd.
RANK. Dank u ... dat is lief van u. Daar zal ik gebruik van maken zoo lang als ik kan.
NORA. Wat meent u daarmee? Zoo lang als u kan?
RANK. Schrikt u daarvan?
NORA. Och, het is zoo'n wonderlijk zeggen. Denkt u dan dat er iets gebeuren zal?
RANK. Er zal iets gebeuren waar ik mij al lang op voorbereid heb. Maar ik dacht toch nog niet dat het zoo gauw komen zou.
NORA (_grijpt zijn arm_). Wat is dat? Wat weet u dan? Dokter, u moet het mij zeggen!
RANK (_gaat bij de kachel zitten_). Ik ga hard achteruit. Er is niets meer aan te doen.
NORA (_haalt verlicht adem_). Is er iets met u?
RANK. Met wie anders? Het helpt niet of je jezelf wat voorliegt. Ik ben de miserabelste van al mijn patiënten. Ik heb dezer dagen mijn inwendige balans eens opgemaakt. Bankroet. Binnen een maand lig ik waarschijnlijk al te vergaan daarginder op het kerkhof.
NORA. Hè foei, wat een leelijke dingen zegt u daar.
RANK. Het is ook een vervloekt leelijk ding. Maar het ergste is dat er zoo veel andere leelijke dingen vooraf moeten gaan. Ik heb nu nog maar één onderzoek te doen; als ik daarmee klaar ben, weet ik zoo ongeveer wanneer het op zijn eind loopt. En nu moet ik u iets zeggen. Helmer, met zijn verfijnde natuur, heeft zoo'n sterk uitgedrukten afkeer van al wat leelijk is, dat ik hem niet in mijn ziekekamer wil hebben.
NORA. Maar dokter....
RANK. Ik wil er hem niet hebben, zeg ik u. In geen geval. Ik sluit mijn deur voor hem.... Zoodra ik volle zekerheid heb van het ergste, zend ik u een visitekaartje met een zwart kruis er op; dan weet u dat de ellende van de laatste periode begonnen is.
NORA. Neen maar, vandaag is u heusch niet te hébben! En ik, die juist zoo hoopte, dat u in een heel goede bui zou zijn!
RANK. Met den dood vlak voor oogen?... En op die manier te moeten boeten voor de schuld van een ander. Is dat nu rechtvaardig?--En ieder gezin wordt op een of andere manier door een dergelijke vergelding bezocht....
NORA (_houdt haar handen voor de ooren_). Praatjes! Vroolijk zijn! Vroolijk!
RANK. Ja, bij mijn ziel, 't is ook eigenlijk om te lachen, de heele historie. Mijn arme onschuldige rug moet het ontgelden voor het vroolijke luitenantsleven van mijn vader.
NORA (_bij de tafel links_). Hij is immers zoo verzot op asperges en pâté-de-foie-gras. Is 't niet?
RANK. Ja ... en op truffels.
NORA. O ja, truffels. En op oesters ook, hè?
RANK. Ja, oesters; oesters, dat spreekt.
NORA. En dan veel portwijn en champagne er bij.... 't Is toch treurig dat al die lekkere dingen zoo ongezond zijn.
RANK. Vooral als ze slecht nawerken op een ongelukkig lichaam dat er niets van genoten heeft.
NORA. Ja, dat is zeker wel het allertreurigste.
RANK (_ziet haar uitvorsend aan_). Hum....
NORA. Waarom lacht u?
RANK. Neen, _u_ lachte.
NORA. Neen, 't was u die lachte, dokter!
RANK (_staat op_). U is toch nog grooter ondeugd dan ik dacht.
NORA. Ik heb van daag ook zoo'n lust om gekheid te maken.
RANK. Dat lijkt wel zoo.
NORA (_met beide handen op zijn schouder_). Lieve, beste dokter Rank, u mag niet heengaan van Torwald en mij.
RANK. Och, dat verdriet zou u wel gauw te boven zijn. Zij die heengaan worden gauw vergeten.
NORA (_ziet hem angstig aan_). Gelooft u dat?
RANK. Men maakt nieuwe kennissen en krijgt nieuwe relaties, en dan....
NORA. Wie krijgt nieuwe relaties?
RANK. Wel u en Helmer allebei, als ik weg ben. U is al goed op weg, dunkt me. Wat had die mevrouw Linde hier nu te maken gisteren avond?
NORA. Oho! U is toch bij geval niet jaloersch op die arme Kristine?
RANK. Jawel, dat ben ik wel. Zij zal mijn opvolgster worden hier in huis. Als ik afgedaan heb, zal dat mensch....
NORA. Sst; spreek zoo hard niet; zij is hiernaast.
RANK. Van daag alweer? Ziet u nu wel!
NORA. Alleen maar om wat aan mijn costuum te naaien. Lieve hemel, wat is u onmogelijk! (_Gaat op de sofa zitten_). Wees nu eens lief, dokter; morgen zal u eens zien hoe mooi ik zal dansen; en dan moet u maar denken dat ik het heel alleen voor u doe ... nu ja, natuurlijk ook voor Torwald ... dat spreekt. (_Haalt enkele dingen uit de kartonnen doos_). Dokter, gaat u nu eens hier zitten, dan zal ik u wat laten kijken.
RANK (_gaat zitten_). Wat zijn dat?
NORA. Kijk dan. Kijk!
RANK. Zijden kousen!
NORA. Vleeschkleurige. Zijn ze niet prachtig? Ja, 't is hier nu al zoo donker; maar morgen.... Neen, neen, neen; u mag alleen maar de voeten zien. Och ja, eigenlijk mag u de rest ook wel zien.
RANK. Hm...!
NORA. Waarom kijkt u zoo kritiesch? Denkt u soms dat ze mij niet passen?
RANK. Daar kan ik onmogelijk eenige gegronde reden voor hebben.
NORA (_kijkt hem een oogenblik aan_). Foei ... u moest u schamen. (_Slaat met de kousen luchtig om zijn ooren_). Daar ... dat verdient u! (_Pakt de kousen weer in_).
RANK. En wat zijn er nog meer voor heerlijkheden die ik te zien krijg?
NORA. U krijgt heelemaal niets meer te zien, want u is heel ondeugend. (_Zij neuriet en rommelt zoo'n beetje in de doos_).
RANK (_na een kort zwijgen_). Als ik hier nu zoo heel vertrouwelijk bij u zit, dan begrijp ik niet ... neen, dan kan ik mij niet voorstellen ... wat er van mij geworden zou zijn, als ik nooit bij u aan huis gekomen was.
NORA (_glimlachend_). Ja, ik geloof wel dat u het eigenlijk heel gezellig bij ons vindt.
RANK (_zachter, voor zich uitziende_). En dan dat alles te moeten verlaten....
NORA. Praatjes.... U gaat ons niet verlaten.
RANK (_als voren_). ... en niet eens een armzalig bewijs van dank te kunnen achterlaten ... ternauwernood een vluchtig gemis... niets anders dan een leege plaats, die door den eersten den besten ingenomen kan worden.
NORA. En als ik nu eens vroeg om...? Neen....
RANK. Om wat?
NORA. Om een groot bewijs van uw vriendschap...?
RANK. Ja ... ja?
NORA. Neen ... ik meen ... om een ontzettend grooten dienst....
RANK. Zou u mij heusch voor één enkelen keer zoo gelukkig willen maken?
NORA. Neen ... ik kan toch niet, dokter; het is zoo onmogelijk veel, zoowel raad als hulp en een dienst!...
RANK. Hoe meer hoe beter. 't Is mij onbegrijpelijk waarop u doelen kan. Toe, zeg 't dan toch. Vertrouwt u mij dan niet?
NORA. Ja, ik vertrouw u meer dan iemand anders. U is mijn beste vriend, dat weet ik wel. Daarom zal ik het u ook zeggen. Hoort u eens: U moet mij helpen om iets te verhinderen. U weet hoe innig, hoe dol veel Torwald van mij houdt; geen oogenblik zou hij zich bedenken om zijn leven voor mij op te offeren.
RANK (_tot haar overbuigend_). Nora ... geloof je dan dat hij de eenige is...?
NORA (_met een schok_). Die...?
RANK. Die graag zijn leven voor je opofferen zou?
NORA (_droevig_). Och zoo.
RANK. Ik heb het mijzelf beloofd dat je het weten zoudt voor ik heenging. Een betere gelegenheid zal zich nooit weer voordoen. Ja, Nora ... nu weet je het. En nu weet je ook dat je op mij vertrouwen kunt zooals op niemand anders.
NORA (_staat op, kalm en onbewogen_). Laat mij eens even door.
RANK (_maakt plaats voor haar maar blijft zitten_). Nora....
NORA (_in de deur naar het portaal_). Helene! breng de lamp eens binnen (_gaat naar de kachel_). Ach, beste dokter, dat staat u nu eigenlijk heel leelijk.
RANK (_staat op_). Dat ik je even lief heb als een ander? Staat dat mij leelijk?
NORA. Neen, maar dat u het mij zegt. Dat was immers heelemaal niet noodig....
RANK. Wat bedoel je? Wist je het dan?
(_Het dienstmeisje komt binnen met de lamp, zet die op de tafel en gaat weer heen_).
RANK. Nora ... mevrouw Helmer ... ik vraag u of u er iets van geweten heeft?
NORA. Och, weet ik of ik iets geweten heb of niet! Dat kan ik u heusch niet zeggen.... Dat u nu zoo onhandig zijn kon, dokter! Nu was alles zoo goed.
RANK. Nu, u heeft nu in elk geval de zekerheid dat ik met lichaam en ziel tot uw beschikking ben. En wil u me nu zeggen wat het is?
NORA (_kijkt hem aan_). Na wat u gezegd heeft?
RANK. Ik smeek u, zeg mij nu wat het is.
NORA. Neen, nù kan ik u niets meer zeggen.
RANK. O ja, jawel.... Zoo moet u mij niet straffen. Toe, laat mij voor u mogen doen wat een mensch bij machte is te doen.
NORA. Nù kan u niets meer voor mij doen.... Och, ik zal ook wel geen hulp noodig hebben. U zal zien dat het allemaal maar verbeelding van mij was. Ja, dat is het stellig ... natuurlijk! (_gaat in de schommelstoel zitten, kijkt hem aan, glimlacht_). U is me zoowaar een mooie meneer, dokter! Is u nu eigenlijk niet een beetje beschaamd nu het licht op is?
RANK. Neen; eigenlijk niet! Maar nu moet ik misschien wel weggaan ... voor goed?
NORA. Neen, dàt mag u stellig niet doen. U moet natuurlijk hier blijven komen net als altijd. U weet immers te goed dat Torwald u niet missen kan.
RANK. Ja ... maar ù?
NORA. O, ik vind het altijd dol prettig als u komt.
RANK. Dat is het juist wat mij op een verkeerd spoor gelokt heeft. U is mij een raadsel. Menigmaal leek het mij dat u net zoo graag met mij samen was als met Helmer.
NORA. Ja, ziet u, er zijn zoo enkele menschen van wie je het meest houdt, en anderen met wie je bijna 't liefst wil samen zijn.
RANK. Jawel, daar is wel iets van aan.
NORA. Toen ik nog thuis was, hield ik natuurlijk het meeste van Papa. Maar ik vond het altijd dol prettig om stilletjes bij de meiden te gaan zitten; want die bedrilden mij nooit en die praatten altijd zoo amusant onder elkaar.
RANK. Aha; dus ik ben voor hen in de plaats gekomen.
NORA (_springt op en gaat naar hem toe_). O lieve beste dokter, zoo bedoelde ik 't nu heelemaal niet! Maar u kan wel begrijpen, dat het met Torwald net is als met papa.... (_Het dienstmeisje komt binnen_).
DIENSTMEISJE. Mevrouw! (_fluistert en reikt haar een kaartje over_).
NORA (_kijkt even op het kaartje_). Och! (_steekt het in haar zak_).
RANK. Is er iets onaangenaams?
NORA. O neen ... neen ... volstrekt niet; het is maar iets ... het is mijn nieuwe costuum....
RANK. Uw costuum? Dat ligt immers dáár?
NORA. O ja, dat; maar dit is een ander ... ik heb het besteld ... Torwald mag het niet weten.
RANK. Haha, daar hebben wij dus het groote geheim.
NORA. Juist; gaat u maar naar hem toe, hij zit in de binnenkamer: hoû hem zoo lang aan de praat....
RANK. Wees gerust: ik zal hem wel vast houden. (_Af naar Helmer's kamer_).
NORA (_tegen het meisje_). Staat hij te wachten in de keuken?
DIENSTMEISJE. Ja, hij is de achtertrap opgekomen....
NORA. Maar heb je hem dan niet gezegd dat er iemand binnen was?
DIENSTMEISJE. Jawel, maar dat gaf niets.
NORA. Wou hij niet weggaan?
DIENSTMEISJE. Neen, hij gaat niet weg, voor hij mevrouw gesproken heeft.
NORA. Laat hem dan maar binnen; maar zachtjes. Helene, het moet het tegen niemand zeggen; het is een verrassing voor mijnheer.
DIENSTMEISJE. Jawel mevrouw, ik begrijp het wel.... (_af_).
NORA. Nu zal het vreeselijkste gebeuren. Het komt toch. Neen, neen, neen, het kán niet ... het mag niet.... (_zij schuift den grendel voor Helmer's deur. Het dienstmeisje doet de deur open voor Krogstad en sluit die weer achter hem. Hij is gekleed voor de reis, in pels, met-bont-gevoerde-laarzen en een bonten muts_).
NORA (_vlak bij hem_). Spreek zachtjes; mijn man is thuis.
KROGSTAD. Nou, dat doet er niet toe....
NORA. Wat wil u van mij?
KROGSTAD. Dat u mij uitsluitsel geeft over iets.
NORA. Gauw dan. Waarover?
KROGSTAD. U weet natuurlijk dat ik ontslagen ben?
NORA. Ik kon het niet verhinderen, meneer Krogstad. Ik heb mijn uiterste best voor u gedaan; maar het hielp allemaal niets.
KROGSTAD. Houdt uw man zoo weinig van u? Hij weet waaraan ik u kan blootstellen, en toch waagt hij....
NORA. Hoe kan u denken dat hij er iets van weet!
KROGSTAD. O neen, ik dacht ook eigenlijk wel van niet. Het leek zoo weinig op mijn goeden Torwald Helmer om zoo manmoedig te zijn....
NORA. Mijnheer Krogstad, ik eisch respect voor mijn man.
KROGSTAD. O zeker, alle verschuldigde respect. Maar aangezien mevrouw het zoo angstvallig verborgen houdt, durf ik wel aannemen dat u ook beter ingelicht is dan gisteren over wat u eigenlijk gedaan heeft?
NORA. Beter althans dan u er mij van op de hoogte brengen kon.
KROGSTAD. Ja, zoo'n slecht jurist als ik....
NORA. Wat wil u van mij?
KROGSTAD. Alleen maar eens zien hoe u het maakte, mevrouw Helmer. Ik heb den heelen dag rondgeloopen al maar denkende aan u. Een geld-inner, een afgedankte klerk, een ... nou ja, enfin, zoo'n mensch als ik, heeft ook nog zoo iets wat ze een hart noemen, ziet u.
NORA. Bewijs dat dan; denk aan mijn kinderen.
KROGSTAD. Heeft u of uw man aan de mijnen gedacht? Maar dat is tot daaraan toe. Ik wou u alleen maar dit zeggen, dat u die zaak niet al te ernstig behoeft op te nemen. Van mijn kant zal ik vooreerst geen aangifte doen.
NORA. O neen ... niet waar ... dat wist ik wel!
KROGSTAD. De heele zaak kan in der minne geschikt worden; het hoeft heelemaal niet onder de menschen te komen; het blijft tusschen ons drieën.
NORA. Mijn man mag er nooit iets van te weten komen.
KROGSTAD. Hoe zal u dat kunnen voorkomen? Kan u misschien betalen wat er nog staat?
NORA. Neen, niet zoo dadelijk.
KROGSTAD. Of weet u soms een middel om aan geld te komen een dezer dagen?
NORA. Geen middel waarvan ik gebruik maken wil.
KROGSTAD. Nu, het zou u toch niets gebaat hebben. Al stond u hier vóór mij met nóg zooveel contanten in uw hand, u kreeg uw schuldbekentenis toch niet van mij terug.
NORA. Maar zeg mij dan toch wat u er mee doen wil?
KROGSTAD. Ik wil dat papier alleen maar bewaren ... het onder mij houden. Niemand buiten ons zal er iets van weten. Mocht u dus rondloopen met een of ander wanhopig voornemen....
NORA. Dat doe ik.
KROGSTAD ... als u er soms over denken mocht van huis en haard weg te loopen....
NORA. Dat doe ik!
KROGSTAD. Of ... over iets ergers nog....
NORA. Hoe weet u dat?
KROGSTAD. ... laat u dat voornemen dan varen.
NORA. Hoe kan u weten dat ik over zoo iets denk?
KROGSTAD. De meesten denken in den eersten schrik dáár over. Ik dacht er ook over, maar, och god, ik had er den moed niet toe....
NORA. Ik ook niet.
KROGSTAD (_verlicht_). Neen, niet waar; u heeft er ook den moed niet toe ... u ook niet....
NORA. Neen ... neen ... ik heb er den moed niet toe!
KROGSTAD. Het zou ook een groote dwaasheid zijn. Als de eerste huiselijke storm maar over is.... Ik heb hier in mijn zak een brief aan uw man....
NORA. En staat het daar allemaal in?
KROGSTAD. In de zachts mogelijke termen uitgedrukt.
NORA (_snel_). Die brief mag niet in zijn handen komen! Verscheur hem! Ik zal toch het geld wel zien te krijgen.
KROGSTAD. Pardon mevrouw, maar ik meen u daar straks gezegd te hebben....
NORA. O ik spreek niet van het geld dat ik u nog schuldig ben. Zeg mij hoeveel geld u van mijn man verlangt, dan zal ik het u bezorgen.
KROGSTAD. Ik verlang geen geld van uw man.
NORA. Wat verlangt u dan?
KROGSTAD. Dat zal ik u zeggen. Ik wil er weer boven op, mevrouw, ik wil vooruit, en daarin moet uw man mij behulpzaam zijn. Sedert anderhalf jaar heb ik niets gedaan waarop iets te zeggen valt. Ik heb al dien tijd nagenoeg gebrek geleden, maar ik was tevreden met er mij stap voor stap boven op te werken. En nu ben ik weggejaagd. Maar nu neem ik er geen genoegen meer mee alleen uit genade weer te worden aangenomen. Ik wil vooruit zeg ik u. Ik wil weer bij de Bank terugkomen ... maar in een hoogere positie; uw man moet maar een betrekking voor mij creëren.
NORA. Dat doet hij van zijn leven niet!
KROGSTAD. Dat doet hij wel; ik ken hem. Hij durft niet te kikken. En ben ik er maar eerst weer in, mèt hem, dan zal u eens wat zien! Binnen het jaar ben ik de rechterhand van den directeur. En dan zal Nils Krogstad de man zijn, die de zaken leidt aan de Bank en niet Torwald Helmer.
NORA. Maar dat zal u nooit beleven!
KROGSTAD. Wil u soms...?
NORA. Nù heb ik er den moed toe.
KROGSTAD. O, u maakt mij niet bang! Een fijn verwend dametje als u....
NORA. U zal het zien; u zal het zien!
KROGSTAD. Onder het ijs misschien? In het diepe, ijskoude, pikzwarte water? En dan in het voorjaar boven komen drijven, leelijk, onherkenbaar, met uitgevallen haar...?
NORA. U maakt mij toch niet bang.
KROGSTAD. Maar u maakt mij ook niet bang. Zoo iets doet men niet, mevrouw Helmer. Bovendien, waartoe zou het dienen? Ik heb hem nu immers toch in mijn macht.
NORA. Daarnà? Als ik er niet meer...?
KROGSTAD. Vergeet u dan, dat ik ook dàn nog over uw goeden naam kan beschikken?
NORA (_staat sprakeloos ... ziet hem aan_).
KROGSTAD. Zoo ... nu weet u er alles van. Bega dus geen dwaasheden. Als Helmer mijn brief ontvangen heeft, wacht ik bericht van hem. En onthoud, dat het uw man zelf is die mij weer dwingt tot dergelijke praktijken. Dat vergeef ik hem nooit! Vaarwel mevrouw! (_af door het portaal_).
NORA (_bij de deur ... opent die op een kier en luistert_). Hij gaat weg ... geeft den brief niet af.... O, neen ... neen, dat zou ook àl te erg zijn! (_opent de deur hoe langer hoe verder_). Wat is dat nu?... Hij blijft buiten staan ... gaat nog niet naar beneden. Zou hij zich bedenken? Zou hij.... (_er valt een brief in de bus; daarop hoort men Krogstad de trappen afgaan_).
NORA (_met een gesmoorden kreet, loopt door de kamer naar de sofa ... kleine pauze_). In de brievenbus. (_Sluipt schuw naar de buitendeur_). Daar ligt hij ... Torwald, Torwald ... nu is er geen uitkomst meer!
MEVR. LINDE (_komt met het costuum uit de kamer links_). Nu weet ik er verder niets meer aan te doen. Wil je het misschien eens passen?
NORA (_heesch en zachtjes_). Kristine, kom eens hier.
MEVR. LINDE (_legt de japon op de sofa neer_). Wat is er? Je ziet er heelemaal ontdaan uit.
NORA. Kom eens hier. Zie je dien brief? Dáár, kijk, achter het glas van de brievenbus.
MEVR. LINDE. Jawel; ik zie hem wel.
NORA. Dat is een brief van Krogstad....
MEVR. LINDE. Nora ... het is Krogstad die je het geld geleend heeft!
NORA. Ja, en nu komt Torwald alles te weten.
MEVR. LINDE. O, geloof mij, Nora, dat is voor jullie allebei het beste.
NORA. Er is nog veel meer dan je weet. Ik heb een valsche handteekening gemaakt.
MEVR. LINDE. Groote hemel...!
NORA. Nu wil ik je één ding zeggen, Kristine, jij moet mijn getuige zijn.
MEVR. LINDE. Hoezoo je getuige? Wat moet ik...?
NORA. Als ik soms gek worden mocht ... en dat zou wel eens kunnen gebeuren....
MEVR. LINDE. Nora!
NORA. Of als er iets anders met mij gebeurde ... iets ... waardoor ik niet hier kon zijn....
MEVR. LINDE. Nora, Nora, je bent buiten jezelf!
NORA. Als er dan iemand was die alles op zich wou nemen, de schuld van alles, begrijp je....
MEVR. LINDE. Ja ... Ja ... maar hoe kan je denken?
NORA. Dan moet jij getuigen, dat het niet waar is, Kristine. Ik ben volstrekt niet buiten mezelf; ik ben bij mijn volle verstand nu; ik alleen heb het allemaal gedaan. Onthoud dat goed.
MEVR. LINDE. Zeker zal ik dat. Maar ik begrijp er niets van.
NORA. Och, hoe zou jij dat ook kunnen begrijpen? Wat nu gebeuren zal, dat is juist het wonderbare.
MEVR. LINDE. Het wonderbare?
NORA. Ja, het wonderbare. Maar dat is zoo vreeselijk, Kristine; dat màg niet gebeuren, om alles in de wereld niet!
MEVR. LINDE. Ik zal terstond met Krogstad gaan spreken.
NORA. Ga niet naar hem toe; hij zou je kwaad doen!
MEVR. LINDE. Er is een tijd geweest dat hij graag alles, wat het ook was, voor mij zou gedaan hebben.
NORA. Hij?
MEVR. LINDE. Waar woont hij?
NORA. Och, ik weet 't niet ... ja toch (_tast in haar zak_). hier is zijn kaartje. Maar de brief, de brief!...
HELMER (_in zijn kamer, klopt op de deur_). Nora!
NORA (_gilt van angst_). Wat is er? Wat wou je van me?
HELMER. Nou, nou, schrik maar zoo niet! We komen immers niet binnen; je hebt den grendel op de deur gedaan; ben je soms aan het passen?
NORA. Ja, ja; ik ben aan het passen. Het wordt zoo mooi, Torwald!
MEVR. LINDE (_die het kaartje heeft gelezen_). Hij woont hier vlak bij, even den hoek om.
NORA. Och ja; maar het helpt immers toch niets. Wij zijn verloren. De brief ligt in de bus.
MEVR. LINDE. En heeft je man den sleutel?
NORA. Ja, altijd.
MEVR. LINDE. Krogstad moet zijn brief ongelezen terug vragen, hij moet maar een voorwendsel zien te vinden....
NORA. Maar juist om dezen tijd gaat Torwald altijd....
MEVR. LINDE. Houdt hem dan op; ga zoolang bij hem binnen. Ik kom zoo gauw mogelijk terug (_gaat snel heen door het portaal_).
NORA (_gaat naar Helmer's deur, opent die en kijkt naar binnen_). Torwald!
HELMER (_in de binnenkamer_). Zoo mag een mensch eindelijk weer zijn eigen kamer binnen gaan? Kom Rank, nu krijgen we wat te zien.... (_in de deur_). Wat is dat nu?
NORA. Wat Torwald-lief?
HELMER. Rank had mij voorbereid op een prachtige verkleedpartij.
RANK (_in de deur_). Ik had dat zoo begrepen, maar dan heb ik mij zeker vergist.
NORA. Neen, niemand krijgt mij te bewonderen in al mijn pracht vóór morgen.
HELMER. Maar lieve Nora, je ziet er zoo moe uit. Heb je te lang gerepeteerd?
NORA. Neen, ik heb nog heelemaal niet gerepeteerd.
HELMER. Dat zal toch noodig zijn.
NORA. Ja, dat is zeker noodig, Torwald. Maar ik kan er zonder jouw hulp niet komen; ik heb het allemaal glad vergeten.
HELMER. O, we zullen dat wel gauw weer eens opknappen.
NORA. Ja, help mij weer eens een beetje op gang, Torwald. Beloof je mij dat? Ik ben zoo bang. Al die menschen.... Je moet je van avond eens geheel aan mij wijden. Niets van zaken of zoo, geen pen in de hand nemen. Hé? Doe je 't Torwald-lief?
HELMER. Dat beloof ik je; van avond zal ik gansch en al tot je beschikking zijn, jij klein hulpeloos ding!... Hm, ja ... één ding moet ik toch eerst.... (_gaat naar de buitendeur_).
NORA. Wat wil je daar nu doen?
HELMER. Alleen maar eens kijken of er geen brieven gekomen zijn.
NORA. Neen, neen, niet doen, Torwald!
HELMER. Wat moet dat?
NORA. Toe, Torwald, er zijn er geen.
HELMER. Laat mij toch even zien (_wil gaan_).
NORA (_bij de piano, slaat de eerste maten van de Tarantella aan_).
HELMER (_bij de deur ... blijft staan_). Aha!
NORA. Ik kan morgen niet dansen als ik niet met jou gerepeteerd heb.
HELMER (_gaat naar haar toe_). Ben je heusch zoo bang, kindje-lief?