Dramatische werken

Chapter 17

Chapter 174,029 wordsPublic domain

NORA. Ja, onwijs bang. Laat ons nu dadelijk even repeteeren; er is nog net tijd voor wij aan tafel gaan. Toe, ga nu aan de piano zitten en accompagneer mij; wijs mij terecht en dirigeer mij, zooals vroeger.

HELMER. Graag ... als je het verlangt (_gaat voor de piano zitten_).

NORA (_ haalt de tamboerijn uit de doos en ook een lange kleurige écharpe waarin zij zich haastig drapeert; dan doet zij een sprong vooruit en roept:_) Speel nu! Dan zal ik dansen!

(_Helmer speelt en Nora danst; dokter Rank staat bij de piano, achter Helmer, en ziet toe_).

HELMER (_spelend_). Langzamer, langzamer!

NORA. 'k Kan niet anders!

HELMER. Niet zoo woest, Nora!

NORA. Zoo moet het juist!

HELMER (_houdt op_). Neen, neen, neen ... dat gaat heelemaal niet.

NORA (_lacht en zwaait met de tamboerijn_). Heb ik het niet gezegd?

RANK. Laat mij eens voor haar spelen.

HELMER (_staat op_). Ja, dat 's goed; dan kan ik haar beter dirigeeren.

(_Rank gaat voor de piano zitten en speelt; Nora danst hoe langer hoe wilder. Helmer is bij de kachel gaan staan en roept haar voortdurend terechtwijzingen en aanmerkingen toe; zij schijnt ze niet te hooren; haar haar gaat los en valt over haar schouders; zij merkt het niet op en danst maar door. Mevrouw Linde komt binnen_).

MEVR. LINDE (_blijft verstomd staan in de deur_). Ah...!

NORA (_onder het dansen door_). 't Is hier een vroolijke partij, Kristine!

HELMER. Maar liefste Nora, je danst alsof je leven op het spel stond....

NORA. Dat doet het ook.

HELMER. Rank, houd op; dit is gewoon gekkenwerk. Toe, schei uit. (_Rank houdt op met spelen, en Nora staat plotseling stil_).

HELMER (_naar haar toegaand_). Dat had ik nu toch nooit gedacht. Je hebt alles vergeten wat ik je geleerd heb.

NORA (_gooit de tamboerijn neer_). Nu zie je het zelf.

HELMER. Ja, je mag nog wel eens een lesje hebben.

NORA. Je ziet hoe noodig het is. Je moet tot het laatst toe met me repeteeren. Beloof je mij dat Torwald?

HELMER. Daar kan je vast op rekenen.

NORA. Je moet je noch vandaag noch morgen, met iets anders bemoeien dan met mij; je moet geen brief open maken ... zelfs de brievenbus niet....

HELMER. Ah ... dat is nog de angst voor dien kerel....

NORA. O ja ... dat ook.

HELMER. Nora, ik zie het aan je gezicht, er ligt al een brief van hem.

NORA. Ik weet 't niet; ik geloof 't; maar je mag nu zoo iets niet lezen. Er mag niets leelijks tusschen ons komen voor alles voorbij is.

RANK (_zacht tegen Helmer_). Doe haar zin nu maar.

HELMER (_slaat zijn armen om haar heen_). Nou, 't kindje zal haar zin hebben. Maar morgen avond, als je gedanst hebt....

NORA. Dan ben je vrij.

DIENSTMEISJE (_in de deur rechts_). Mevrouw, het eten is opgedaan.

NORA. Breng een flesch Champagne, Helene.

DIENSTMEISJE. Ja, mevrouw. (_af_)

HELMER. Zoo, zoo ... groot feest dus?

NORA. Een champagne-fuif tot aan den lichten morgen! (_Roept in het portaal_). En ook wat bonbons, Helene, een heelen boel ... voor dezen keer!

HELMER (_grijpt haar handen_). Kalm, kalm, kalm, kindje; niet zoo woest opgewonden. Wees nu weer mijn lieve kleine leeuwerik, zooals anders.

NORA. Ja, ja strakjes. Maar ga nu maar naar binnen, en u ook dokter. Kristine, jij moet me even helpen mijn haar weer op te steken.

RANK (_zacht, terwijl zij weggaan_). Is er soms iets ... iets aan de hand?

HELMER. Och wel neen! beste kerel; het is alleen die kinderachtige angst, waarvan ik je vertelde. (_Zij gaan rechts af_).

NORA. Wel!?

MEVR. LINDE. Uit de stad.

NORA. Ik zag het aan je.

MEVR. LINDE. Morgen avond komt hij thuis. Ik liet een briefje achter.

NORA. Dat hadt je wel kunnen laten. Je moet niet meer trachten iets tegen te houden. Eigenlijk is het toch iets heerlijks dat wachten op de komst van het wonderbare.

MEVR. LINDE. Wat is dat toch waar je op wacht?

NORA. Och, dat kan jij toch niet begrijpen. Ga vast naar hen toe; ik kom dadelijk ook. (_Mevr. Linde gaat naar de eetkamer_).

NORA (_staat even stil als om tot zichzelf te komen; dan kijkt zij op de klok_). Vijf uur. Nog zeven uur eer het middernacht is. Dan nog vier-en-twintig uur tot morgen nacht. Dan is de Tarantella uit. Vier-en-twintig en zeven? Dus nog een-en-dertig uren te leven.

HELMER (_in de deur rechts_). Maar waar blijft mijn leeuwerikje dan toch?

NORA (_met open armen naar hem toe_). Hier is je leeuwerikje!

EINDE VAN HET TWEEDE BEDRIJF.

[Illustratie: Mejuffr. Rika Hopper als Nora (einde van het 2de Bedrijf)]

* * * * *

DERDE BEDRIJF.

Zelfde kamer. De canapé-tafel staat midden in de kamer met stoelen er om heen. Brandende lamp op tafel. De deur naar het portaal staat open. Van de bovenverdieping klinkt dansmuziek.

Mevr. Linde zit aan de tafel en bladert in een boek; probeert te lezen, maar schijnt haar gedachten er niet bij te kunnen houden. Een paar maal luistert zij gespannen naar den kant van de buitendeur.

* * * * *

MEVR. LINDE (_kijkt op de klok_). Nog al niet. En 't wordt toch hoog tijd. Als hij maar niet.... (_luistert weer_). Ah! daar is hij. (_Zij gaat naar het portaal en opent voorzichtig de buitendeur; men hoort zachtjes loopen op de trap; zij fluistert_): Kom binnen. Er is niemand.

KROGSTAD (_in de deur_). Ik vond thuis een briefje van u. Wat beteekent dat?

Mevr. LINDE. Ik moet U noodzakelijk spreken.

KROGSTAD. En moest dat volstrekt hier in huis gebeuren?

MEVR. LINDE. Bij mij thuis kon het niet; mijn kamer heeft geen afzonderlijken opgang. Kom binnen; we zijn heel alleen; de meiden slapen en de Helmers zijn op 't bal hier boven.

KROGSTAD (_gaat de kamer binnen_). Kijk eens aan! Dansen de Helmers van avond?

MEVR. LINDE. Ja, waarom niet?

KROGSTAD. Och ja; waarom ook niet?

MEVR. LINDE. Zeg, Krogstad, laat ons nu eens samen praten.

KROGSTAD. Hebben wij elkaar dan nog iets te zeggen?

MEVR. LINDE. Ja. Wij hebben elkaar heel veel te zeggen.

KROGSTAD. Ik dacht van niet.

MEVR. LINDE. Omdat je mij nooit goed begrepen hebt.

KROGSTAD. Was er dan nog iets anders te begrijpen dan dat wat zoo dood-gewoon is in de wereld? Een vrouw zonder hart, die een man laat loopen, als er zich iets anders voordoet dat voordeeliger is?

MEVR. LINDE. Geloof je dat ik zoo heelemaal zonder hart ben? En geloof je dat ik het zoo maar luchtig-weg afmaakte?

KROGSTAD. Deed je dat dan niet?

MEVR. LINDE. Krogstad heb je dat waarlijk gedacht?

KROGSTAD. Als het niet zoo was waarom schreef je mij dan zóó als je deedt?

MEVR. LINDE. Ik kón immers niet anders. Als ik 't met jou afmaakte, was het toch ook mijn plicht alles bij je uit te roeien wat je voor mij voelde.

KROGSTAD (_wringt de handen_). Zóó was het dus gemeend. En dat alles ... alles alleen om het geld!

MEVR. LINDE. Je moet niet vergeten dat ik een zieke, hulpbehoevende moeder had en twee kleine broertjes. Wij konden niet op je wachten, Krogstad. Je hadt toen immers nog heelemaal geen vooruitzichten.

KROGSTAD. Al was het zoo, dan hadt je toch niet het recht mij te verstooten voor een ander.

MEVR. LINDE. Ik weet het niet. Menigmaal heb ik mij afgevraagd òf ik het recht er toe had.

KROGSTAD (_zachter_). Toen je mij losliet, was het of de grond onder mijn voeten weggleed. En zie nu eens wat er van mij geworden is: een schipbreukeling op een wrak.

MEVR. LINDE. Er kon wel hulp nabij zijn.

KROGSTAD. Die wàs nabij; maar toen ben jij tusschenbeiden gekomen.

MEVR. LINDE. Buiten mijn weten, Krogstad. Pas van daag heb ik gehoord dat ik in jouw plaats kom bij de Bank.

KROGSTAD. Ik geloof 't als je het zegt. Maar nu je het weet, trek je je nu terug?

MEVR. LINDE. Neen, want dat zou je toch niets baten.

KROGSTAD. Baten, baten ... ik zou het toch graag willen.

MEVR. LINDE. Ik heb geleerd met overleg te handelen. Het leven en de harde, bittere noodzakelijkheid hebben mij dat geleerd.

KROGSTAD. En het leven heeft mij geleerd niet aan mooie woorden te gelooven.

MEVR. LINDE. Dan heeft het leven je iets heel verstandigs geleerd. Maar aan daden mag je toch gelooven?

KROGSTAD. Wat meen je daarmee?

MEVR. LINDE. Je zei, dat je stond als een schipbreukeling op een wrak.

KROGSTAD. En ik had alle reden om dat te zeggen.

MEVR. LINDE. Ik zit ook als een schipbreukelinge op een wrak. Niemand om voor te zorgen en niemand die om mij geeft.

KROGSTAD. Je hebt zelf gekozen.

MEVR. LINDE. Ik hàd toen geen andere keus.

KROGSTAD. Nou ... maar wat wou je zeggen?

MEVR. LINDE. Krogstad, als wij twee schipbreukelingen nu eens tot elkaar konden komen?

KROGSTAD. Wat zeg je?!

MEVR. LINDE. Twee menschen samen op één wrak zijn er toch beter aan toe, dan ieder afzonderlijk op het zijne.

KROGSTAD. Kristine!

MEVR. LINDE. Waarvoor denk je dat ik in de stad gekomen ben?

KROGSTAD. Zou je waarlijk een gedachte voor mij gehad hebben?

MEVR. LINDE. Ik moet werken om het leven te kunnen dragen. Al mijn levensdagen, zoo lang ik mij herinneren kan, heb ik gewerkt, en dat is mijn grootste en eenige genot geweest. Maar nu sta ik heel alleen in de wereld, zoo ontzettend leeg en verlaten. Alleen voor je zelf te werken geeft geen genot. Krogstad, geef mij iemand en iets om voor te werken.

KROGSTAD. Dat kan ik niet gelooven. Dat is alleen maar de zelfverheerlijkende overspanning van een vrouw, die zich opofferen wil.

MEVR. LINDE. Heb je ooit gemerkt dat ik overspannen was?

KROGSTAD. Zou je dat waarlijk willen doen? Zeg eens eerlijk ... weet je alles van mijn verleden?

MEVR. LINDE. Ja.

KROGSTAD. En weet je ook voor wat ik hier doorga?

MEVR. LINDE. Je zei daar straks iets, alsof je meende dat je met mij een ander mensch hadt kunnen worden.

KROGSTAD. Dat weet ik zeker.

MEVR. LINDE. Zou dat niet nu nòg kunnen gebeuren?

KROGSTAD. Kristine ... zeg je dat na rijp overleg? Ja ... dat doe je. Ik zie het je aan. Heb je er waarlijk moed toe?

MEVR. LINDE. Ik heb behoefte voor iemand een moeder te zijn en je kinderen hebben behoefte aan een moeder. Wij beiden hebben behoefte aan elkaar. Krogstad, ik geloof in het goede in je;... ik durf gerust verder met jouw door het leven te gaan.

KROGSTAD (_grijpt haar handen_). Dankje, dankje, Kristine! O, nu zal ik mij ook in de oogen van anderen weer kunnen oprichten ... O maar ik vergat....

MEVR. LINDE (_luistert_). Sst! De Tarantella! Ga nu weg, gauw!

KROGSTAD. Waarom? Wat is dat?

MEVR. LINDE. Hoor je dat dansen hier boven? Als dat uit is, kunnen ze ieder oogenblik terugkomen.

KROGSTAD. O ja ... ik zal heengaan. 't Is toch alles vergeefs. Je weet natuurlijk niet wat ik tegen de Helmers op touw gezet heb.

MEVR. LINDE. Ja wel, Krogstad, ik weet het.

KROGSTAD. En toch heb je moed?...

MEVR. LINDE. Ik begrijp best waartoe de wanhoop een man als jij bent, drijven kan.

KROGSTAD. O, 'k wou dat ik het ongedaan kon maken!

MEVR. LINDE. Dat zou je wel kunnen; want je brief ligt nog in de bus.

KROGSTAD. Weet je dat zeker?

MEVR. LINDE. Heel zeker; maar....

KROGSTAD (_ziet haar uitvorschend aan_). Moet ik het misschien zóó verstaan, dat je je vriendin redden wilt tot elken prijs? Zeg het dan liever ronduit. Is dat zoo?

MEVR. LINDE. Krogstad, wie zich ééns ter wille van anderen verkocht heeft, doet het niet voor een tweeden keer.

KROGSTAD. Ik zal mijn brief terug vragen.

Mevr. LINDE. Neen, neen....

KROGSTAD. Jawel, natuurlijk; ik blijf hier tot Helmer beneden komt; dan zeg ik hem dat hij mij dien brief terug geven moet ... dat ik het daarin alleen heb over mijn ontslag ... dat hij hem niet moet lezen....

MEVR. LINDE. Neen, Krogstad, je moet dien brief niet terug vragen.

KROGSTAD. Maar was het eigenlijk niet dáárom dat je mij hier besteld hadt?

MEVR. LINDE. Jawel, in den eersten schrik; maar er ligt nu een heel etmaal tusschen, en ik heb in dien tijd ongelooflijke dingen bijgewoond, hier in huis. Helmer moet alles weten; dat onzalige geheim moet aan het licht komen; het moet tot een volledige verklaring tusschen die twee komen; het kan onmogelijk zoo blijven voortgaan met al die verborgenheden en uitvluchten.

KROGSTAD. Nu goed dan; als jij het er op wagen wilt. Maar één ding kan ik in elk geval doen, en dat zal terstond gedaan worden....

MEVR. LINDE (_luistert_). Haast je! Ga gauw! de dans is uit; wij zijn geen oogenblik langer veilig.

KROGSTAD. Ik zal beneden op je wachten.

MEVR. LINDE. Ja, dat 's goed. Dan kan je mij thuis brengen.

KROGSTAD. Zoo onbegrijpelijk gelukkig ben ik nog nooit in mijn leven geweest. (_hij gaat de buitendeur uit; de kamerdeur blijft half open staan_).

MEVR. LINDE (_reddert een beetje op en legt haar hoed en mantel klaar_). Wat een omkeer! Ja, wat een omkeer! Menschen om voor te werken ... om voor te leven; een thuis dat ik gezellig maken kan. Nu, ik zal ferm moeten aanpakken. Als ze nu maar gauw kwamen.... (_luistert_). Aha! daar zijn ze. Gauw mijn hoed aan (_neemt hoed en mantel op_).

(_Men hoort de stemmen van Helmer en Nora buiten; een sleutel wordt omgedraaid en Helmer duwt Nora bijna met geweld het portaal in. Zij draagt het Italiaansche costuum met een grooten zwarten doek over alles heen; hij is in rok-en-witte-das met een open zwarte domino er over heen_).

NORA (_nog in de deur, tegenstribbelend_). Neen, neen, neen; niet naar binnen! Ik wil weer naar boven. Ik wil nog niet zoo vroeg weggaan.

HELMER. Maar liefste Nora....

NORA. Hè toe, Torwald, ik bid je, ik smeek je, nog maar één enkel uurtje!

HELMER. Geen minuut langer, mijn lieve Nora. Je weet dat was de afspraak. Kom, ga naar binnen; als je hier blijft staan vat je kou (_hij dringt haar trots haar tegenstribbelen zachtjes de kamer in_).

MEVR. LINDE. Goeden avond.

NORA. Kristine!

HELMER. Wat, mevrouw, is u nog zoo laat hier?

MEVR. LINDE. Ja, neem mij niet kwalijk; ik wou Nora zoo graag in haar costuum zien.

NORA. Heb je hier op mij zitten wachten?

MEVR. LINDE. Ja, ik kwam helaas een beetje te laat; je was al naar boven; en toen vond ik dat ik toch niet weggaan kon zonder je gezien te hebben.

HELMER (_neemt Nora den doek af_). Ja, bekijk haar maar eens goed. Mij dunkt zij is het bekijken waard. Is zij niet prachtig, mevrouw?

MEVR. LINDE. Ja, dat moet ik toegeven....

HELMER. Is zij niet buitengewoon mooi? Dat was ook op de partij de algemeene opinie. Maar vreeselijk eigenzinnig is zij ... dat lieve kleine dingske. Wat zullen wij er aan doen? Wil u wel gelooven dat ik haast geweld moest gebruiken om haar weg te krijgen?

NORA. O Torwald, het zal je nog berouwen dat je mij nog niet, zal was 't maar een half uurtje, hebt gegund.

HELMER. Daar hoort u 't nu. Zij danst haar Tarantella ... wordt stormachtig toegejuicht ... wat ook wel verdiend was ... hoewel de uitvoering misschien wel wat al te realistisch was ... ik bedoel, wel iets meer dan streng genomen strookte met de eischen van de kunst. Maar enfin. De hoofdzaak is dat zij succès heeft, groot succès. Mocht ik haar nu daarna nog laten blijven? Den indruk verzwakken? Neen ... dank je wel; ik nam mijn Capri-meisje ... mijn capricieus Capri-meisje zou ik kunnen zeggen ... aan mijn arm; gauw even de zaal rond ... buigen naar alle kanten ... en, zooals het in de boeken heet ... de mooie verschijning was verdwenen. Een slot moet altijd effectvol zijn; maar dàt kan ik Nora maar niet aan het verstand brengen. Poeh! wat is het hier warm! (_hij gooit zijn domino op een stoel neer en doet de deur naar zijn kamer open_). Wat? Hier is het nog donker. O ja, natuurlijk. Pardon.... (_hij gaat naar binnen en steekt een paar kaarsen aan_).

NORA (_fluistert snel en ademloos_). Wel?

MEVR. LINDE (_zacht_). Ik heb hem gesproken.

NORA. En...?

MEVR. LINDE. Nora ... je moet je man alles zeggen.

NORA (_toonloos_). Ik wist 't wel.

MEVR. LINDE. Je hebt niets te vreezen van Krogstad; maar zeggen moet je 't.

NORA. Ik zeg niets.

MEVR. LINDE. Dan zal de brief het doen.

NORA. Dankje, Kristine: ik weet nu wat mij te doen staat. Sst!...

HELMER (_komt binnen_). Wel, mevrouw, heeft u haar nu bewonderd?

MEVR. LINDE. Ja; en nu ga ik u goeden nacht wenschen.

HELMER. Wat? nu al! Is dat van u, dat breiwerk?

MEVR. LINDE (_neemt het op_). Ja, dank u; dat had ik bijna vergeten.

HELMER. Dus u breit?

MEVR. LINDE. O ja.

HELMER. Weet u wat, u moest liever borduren.

MEVR. LINDE. Zoo? Waarom?

HELMER. Omdat 't zooveel mooier is. Ziet u maar; men houdt een borduurwerk zoo, in de linkerhand, en dan haalt men met de rechterhand de naald er door ... zóó ... in een luchtige, lange bocht ... niet waar?...

MEVR. LINDE. Jawel, dat kan wel zijn....

HELMER. Daarentegen kan breien nooit anders dan onschoon zijn; kijk maar: die vastgeklemde armen ... de breinaalden die op en neer gaan ... daar is iets Chineesch in die beweging.... Ja, dat was waarlijk uitstekende Champagne die ze daar schonken.

MEVR. LINDE. Goeden nacht Nora, en wees niet meer eigenzinnig.

HELMER. Goed gezegd, mevrouw Linde!

MEVR. LINDE. Goeden nacht, mijnheer Helmer.

HELMER (_geleidt haar tot aan de deur_). Goeden nacht, goeden nacht; ik hoop dat u goed thuiskomen zal? Ik zou u graag ... maar u woont nog al niet ver hier van daan. Goeden nacht, goeden nacht. (_Zij gaat weg; hij sluit de deur en komt weer binnen_). Zie zoo; eindelijk hebben we haar dan toch de deur uit. Ze is schromelijk vervelend, dat mensch.

NORA. Ben je niet moe, Torwald?

HELMER. Neen, in 't minst niet.

NORA. Heb je geen slaap ook?

HELMER. Heelemaal niet: ik voel me integendeel bizonder opgewekt. Maar jij? Ja, jij ziet er echt moe en slaperig uit.

NORA. Ja, ik ben erg moe. Ik zal maar gauw gaan slapen.

HELMER. Zie je nu wel! Ik had dus toch wel gelijk om maar niet langer te blijven.

NORA. O, het is altijd goed wat je doet.

HELMER (_kust haar op het voorhoofd_). Nu spreekt mijn leeuwerikje als een groot mensch. Maar heb je opgelet hoe jolig Rank vanavond was?

NORA. Zoo? Was hij vroolijk? Ik heb hem niet gesproken.

HELMER. Ik ook bijna niet; maar ik heb hem in lang niet in zoo'n goede bui gezien, (_kijkt haar een poosje aan; komt dan dichterbij haar_). Hm ... het is toch maar heerlijk om weer bij je eigen thuis te komen ... om heel alleen met jou te zijn ... o jij verrukkelijk, heerlijk jong vrouwtje.

NORA. Kijk mij niet zoo aan, Torwald!

HELMER. Mag ik niet kijken naar het liefste wat ik heb? Naar al die heerlijkheid die van mij is, van mij alleen, heelemaal en uitsluitend van mij.

NORA (_gaat naar den anderen kant van de tafel_). Je moet van avond niet zulke dingen tegen mij zeggen.

HELMER (_loopt haar na_). Je hebt de Tarantella nog in je bloed, merk ik. En dat maakt je nog verleidelijker. Hoor; nu beginnen de gasten weg te gaan. (_Zachter_) Nora, nu wordt gauw het heele huis stil.

NORA. Ja dat hoop ik.

HELMER. Ja, niet waar, mijn eigen schat? O, weet je,... als ik zoo met je uit ben, op een partij ... weet je waarom ik dan zoo weinig met je spreek, me zoo ver van je houd, je alleen maar zo nu en dan eens stilletjes een oogje geef ... weet je waarom ik dat doe? Dat doe ik omdat ik me dan verbeeld dat je in stilte mijn geliefde bent, mijn jonge heimelijk verloofde, en dat niemand vermoedt dat er iets tusschen ons bestaat.

NORA. Och ja, ja, ja, ik weet wel dat al je gedachten altijd bij mij zijn.

HELMER. En als wij dan weggaan, en ik je châle om je teere jeugdige schoudertjes heenleg ... om dien prachtig gevormden nek ... dan stel ik mij voor dat je mijn jonge bruid bent, dat wij zoo pas getrouwd zijn en van de plechtigheid terug komen, en ik je voor de eerste maal binnen leid in mijn huis ... dat ik voor de eerste maal alleen met je ben, mijn jong sidderend prachtvrouwtje! Dezen heelen avond heb ik geen ander verlangen gehad dan naar jou. Toen ik je in de Tarantella zoo zag draaien en lokken ... toen kookte mijn bloed; ik hield 't niet langer uit ... dáárom was het dat ik je zoo vroeg meenam naar huis....

NORA. Toe Torwald! Laat me nu met rust. Daar wil ik nu liever niet van weten.

HELMER. Wat beteekent dat nu? Houd je mij een beetje voor den gek, Noraatje? Wil ... wil? Ben ik je man dan niet? (_Er wordt geklopt aan de buitendeur_).

NORA (_schrikt_). Hoor je dat?

HELMER (_naar het portaal gaand_). Wie is daar?

DOKTER RANK (_buiten_). Ik ben het. Mag ik een oogenblik binnen komen?

HELMER (_zachtjes, ontstemd_). Och, wat moet hij nu? (_Hardop_). Wacht even. (_Gaat de deur opendoen_). Zoo, dat is nog eens aardig van je dat je onze deur niet voorbij gaat.

RANK. Ik meende je stem te hooren, en toen wou ik toch nog even komen kijken. (_Laat zijn blikken vluchtig in het rond gaan_). Ach ja; die lieve welbekende kamers. Je hebt het hier goed en gezellig samen, jullie met je beidjes.

HELMER. 't Leek me zoo dat je je boven ook nog al amuseerde.

RANK. Buitengewoon. En waarom ook niet? Waarom zal een mensch niet van alles genieten op de wereld? In elk geval zooveel hij kan en zoo lang hij kan. De wijn was uitstekend....

HELMER. Vooral de Champagne.

RANK. Heb jij dat ook opgemerkt? Het is haast niet te gelooven zooveel als ik er van doorspoelen kon.

NORA. Torwald heeft ook veel Champagne gedronken van avond.

RANK. Zoo?

NORA. Ja, en dan is hij naderhand altijd zoo vroolijk gestemd.

RANK. Nou, waarom zou een mensch zich niet eens een vroolijken avond permiteeren na een goed gebruikten dag?

HELMER. Een goed gebruikten dag ... daar durf ik mij helaas niet op beroemen.

RANK (_klopt hem op den schouder_). Maar dat durf ik, zie je.

NORA. Dokter, u heeft zeker een wetenschappelijk onderzoek gedaan vandaag.

RANK. Ja juist.

HELMER. Kijk eens aan, kleine Nora praat over wetenschappelijke onderzoekingen!

NORA. En mag ik u geluk wenschen met den uitslag?

RANK. Ja, waarachtig, dat mag u.

NORA. Het was dus goed.

RANK. Het allerbeste zoowel voor den dokter als voor den patiënt ... zekerheid.

NORA (_snel en verschrikt_). Zekerheid?

RANK. Volkomen zekerheid. Mocht ik daarna niet eens een vroolijken avond hebben?

NORA. Ja, daar had u gelijk in, dokter.

HELMER. Dat zeg ik ook; als het je morgen dan maar niet opbreekt.

RANK. Och, een mensch heeft niets om niet in het leven.

NORA. Dokter, u houdt zeker veel van gemaskerde partijen?

RANK. Ja, als er een heeleboel dwaze maskers zijn.

NORA. Hoor eens; hoe zullen wij tweeën ons verkleeden op een volgende partij?

HELMER. Jij kleine pretmaakster ... denk je nu alweer over de volgende?

RANK. Wij tweeën? Wacht, dat zal ik u eens vertellen. U moet een gelukskind zijn.

HELMER. Ja, maar bedenk dan een costuum dat dat uitdrukt.

RANK. Laat je vrouw maar komen zoo als ze is....

HELMER. Dat was nu eens mooi gezegd. Maar weet je nog niet wat je dan zelf zijn zult?

RANK. Jawel, beste kerel, dat heb ik met mezelf al uitgemaakt.

HELMER. Wat dan?

RANK. Op de volgende gemaskerden partij zal ik onzichtbaar zijn.

HELMER. Dat is een komieke inval!

RANK. Er bestaat ergens iets als een groote zwarte hoed ... heb je nooit gehoord van een onzichtbaar-makende hoed? Dien doen ze dan over je heen, en dan is er niemand die je zien kan.

HELMER (_met een onderdrukt lachje_). Ja, dat zal wel waar zijn.

RANK. Maar ik zou glad vergeten waarvoor ik eigenlijk kom. Helmer, toe geef mij een sigaar, een van je donkere Havanna's.

HELMER. Met het grootste genoegen (_biedt hem zijn koker aan_).

RANK (_neemt er een en snijdt er het puntje af_). Dank je.

NORA (_strijkt een lucifer af_). Laat ik u eens een vlammetje geven.

RANK. Heel vriendelijk. Dank u wel. (_Zij houdt de lucifer bij; hij steekt op_). En nu adieu.

HELMER. Adieu, adieu beste vriend!

NORA. Slaap wel, dokter.

RANK. Dank voor dien wensch.

NORA. Wensch mij hetzelfde toe.

RANK. U? O ja, als u dat graag wil ... slaap wel. En dank voor het vlammetje (_hij knikt hun beiden toe en gaat heen_).

HELMER (_halfluid_). Hij had wel wat veel gedronken.

NORA (_verstrooid_). Misschien wel.

(_Helmer haalt zijn sleutelring uit zijn zak en gaat naar het portaal_).

NORA. Torwald, wat ga je daar doen?

HELMER. Ik moet de brievenbus leeg maken; ze is heelemaal vol; er is geen plaats meer voor de courant morgen ochtend....

NORA. Ga je nu nog werken van nacht?

HELMER. Je weet wel dat ik daar geen plan op heb ... wat is dat? Er is iemand aan het slot geweest.

NORA. Aan het slot?...